De jeugdprofessional heeft onvoldoende informatie verschaft en heeft richting klagers onvoldoende gecommuniceerd. De jeugdprofessional heeft de schijn van partijdigheid gewekt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. D.J. Markx , voorzitter,
Mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
Mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
Mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,
De heer W.V.V. Toebosch, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:
[klager], hierna te noemen: klager en [klaagster], hierna te noemen: klaagster, beiden wonende te [woonplaats], samen aan te duiden als klagers, ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam bij [gecertificeerde instelling, verder GI].

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 24 maart 2016 met bijlagen;

– het verweerschrift d.d. 3 juni 2016 met bijlagen.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 7 november 2016 in aanwezigheid van klagers en hun gemachtigde mevrouw mr. S. van Oers, en beklaagde en haar gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klager is vader van [kind 1] (geboren op [geboortedatum] 2009) en [kind 2] (geboren op [geboortedatum] 2011).
Klaagster is oma vaderszijde. Klager en zijn ex-partner (hierna te noemen: moeder) zijn sinds [datum] 2012 uit elkaar. [Kind 1 en kind 2]  hebben sindsdien bij klagers gewoond. Klager en moeder zijn beiden belast met het ouderlijk gezag. De verstandhouding tussen klager en moeder is niet goed.

2.2

Bij beschikking van 3 september 2012 zijn [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling (hierna te noemen: ots) is uitgevoerd door [GI] en is steeds verlengd. Er zijn onder andere een Eigen Kracht Conferentie, systeemtherapie en gesprekken met klager en moeder gezamenlijk ingezet om de onderlinge verhouding tussen hen te verbeteren.

2.3

Bij beschikking d.d. 26 april 2013 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld. Daarin is bepaald dat [kind 1] en [kind 2] twee keer per week met moeder contact zullen hebben onder begeleiding van een hulpverlenende instantie. Aan de gezinsvoogd is opgedragen de plaats, aard en uitbreiding te bepalen.

2.4

Beklaagde is van 24 september 2014 tot en met 25 januari 2016 als opvolgend gezinsvoogd bij klagers betrokken. Klager heeft [GI] op 10 december 2015 verzocht om een andere gezinsvoogd. Sinds 26 januari 2016 is een andere gezinsvoogd betrokken.

2.5

Op voorstel van beklaagde heeft [GI] op 11 november 2014 een verzoek tot uitbreiding van de bezoekregeling bij de rechtbank ingediend. Klagers waren het niet eens met uitbreiding nu moeder herhaaldelijk haar afspraken in verband met de bezoekregeling niet was nagekomen en zij zorgen hadden over de situatie bij moeder. De rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 2014 het verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling voor vier maanden aangehouden.

2.6

Bij beschikking d.d. 23 april 2015 heeft de rechtbank het verzoek tot uitbreiding van de bezoekregeling afgewezen omdat de contactmomenten met moeder niet voorspelbaar zijn gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank het van belang geacht dat zowel klager als moeder meewerken aan een hulpverleningstraject bij […] om hun communicatie te verbeteren.

2.7

[GI] heeft op 10 augustus 2015 een verzoek tot uithuisplaatsing ingediend. Daarna, op 20 augustus 2015, heeft beklaagde klagers op de hoogte gebracht van het verzoek om [kind 1] en [kind 2] uit huis te plaatsen. Bij beschikking d.d. 22 september 2015 heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor [kind 1] en [kind 2] . Klager heeft op 13 oktober 2015 hoger beroep ingesteld. [GI] heeft na een verzoek van het Gerechtshof de machtiging tot uhp niet gebruikt in afwachting van de beslissing in hoger beroep. Bij beschikking d.d. 8 december 2015 heeft het Gerechtshof de machtiging tot uhp afgewezen.

2.8

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2014.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I

Beklaagde is haar afspraken niet nagekomen. Een afspraak is gemaakt dat klager, moeder en beklaagde gezamenlijk gesprekken zouden voeren. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 22 september 2015, heeft beklaagde gezegd dat zij sinds 20 april 2015 met moeder alleen gesprekken heeft gevoerd en dat zij door deze gesprekken moeder beter is gaan begrijpen. Beklaagde heeft klager hierover niet geïnformeerd. Klager vernam dit op genoemde zitting.

II

De wijzigingen in de bezoekregeling (duur, tijden, begeleiding) tussen moeder en [kind 1] en [kind 2] en de uhp (voornemen en eventuele uitvoering) zijn door beklaagde onvoldoende met klagers gecommuniceerd.

