Ambulant hulpverlener heeft onzorgvuldig gehandeld door geen inzage te geven in een rapport en de ouders niet in de gelegenheid te stellen wijzigingen door te geven.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Kouwenberg, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[appellant], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: appellant, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[verweerster], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster, ten tijde van het handelen werkzaam als ambulant hulpverlener bij [instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Appellant wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij [instelling].

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellant bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 september 2017;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 1 december 2017;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.036Ta van 3 april 2018;
– het door appellant ingestelde beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 22 mei 2018;
– het door appellant ingediende aanvullend beroepschrift ontvangen op 26 juni 2018;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 14 september 2018.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellant op 22 mei 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 14 september 2018 een verweerschrift tegen het beroepschrift ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2018 in aanwezigheid van appellant, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.6

Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 7 december 2018 verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellant is vader van twee dochters, geboren in 2007 en 2011, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Appellant en de moeder van de kinderen (hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders) zijn in mei 2010 met elkaar gehuwd. De relatie tussen de ouders is verbroken, de echtscheidingsprocedure loopt nog. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

2.3

In mei 2015 is bij de ouders, wegens hun relatieproblemen, vrijwillige hulpverlening vanuit [instelling2] ingezet.

2.4

Op 15 juli 2015 hebben de ouders een intakegesprek bij [instelling] gehad om de mogelijke gevolgen van de relatieproblemen voor de kinderen in kaart te brengen. Vervolgens is vanaf 3 september 2015, vanuit [instelling] hulpverlening aan de ouders ingezet door een collega van verweerster.

2.5

Verweerster is van 8 oktober 2015 tot en met 17 februari 2016 vanuit [team binnen instelling] als ambulant hulpverlener bij het gezin betrokken geweest.

2.6

In verband met de aanmelding van het gezin van appellant bij de gemeente [plaatsnaam] ten behoeve van het aanvragen van een beschermtafeloverleg, heeft verweerster een familiegroepsplan opgesteld. Verweerster heeft op 21 oktober 2015 per e-mailbericht het familiegroepsplan (onder meer) naar de gemeente [plaatsnaam] en de ouders gestuurd.

2.7

Op 26 oktober 2015 heeft appellant een e-mailbericht gestuurd aan verweerster met een geluidsopname van moeder en de kinderen. Appellant heeft dit e-mailbericht in CC aan moeder toegestuurd.

2.8

Medio oktober 2015 is er op verzoek van de moeder gezocht naar een zogenoemde time-out plek voor de moeder.

2.9

Op 27 oktober 2015 heeft, op voorstel van de betrokken medewerker vanuit [instelling], niet zijnde verweerster, een kennismakingsgesprek plaatsgevonden met de moeder en met appellant om te bezien of tegemoet kon worden gekomen aan de wens van de moeder om gebruik te maken van een time-out plek bij [de vrouwenopvang van de instelling], hierna te noemen: [vrouwenopvang].

2.10

Op 28 oktober 2015 heeft de moeder zich samen met de kinderen bij [de vrouwenopvang] gemeld als slachtoffer van huiselijk geweld. De moeder en de kinderen zijn dezelfde dag opgenomen bij [de vrouwenopvang].

2.11

Op 4 november 2015 heeft verweerster een aangepaste versie van het familiegroepsplan aan de gemeente [plaatsnaam] toegezonden.

2.12

Op 31 december 2015 heeft verweerster een concept eindverslag crisisplan aan de ouders toegezonden voor commentaar.

2.13

Naar aanleiding van het concept eindverslag heeft appellant onder meer aangegeven zich niet te kunnen vinden in de passage waarin is opgenomen dat ouders op momenten onbetrouwbaar zijn. Vervolgens heeft verweerster voornoemde passage aangepast en op 17 februari 2016 aan appellant aangegeven dat het definitieve eindverslag per aangetekende post aan hem en de moeder zou worden verzonden.

