Een maatschappelijk werker mocht erop vertrouwen dat de opdracht die zij van de GI had gekregen door de gezinsvoogd met de ouders was besproken.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Kouwenberg, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[appellant], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: appellant, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[verweerster], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster, werkzaam als maatschappelijk werkster bij [instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Appellant wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellant bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 september 2017;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 1 december 2017;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.036Te van 3 april 2018;
– het door appellant ingestelde beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 22 mei 2018;
– het door appellant ingediende aanvullend beroepschrift ontvangen op 26 juni 2018;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 14 september 2018.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellant op 22 mei 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 14 september 2018 een verweerschrift tegen het beroepschrift ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2018 in aanwezigheid van appellant, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.6

Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 7 december 2018 verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellant is vader van twee dochters, geboren in 2007 en 2011, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Appellant en de moeder van de kinderen (hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders) zijn in mei 2010 met elkaar gehuwd. De relatie tussen de ouders is verbroken, de echtscheidingsprocedure loopt nog. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

2.3

In mei 2015 is bij de ouders wegens hun relatieproblemen, vrijwillige hulpverlening vanuit [instelling2] ingezet.

2.4

Op 15 juli 2015 hebben de ouders een intakegesprek bij [instelling] gehad om de mogelijke gevolgen van de relatieproblemen voor de kinderen in kaart te brengen. Vervolgens is vanaf 3 september 2015, vanuit [instelling] hulpverlening aan de ouders ingezet door een collega van verweerster.

2.5

Medio oktober 2015 is er op verzoek van de moeder gezocht naar een zogenoemde time-out plek voor de moeder.

2.6

Op 27 oktober 2015 heeft, op voorstel van de betrokken medewerker vanuit [instelling], een kennismakingsgesprek plaatsgevonden met de moeder en met appellant om te bezien of tegemoet kon worden gekomen aan de wens van de moeder voor een time-out plek bij [vrouwenopvang binnen instelling], hierna te noemen: [de vrouwenopvang].

2.7

Op 28 oktober 2015 heeft de moeder zich samen met de kinderen bij [de vrouwenopvang] gemeld als slachtoffer van huiselijk geweld. De moeder en de kinderen zijn dezelfde dag opgenomen bij [de vrouwenopvang].

2.8

Op 14 januari 2016 is de plaatsing van de moeder en de kinderen verlengd en is een verzoek tot onderzoek ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK.

2.9

Op 27 januari 2016 is verweerster (binnen [de vrouwenopvang]) betrokken geraakt bij de casus, tot 15 december 2016.

2.10

De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 juni 2016 de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. De ondertoezichtstelling is uitgevoerd door de gecertificeerde instelling [de GI].

2.11

Op 19 augustus 2016 heeft appellant, in bijzijn van verweerster, met de moeder een discussie gehad over het ondertekenen van de toestemmingsverklaring voor de vakantie van appellant met de kinderen. Op 20 augustus 2016 heeft moeder de verklaring ondertekend en dit per e-mailbericht aan appellant laten weten.

2.12

Op 15 december 2016 is de plaatsing van de moeder en de kinderen bij [de vrouwenopvang] geëindigd.

2.13

Verweerster is sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Vanaf [datum] 2018 tot op heden is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 De ontvankelijkheid

3.1

Verweerster heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat het door appellant ingediende beroepschrift niet voldoet aan de eisen als opgenomen in artikel 12.3 van het Tuchtreglement, omdat appellant geen duidelijke of concrete beroepsgronden heeft geformuleerd. Dit dient ertoe te leiden, aldus verweerster, dat appellant niet kan worden ontvangen in zijn beroep.

3.2

Het College van Beroep is van oordeel dat de grieven in beroep voldoende duidelijk geformuleerd zijn. Appellant verwijst naar het oordeel van het College van Toezicht en beschrijft op welke punten dit oordeel naar zijn mening onjuist is. Het College van Beroep concludeert aldus dat appellant ontvankelijk is in zijn beroep, en zal in de verdere beoordeling inhoudelijk ingaan op de grieven.

3.3

Voorts heeft verweerster aangegeven dat appellant in beroep een aantal klachten opvoert waarover in eerste aanleg niet is geoordeeld. Nu dit nieuwe klachtonderdelen zijn stelt verweerster zich op het standpunt dat appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in deze klachtonderdelen.

3.4

Het College van Beroep overweegt met betrekking tot deze grief omtrent de ontvankelijkheid als volgt. Het College van Beroep is niet bevoegd te oordelen over nieuwe klachtonderdelen welke niet zijn voorgelegd aan het College van Toezicht. Voor zover er door appellant nieuwe klachten aan het beroepschrift zijn toegevoegd, zullen deze aldus door het College van Beroep niet worden beoordeeld. Het College van Beroep zal in deze beslissing alleen uitspraak doen over de grieven die door appellant zijn ingediend tegen de door het College van Toezicht beoordeelde klachtonderdelen.

4 Het beroep, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 3 april 2018 van de klachtonderdelen I en II, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

4.1.4

Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.2

Klachtonderdeel I

4.2.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd:
“[Verweerster] heeft onterecht aan [de GI] gerapporteerd als zijnde een feit dat [appellant] de moeder heeft mishandeld.”

4.2.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “[Appellant] stelt dat [verweerster] op 19 augustus 2016 had moeten ingrijpen toen moeder geen toestemming voor de vakantie van [appellant] en de kinderen wilde geven. [Verweerster] geeft aan dat zij niet heeft ingegrepen, omdat zij moeder niet kan dwingen om toestemming te geven. Het College [van Toezicht] is met [verweerster] van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het geven van toestemming bij de ouders, in dit geval de moeder, ligt. Het College [van Toezicht] acht het dan ook een zorgvuldige afweging van [verweerster] dat zij zich niet in de discussie heeft gemengd, die tussen de ouders gaande was. Daar waar [appellant] [verweerster] verwijt dat zij aan [de GI] zou hebben gerapporteerd dat [appellant] de moeder op 19 augustus 2016 heeft mishandeld, heeft [appellant] ter zitting erkend dat [verweerster] dit een misverstand betreft. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] behoeft dit verwijt daarmee geen verdere bespreking.” Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

4.2.3

Appellant verwijst met betrekking tot dit klachtonderdeel naar het verweer in eerste aanleg, waarin verweerster heeft bevestigd dat zij nooit aan [de GI] heeft gemeld dat er sprake was van een mishandeling, omdat er op dat moment geen mishandeling zou hebben plaatsgevonden. Appellant betreurt het ten eerste dat verweerster nu pas deze valse beschuldiging erkent, en ten tweede de door haar geplaatste toevoeging ‘op dat moment’, waarmee zij suggereert dat er op andere momenten wel sprake van zou zijn geweest. Naar de mening van appellant heeft zij hiermee de rechtsgang ernstig gefrustreerd en de kinderrechter waardevolle informatie onthouden. Voorts was er geen bereidheid bij verweerster om beide ouders evenveel te helpen.

4.2.4

Verweerster is van mening dat appellant in zijn grief een aantal nieuwe klachten opvoert waarover in eerste aanleg niet is geoordeeld. Zo klaagt hij dat verweerster eerder had moet reageren op een e-mailbericht van 6 maart 2017, dat zij de rechtsgang heeft gefrustreerd en de kinderrechter waardevolle informatie heeft onthouden en dat verweerster beide ouders met gezag niet gelijkwaardig heeft behandeld. Nu dit nieuwe klachtonderdelen betreffen dient appellant naar de mening van verweerster niet ontvankelijk te worden verklaard in deze klachtonderdelen.

Ten overvloede wijst verweerster erop dat binnen [instelling] vanaf juni 2016 een algeheel contactverbod gold tussen medewerkers en appellant, reden waarom zij niet op het genoemde e-mailbericht heeft geantwoord. Verweerster verwijst hiervoor naar een intern e-mailbericht d.d. 7 september 2016.

Voorts betwist verweerster nadrukkelijk dat zij de woorden ‘op dat moment’ suggestief bedoeld heeft. Zij begrijpt wanneer ze het terugleest dat dit zo opgevat kan worden, maar ze benadrukt dat dit niet zo is bedoeld.

4.2.5

Het College van Beroep verwijst met betrekking tot de nieuw aangevoerde klachtonderdelen naar hetgeen is overwogen in 3.4. Voor het overige stelt het College van Beroep zich op het standpunt dat de bewoording van verweerster ‘op dat moment’ op verschillende manieren kan worden opgevat, maar dat ook deze klacht nieuw is ten opzichte van de oorspronkelijk bij het College van Toezicht ingediende klacht. Gelet op het voorgaande wordt appellant dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn grieven tegen klachtonderdeel I.

4.3

Klachtonderdeel II

4.3.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “[Verweerster] heeft de privacy van [appellant] geschonden.”

