Klacht tegen een jeugd- en gezinswerker van het CJG met name over dat zij te snel een spoedmelding heeft gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
de heer E.H. Weise, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.J.M. Wouters, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, voorheen werkzaam als jeugd- en gezinswerker bij [naam instelling], hierna te noemen: [het CJG].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 10 april 2017, met de bijlagen en de aanvulling hierop van 25 mei 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 11 september 2017, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 9 november 2017 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest de heer [toehoorder].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van de minderjarige dochter: [jeugdige], hierna te noemen: [jeugdige] (geboren op [geboortedatum] 2002).

2.2

Klaagster is belast met het ouderlijk gezag over [jeugdige].

2.3

Op 13 juli 2015 wordt door de politie een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis omtrent meldingen van huiselijk geweld in de thuissituatie van [jeugdige]. Klaagster ontkent dat sprake is van huiselijk geweld. Op 20 juli 2015 wordt middels het Lokaal Ondersteuningsteam (LOT) besloten dat hulpverlening in het vrijwillige kader dient te worden opgestart, zodoende raakt [het CJG] betrokken bij klaagster en [jeugdige].

2.4

Beklaagde is destijds werkzaam geweest als jeugd- en gezinswerker bij [het CJG] en sinds de betrokkenheid van [het CJG] de contactpersoon voor klaagster en [jeugdige] geweest.

2.5

In juli 2015 is het eerste contact tussen klaagster en beklaagde. Tijdens dit eerste contact wordt afgesproken dat beklaagde na de zomervakantie opnieuw met klaagster in gesprek gaat om de zorgen te bespreken.

2.6

Op 2 oktober 2015 gaan beklaagde en klaagster opnieuw in gesprek. Klaagster geeft in dit gesprek aan dat [jeugdige] sinds twee weken bij de grootouders (moederszijde) verblijft. Klaagster heeft [jeugdige] in eerste instantie vrijwillig bij de grootouders ondergebracht. Tijdens voornoemd gesprek komt echter naar voren dat de grootvader op dat moment weigert [jeugdige] terug te brengen naar klaagster, ondanks dat klaagster haar dochter weer thuis wil laten wonen.

2.7

Op 22 oktober 2015 doet klaagster aangifte tegen de grootouders vanwege onttrekking van [jeugdige] aan het ouderlijk gezag.

2.8

Beklaagde heeft op 22 oktober 2015 een spoedmelding bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) gedaan inzake (de situatie omtrent) [jeugdige].

2.9

De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 2015 [jeugdige] tot 23 januari 2016 voorlopig onder toezicht gesteld. Bij dezelfde beschikking is [jeugdige] voor de duur van vier weken uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders (moederszijde). De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn nadien steeds verlengd.

2.10

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:

I

In de spoedmelding die beklaagde bij de Raad heeft gedaan, staan aantoonbare onjuistheden. Klaagster noemt hiervan de volgende voorbeelden:
– De spoedmelding naar de Raad is niet juist gedateerd; deze melding is gedaan op 23 oktober 2015 en niet op 22 oktober 2015;
– In de raadsmelding staan onjuistheden betreffende de schoolgang van [jeugdige]. Beklaagde vond school van ondergeschikt belang, [jeugdige] zou eerst bij klaagster teruggeplaatst moeten worden alvorens school (opnieuw) gestart kon worden. In de raadsmelding staat onterecht aangeven dat klaagster [jeugdige] niet naar school zou willen laten gaan;
– Beklaagde heeft de reden van verblijf van [jeugdige] bij de grootouders onjuist vermeld;
– Er wordt een onjuiste naam vermeld van de maatschappelijke werker van klaagster. Ook het aantal contactmomenten tussen beklaagde en de maatschappelijke werker wordt onjuist vermeld; er is maar één contactmoment geweest in plaats van diverse contactmomenten;
– Er wordt in de melding onterecht gesproken over huiselijk geweld.
Beklaagde staat ook op zeer goede voet met de betrokken raadsmedewerker.

II

Beklaagde heeft zich niet aan de afspraak gehouden dat zij, wanneer zou blijken dat de hulpverlening van [het CJG] niet van de grond zou komen, de casus terug zou melden bij Veilig Thuis. In plaats van de casus terug te melden, heeft beklaagde een melding bij de Raad gedaan.

III

Beklaagde heeft de raadsmelding gedaan terwijl zij [jeugdige] nog nooit gesproken of gezien had.

IV

Eind oktober 2015 is door [het CJG] de toezegging gedaan dat beklaagde niet meer betrokken zou zijn bij de casus. Ondanks deze toezegging, blijkt uit het dossier van de gecertificeerde instelling (die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling) dat beklaagde zich nog tot januari 2016 over de casus heeft uitgelaten.

