Klacht tegen jeugdzorgwerker over de wijze waarop de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is uitgevoerd

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

dhr. mr. A.R.O. Mooy , voorzitter,
mw. L. Veenstra en mw. N. Baljet, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mw. mr. R. Dieleman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:
[klaagster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

[de jeugdprofessional], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam bij [de GI] (hierna te noemen: [de GI]).

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

  • het klaagschrift, ingekomen op 7 april 2016, met bijlagen;
  • het verweerschrift d.d. 19 juli 2016, met bijlagen;
  • de conclusie in repliek van klager d.d. 12 september 2016, met bijlagen
  • het verweer in dupliek van beklaagde d.d. 14 oktober 2016.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 18 november 2016 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de gemachtigde van beklaagde. Beklaagde werd bijgestaan door mw. mr. E. Lam, advocaat te [plaats].

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1 Uit het inmiddels ontbonden huwelijk tussen klaagster en [naam ex-partner] (hierna te noemen: [de ex-partner]) is als derde kind in een rij van vier geboren: [de minderjarige], [geboren in] 2002 (hierna te noemen: [de minderjarige]).

2.2 In de zomer van 2012 zijn klaagster en [de ex-partner] uit elkaar gegaan. [De minderjarige] woonde sindsdien bij klaagster en haar huidige partner, [naam partner] (hierna te noemen: [de partner]).

2.3 Klaagster heeft een geslachtsverandering ondergaan, welk proces op [datum] 2014 is afgerond met een officiële wijziging van geslacht. Sindsdien is klaagster geregistreerd als vrouw.

2.4 Sinds 21 mei 2015 staat [de minderjarige] onder toezicht gesteld van [de GI 2] te [plaats] (hierna: [de GI 2]), waarbij de feitelijke uitvoering in handen is van beklaagde als gezinsvoogd. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 21 mei 2017.

2.5 Op 18 december 2015 is [de minderjarige] met spoed uit huis geplaatst. Sindsdien woont hij bij [de ex-partner]. De machtiging tot uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd tot 21 mei 2017.

2.6 Met ingang van 1 januari 2016 is de uitvoering van de maatregel door [de GI 2] bij volmacht overgedragen aan [de GI 1].

2.7 Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

Klachtonderdeel 1

Beklaagde handelt discriminerend door klaagster en [de partner] consequent te misgenderen, door de kinderen te blijven bevragen op het gemis van hun vader, door te weigeren afstand te nemen van het discriminerende standpunt van de gereformeerde kerk ten aanzien van homoseksualiteit en transgenders en door gesprekspartners niet te corrigeren wanneer zij misgenderen.

Klachtonderdeel 2

Beklaagde sluit klaagster buiten bij alles wat haar kinderen aangaat door klaagster niet te informeren waar en wanneer beklaagde met de kinderen van klaagster spreekt, door klaagster niet te informeren over hetgeen beklaagde bespreekt met de kinderen, door klaagster te verbieden per email te communiceren met [de ex-partner], door klaagster geen gelegenheid te bieden om contact te onderhouden met [de minderjarige] en door klaagster niet te informeren over het wel en wee van [de minderjarige].

Klachtonderdeel 3

Beklaagde maakt misbruik van macht door de rechtbank te misleiden met een in scene gezette crisis als gevolg waarvan een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verleend. Dit terwijl een verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [de minderjarige] in de rede lag.

Klachtonderdeel 4

Beklaagde faciliteert ouderverstoting door ervoor te zorgen dat klaagster geen enkele contactmogelijkheid heeft met [de minderjarige]. Beklaagde doet niets om dit contact te herstellen.

Klachtonderdeel 5

Beklaagde houdt zich niet aan de wet- en regelgeving. Aan de wettelijke voorwaarde voor een (spoed)uithuisplaatsing is nimmer voldaan.

