De jeugdprofessional heeft na een verzoek geen stukken verstrekt en geen verzendbewijs overhandigd van een Schriftelijke Aanwijzing.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns , voorzitter,
De heer A. van Empel, lid-beroepsgenoot,
Mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:
de heer A., wonende te […], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde, werkzaam bij [gecertificeerde instelling] (hierna te noemen: de GI).

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

-het klaagschrift d.d. 19 juli 2016, aangevuld op 28 juli 2016, 28 september 2016, 11 oktober 2016, 18 oktober 2016 en 8 januari 2017 met bijlagen;

-het verweerschrift ontvangen op 28 september 2016 met bijlagen;

-de op 27 januari 2017 overgelegde pleitnotitie van beklaagde, de reactie van [de GI] op de uitspraak van de Klachtencommissie d.d. 16 september 2016 en een verzendbewijs van de op 6 juni 2016 verzonden schriftelijke aanwijzing.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017 in aanwezigheid van klager en beklaagde.
Klager werd bijgestaan door de heer […], werkzaam bij […].
Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden […] , werkzaam bij […].
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klager is vader van zoon [zoon] (geboren op [geboortedatum] 2013). De relatie tussen klager en zijn ex-partner (hierna te noemen: moeder) is inmiddels beëindigd. Klager en moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [zoon]. De verstandhouding tussen klager en moeder is verstoord.

2.2

Bij rechterlijke beschikking d.d. 24 maart 2016 is [zoon] onder toezicht gesteld van [de GI] voor de periode van een jaar nu er sprake is van een langdurige en heftige strijd tussen de ouders waardoor [zoon] een chronische emotionele veiligheid ervaart. De aanwezigheid van een gezinsvoogd is noodzakelijk geworden zodat er meer zicht komt op de opvoedingssituatie bij beide ouders en er op korte termijn knopen kunnen worden doorgehakt waar het gaat om het maken van afspraken.
Beklaagde heeft sinds 24 maart 2016 de ondertoezichtstelling (hierna te noemen: ots) namens [de GI] uitgevoerd.

2.3

Bij beschikking d.d. 9 maart 2016 heeft de kinderrechter een voorlopige zorgregeling vastgesteld. [Zoon] verblijft om de week bij een ouder. Nadat partijen zich ter zitting bereid hebben getoond om het traject bij het Kenniscentrum Kind en Echtscheiding (hierna te noemen: KKE) te volgen, heeft de rechtbank de beslissing over het gezag en de omgangsregeling aangehouden. De kinderrechter heeft de zaak verwezen naar de zitting van 3 mei 2016 voor een pro forma behandeling in afwachting van de resultaten van het traject bij het KKE.

2.4

Het KKE traject is in juni 2016 gestart. De thuissituatie van zowel klager als moeder is geobserveerd. Ook is aandacht besteed aan de overdracht van [zoon].

2.5

Na herhaalde schriftelijke verzoeken aan klager waarop deze niet heeft gereageerd, heeft [de GI] op 6 juni 2016 klager een schriftelijke aanwijzing gegeven. Deze schriftelijke aanwijzing houdt in dat klager gehoor dient te geven aan de uitnodiging van [de GI] voor een kennismakingsgesprek op vrijdag 10 juni 2016 met beklaagde nu klager het contact met beklaagde vanaf de aanvang van de ots heeft geweigerd. Op 7 juni 2016 hebben klager en beklaagde een gesprek gevoerd waarin afspraken zijn gemaakt over mogelijk in te zetten hulpverlening. Met klager is afgesproken dat hij gesprekken met beklaagde en huisbezoeken zal toestaan. Het geplande gesprek d.d. 10 juni 2016 is geannuleerd.

2.6

Na een incident op 10 juni 2016 tijdens de overdracht van [zoon] in het kader van de omgangsregeling, heeft Jeugdhulp […] van 28 juni 2016 tot en met 11 juli 2016 zowel klager als moeder hulp geboden. Op 11 juli 2016 is een eindverslag opgesteld, het definitieve verslag is in december 2016 opgesteld. De aangeboden hulpverlening heeft niet tot een positief effect geleid.

2.7

Op 5 juli 2016 is een Plan van Aanpak opgesteld. Beklaagde heeft op 5 juli 2016 een actie-agenda ots opgesteld.

2.8

Op 13 september 2016 heeft de rechtbank een verzoek van moeder tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [zoon] en het vaststellen van een zorgregeling tussen [zoon] en klager behandeld. Bij beschikking d.d. 5 oktober 2016 heeft de rechtbank het verzoek van moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [zoon] toegewezen. De rechtbank heeft ten aanzien van de zorgregeling bepaald dat [zoon] om de week op vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij klager zal verblijven. De rechtbank heeft eveneens bepaald dat indien partijen en de gecertificeerde instelling in onderling overleg tot de conclusie komen dat een uitbreiding in de contacten met de man in het belang van [zoon] is, deze beschikking daaraan niet in de weg hoeft te staan.

2.9

Op 27 oktober 2016 en 17 november 2016 heeft [de GI] een schriftelijke aanwijzing aan klager gegeven over de verzorging en opvoeding van [zoon]. Klager heeft Rechtbank […] verzocht de schriftelijke aanwijzingen vervallen te verklaren. Bij rechterlijke beschikking d.d. 16 december 2016 zijn de verzoeken van klager afgewezen.

2.10

Klager is per brief d.d. 22 september 2016 geïnformeerd over een nieuw contactpersoon. Beklaagde blijft de gezinsvoogd van [zoon] en is contactpersoon voor [zoon], moeder en de familie van moeder. Mevrouw C. is de contactpersoon voor vader en de familie van vader.

2.11

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager heeft in het klaagschrift d.d. 19 juli 2016 21 klachtonderdelen geformuleerd. In de aanvullingen op het klaagschrift heeft klager 2, 14 en 19 klachtonderdelen geformuleerd. Het College verwijst voor een volledige weergave van de klacht naar het klaagschrift en de aanvullingen op het klaagschrift waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Kort samengevat en zakelijk weergegeven verwijt klager beklaagde het volgende.

3.1

Beklaagde heeft misbruik van haar macht gemaakt. Klager verwijst naar een schriftelijke uitwerking van een telefoongesprek tussen hem en een telefoniste van het [GI]. Hieruit blijkt dat beklaagde de telefoniste heeft opgedragen om klager alleen met haar door te verbinden.

3.2

Beklaagde doet niet aan waarheidsvinding terwijl dit wel in de Nederlandse wet is verankerd. De omgangsregeling tussen [de zoon] en klager is minimaal en zonder overleg met klager opgesteld middels een Schriftelijke Aanwijzing.

3.3

Beklaagde heeft niet in het belang van [zoon] gehandeld. Zij heeft zijn wensen genegeerd. Zij heeft [zoon] bewust blootgesteld aan escalaties bij de door haar opgelegde overdracht van [zoon] tussen klager en moeder. Deze overdracht heeft stress bij [zoon] veroorzaakt. Beklaagde heeft geen contact gelegd met het sociale netwerk van [zoon] terwijl de Raad in haar onderzoek heeft gesteld dat dit zou gebeuren.

3.4

Beklaagde heeft zich niet objectief en partijdig opgesteld in de samenwerking met klager. Uit het rapport van de Raad is gebleken dat de ontstane zorgen met name bij moeder aanwezig waren. Uit het dossier dat klager op 3 januari 2017 heeft verkregen, is naar voren gekomen dat beklaagde een analyse heeft gemaakt van ontstane zorgen over klager.

3.5

Beklaagde heeft ten onrechte in rapporten vermeld dat ‘zij geen zicht heeft op de situatie van klager’. Zij heeft echter geen initiatief tot een huisbezoek genomen.

3.6

De sociale omgeving van [zoon] is niet onderzocht. Beklaagde heeft alleen gesproken met de ouders van klager en de ouders van moeder. Beklaagde heeft tijdens de zitting bij de rechtbank d.d. 7 december 2016 vermeld dat de uitkomst van deze gesprekken heeft geleid tot een door beklaagde ingesteld contactverbod. De ouders van klager en moeder betwisten dit. Beklaagde heeft geen gespreksverslag opgesteld van deze gesprekken.

3.7

Beklaagde heeft niet met klager gecommuniceerd en heeft nagelaten stukken aan te leveren onder meer het Plan van Aanpak d.d. 5 juli 2016, de actieagenda d.d. 5 juli 2016 en de Delta Veiligheidslijst d.d. 11 juli 2016. Klager heeft kennis kunnen nemen van deze stukken op het moment dat hij het dossier op 3 januari 2017 heeft verkregen. Beklaagde heeft tijdens de zitting van de rechtbank d.d. 13 september 2016 geen Plan van Aanpak overgelegd en naar voren gebracht dat zij geen zicht had op de thuissituatie van [zoon] bij klager.

3.8

Beklaagde heeft gesteld dat zij per aangetekende post op 6 juni 2016 een Schriftelijke Aanwijzing heeft verstuurd. Klager heeft tevergeefs gevraagd om bewijsvoering van de door beklaagde verzonden Schriftelijke Aanwijzing.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

Beklaagde betwist dat zij de telefoniste opdracht heeft gegeven dat klager uitsluitend met haar contact op kon nemen.
Beklaagde heeft klager op 6 juni 2016 per e-mail op de hoogte gebracht van het voornemen van de Schriftelijke Aanwijzing. Op 7 juni 2016 heeft klager beklaagde op kantoor bezocht. Beklaagde verwijst naar hetgeen is opgenomen onder 2.e. Klager is zijn toezeggingen niet nagekomen.
De Schriftelijke Aanwijzing is aangetekend aan klager verzonden en is per post retour gekomen nu klager deze brief niet heeft opgehaald. De Schriftelijke Aanwijzing is op verzoek van klager op 2 augustus 2016 naar hem verzonden.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

5.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.3

Bij de beoordeling van de klachten is het College op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling het volgende gebleken. Beklaagde heeft direct na de ots op 24 maart 2016 heeft geprobeerd met klager kennis te maken. Op 15 april 2016 heeft beklaagde klager verzocht om een kennismakingsgesprek op 21 april 2016. Voorts is beklaagde op 21 april 2016 uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek op 9 mei 2016. Klager heeft de uitnodigingen afgewezen en heeft als voorwaarde voor een gesprek gesteld dat [de GI] protocollen en een delta Veiligheidslijst naar klager verstuurt.
Na de e-mail van 6 juni 2016 heeft op 7 juni 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen klager en beklaagde. Na dit gesprek heeft beklaagde zowel klager en moeder bericht dat zij met klager heeft afgesproken dat klager zal toestaan dat er gesprekken plaatsvinden met beklaagde en klager en dat de huisbezoeken akkoord zijn. Ook heeft beklaagde met klager besproken dat de verzoeken van klager ten aanzien van de protocollen los staan van de uitvoering van de ots. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat klager deze afspraken niet is nagekomen. Klager heeft dit niet weersproken.

Het College oordeelt als volgt.

I

Dit klachtonderdeel heeft betrekking op het telefoongesprek d.d. 7 juni 2016 tussen klager en de telefoniste van het [GI]. Klager heeft telefonisch contact gezocht met de secretaris van de Klachtencommissie en is tijdelijk in de wacht gezet. De stilte van de telefoniste heeft klager als een overleg tussen beklaagde en de telefoniste geïnterpreteerd waarbij beklaagde aan de telefoniste de opdracht zou hebben gegeven om klager niet door te verbinden met de secretaris van de Klachtencommissie. Uit de brief van [de GI] d.d. 23 september 2016, de brief van de Klachtencommissie d.d. 16 september 2016 en de mondelinge behandeling bij het College is gebleken dat het beleid van [de GI] is geweest om alle cliënten telefonisch door te verbinden met de gezinsvoogd. Na de beslissing van de Klachtencommissie d.d. 16 september 2016 is het beleid gewijzigd en heeft een ieder telefonisch vrije toegang tot de secretaris van de klachtencommissie van [de GI].
Niet beklaagde maar [de GI] heeft dit beleid vastgesteld. Dit klachtonderdeel kan beklaagde derhalve niet tuchtrechtelijk worden verweten. Het klachtonderdeel is ongegrond.