III

Beklaagde is partijdig en handelt niet neutraal. [Kind 1] en [kind 2] wonen bij klagers maar klagers zijn na het aantreden van beklaagde als gezinsvoogd niet bij de genomen beslissingen over de bezoekregeling betrokken. In een e-mail van 29 december 2015 heeft beklaagde voorwaarden gesteld aan het voeren van individuele gesprekken met klager. Ook heeft beklaagde met moeder en de nieuwe gezinsvoogd een overdrachtsgesprek gepland terwijl klagers niet zijn uitgenodigd voor een overdrachtsgesprek.

IV

Beklaagde heeft geen zicht op het welzijn van [kind 1] en [kind 2] maar neemt wel zeer ingrijpende beslissingen zoals het verzoek tot uithuisplaatsing. De beslissing tot het indienen van het verzoek tot uhp is niet weloverwogen en is gebaseerd op een Danger Statement uit 2014. Er is tevoren geen overleg geweest met diverse professionals die op de hoogte waren van de actuele situatie.

V

Beklaagde heeft de rechter onjuist of onvolledig geïnformeerd. Zo heeft beklaagde tijdens de behandeling van het verzoek tot uhp bij de rechtbank op 22 september 2015 gezegd dat zij de gesprekken met klager en moeder gezamenlijk is gestopt na uitlatingen van klager.

3.6

Beklaagde heeft de zorgen van klagers niet serieus genomen en heeft hen niet of onvoldoende gesteund. Beklaagde heeft klager geen concrete handvatten gegeven op het moment dat klagers haar hebben gevraagd om advies of hulp. Klagers hebben een leidende rol van beklaagde gemist en voelen zich niet serieus genomen.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

I

De door klager bedoelde afspraak over gezamenlijke gesprekken met klager en moeder is door de vorige gezinsvoogd gemaakt. Beklaagde was van plan ook met klager en moeder gezamenlijke gesprekken te voeren maar zij heeft niet gezegd dat zij geen afzonderlijke gesprekken met ieder van partijen zou hebben. Beklaagde heeft zowel met klager als met moeder persoonlijke gesprekken gevoerd. Beklaagde is op 16 april 2015 op huisbezoek bij klager geweest en zij heeft meerdere telefoongesprekken met klager gevoerd. Beklaagde betwist dat zij sinds 20 april 2015 met moeder gesprekken heeft gevoerd en dat zij deze gesprekken pas tijdens de zitting bij de rechtbank op 22 september 2015 heeft genoemd. Beklaagde heeft klager twee keer door middel van een e-mail geïnformeerd over de gesprekken die zij heeft gehad met moeder. Moeder heeft niet gewild dat klagers op de hoogte waren van de inhoud van deze gesprekken, hetgeen beklaagde heeft gerespecteerd.

II

Beklaagde heeft op 16 juli 2015 klager gebeld en hem geïnformeerd dat de bezoeken van [kind 1] en [kind 2] aan moeder gedeeltelijk onbegeleid zouden plaatsvinden. Vervolgens heeft beklaagde klager door middel van een e-mail op 20 augustus 2015, 17 september 2015 en 10 december 2015 geïnformeerd.
In het gesprek op 20 augustus 2015 heeft beklaagde aan klagers uitgelegd waarom zij een machtiging tot uhp heeft ingediend bij de rechtbank.

4.3

Beklaagde is van mening dat zij onpartijdig en neutraal heeft gehandeld.

4.4

Beklaagde heeft tot het indienen van het verzoek tot uhp contact gehad met [kind 1] en [kind 2] . Zij heeft de kinderen voor het laatst gesproken op 19 juni 2015. Vanaf september 2012 is geen vooruitgang geboekt in het contact tussen klager en moeder en worden de kinderen hier iedere dag mee belast. Zowel klager als moeder hebben hier een aandeel in.
Op 20 augustus 2015 heeft beklaagde een emotioneel gesprek gevoerd met klagers. Beklaagde heeft klagers vervolgens de ruimte willen geven om zich voor te bereiden op de zitting waar het verzoek tot uhp zou worden behandeld. Beklaagde heeft daarna geen individuele gesprekken met [kind 1] en [kind 2] meer gevoerd vanwege de spanningen die [kind 1] en [kind 2] hebben ondervonden. Beklaagde heeft in oktober 2015 overleg gehad met het team en een gedragswetenschapper. Na plaatsing van [kind 1] en [kind 2] in een pleeggezin zou een nieuwe gezinsvoogd worden aan gesteld en zouden individuele gesprekken met [kind 1] en [kind 2] worden gevoerd. Bovendien heeft klager op 10 december 2015 beklaagde bericht dat hij niet meer met beklaagde in gesprek wilde.