Klachtonderdeel 6

Ten onrechte is de geloofsovertuiging van klaagster geregistreerd. Hiermee heeft beklaagde de Wet Bescherming Persoonsgegevens overtreden.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

Klachtonderdeel 1

Beklaagde ontkent dat hij zich schuldig maakt aan discriminatie.
Beklaagde erkent dat hij zich in de aanspreektitel van klaagster en [de partner] wel eens heeft vergist, maar hiervoor heeft hij telkens zijn excuses aangeboden en dit is zeker niet met opzet gebeurd. Beklaagde begrijpt dat de wijziging van het geslacht van klaagster gevoelig ligt. Beklaagde herkent niet dat hij consequent zou misgenderen. Beklaagde ziet geen aanleiding om uitdrukkelijk afstand te doen van een standpunt van de organisatie waarvoor hij werkt, in het bijzonder niet omdat klaagster zich wat betreft dit standpunt baseert op een document dat volgens beklaagde voor een ander doel is opgesteld.
Beklaagde heeft bij aanvang van zijn werkzaamheden nadrukkelijk uitgesproken dat hij als gezinsvoogd komt om te helpen, niet om te oordelen en dat hij een ieder aanspreekt op de rol als opvoeder. Beklaagde ontkent dat hij heeft gezegd dat transseksualiteit een gevaar kan zijn voor kinderen. Wel heeft beklaagde in het startgesprek benoemd dat als de transgenderiteit een onderdeel zou zijn van de vastgelopen opvoedingssituatie, dat dit dan besproken zal worden, maar beklaagde heeft daarbij ook benoemd dat de grond voor de ondertoezichtstelling de non-communicatie tussen de ouders van [de minderjarige] is.
Beklaagde stelt dat de geslachtswijziging van klaagster onderwerp van gesprek is geweest tussen beklaagde en [de minderjarige] omdat dit een grote levensgebeurtenis is die tot een geheel nieuwe gezinssituatie heeft geleid.
Beklaagde ontkent dat hij de gesprekspartners niet heeft verbeterd wanneer werd misgenderd.

Klachtonderdeel 2

Beklaagde herkent niet dat hij klaagster zou buitensluiten bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Beklaagde stelt daartegenover dat het klaagster zelf is die de communicatie bemoeilijkt.
Beklaagde is in gesprek gegaan met alle betrokkenen.
[De GI 2] heeft besloten een persoonlijkheidsonderzoek bij [de minderjarige] te laten afnemen omdat de oudergesprekken niet tot een gewenst resultaat leidden. Klaagster heeft haar toestemming voor dit onderzoek ingetrokken. Klaagster heeft vervolgens andere hulpverlening ingeschakeld, maar weigerde beklaagde in te lichten over dit proces.
In november 2015 heeft beklaagde zowel met klaagster als met [de ex-partner] gesprekken gevoerd, die ertoe hebben geleid dat beklaagde een gesprek met [de minderjarige] wilde voeren. Klaagster stond erop dat haar partner, [de partner], bij dit gesprek aanwezig zou zijn. Toen beklaagde duidelijk maakte dat dit niet zou gebeuren, heeft klaagster [de minderjarige] niet toegestaan met beklaagde te spreken.
Wat betreft de informatievoorziening, merkt beklaagde op dat het in eerste instantie aan de ouders met gezag is om informatie over hun kind uit te wisselen. Dit is niet de taak van de gezinsvoogd. Klaagster kan zelf via school de onderwijsontwikkelingen van [de minderjarige] volgen.

Klachtonderdelen 3 en 5

Beklaagde betwist (zo begrijpt het College) dat hij een crisis in scene heeft gezet. Beklaagde verwijst voor wat betreft de gronden voor de uithuisplaatsing naar de beschikkingen van de rechtbank en het gerechtshof. De beslissing tot het doen van een verzoek tot het aanvragen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing heeft beklaagde in overleg genomen met collega’s en een gedragswetenschapper. Hierbij is een afweging gemaakt tussen een regulier verzoek dan wel een spoedverzoek. De inschatting werd gemaakt dat [de minderjarige] in de thuissituatie een ernstige emotionele onveiligheid ervoer. De verwachting was dat deze onveiligheid zou toenemen als gekozen zou worden voor een regulier verzoek, omdat [de minderjarige] dan mogelijk thuis onder druk zou worden gezet door klaagster en haar partner. Deze zorgen, in combinatie met de uiting van [de minderjarige] dat hij liever dood wilde zijn dan zo door te gaan en het gegeven dat het beklaagde niet werd toegestaan een gesprek met [de minderjarige] te hebben, hebben geleid tot de conclusie dat er reden was voor de aanvraag van een spoedmachtiging.
De overtuiging van klaagster dat zij gediscrimineerd wordt heeft de overhand gekregen in de communicatie. Hierdoor is het beklaagde niet gelukt om in gesprek te komen met klaagster over de zorgen om [de minderjarige].