II

Klager is van mening dat beklaagde niet aan waarheidsvinding heeft gedaan en dat op basis van een schriftelijke aanwijzing een beperkte omgangsregeling met klager is vastgesteld.
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [de GI] aan sociale waarheidsvinding doet waarbij de situatie van [zoon] wordt beoordeeld op basis van interacties tussen ouders en [zoon] met inzet van eigen middelen zoals huisbezoeken en gesprekken met betrokkenen. Het College volgt deze redenering. Voorts verwijst het College naar alinea 5.3. De rechtbank heeft de onder 2.i genoemde schriftelijke aanwijzingen d.d. 27 oktober 2016 en 17 november 2016 getoetst. Bij rechterlijke beschikking d.d. 16 december 2016 zijn de verzoeken van klager afgewezen. Het College is niet bevoegd om deze rechterlijke beschikking te toetsen.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

III

Het is het College op grond van de stukken en de mondelinge behandeling bij het College gebleken dat beklaagde met de casus aan de slag is gegaan: zij heeft de wederzijdse grootouders gesproken, heeft moeder gesproken en heeft geprobeerd contact te leggen met klager. Ook is na een incident op 10 juni 2016 de onder 2. f. genoemde hulpverlening ingezet bij klager en moeder. Het College verwijst voorts naar bovenstaande alinea 5.3. Het College heeft geconstateerd dat de interpretatie en de verwachtingen van klager over de invulling van de taak van beklaagde afwijkt van de daadwerkelijke invulling daarvan door beklaagde. Dit kan echter niet tot de conclusie leiden dat beklaagde als gezinsvoogd niet heeft of zou hebben gehandeld in het belang van [zoon]. Het klachtonderdeel is ongegrond.

IV & V

Gezien de samenhang worden deze klachten gezamenlijk beoordeeld.
Beklaagde heeft naar het oordeel van het College voldoende duidelijk gemaakt waarom zij zich in deze situatie, waarbij sprake is van een ots en een door de rechter opgelegde opdracht om snel zicht te krijgen op de situatie van [zoon] heeft gepositioneerd. Wel is het College van oordeel dat zij meer oog had kunnen hebben voor het engageren. Het is het College op basis van de stukken en de mondelinge behandeling gebleken dat beklaagde door de opstelling van klager nauwelijks met hem in contact kon treden, in ieder geval niet via een gesprek. Ondanks deze
complicerende factor was het toch gewenst dat zij naast het positioneren ook op een andere manier had geprobeerd in samenwerking met klager te komen, bijvoorbeeld door een e-mail of brief aan hem te versturen. Op deze wijze had beklaagde meer aandacht kunnen besteden aan de argwaan van klager en mogelijk belemmeringen kunnen wegnemen.

Hoewel beklaagde binnen de grenzen is gebleven van een redelijke bekwame beroepsuitvoering nu zij immers onder de in alinea 5.3. genoemde omstandigheden beperkte middelen heeft gehad om het engageren vorm te kunnen geven, heeft het College geconstateerd dat zij tijdens de mondelinge behandeling weinig blijk heeft gegeven van inzicht in het belang van metacommunicatie. Het College geeft beklaagde in overweging om in intervisieverband de onderwerpen metacommunicatie en reflectie te bespreken.

In het verlengde van bovenstaande is het begrijpelijk dat beklaagde, nu klager het contact heeft afgehouden, informatie uit andere bronnen heeft gebruikt zoals het raadsonderzoek en gesprekken moeder om een beeld te krijgen van de situatie van [zoon]. Tijdens de zitting bij de rechtbank d.d. 13 september 2016 heeft beklaagde benoemd dat zij met moeder heeft kunnen samenwerken en dat moeder open heeft gestaan voor de hulpverlening. Beklaagde heeft mede op basis hiervan de rechter geadviseerd om het hoofdverblijf aan moeder toe te wijzen. Mogelijk heeft klager dit uitgelegd als partijdigheid. Uit de feiten komt niet naar voren dat beklaagde zich partijdig heeft opgesteld. Nu [zoon] onder toezicht is gesteld, klager en moeder niet met elkaar communiceren en er zorgen zijn over de emotionele veiligheid van [zoon], heeft beklaagde voldoende blijk gegeven van het feit dat zij steeds de belangen van [zoon] voor ogen had.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

VI

Het College heeft geconstateerd dat beklaagde het netwerk van klager en moeder heeft ingezet. Zij heeft met wederzijdse grootouders gesproken.
Klager is kennelijk de mening toegedaan dat beklaagde meer mensen uit het netwerk van klager heeft moeten benaderen. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College naar voren gebracht dat klager in de gelegenheid is gesteld om mensen uit zijn netwerk erbij te halen. Dit blijkt eveneens uit de e-mail van beklaagde d.d. 16 juni 2016. Het klachtonderdeel is ongegrond.