4.5

De informatie die beklaagde aan de rechter heeft verstrekt, is correct.

4.6

Beklaagde heeft gezamenlijke gesprekken met klager en moeder gevoerd, maar ook met hen afzonderlijk. De zorgen van klager zijn aan moeder overgebracht. Moeder had hier een andere opvatting over. Beklaagde heeft deze zorgen van beide ouders na maart 2015 in een gezamenlijke mail gezet.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Bij de beoordeling van de klachten betrekt het College enkel de feiten die zich hebben voorgedaan in de periode waarin beklaagde als gezinsvoogd was, tussen 24 september 2014 tot en met 25 januari 2016.

Het College oordeelt als volgt.

Ad 1, 2, 3, 4 en 6:

Nu al deze klachtonderdelen betrekking hebben op de wijze waarop beklaagde klagers heeft geïnformeerd en met hen heeft gecommuniceerd, terwijl in onderdeel I. en III. tevens het aspect van partijdigheid betrokken is, zal het College deze klachtonderdelen gezamenlijk beoordelen.

Beklaagde heeft klagers niet (voldoende) geïnformeerd over haar gesprekken met moeder. Het had in dit geval voor beklaagde als professional op grond van de voorgeschiedenis en haar voorafgaande contacten met klager en moeder duidelijk moeten zijn dat klager en moeder moeizaam met elkaar communiceerden. Beklaagde heeft in deze omstandigheden met moeder aparte gesprekken gevoerd en een ander beeld van moeder gekregen. Als gevolg hiervan is de bezoekregeling tussen moeder en [kind 1] en [kind 2] stapsgewijs uitgebreid. Beklaagde heeft nagelaten klagers hierover te informeren terwijl een gewijzigde bezoekregeling gevolgen heeft voor [kind 1] en [kind 2] . Zij heeft derhalve niet transparant ten opzichte van klagers gehandeld en is in gebreke gebleven met haar informatieplicht ten opzichte van klagers. Zulks nog los van het feit dat beklaagde hierdoor ten opzichte van klagers in elk geval de schijn heeft gewekt niet onpartijdig te zijn. Door klagers niet te informeren en hierover niet met hen te communiceren hebben zij zich achtergesteld kunnen voelen. De door moeder gewenste geheimhouding had beklaagde niet zonder meer ervan mogen weerhouden geen enkele informatie aan klagers te verstrekken. Zij heeft voorts geen inzicht gegeven in de achtergronden van de door haar voorgestelde uitbreiding van het bezoek, terwijl zij wist dat klager met reden hierover een ander standpunt had. Beklaagde heeft zich kennelijk niet gerealiseerd dat deze gang van zaken tot gevolg zou kunnen hebben dat het vertrouwen van klager in beklaagde als gezinsvoogd zou verminderen.