Klachtonderdeel 4

Beklaagde erkent dat er sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] geen contact meer is geweest tussen hem en klaagster. Beklaagde betwist dat hij hiervoor verantwoordelijk is. Klaagster is in de visie van beklaagde niet in staat om naar haar eigen rol en die van haar partner hierin te kijken en open te staan voor de wensen van [de minderjarige].
De wijze waarop [de minderjarige] na de spoeduithuisplaatsing zijn persoonlijke spullen heeft verkregen is moeizaam geweest. Klaagster liet [de minderjarige] weten dat hij gewoon kon komen en dat hij na een gesprek met haar en haar partner zijn spullen kon ophalen. Klaagster wilde niet dat beklaagde hierbij aanwezig zou zijn. [De minderjarige] liet weten dat hij alleen een gesprek met klaagster wilde hebben als hiervan geen opnamen gemaakt zouden worden. Met deze voorwaarde ging klaagster niet akkoord. Ook bemiddeling van de wijkagent leverde niets op. [De minderjarige] is hierdoor teleur gesteld in klaagster.
Beklaagde spant zich in voor contactherstel. Op 2 juni 2016 heeft beklaagde namens [de minderjarige] aan klaagster een voorstel gedaan voor een ontmoeting op neutraal terrein, zonder de aanwezigheid van [de partner]. Klaagster heeft laten weten dat zij zich hier niet in kan vinden.
Het is door toedoen van klaagster zelf dat er nog geen contactherstel heeft plaatsgevonden.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Vooropgesteld zij voorts dat door klaagster is medegedeeld dat de klacht ziet op de periode vanaf de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 21 januari 2016. Al hetgeen hierna door het College wordt overwogen en beslist ziet derhalve uitsluitend op de periode van 21 mei 2015 tot en met 21 januari 2016.

Het College oordeelt als volgt.

Klachtonderdeel 1

Klaagster stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat beklaagde discriminerend heeft gehandeld ten opzichte van klaagster, haar relatie met een vrouw en de omstandigheid dat zowel klaagster als [de partner] van geslacht zijn veranderd. Beklaagde heeft dit standpunt betwist.

Het College is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat beklaagde zich bij de uitoefening van zijn functie inderdaad, zoals door klaagster is gesteld, enkele malen heeft versproken in het geslacht(saanduiding) van klaagster dan wel haar partner [de partner]. Uit de stukken blijkt voorts dat beklaagde hiervoor zijn excuses heeft aangeboden. Het College kan zich zeer wel voorstellen dat deze versprekingen grievend zijn geweest voor klaagster en haar partner. Het College heeft echter geen aanwijzingen gevonden dat beklaagde dit met opzet heeft gedaan, laat staan met het opzet om klaagster dan wel haar partner te discrimineren. Ook overigens heeft het College geen aanwijzingen gevonden voor de stelling van klaagster dat beklaagde al dan niet opzettelijk discriminerend heeft gehandeld of gesproken.

Met betrekking tot de stelling van klaagster dat beklaagde heeft geweigerd afstand te nemen van het discriminerende standpunt van de gereformeerde kerk ten aanzien van homoseksualiteit, overweegt het College in het bijzonder het volgende.
Beklaagde heeft bij gelegenheid van de hoorzitting verklaard dat hij weliswaar de standpunten van de gereformeerde stichting waarvoor hij werkzaam is onderschrijft, maar dat de grondhouding van die stichting en van hemzelf is dat hulp wordt geboden aan iedere cliënt en dat iedere cliënt wordt benaderd zonder oordeel. Het College heeft uit de stukken of hetgeen bij gelegenheid van de hoorzitting is verklaard geen enkele aanwijzingen gekregen dat beklaagde bij de uitoefening van zijn functie als gezinsvoogd van [de minderjarige] van die grondhouding is afgeweken.