VII

Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de communicatie van beklaagde en het niet opsturen van stukken ondanks herhaaldelijke verzoeken van klager.
Ten aanzien van de communicatie is niet komen vast te staan dat beklaagde zich ten opzichte van klager tuchtrechtelijk laakbaar heeft gedragen zoals reeds is overwogen bij de beoordeling van klachtonderdelen IV. en V. Dit gedeelte van de klacht is ongegrond.

In artikel F van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker staat omschreven dat de jeugdzorgwerker de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de voor een goede professionele relatie relevante informatie verschaft, zoveel mogelijk in een voor de cliënt(en) begrijpelijke taal.
Vast is komen te staan dat klager beklaagde meerdere malen heeft verzocht om het Plan van Aanpak, het Veiligheidsplan en de Actieagenda naar hem toe te sturen. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College verklaard dat klager deze stukken heeft ontvangen. In het dossier heeft het College geen contactjournaals, brieven of e-mails aangetroffen die deze verklaring ondersteunen. Naar het oordeel van het College kan van de jeugdprofessional worden verwacht dat op het moment dat zij verneemt dat voor de werkrelatie noodzakelijke stukken (als een Plan van Aanpak) er niet (meer) zijn, zij na een verzoek van klager actie onderneemt door hem nogmaals de stukken toe te sturen.

Beklaagde heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling bij het College aangevoerd dat klager het dossier al had opgevraagd en de door hem opgevraagde stukken hier onderdeel van uitmaakten. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat zij zich ervan bewust is dat veel tijd is verstreken tussen het opvragen van het dossier en het versturen. Het College overweegt dat klager hierdoor geen kennis heeft kunnen nemen van met name het Plan van Aanpak terwijl dit een belangrijk werkdocument is voor zowel beklaagde als klager. Evenmin is klager in de gelegenheid gesteld naar dit Plan van Aanpak te handelen.

Uit het voorgaande blijkt dat het College van oordeel is dat klacht op dit punt gegrond is. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met artikel F (informatievoorziening over hulp- en dienstverlening).

VIII

Beklaagde heeft gesteld dat zij de schriftelijke aanwijzing op 6 juni 2016 per aangetekende post heeft opgestuurd en dat klager de schriftelijke aanwijzing niet heeft opgehaald. Vervolgens is de schriftelijke aanwijzing op 2 augustus 2016 aan klager zowel per gewone post als aangetekend verstuurd.
Klager heeft naar voren gebracht dat hij de aangetekende post niet van beklaagde heeft ontvangen en heeft dit op 17 juli 2016, op 25 juli 2016 aan beklaagde bericht. Klager heeft beklaagde tevens verzocht om een verzendbewijs. Op 4 augustus 2016 heeft klager nogmaals verzocht om een verzendbewijs. Het College overweegt dat het verzoek van klager niet onredelijk is.

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College een verzendbewijs overgelegd. Het verzendbewijs kent echter geen dagtekening. Evenmin is een bewijs van retournering van het aangetekende stuk aan zowel klager als het College verstrekt. Dit betekent dat het College niet heeft kunnen constateren dat de schriftelijke aanwijzing daadwerkelijk op 6 juni 2016 aangetekend is verzonden en geretourneerd.

Beklaagde heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door ondanks de herhaalde verzoeken van klager geen verzendbewijs aan klager te verstrekken. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met artikel F (informatievoorziening over hulp- en dienstverlening). Het klachtonderdeel is gegrond. Het College acht op basis van het vorenstaande een maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
Het College van Toezicht:

– verklaart klachtonderdelen I., II., III., IV., V., en VI. ongegrond,

– verklaart klachtonderdeel VII. deels gegrond,

– verklaart klachtonderdeel VIII. gegrond,

– legt op een maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan en op 24 maart 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                        mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                                 secretaris