2.14

Op 15 december 2016 is de plaatsing van de moeder en de kinderen bij [de vrouwenopvang] geëindigd

2.15

Verweerster is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De ontvankelijkheid

3.1

Verweerster heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat het door appellant ingediende beroepschrift niet voldoet aan de eisen als opgenomen in artikel 12.3 van het Tuchtreglement, omdat appellant geen duidelijke of concrete beroepsgronden heeft geformuleerd. Dit dient ertoe te leiden, aldus verweerster, dat appellant niet kan worden ontvangen in zijn beroep.

3.2

Het College van Beroep is van oordeel dat de grieven in beroep voldoende duidelijk geformuleerd zijn. Appellant verwijst naar het oordeel van het College van Toezicht en beschrijft op welke punten dit oordeel naar zijn mening onjuist is. Het College van Beroep concludeert aldus dat appellant ontvankelijk is in zijn beroep, en zal in de verdere beoordeling inhoudelijk ingaan op de grieven.

4 Het beroep, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 3 april 2018 van de klachtonderdelen I en II, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

4.1.4

Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.2

Klachtonderdeel I

4.2.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “[Verweerster] heeft bewijsmateriaal genegeerd / terugkoppeling geweigerd ondanks het feit dat [appellant] aan de door [verweerster] gestelde voorwaarde had voldaan.

Toelichting:
[Appellant] heeft een geluidsopname gemaakt van de moeder waarop te horen is dat zij schreeuwt tegen [appellant]en de kinderen. [Verweerster] heeft aan [appellant] aangegeven dat zij niks met de geluidsopname kon doen, tenzij [appellant] de moeder zelf op de hoogte zou stellen dat hij in het bezit was van de geluidsopname. Nadat [appellant] de moeder op 26 oktober 2015 heeft geïnformeerd over de geluidsopname, heeft [verweerster] nagelaten te handelen. Deze passieve houding van [verweerster] is schadelijk geweest, omdat de moeder zich vervolgens op 28 oktober 2015 voor een opname bij [de vrouwenopvang] gemeld heeft. [Appellant] meent dat [verweerster] met dit handelen artikelen C (bereid iedere cliënte te helpen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp), E (respect) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft geschonden.”

4.2.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt:
“Het College [van Toezicht] stelt op basis van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat [appellant] een geluidsopname van de moeder aan [verweerster] en een collega van [verweerster] heeft toegezonden. [Appellant] heeft aangegeven dat [verweerster] hem niet heeft geïnformeerd over wat zij met de geluidsopname heeft gedaan. [Verweerster] stelt daarentegen dat zij [appellant] hier mondeling over heeft geïnformeerd. Het College [van Toezicht] constateert dat [appellant] en [verweerster] een verschillende beleving hebben omtrent de vraag wat [verweerster] met de geluidsopname heeft gedaan. Nu aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander, is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van [appellant] niet gegrond kan worden bevonden. Het College [van Toezicht] kan de feiten die ten grondslag liggen aan dit verwijt immers niet vaststellen.”
Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

4.2.3

Appellant voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat verweerster mogelijk inderdaad contact met moeder heeft opgenomen naar aanleiding van de geluidsopname, maar dat die eventuele actie niet toereikend is geweest.
Appellant is van mening dat hem in eerste instantie werd verweten dat hij zou hebben geschreeuwd in het bijzijn van de kinderen en dat dit gezien werd als vorm van huiselijk geweld. Dit was ook een reden om de moeder op te nemen bij [de vrouwenopvang]. Alhoewel vanaf 11 november 2015 door [instelling] schriftelijk is bevestigd dat geen sprake is geweest van schreeuwen door appellant, heeft verweerster niets met dit tegenbewijs gedaan. Daar waar verweerster het schreeuwen van moeder tegen appellant in het bijzijn van de kinderen heeft bevestigd, lijkt het appellant onwaarschijnlijk dat deze informatie (over het huiselijk geweld door moeder) telefonisch wordt afgehandeld.

Met betrekking tot de reactie van verweerster bij het College van Toezicht stelt appellant het volgende. Indien verweerster inderdaad mondelinge feedback zou hebben gegeven, had zij dit moeten onderbouwen met bijvoorbeeld een telefoonnotitie. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij voldoende bewijs heeft overlegd met betrekking tot het bedreigend schreeuwen van de moeder, en dat een redelijke bewijslastverdeling eist dat verweerster haar stellingname ook enigszins onderbouwt.

4.2.4

Verweerster verwijst met betrekking tot het feit dat haar mondelinge terugkoppeling niet toereikend zou zijn geweest naar haar verweer in eerste aanleg. Hierin stelt zij zich op het standpunt dat appellant andere verwachtingen had van verweerster op het vlak van factfinding. Voor wat betreft de ontbrekende telefoonnotitie geeft verweerster aan dat niet alles schriftelijk wordt gedocumenteerd. In zoverre is het ‘haar woord tegen het zijne’. Het College van Toezicht heeft hier naar de mening van verweerster een terecht standpunt over ingenomen.

Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel heeft verweerster nog een toelichting gegeven op de gang van zaken, hetgeen niet door appellant is betwist. Verweerster heeft onbetwist gesteld dat zij na ontvangst van de geluidsopname aan appellant heeft aangegeven dat hij eerst aan de moeder kenbaar moest maken dat hij een en ander had opgenomen. Pas nadat appellant moeder had geïnformeerd heeft verweerster de opname beluisterd, waarna zij hierover met de moeder heeft gesproken. Verweerster heeft vastgesteld dat de beleving van het opgenomen gesprek van de moeder en appellant uiteenliepen. Aan appellant heeft zij teruggekoppeld dat de moeder een andere beleving had van de situatie, en dat dit verschil in belevingen schadelijk was voor de kinderen. Verweerster heeft toegelicht dat zij daarop stappen heeft ondernomen door afspraken te maken met de beide ouders, bijvoorbeeld om geen ruzies te maken in het bijzijn van de kinderen, en een en ander op te nemen in het eindverslag.

4.2.5

Het College van Beroep overweegt met betrekking tot dit klachtonderdeel als volgt. Verweerster heeft ter zitting duidelijk en onbetwist kenbaar gemaakt hoe zij heeft gehandeld na ontvangst van de geluidsopname. Het is het College van Beroep duidelijk geworden dat verweerster wel iets heeft gedaan naar aanleiding van de geluidsopname, maar dat dit niet datgene was wat appellant zelf voor ogen had. Zij heeft een gesprek gevoerd met de moeder en de afspraak gemaakt om geen ruzie te maken in het bijzijn van de kinderen. Voorts heeft zij een en ander opgenomen in het gezinsplan en mede op grond daarvan om een raadsonderzoek gevraagd bij de gemeente. Appellant heeft desgevraagd aangegeven dat hij graag had gewild dat moeder werd aangesproken op haar gedrag. Om die reden is appellant van mening dat verweerster geen, althans geen toereikende, actie heeft ondernomen. Het College van Beroep kan zulks echter niet vaststellen naar aanleiding van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling. Hierbij neemt het College van Beroep in overweging dat verweerster de geluidsopname heeft beluisterd, actie heeft ondernomen door afspraken te maken en het mee te nemen in het eindverslag. Dit heeft zij aan appellant teruggekoppeld. Het enkele feit dat dit een andere actie is dan appellant zelf graag had gezien, wil naar het oordeel van het College van Beroep nog niet zeggen dat daarmee ook onzorgvuldig is gehandeld. Het College van Beroep volgt het oordeel van het College van het Toezicht en verklaart de klacht ongegrond.

4.3

Klachtonderdeel II

4.3.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “[Verweerster] heeft een rapportage extern verspreid zonder gelegenheid te geven aan de ouders om op de rapportage te reageren en heeft twee rapportages opgesteld die niet voldoen aan de minimum
kwaliteitseisen.

Toelichting:

Het familiegroepsplan, opgesteld door [verweerster], voldoet volgens [appellant] niet aan de minimale randvoorwaarden, welke door de ombudsman in 2013 in het rapport “Is de zorg gegrond?” zijn geadviseerd. [Appellant] en de moeder zijn niet in de gelegenheid gesteld om op het concept
familiegroepsplan te reageren. Voorts heeft [verweerster] nagelaten om bij het opstellen van het
familiegroepsplan overleg te voeren met haar collega. [Verweerster] had met haar collega moeten
overleggen, omdat zij pas kort bij het dossier betrokken was. Ook heeft zij een groot deel van de
aantekeningen, naar aanleiding van het intakegesprek op 15 juli 2015, overgenomen in het
familiegroepsplan zonder te verifiëren of deze informatie nog actueel was. [Appellant] heeft tot slot aan [verweerster] gevraagd aan wie zij het familiegroepsplan heeft verzonden, maar zij heeft hier niet op gereageerd. Tijdens een gesprek op 8 maart 2016 is [appellant] erachter gekomen dat [verweerster] het onjuiste familiegroepsplan onder meer aan een raadsonderzoeker heeft toegezonden.

Het eindverslag crisisplan voldoet volgens [appellant] ook niet aan het merendeel van de minimale
randvoorwaarden, welke door de ombudsman in 2013 in het rapport “Is de zorg gegrond?” zijn
geadviseerd. [Verweerster] heeft in het concept eindverslag de zin opgenomen dat beide ouders met
momenten onbetrouwbaar zijn. [Appellant] heeft aangegeven dat het slechts een mening van [verweerster] is dat [appellant] onbetrouwbaar is en geen feit. [Verweerster] heeft vervolgens betreffende passage verwijderd, maar ten onrechte heeft zij ook uit het eindverslag gehaald dat de moeder met momenten onbetrouwbaar is. Hierdoor meent [appellant] dat de van belang zijnde feiten niet in het eindverslag opgenomen zijn en dat het verslag niet voldoet aan de wettelijke eis van artikel 3.3 Jeugdwet. [Appellant] meent dat [verweerster] met dit handelen artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp), E (respect), J (vertrouwelijkheid) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft.”

4.3.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt:

“Het College [van Toezicht] constateert dat klachtonderdeel II ziet op het familiegroepsplan en op het
eindverslag crisisplan. [Appellant] stelt dat deze niet voldoen aan de minimale randwoorden zoals
genoemd in het rapport ‘Is de zorg gegrond?’ uit 2013 van de nationale ombudsman. [Verweerster]
meent dat het familiegroepsplan en het eindverslag crisisplan niet aan de eisen van dat rapport
hoeven te voldoen, omdat het slechts geldt in het gedwongen kader. Het College [van Toezicht] volgt [verweerster] in haar stelling. Het rapport is geschreven ten behoeve van het toenmalige Bureau Jeugdzorg, Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en de Raad voor de Kinderbescherming. Het rapport is dus geschreven voor gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Nu [instelling] geen gecertificeerde instelling is, zien de in het rapport neergelegde randvoorwaarden niet toe op het door [verweerster] opgestelde familiegroepsplan en eindverslag crisisplan. Gelet hierop heeft het College [van Toezicht] niet getoetst of het familiegroepsplan en het eindverslag crisisplan aan de minimale randvoorwaarden uit het rapport voldoen.
Ten aanzien van het familiegroepsplan oordeelt het College [van Toezicht] als volgt. [Appellant] verwijt [verweerster]allereerst dat zij niet een conceptversie van het familiegroepsplan aan [appellant] en de moeder heeft toegezonden, alvorens het naar de gemeente [plaatsnaam] te sturen. Het College [van Toezicht] stelt vast dat [verweerster], middels het e-mailbericht d.d. 21 oktober 2015, het familiegroepsplan gelijktijdig aan zowel [appellant] en de moeder als de gemeente [plaatsnaam] heeft verzonden. Het College [van Toezicht] overweegt dat [verweerster] het familiegroepsplan achteraf beter eerst aan [appellant] en de moeder toe had kunnen
zenden, alvorens het aan de gemeente [plaatsnaam] te sturen. [Verweerster] heeft echter in het emailbericht d.d. 21 oktober 2015 ook aangegeven dat [appellant] en de moeder op het familiegroepsplan konden reageren of aanvullingen doorgeven. Uit het door [verweerster] overgelegde e-mailbericht d.d. 4 november 2015 is het College [van Toezicht] gebleken dat de aanvullingen van [verweerster] ook zijn verwerkt in het familiegroepsplan. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen beter had gekund. [Verweerster] heeft in het e-mailbericht d.d. 21 oktober 2015 aan de gemeente [plaatsnaam] voldoende kenbaar gemaakt dat het familiegroepsplan mogelijk nog zou wijzigen en heeft het commentaar van [appellant] verwerkt in het familiegroepsplan. Het College [van Toezicht] oordeelt dat [verweerster] aldus
binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is gebleven. Ten aanzien van het verwijt dat het familiegroepsplan achterhaald was, is het College [van Toezicht] gebleken dat
[verweerster] verouderde informatie in het familiegroepsplan heeft opgenomen. Hoewel [verweerster] hierin niet geheel zorgvuldig heeft gehandeld, heeft zij naar het oordeel van het College [van Toezicht] voldoende inzichtelijk gemaakt welke stappen zij heeft ondernomen, toen zij heeft geconstateerd dat het familiegroepsplan achterhaald was. [Verweerster] heeft naar het oordeel van het College [van Toezicht] gereflecteerd op haar handelen, doordat zij de gemeente heeft verzocht het achterhaalde familiegroepsplan te verwijderen en het juiste familiegroepsplan toe te sturen. Het College [van Toezicht] acht het handelen van [verweerster] daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Tot slot verwijt [appellant] [verweerster] dat zij het familiegroepsplan aan een raadsonderzoeker heeft toegezonden. [Verweerster] betwist dat. Ter staving van haar stelling heeft zij de e-mailberichten overgelegd waaruit blijkt aan wie zij het familiegroepsplan heeft toegezonden. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] heeft [verweerster] hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat het familiegroepsplan niet door haar handelen bij de raadsonderzoeker terecht is gekomen.

Ten aanzien van het verwijt dat [verweerster] in het eindverslag crisisplan niet de van belang zijnde
feiten heeft opgenomen, oordeelt het College [van Toezicht] als volgt. [Appellant] stelt dat [verweerster] ten onrechte de passage, waarin opgenomen was dat de moeder met momenten onbetrouwbaar is, uit het eindverslag crisisplan heeft gehaald. Het College [van Toezicht] kan [verweerster] volgen in haar afwegingen om de passage in het eindverslag te herschrijven. Het getuigt naar het oordeel van het College [van Toezicht] van professionaliteit om de passage op neutrale wijze te formuleren en daarmee buiten de strijd van [appellant] en de moeder te blijven. Beklaagde valt hierin aldus geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Overigens is het College [van Toezicht] van oordeel dat het door [appellant] aangehaalde artikel uit de Jeugdwet op de
hulpverlening vanuit [instelling] niet van toepassing is, omdat dit artikel slechts geldt voor
gecertificeerde instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming. Het College [van Toezicht] verwijst in verband hiermee naar overweging 3.3.3 van de[…] beslissing [van het College van Toezicht].”

Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

4.3.3

Appellant stelt zich allereerst op het standpunt dat het College van Toezicht te gemakkelijk het rapport van de kinderombudsman naast zich neerlegt. Naar de mening van appellant is dit onterecht en verrichtten de Bureaus Jeugdzorg voor 2015 een combinatie van werkzaamheden in het vrijwillig en gedwongen kader. Voorts spreekt de ombudsman in het rapport over de gehele jeugdzorgketen. Appellant geeft hiertoe enkele voorbeelden. Een simpele verwijzing naar het niet zijn van een gecertificeerde instelling van [instelling] kan volgens appellant aldus niet voldoende zijn om dit terzijde te schuiven. De wettelijke verplichting om de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren is dus niet beperkt tot de Raad en Bureau Jeugdzorg, maar geldt (logischerwijs) voor de gehele jeugdzorg.

Appellant voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat het feit dat achteraf een correctie heeft plaatsgevonden en excuses zijn aangeboden van belang kan zijn bij de op te leggen maatregel, maar irrelevant is voor de beoordeling van de in het klaagschrift bekritiseerde handelingen door verweerster. Daarnaast geeft verweerster zelf aan dat het zonder verificatie gebruiken van verouderde informatie uitermate betreurenswaardig is en dat het niet faciliteren van wederhoor door ouders onjuist was. Appellant vindt het vreemd dat aan zijn onderbouwing volstrekt voorbij wordt gegaan en dat een handeling die door verweerster en [instelling] zelf als ‘uitermate onzorgvuldig’ worden bestempeld, door het SKJ toch nog steeds wordt gezien als handelen ‘binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening’.

Het handelen bestond uit het knippen en plakken van oude informatie in een zogenaamd up-to-date dossier. Het betrof een rapportage naar derden en ter voorbereiding van een gesprek met de Raad. Voor appellant is aldus niet te volgen dat dit nog steeds binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening zou zijn, al dan niet met correcties en excuses.

Ten slotte stelt het College van Toezicht dat het herformuleren op een neutrale wijze getuigt van professionaliteit. Het bevreemdt appellant dat het zou getuigen van professionaliteit als je uitsluitend bereid bent om een en ander op neutrale wijze te herformuleren, doch eerst nadat hij hier zelf veelvuldig en uitvoerig onderbouwd om heeft moeten vragen, en zelfs heeft moeten dreigen met juridische acties indien de passage niet zou worden herschreven. Daarnaast blijkt volgens appellant nergens uit dat moeder de beschuldiging van onbetrouwbaarheid aan haar adres ook maar op enigerlei wijze heeft weerlegd. In zijn commentaar heeft appellant met betrekking tot moeder vele voorbeelden gegeven waaruit de onbetrouwbaarheid van moeder overduidelijk blijkt. Door het schrappen van beschuldigingen naar beide ouders, heeft verweerster dus uitsluitend blijk gegeven van een niet neutrale opstelling.

4.3.4

Verweerster verwijst met betrekking tot dit klachtonderdeel naar hetgeen zij in haar initiële verweerschrift onder punt 16 t/m 21 naar voren heeft gebracht. Ten overvloede wijst zij erop dat ouders wel de gelegenheid hebben gehad om te reageren op de rapportage, zij het achteraf. Van fouten die doorwerken is geen sprake nu de fout tijdig is opgemerkt en adequaat door verweerster is hersteld.
Voor wat betreft hetgeen appellant stelt omtrent de kwaliteitseisen aan de door haar opgestelde rapportages verwijst verweerster naar haar verweerschrift in eerste aanleg. Ten overvloede merkt zij daarbij op dat uit zowel de subtitel als het woord vooraf van het rapport wel degelijk blijkt dat het rapport ziet op gedwongen hulpverlening. Het rapport betreft immers een analyse van het feitenonderzoek aan de basis van ingrijpende jeugdzorgbeslissingen zoals ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Dat neemt niet weg dat verweerster zich terdege bewust is van de waarde van deugdelijke rapportage, ook binnen de vrijwillige hulpverlening.

4.3.5

Het College van Beroep wenst zich allereerst uit te laten over hetgeen wordt gesteld over het rapport van de kinderombudsman. In grote lijnen had het advies tot doel om aan het veld duidelijk te maken dat het belangrijk is om (op specifiek aangegeven punten) zorgvuldig te zijn. Het College van Beroep stelt zich echter op het standpunt dat zulks ook voortvloeit uit de Beroepscode en de richtlijnen, en dat dat de eerste aangewezen normen zijn alwaar het College van Beroep aan toetst.

Het College van Beroep stelt vast dat dit klachtonderdeel ziet op twee verwijten, namelijk het doorsturen van het rapport zonder vooraf reactie te vragen aan appellant en de zorgvuldigheid – het voldoen aan minimumeisen – van het rapport op zichzelf. Het College van Beroep beschikt niet over het rapport, reden waarom de zorgvuldigheid van het rapport zelf niet kan worden getoetst. Het College van Beroep ziet geen aanknopingspunten om te concluderen dat verweerster een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de inhoud van het rapport. Dit is de reden waarom dit onderdeel van de klacht ongegrond wordt verklaard.
Het tweede gedeelte van dit klachtonderdeel ziet op het feit dat het rapport niet eerst naar de ouders is gestuurd voor commentaar. Het College van Beroep is van oordeel dat het rapport voorafgaand aan de verdere verspreiding van het rapport eerst aan de ouders had moeten worden gestuurd, en dat verweerster hierin aldus onzorgvuldig heeft gehandeld. Verweerster heeft op deze gemaakte fout goed gereflecteerd. Ze heeft het rapport herschreven en opnieuw aan ouders toegestuurd. De afhandeling na de gemaakte fout komt het College van Beroep zeer zorgvuldig voor, echter doet dit niet af aan het feit dat in eerste instantie door verweerster wel onzorgvuldig is gehandeld. Het feit dat verweerster vooraf de ouders geen inzage heeft gegeven in het rapport, en hen niet in de gelegenheid heeft gesteld wijzigingen door te geven, is in strijd met de eisen die aan een redelijk bekwaam handelend professional worden gesteld. Door aldus te handelen heeft verweerster artikel M van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (Verslaglegging/dossiervorming) geschonden. Het College van Beroep verklaart dit tweede gedeelte van het klachtonderdeel gegrond.

4.4

Conclusie

Het College van Beroep komt tot de conclusie dat de grief met betrekking tot klachtonderdeel I faalt, en met betrekking tot klachtonderdeel II deels slaagt. Het College van Beroep komt daarmee tot de slotsom dat verweerster met betrekking tot klachtonderdeel II deels een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, maar ziet af van het opleggen van een maatregel. Hierbij neemt het College van Beroep in aanmerking dat verweerster inzicht heeft gegeven in haar handelen en dat zij na het constateren van haar onzorgvuldig handelen dit heeft hersteld door een nieuw rapport op te stellen en te verzoeken het eerder verstuurde rapport als niet verzonden te beschouwen. Verweerster heeft hiermee adequaat gereflecteerd op haar handelen en ter zitting desgevraagd benadrukt dat zij bij een soortgelijke situatie in het vervolg een rapport eerst zal voorleggen aan de betrokkenen. Bovendien gaat het om een eenmalige misslag, welke naar het oordeel van het College van Beroep afdoende is hersteld. Om voornoemde redenen ziet het College van Beroep geen noodzaak om aan verweerster naar aanleiding van het deels gegrond verklaarde klachtonderdeel een maatregel op te leggen.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel II alsnog deels gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 3 april 2018;
– handhaaft de beslissing van het College van Toezicht van 3 april 2018 voor het overige;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 7 december 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden,
voorzitter

mevrouw mr. R.A.E. Thijssen,
secretaris