Op zeker moment in de loop van de ondertoezichtstelling heeft klaagster een verzoek gedaan om een andere gezinsvoogd te benoemen. Aan dat verzoek is door [de GI 2] in de visie van het College terecht geen gehoor gegeven, waarbij de bezwaren van klaagster tegen beklaagde – die niet uitdrukkelijk afstand wenst te nemen van de grondslagen van de stichting – zijn afgezet tegen het belang van [de minderjarige] bij voortzetting van de uitvoering van de ondertoezichtstelling door beklaagde. In navolging van de overwegingen van de rechtbank [locatie] in zijn beschikking van 20 mei 2016 stelt het College vast dat naar verwachting vervanging van de gezinsvoogd, of zelfs van de GI, niet zou hebben geleid tot een constructieve samenwerking. Dat beklaagde aan de wens van klaagster om expliciet afstand te nemen van het standpunt van de gereformeerde kerk niet tegemoet komt, maakt naar het oordeel van het College op grond van het vorenstaande niet dat hij zich daarmee discriminerend heeft opgesteld in de richting van klaagster.

Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

Klachtonderdeel 2

Klaagster stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat zij door beklaagde is buitengesloten:

  1. doordat zij niet door beklaagde is geïnformeerd over (de inhoud van) gesprekken tussen beklaagde en [de minderjarige],
  2. doordat haar geen gelegenheid is geboden om contact te onderhouden met [de minderjarige] en
  3. doordat zij door beklaagde niet is geïnformeerd over het wel en wee van [de minderjarige].

Het College overweegt met betrekking tot dit (in drie onderdelen uiteenvallende) klachtonderdeel het volgende.

ad 1)
Vooropgesteld zij dat een gezinsvoogd geen toestemming van de ouder(s) nodig heeft voor het voeren van een gesprek met het onder toezicht gestelde kind. Wel dient een gezinsvoogd de ouder(s) te informeren dat hij een gesprek met het kind heeft. De gezinsvoogd informeert de ouders daarover zo mogelijk voorafgaand aan het gesprek.

Het College stelt in casu vast dat – toen bij een gezinsgesprek bij [de ex-partner] thuis zorgsignalen rond [de minderjarige] naar voren kwamen, welke signalen aanleiding waren tot het plannen van een vervolggesprek – beklaagde ervoor heeft gekozen om een gesprek met [de minderjarige] te laten plaatsvinden bij een gezin in de netwerkomgeving van [de ex-partner], te weten [de familie].

Beklaagde heeft klaagster niet geïnformeerd over de omstandigheid dat hij een gesprek met [de minderjarige] zou hebben. Beklaagde verklaarde dat hij dat niet heeft gedaan omdat hij bang was dat klaagster [de minderjarige] mogelijk onder druk zou zetten om dat gesprek niet met beklaagde aan te gaan. Het College is van oordeel dat deze afweging van beklaagde, tegen de achtergrond van hetgeen is gebleken omtrent de gespannen situatie rond [de minderjarige], niet onbegrijpelijk is.

Met betrekking tot de locatie van het gesprek heeft beklaagde verklaard dat aanvankelijk de afspraak was dat gesprekken tussen hem en [de minderjarige] (met instemming van klaagster) op de school van [de minderjarige] plaatsvonden, maar dat [de minderjarige] daartegen gaandeweg bezwaren opwierp. De bezwaren van [de minderjarige] tegen het voeren van gesprekken op school, zijn, zo is het College gebleken, niet met klaagster besproken. Dat beklaagde een gesprek wilde voeren met [de minderjarige] zonder klaagster daarvan op de hoogte te stellen acht het College, zoals hierboven overwogen, begrijpelijk. Echter, dat beklaagde er daarbij voor heeft gekozen om af te wijken van de (neutrale) schoollocatie en dit gesprek heeft gevoerd in de woning en in bijzijn van een gezin uit het netwerk van de ex-partner van klaagster – welk gezin nadrukkelijk niet het vertrouwen had van klaagster (hetgeen beklaagde bekend was) -is naar het oordeel van het College niet begrijpelijk, sterker, daarmee heeft beklaagde onvoldoende blijk gegeven van onpartijdigheid. Met andere woorden: in de visie van het College had het in het kader van de onpartijdigheid en de samenwerking met beide ouders voor de hand gelegen als beklaagde – die bij de keuze voor de locatie van een gesprek wilde afwijken van de oorspronkelijke neutrale plek om hem moverende en op zichzelf begrijpelijke redenen – voor een neutrale plek had gekozen.