Ook na afwijzing van voormeld verzoek door de rechtbank is de communicatie over relevante onderwerpen zoals de uitbreiding van de omgangsregeling en het verzoek tot uhp door beklaagde niet voldoende geweest. Zo heeft beklaagde ten onrechte klagers niet of onvoldoende op de hoogte gesteld van haar opvatting dat bij gebreke van een positievere opstelling van klager ten opzichte van uitbreiding van de omgangsregeling een uithuisplaatsing zou worden overwogen. Weliswaar beroept beklaagde zich op telefonische contacten die zij met klager heeft gehad en aan hem verzonden mailberichten, maar naar het oordeel van het College verdient het de voorkeur dergelijke voor klager ingrijpende vooruitzichten in een face-to-face gesprek te bespreken. Dat geeft immers de mogelijkheid aan beklaagde te verifiëren of de “boodschap” goed is overgekomen, hetgeen behoort bij een zorgvuldige uitoefening van haar taak als jeugdprofessional. Klager heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij meermalen aan beklaagde heeft gevraagd hem te melden wanneer hij tekort zou schieten in zijn opvoedingstaken, maar dat beklaagde hier niet op in is gegaan. Ook heeft klager onweersproken aangevoerd dat hij nimmer aanmerkingen van beklaagde heeft gekregen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Vast staat verder dat het verzoek tot uhp op 10 augustus 2015 is ingediend en dat klager hierover op 20 augustus 2015 op de hoogte is gesteld. Beklaagde heeft niet aannemelijk kunnen maken dat zij bij dit verzoek actuele informatie over [kind 1] en [kind 2] heeft gevoegd, zoals ook door het gerechtshof in zijn beslissing van 8 december 2015 is overwogen.
Van beklaagde als jeugdprofessional had verwacht mogen worden dat zij klagers zou hebben voorbereid op een uithuisplaatsing. Het College overweegt dat beklaagde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij klagers op zorgvuldige wijze heeft voorbereid op een uithuisplaatsing. Een e-mail d.d. 6 juli 2015 waarin beklaagde verzoekt om een gesprek met klagers om een nieuw Plan van Aanpak te bespreken zonder te benoemen dat zij een verzoek tot een uhp zou indienen, acht het College onvoldoende. In het gesprek van 20 augustus 2015 heeft beklaagde klagers medegedeeld dat zij een machtiging tot uhp bij de rechtbank wilde indienen, terwijl het verzoek al was ingediend op 10 augustus 2015. Daarnaast heeft beklaagde niet tijdig de redenen van uhp met klagers besproken, evenals de wijze waarop beklaagde wilde toewerken naar een uhp, nadat het verzoek zou zijn toegewezen.

Beklaagde had moeten inzien en onderkennen dat de uhp bij klager onder deze omstandigheden rauw op zijn dak is gevallen. In de Richtlijn Uithuisplaatsing voor Jeugdhulp en Jeugdbescherming is omschreven dat ouders ruimte moeten krijgen om hun emoties over de uithuisplaatsing te kunnen uiten hetgeen om inlevingsvermogen van de jeugdprofessional vraagt. Klager heeft beklaagde na het besluit tot uhp in verschillende e-mails gevraagd om de gang van zaken na een uhp te schetsen. Beklaagde heeft twee korte e-mails verstuurd aan klagers op 26 november 2015.
Niet gezegd kan worden dat beklaagde klagers voldoende heeft begeleid bij het proces van uhp nadat zij de machtiging tot uhp heeft aangevraagd. Het is begrijpelijk dat beklaagde klagers na het emotionele gesprek op 20 augustus 2015 de ruimte heeft willen geven. Het behoort echter tot de professionele verantwoordelijkheid van beklaagde om na het gesprek van 20 augustus 2015 nogmaals met klagers in gesprek te gaan en hen verder te informeren over de gevolgen van een uhp. Door dit na te laten heeft beklaagde de samenwerking met klagers niet opgezocht en is de afstand tussen klagers en beklaagde vergroot. Beklaagde is ook in dit opzicht in de communicatie met klagers ernstig te kort geschoten.
Uit het voorgaande blijkt dat het College van oordeel is dat de genoemde klachtonderdelen alle gegrond zijn. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met de artikelen C (bereidheid iedere cliënt op gelijke wijze te helpen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en F (informatievoorziening over hulp- en dienstverlening).

Ad 5:

Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de mondelinge behandeling van de machtiging tot uhp bij de rechtbank. In deze tuchtrechtelijke procedure is het proces-verbaal van die zitting van 22 september 2015 overgelegd. Het proces-verbaal is een zakelijke samenvatting van hetgeen ter zitting is besproken. Het is het College kan voor het overige niet vaststellen wat door beklaagde nog gezegd zou zijn tijdens die zitting nu de lezing van partijen daarover uiteen loopt.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

Het merendeel van de klachten is gegrond zoals uit het voorgaande blijkt. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met diverse bepalingen uit de Beroepscode. Niet gebleken is dat zij in de periode waarin zij gezinsvoogd was voldoende heeft gereflecteerd op de mogelijke consequenties van haar handelen. Dat had van haar als ervaren jeugdzorgwerker wel verwacht mogen worden. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, acht het College de maatregel van berisping passend en geboden.

6 Beslissing

Het College van Toezicht:
– verklaart klachtonderdelen I. , II, III., IV. en VI. gegrond,
– Verklaart klachtonderdeel V. ongegrond,
– Legt op een maatregel van berisping.

Aldus gedaan en op 21 december 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. D.J. Markx                                                                            mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                                        secretaris