V

Beklaagde liet klaagster in het gesprek na afloop van de zitting bij de rechtbank niet uitpraten.

VI

Beklaagde heeft geen verantwoording genomen voor de gemaakte raadsmelding ondanks dat het hele dossier gebaseerd is op informatie afkomstig van haar.

Klager meent dat beklaagde met bovenstaande handelingen de volgende artikelen van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden heeft: artikel A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), artikel J (vertrouwelijkheid), artikel M (verslaglegging/dossiervorming) en artikel W (signaleren misstanden in de jeugdzorg).

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde werd vanaf 2 oktober 2015 geconfronteerd met de situatie dat [jeugdige] al ongeveer twee weken bij de grootouders verbleef, terwijl klaagster wilde dat [jeugdige] terug naar huis zou keren. Klaagster was van mening dat beklaagde [jeugdige] diende terug te halen. Ondanks dat beklaagde aangegeven heeft dat dit niet haar taak was en dat zij hiervoor ook niet de bevoegdheid had, hebben beklaagde en klaagster vanaf dat moment geen overeenstemming kunnen krijgen over de hulpverlening. Beklaagde heeft geprobeerd in [jeugdige]’s belang te handelen en gepoogd een plan op te stellen om de thuissituatie te stabiliseren, met als uiteindelijk doel de thuisplaatsing van [jeugdige]. Vanwege de moeizame samenwerking tussen beklaagde en klaagster, heeft zich na oktober 2015 een andere hulpverlener vanuit [het CJG] met het gezin van klaagster beziggehouden. Beklaagde heeft de ontstane situatie voor klaagster zeer onaangenaam gevonden en zij kan goed begrijpen dat klaagster voor haar dochter vecht.

I

Mogelijk kan sprake zijn van een onjuiste datum van de spoedmelding, beklaagde erkent dat dit slordig is. Beklaagde betwist de overige onjuistheden.

II

Beklaagde heeft na intern overleg contact gezocht met de Raad om de casus voor te leggen. Het advies van de Raad was om een verzoek tot onderzoek op te maken, zodat de Raad de situatie kon beoordelen. De Raad heeft vervolgens ambtshalve besloten, binnen het spoedkader, een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken aan de kinderrechter.

III

Beklaagde is eenmaal bij de grootouders, in [woonplaats], langsgegaan om met hen en met [jeugdige] te spreken. Beklaagde heeft tijdens dit bezoek ervaren dat [jeugdige] weinig behoefte toonde om met haar te praten. Gezien de afstand zijn verdere contacten tussen beklaagde en de grootouders telefonisch verlopen.

IV

De samenwerking tussen beklaagde en klaagster is na het bemiddelingsgesprek met de manager en klaagster, op verzoek van klaagster, beëindigd.

V

Beklaagde heeft in een gesprek, waarbij de betrokken gezinsvoogd ook aanwezig was, aan klaagster nogmaals haar bevoegdheden en de procedure geprobeerd uit te leggen. Klaagster benoemde op dat moment dat ze de uitleg van beklaagde begreep.

VI

De informatie, verwerkt in de raadsmelding, is niet slechts afkomstig geweest van beklaagde. Beklaagde heeft informatie doorgegeven nadat met de volgende personen en instanties contact is geweest: de orthopedagoog ([het CJG]), collegiaal overleg (via intervisie en casusbespreking), de betrokken hulpverlening van Visio, Veilig Thuis, de Reclasseringsambtenaar van het Leger des Heils, de wijkagent, de Raad en tenslotte ook de gezinsleden zelf.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I

Beklaagde erkent dat de spoedmelding naar de Raad mogelijk onjuist gedateerd is. Het College is van oordeel dat zulks weliswaar slordig zou zijn maar dat het een minimale onjuistheid betreft, die niet toeziet op (de kern van) de inhoud van de spoedmelding. Wat betreft de inhoud van de spoedmelding overweegt het College het volgende. De hulpverlening is onder meer opgestart vanwege de meldingen inzake huiselijk geweld. Klaagster beweert dat er geen sprake is geweest van huiselijk geweld, zij is hier kennelijk wel voor vervolgd maar klaagster is vrijgesproken. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde juist gehandeld door deze omstandigheid te noemen in de raadsmelding omdat het strafrechtelijke onderzoek naar huiselijk geweld ten tijde van de raadsmelding nog niet was afgesloten. Daarnaast is doorslaggevend voor de raadsmelding geweest dat klaagster [jeugdige] op 22 oktober 2015 wilde ophalen bij de grootouders, die haar niet meegaven, waarna klaagster aangifte tegen de grootouders heeft gedaan vanwege het onttrekken van [jeugdige] aan het ouderlijk gezag. Klaagster noch beklaagde heeft vorengaande betwist. Het College overweegt dat een enkele, minimale onjuistheid, te weten een onjuiste gedateerde raadsmelding en een mogelijk verkeerd vermelde naam van de betrokken maatschappelijk werkster van klaagster, niet afdoet aan de kern van de inhoud van de raadsmelding. Van een onjuiste kern van de inhoud van de raadsmelding is het College niet gebleken.