Het College is van oordeel dat dit aspect van het klachtonderdeel terecht is opgeworpen.

ad 2)
Klaagster verwijt beklaagde dat haar geen gelegenheid is geboden om, sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij [de ex-partner], contact te onderhouden met [de minderjarige].
Het College stelt voorop dat een gezinsvoogd zich dient in te spannen dat zo spoedig mogelijk na een uithuisplaatsing een contact/omgangsregeling wordt getroffen tussen het uit huis geplaatste kind en de ouder. Uit hetgeen ter gelegenheid van de hoorzitting is besproken en de stukken, is het College gebleken dat tussen klaagster en [de minderjarige] sinds de uithuisplaatsing geen contact heeft plaatsgevonden, omdat [de minderjarige] dit niet wil, althans, omdat hij dat uitsluitend wil onder bepaalde voorwaarden, waaraan klaagster niet wil voldoen. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat [de minderjarige] wel contact wil met klaagster, maar uitsluitend in afwezigheid van [de partner], de partner van klaagster. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat klaagster van mening is dat [de minderjarige] aan een hernieuwd contact geen voorwaarden mag stellen. Het College is echter van oordeel dat beklaagde terecht met de uitdrukkelijke wens van de 14-jarige [minderjarige] rekening wil houden. Het is de keuze van klaagster om tot op heden niet aan [de minderjarige]’s wens om met haar alléén te willen afspreken, te willen voldoen terwijl hier door klaagster gemakkelijk en zonder enige moeite van haar kant aan kan worden voldaan. Aldus is het aan klaagsters eigen keuze te wijten dat er tot op heden geen contact tot stand is gekomen met haar zoon.

Het College is dan ook van oordeel dat op dit punt het klachtonderdeel ongegrond is.

ad 3)
Klaagster verwijt beklaagde dat hij haar sinds de uithuisplaatsing bij [de ex-partner] niet heeft geïnformeerd over [de minderjarige].

Het College stelt vast dat beklaagde op de hoogte is van de verstandhouding tussen klaagster en haar ex- partner [de ex-partner]. Beklaagde is er mee bekend dat [de ex-partner] niet uit eigener beweging contact zal opnemen met klaagster. In de visie van klaagster dient beklaagde daarom te zorgen voor de overdracht van informatie over [de minderjarige] van [de ex-partner] naar klaagster. Het College is van oordeel dat klaagster daarmee een onjuiste opvatting over de rol van de gezinsvoogd in een ex-partner situatie huldigt. Beklaagde dient uitdrukkelijk niet de rol van ‘postbode’ te vervullen.
Ter gelegenheid van de hoorzitting is gebleken dat beklaagde geen stappen heeft ondernomen sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij [de ex-partner] om laatstgenoemde te bewegen contact te laten onderhouden/informatie te verstrekken aan klaagster. Gegeven de omstandigheid dat het vlottrekken van de communicatie tussen de ex-partners één van de doelen van de ondertoezichtstelling was, hetgeen beklaagde bekend is, is het College van oordeel dat beklaagde daardoor in verzuim is. Het geven van aanwijzingen aan [de ex-partner], desnoods schriftelijk, lag voor de hand. Beklaagde heeft door niet te handelen de situatie dat [de ex-partner] klaagster niet informeert in stand gelaten en heeft hiermee gehandeld dat een beeld naar voren is gekomen van onvoldoende objectieve partijdigheid. Het College is van oordeel dat beklaagde dit kan worden verweten.

Het College is van oordeel dat dit aspect van het klachtonderdeel terecht is opgeworpen.

Samenvattend is het College van oordeel dat klachtonderdeel 2 deels gegrond is, hetgeen leidt tot de conclusie zoals verwoord in de beslissing onder punt 6.

Klachtonderdeel 3

Klaagster stelt zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat beklaagde misbruik maakt van zijn macht door een in scène gezette crisis als gevolg waarvan een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verleend.

Het College verwijst voor bespreking van dit klachtonderdeel naar de bespreking van het hieronder weergegeven klachtonderdeel 5 met als conclusie dat op goede gronden en na een zorgvuldige afweging is verzocht tot spoed uithuisplaatsing van [de minderjarige]. Er is geen sprake geweest van een in scène gezette crisis, noch is gebleken dat beklaagde bij de aanvraag van een spoed uithuisplaatsing misbruik heeft gemaakt van zijn macht.

Het College is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel 4

Klaagster stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat beklaagde ouderverstoting faciliteert door ervoor te zorgen dat klaagster geen enkele contactmogelijkheid heeft met [de minderjarige].

Het College verwijst voor wat betreft de bespreking van dit klachtonderdeel naar de bespreking van onderdeel 2) van klachtonderdeel 2, waarin het College tot de conclusie komt dat het volstrekt aan klaagsters eigen keuzes is te wijten dat er tot op heden geen contact tot stand is gekomen tussen haar en [de minderjarige].

Dit onderdeel van de klacht acht het College dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 5

Klaagster is van mening dat beklaagde zich niet aan de wet- en regelgeving heeft gehouden omdat aan de wettelijke voorwaarden voor een (spoed)uithuisplaatsing nimmer is voldaan.

Het College stelt vast dat een opeenstapeling van omstandigheden en mededelingen (onder meer van [de minderjarige] zelf) heeft geleid tot de beslissing van beklaagde en de GI om tot aanvraag van een spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] over te gaan. De spoed bestond erin, zo is het College voldoende gebleken, dat een uithuisplaatsing diende te worden gerealiseerd zonder dat klaagster daarvan van tevoren op de hoogte zou zijn, vanwege de verwachting dat er thuis bij klaagster en [de partner] druk op [de minderjarige] zou worden uitgeoefend wanneer zij daarvan wél op de hoogte zou worden gebracht. Er was, zo blijkt uit de stukken, sprake van een emotioneel bedreigende situatie voor [de minderjarige]. De afweging die is gemaakt tussen enerzijds het laten terugkeren van [de minderjarige] bij klaagster na een vakantie bij [de ex-partner] met in het vooruitzicht de behandeling van een verzoek tot uithuisplaatsing en anderzijds het realiseren van een spoeduithuisplaatsing, waarbij [de minderjarige] na een vakantie bij [de ex-partner] niet terug zou keren bij klaagster, is naar het oordeel van het College door beklaagde weloverwogen en op goede gronden gemaakt. Het verzoek is terecht als ‘spoed’ gekwalificeerd, in aanmerking genomen de te verwachten zware emotionele druk waaronder [de minderjarige] thuis bij klaagster zou komen te verkeren wanneer een regulier verzoek tot uithuisplaatsing was gedaan.

Het College is van aldus oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

Klachtonderdeel 6

Klaagster is van mening dat de registratie van haar geloofsovertuiging in strijd is met wet- en regelgeving. Het College constateert dat op dit punt geen sprake is van overtreding van de wet- of regelgeving op dit punt.

Het College acht dit onderdeel van de klacht ongegrond.

Conclusie

Het College komt tot de conclusie dat beklaagde met betrekking tot één klachtonderdeel, te weten onderdeel 2, een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Beklaagde heeft er bij de afweging om met [de minderjarige] alléén een gesprek te voeren voor gekozen om dit gesprek te laten plaatsvinden bij een gezin uit het netwerk van de ex-partner van klaagster, in wie klaagster geen vertrouwen had, hetgeen beklaagde bekend was. Daarnaast heeft beklaagde bij de hulpverlening aan [de minderjarige] na de plaatsing bij [de ex-partner] nagelaten (desnoods schriftelijke) aanwijzingen te geven aan [de ex-partner] om informatie te verstrekken over [de minderjarige] aan klaagster of anderszins tot communicatie te komen met klaagster. Door zo te handelen heeft beklaagde de indruk gewekt niet onpartijdig te zijn.

Het College is van oordeel dat beklaagde bij zijn handelen onvoldoende acht heeft geslagen op de in de beroepscode voor de Jeugdzorgwerker onder artikel 2E (respect) en 2J (vertrouwelijkheid) opgenomen gedragsregels.
Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, acht het College de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

  • verklaart klachtonderdeel 2 (deels) gegrond;
  • legt aan beklaagde in verband met gegrondverklaring van klachtonderdeel 2 op:
    de maatregel van waarschuwing;
  • verklaart klachtonderdelen 1, 3, 4, 5 en 6 ongegrond.

Aldus gedaan en op 13 januari 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. R. Dieleman, secretaris