4.3.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat [instelling] in de periode oktober tot en met december 2016 verslagen van belmomenten (middels Skype) tussen [appellant] en zijn kinderen naar [de GI] verstuurd heeft. Hoewel [appellant] stelt dat de gesprekken afgeluisterd zijn en de verslagen suggestief zijn, leest het College [van Toezicht] in de overgelegde stukken slechts een monitor van de belmomenten tussen [appellant] en zijn kinderen. Het is het College [van Toezicht] niet gebleken dat deze monitor zich zou hebben gericht op enige inhoud van de gesprekken tussen [appellant] en zijn kinderen. Het College [van Toezicht] volgt dan ook het verweer van [verweerster] waarin zij stelt dat het doel van de verslaglegging aan [de GI] niet is geweest om de gesprekken met [appellant] en de kinderen af te luisteren, maar slechts om vast te stellen of de belmomenten tussen [appellant] en zijn kinderen plaatsvonden. Los van het doel van de verslaglegging is het College [van Toezicht] van oordeel dat op grond van artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker de gezaghebbende ouder geïnformeerd had moeten worden dat de belmomenten tussen [appellant] en zijn kinderen zouden worden bijgehouden. Deze verantwoordelijkheid ligt volgens het College [van Toezicht] echter bij de instelling die zo’n verzoek doet, in dit geval [de GI]. Het College [van Toezicht] acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat [verweerster] niet heeft geverifieerd of [appellant] over het voornoemde was geïnformeerd. [Verweerster] heeft hier gerechtvaardigd op mogen vertrouwen. Ten overvloede merkt het College [van Toezicht] op dat het getuigt van zorgvuldigheid dat [verweerster], reflecterend op haar handelen, in het vervolg zal controleren of de gezaghebbende ouder geïnformeerd is.” Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

4.3.3

Het College van Toezicht is volgens appellant ten onrechte van mening dat het informeren van hem over het vastleggen van de belmomenten uitsluitend de verantwoordelijkheid was van de instelling die een dergelijk verzoek doet. Appellant stelt dat verweerster niet had mogen afgaan op een mededeling van de gezinsvoogd dat appellant op de hoogte zou zijn geweest. Voorts betwist appellant dat er slechts sprake was van het bijhouden van gesprekjes. Dit zou blijken uit het feit dat verweerster heeft gesproken over een ‘verslagje van het belmoment’, waarin meer is opgenomen dan slechts telefoontijden. Appellant is van mening dat het aangehaalde voorbeeld ervan getuigt dat er sprake was van een vooropgezette afspraak om mee te luisteren met het telefoongesprek. Appellant stelt dat bewezen kan worden dat de gesprekken werden afgeluisterd met het feit dat door het College van Toezicht in een andere zaak is geschreven dat er verslagen van de belmomenten naar [de GI] zijn gestuurd.

4.3.4

Verweerster geeft aan dat zij kan begrijpen dat appellant zich op dit punt gepasseerd en gecontroleerd heeft gevoeld. Zij heeft uit deze casus lering getrokken voor de toekomst. Zij blijft echter bij haar standpunt dat zij er in beginsel op mocht vertrouwen dat de door [de GI] ingezette acties en maatregelen, door de gezinsvoogd met beide ouders zouden worden besproken. Verweerster realiseert zich dat haar handelen op dit punt beter had gekund. Maar aangezien het de primaire verantwoordelijkheid van de gezinsvoogd is om acties met ouders te bespreken, is zij van mening dat zij binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is gebleven.

4.3.5

Het College van Beroep stelt vast dat appellant een aanname doet, namelijk dat het door hem aangehaalde voorbeeld bevestigt dat er een vooropgezette afspraak was om mee te luisteren. Deze aanname is nergens op gebaseerd. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in het oordeel dat, nu het een opdracht vanuit [de GI] was, verweerster niet kan worden verweten dat deze werkwijze niet vooraf is besproken met appellant. Appellant stelt zich op het standpunt dat dit oordeel ten onrechte is genomen door het College van Toezicht, maar motiveert niet om welke reden dit naar zijn mening ten onrechte is. Het College van Beroep komt dan ook tot de slotsom dat verweerster erop mocht vertrouwen dat de aan haar gegeven opdracht vanuit [de GI], door de gezinsvoogden met appellant zou worden besproken. De grief van appellant faalt.

4.4

Conclusie

Het College van Beroep komt tot de conclusie dat appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard in de grief met betrekking tot klachtonderdeel I, en dat de grief met betrekking tot klachtonderdeel II faalt.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart appellant niet-ontvankelijk in de grief met betrekking tot klachtonderdeel I;
– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht van 3 april 2018.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 7 december 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden,
voorzitter

mevrouw mr. R.A.E. Thijssen,
secretaris