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

II

Beklaagde werd begin oktober 2015 geconfronteerd met een situatie waarbij de minderjarige bij de grootouders ondergebracht was c.q. daar al enige tijd verbleef. Beklaagde stelt dat zij in de – korte – periode hierna gepoogd heeft de samenwerking met klaagster aan te gaan om zodoende een stabiele thuissituatie bij klaagster te creëren. Klaagster heeft vervolgens op 22 oktober 2015 aangifte tegen de grootouders gedaan vanwege onttrekking van [jeugdige] aan het ouderlijk gezag. Beklaagde heeft in de stukken en ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, vanwege de aangifte én op aanraden van de Officier van Justitie, geen andere mogelijkheid zag dan advies bij de Raad in te winnen inzake de situatie omtrent [jeugdige], hoewel zij aanvankelijk had ingezet op het stabiliseren van de thuissituatie. Beklaagde heeft hierna het advies van de Raad opgevolgd en een verzoek tot onderzoek naar de Raad geschreven. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde juist gehandeld door advies aan de Raad te vragen na het incident van 22 oktober 2015, daar waar zij geen andere mogelijkheden meer zag in het vrijwillige kader, en het advies van de Raad op te volgen. De omstandigheid dat klaagster op 22 oktober 2015 aangifte tegen de grootouders had gedaan, nadat de grootouders [jeugdige] niet wilden meegeven toen klaagster haar kwam ophalen, rechtvaardigt naar het oordeel van het College dat beklaagde, ondanks eerdere afspraken, heeft nagelaten de casus terug te melden bij Veilig Thuis.

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

III

Hoewel klaagster stelt dat beklaagde ten tijde van de raadsmelding [jeugdige] nog nooit gesproken of gezien had, heeft beklaagde dit nadrukkelijk ontkend. Beklaagde stelt dat zij [jeugdige], alvorens zij de raadsmelding deed, wel degelijk gesproken had en zij heeft gemotiveerd weergegeven hoe dit gesprek is verlopen en wat er is besproken. Het College acht, gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende aannemelijk geworden dat beklaagde niet met [jeugdige] heeft gesproken. Naar het oordeel van het College is het overigens geen absolute voorwaarde dat de professional, die de raadsmelding doet, met de minderjarige gesproken dient te hebben.

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

IV

Ter zitting is gebleken dat beide partijen een andere perceptie hebben van wanneer het bemiddelingsgesprek heeft plaatsgevonden tussen klaagster, beklaagde en diens manager. Nu echter op 23 oktober 2015 de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [jeugdige] door de kinderrechter uitgesproken zijn, oordeelt het College dat de bemoeienis van beklaagde logischerwijs op die datum formeel beëindigd is. Hoewel klaagster stelt dat uit het dossier van de gecertificeerde instelling (die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [jeugdige]) blijkt dat beklaagde nadien nog betrokken bij de casus is geweest, heeft klaagster nagelaten dit dossier over te leggen. Van enige bemoeienis van beklaagde na 23 oktober 2015 is het College dan ook niet gebleken.

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

V

Of beklaagde klaagster al dan niet in een gesprek na afloop van de zitting bij de rechtbank heeft laten uitpraten, kan het College niet vaststellen. Klaagster heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel nagelaten onderbouwende stukken over te leggen. Nu onderbouwende stukken ten aanzien van dit klachtenonderdeel ontbreken, kan het College derhalve niet vaststellen dat beklaagde klaagster niet heeft laten uitpraten.

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

VI

Hoewel klaagster stelt dat beklaagde niet de verantwoordelijkheid genomen heeft betreffende het verzoek tot onderzoek naar de Raad, is dit niet gebleken. Beklaagde heeft de verantwoordelijkheid betreffende het verzoek tot onderzoek genomen door dit verzoek op te maken en in te dienen. Beklaagde heeft ook genoemd welke andere professionals en/of instanties zij betreffende [jeugdige] en de moeder geraadpleegd heeft. Het College overweegt ten overvloede dat de Raad overigens altijd de mening van (een) belanghebbende(n) zal vermelden en dat het voor klaagster dan ook mogelijk is geweest haar visie op het verzoek tot onderzoek te geven en het gestelde van beklaagde te weerleggen.

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.3

Het College komt op basis van het vorengaande tot de vaststelling dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 4 januari 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris