De vermeende handelswijze van de gedragswetenschapper, waar een deel van de klacht zich op richt, heeft zich afgespeeld in de periode voordat zij was geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd. Klagers zijn niet-ontvankelijk in dat deel van de klacht.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,
mevrouw drs. S. Pantelić, lid-beroepsgenoot.

over de door:

[Klagers], hierna te noemen: klagers, wonende te [Woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als gedragswetenschapper bij [pleegzorginstelling] te [Plaatsnaam], hierna te noemen: de pleegzorginstelling.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Klagers worden in deze zaak bijgestaan door hun gemachtigde [naam], hierna te noemen: [gemachtigde].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. J. C. Zevenberg van Aantjes Zevenberg Advocaten te Rijswijk.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 21 april 2017 met bijlagen;
– de brief van (oud) minister Van der Steur met betrekking tot waarheidsvinding, ingebracht op 11 oktober 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 21 juni 2017 met bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2017 in aanwezigheid van [klager] ([klaagster] was zonder voorafgaande melding afwezig), beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde was tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig [toehoorder 1], pleegzorgwerker en medebeklaagde in zaak [zaaknummer] en [toehoorder 2], leidinggevende bij [pleegzorginstelling].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klagers hebben vier minderjarige minderjarigen. Het gaat in deze casus om: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004, hierna te noemen: [minderjarige 1], en om [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2007, hierna te noemen: [minderjarige 2], hierna gezamenlijk aan te duiden als: de minderjarigen.

2.2

Klagers zijn met elkaar gehuwd en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De minderjarigen verbleven sinds 2009 in verschillende pleeggezinnen, en verblijven sinds 2010 in hetzelfde pleeggezin.

2.3

De andere twee minderjarigen, die buiten deze procedure staan, wonen in twee verschillende pleeggezinnen.

2.4

Op 10 mei 2010 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van [GI] (hierna te noemen: de GI). De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn nadien steeds verlengd.

2.5

In februari 2016 zijn er in het kader van het onderzoek naar mogelijke terugplaatsing van de minderjarigen werkafspraken gemaakt tussen de gezinsvoogden (hierna te noemen: jeugdbeschermers), de pleegzorgwerker en de gedragswetenschapper, waarbij de GI een coördinerende rol is gaan vervullen.

2.6

Onderdeel van deze afspraken is dat de pleegzorginstelling het contact met de pleegouders en de minderjarigen onderhoudt. De GI onderhoudt de contacten met de ouders, de minderjarigen en de andere hulpverlenende instanties.

2.7

Op 1 september 2016 heeft beklaagde op verzoek van de GI, samen met de pleegzorgwerker, de zienswijze opgesteld en afgerond over terugplaatsing van de minderjarigen. Op 2 september 2016 is de zienswijze aan klagers gemaild. Eindconclusie is dat de minderjarigen het meest gebaat zijn bij het blijven wonen in het huidige pleeggezin.

2.8

Op 17 november 2016 heeft de GI een verzoek toestemming wijziging in het verblijf minderjarigen in het kader van de ondertoezichtstelling gedaan aan de rechtbank [Locatienaam]. De rechtbank is verzocht de minderjarigen terug te plaatsen bij klagers.

2.9

Bij beschikking van de rechtbank d.d. 9 december 2016 is de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd tot 10 mei 2017, en het verzoek van de GI tot wijziging verblijf van de minderjarigen afgewezen.

2.10

Beklaagde is vanaf april 2013 als gedragswetenschapper toegevoegd aan het team van de pleegzorgwerker.

2.11

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2016.

3 De klacht

3.1

Klagers verwijten beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:

3.1.1

Beklaagde doet uitspraken over klagers en de minderjarigen, terwijl zij niet inzichtelijk maakt hoe zij aan deze informatie is gekomen. Op basis van welk onderzoek, welke observatie of welke gesprekken heeft zij zich gebaseerd? Nimmer is beklaagde met de klagers in gesprek gegaan. Een rapport moet controleerbaar, verifieerbaar en reproduceerbaar zijn. Verder mag er niets geschreven worden over personen die beklaagde niet gesproken en onderzocht heeft. In plaats dat beklaagde een neutrale positie inneemt, dekt zij aan alle kanten de handelswijze van de pleegouders. Samen met de pleegzorgwerker heeft zij een zienswijze opgesteld ten aanzien van de thuisplaatsing van de minderjarigen, naar aanleiding waarvan de rechtbank een besluit moest nemen. Uit de bijgevoegde zienswijze blijkt niet welk deel geschreven is door beklaagde en welk deel door de pleegzorgwerker. Ter zitting hebben klager en zijn gemachtigde nog benadrukt dat het beeld dat beklaagde had van de situatie haaks stond op het beeld dat de gezinsvoogd had.

Klagers noemen de volgende passages uit de zienswijze:

– “Pleegzorg verwacht dat de combinatie van een groot gezin met vier minderjarigen, die elk hun eigen zorg/aanpak nodig hebben, een zeer groot beroep doet op de draagkracht/rolverdeling en opvoedingsvaardigheden van ouders.”

–  “Wanneer niet alle minderjarigen in aanmerking komen voor terugplaatsing zal dit van grote invloed kunnen zijn op de verhoudingen tussen de minderjarigen onderling maar ook tussen de minderjarigen en de ouders. Denk daarbij aan gevoelens van afwijzing, onbegrip, onzekerheid, loyaliteitsconflict, schuldgevoel, hechtingsontwikkeling enz. Pleegzorg maakt zich zorgen of na terugplaatsing de minderjarigen ruimte krijgen en kunnen blijven ervaren voor deze hechtingsrelatie met pleegouders.” “Voor beide minderjarigen is de positiviteit vooral gericht op het samenzijn en spelen met hun broer of zus en niet zozeer op het wonen bij ouders”.

Naar aanleiding van deze passage uit de zienswijze geven klagers aan dat er een verslag is van GGZ-instelling [GGZ-instelling], waarin juist zorgen zijn geuit over deze hechtingsproblematiek. Beklaagde doet hier niets mee en stelt zonder enige onderbouwing dat er een hechtingsrelatie is met de pleegouders. Dat er ook een hechtingsrelatie is met de ouders, vermeldt zij niet.

– “Aan de hand van de twee huizen (van pleegouders en ouders) is op te maken dat voor zowel [zoon] als [dochter] de positieve punten van het wonen bij ouders of pleegouders gelijk op gaat. De minderjarigen ervaren meer zorgen/minder leuke punten wanneer zij weer bij ouders gaan wonen dan wanneer zij bij de pleegouders zullen blijven wonen. Desondanks denken zij beiden dat het thuis wel goed zou kunnen gaan.”

– “Het baart pleegzorg zorgen dat de problematiek van de minderjarigen door de ouders niet lijkt te worden gezien, waardoor de minderjarigen (eerder) niet de zorg/hulp hebben kunnen krijgen die nodig is.”

Deze passage staat haaks op de bevindingen van de betrokken gezinsvoogden. Klagers zijn steeds op zoek geweest naar hulpverlening. Zij hebben hulp ingeschakeld van […] thuiszorg, [GGZ-instelling] en zijn in gesprek gegaan met de Opvoedpoli. Er wordt in de zienswijze dus geen juiste voorstelling van zaken gegeven, teneinde de rechtbank onjuist voor te lichten.

De conclusie, dan wel het advies in de zienswijze luidt als volgt:
“Pleegzorg is van mening dat met een terugplaatsing een zeer groot risico wordt genomen ten aanzien van het waarborgen van de ontwikkeling van de minderjarigen. De ernst van de zorgen zijn groter dan hetgeen de terugplaatsing de minderjarigen zou brengen. Mocht overwogen worden door de GI om alleen deze twee minderjarigen terug te plaatsen, maakt pleegzorg zich grote zorgen over de impact hiervan op de verhoudingen tussen de minderjarigen onderling, maar ook tussen de minderjarigen en de ouders en de uiteindelijke weerslag hiervan op de ontwikkeling van de minderjarigen afzonderlijk.
Pleegzorg is van mening dat de minderjarigen het meest gebaat zijn bij het blijven wonen in het huidige pleeggezin en dat zij van hieruit een passende en haalbare omgangsregeling hebben met de ouders en hun broer en zus. Een omgangsregeling die recht doet aan de behoefte van de minderjarigen aan onderling contact en samenzijn.”

Beklaagde heeft nimmer met klagers gesproken over mogelijke terugplaatsing van de minderjarigen, de minderjarigen zijn nooit samen met klagers geobserveerd en er is geen contact geweest met de jeugdbeschermers. De gemachtigde van klagers heeft beklaagde herhaaldelijk gevraagd kenbaar te maken wanneer zij gesprekken heeft gevoerd met de minderjarigen en met klagers. Daar is nimmer op gereageerd. De zienswijze is derhalve niet onderbouwd, maar wel meegenomen door de rechtbank in haar beslissing over de terugplaatsing van de minderjarigen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minderjarigen goed zitten in het pleeggezin. Beklaagde heeft onzorgvuldig en daarmee klachtwaardig gehandeld.

3.1.2

Voorts heeft [minderjarige 1], samen met de pleegzorgwerker, een brief geschreven aan de rechtbank, waarin zijn mening over een mogelijke terugplaatsing staat beschreven. Klagers verwijten beklaagde dat zij dit als psycholoog heeft laten gebeuren. Zij heeft niet op de rem getrapt door aan te geven dat dat tot haar competentie behoorde. Noch heeft zij de vraag gesteld of dat wel zo kon omdat er een vertrouwensband bestond tussen [minderjarige 1] en zijn jeugdbeschermer.

3.1.3

Beklaagde heeft niet ingegrepen toen er vanaf juni 2013 aanwijzingen waren voor kindermishandeling, wat zelfs genoemd is in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) van november 2014, en de problemen die gerapporteerd zijn door [GGZ-instelling]. Beklaagde heeft deze zorgelijke situatie niet besproken met de pleegouders en de gezinsvoogden. De vraag die dan gesteld moet worden is: Is dit wel het juiste pleeggezin? Ook toen de gedragsproblemen van [minderjarige 1] in de zomer van 2016 werden aangemeld bij de Opvoedpoli heeft beklaagde zich niet in verbinding gesteld met de behandelaren van [minderjarige 1] teneinde te informeren naar de bevindingen rondom [minderjarige 1] en het pleeggezin. Beklaagde heeft geen moeite ondernomen om deze zorgelijke informatie te bespreken met medewerkers van de RvdK, [GGZ-instelling] en de Opvoedpoli. De Opvoedpoli heeft aangegeven nimmer contact gehad te hebben met beklaagde. Hoe kan beklaagde zorgvuldige adviezen schrijven zonder contact te hebben gehad met de hulpverleners van [minderjarige 1]?

3.1.4

Volgens de beroepscode van het NIP, maar ook van de NVO mogen gedragswetenschappers, zoals een psycholoog, geen onderzoek doen zonder toestemming van de ouders. Bij een ondertoezichtstelling blijft het gezag van de ouders van kracht en diende beklaagde, om zich met de casus te mogen bemoeien, toestemming te hebben van klagers. Deze toestemming is nooit gevraagd. Hoe kan beklaagde het rapport ondertekenen, zonder dat zij de minderjarigen ooit heeft onderzocht en gesproken?

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.1.1

In het algemeen heeft beklaagde gesteld dat zij als gedragswetenschapper is toegevoegd aan het team van de pleegzorgwerker. Als bijlage bij het verweer is een functieomschrijving bijgevoegd en een notitie over de rol van de gedragswetenschapper binnen de pleegzorginstelling. Normaal gesproken ondersteunen gedragswetenschappers enerzijds de hulpverleners en anderzijds dragen zij zelf bij aan de hulp door direct contact te hebben met de cliënt. Beklaagde echter, heeft geen contact gehad met de minderjarigen. Haar betrokkenheid is beperkt gebleven tot de ondersteuning van de pleegzorgwerker. Zij heeft geen onderzoek, dan wel behandeling uitgevoerd.

4.1.2

In de loop van 2016 is onderzoek gedaan naar de terugplaatsing van de minderjarigen. Dat heeft tot de nodige spanningen geleid. Rapportages van de Opvoedpoli, de aanbeveling van […] stichting voor onderwijs] en de rapportage van […] waren nog niet bekend. Door de GI is op basis van dit onderzoek tot een terugplaats-plan gekomen. In het kader van de samenstelling daarvan is aan de pleegzorginstelling gevraagd om hun zienswijze. Klagers waren daarvan op de hoogte, zoals blijkt uit de bij het verweer gevoegde e-mail van 12 augustus 2016. Een deel van de zienswijze van de pleegzorginstelling is in het terugplaatsingsplan van de GI terecht gekomen. In verband met de transparantie is de gehele zienswijze op 2 september 2016 aan klagers gezonden. De GI heeft dit op 15 september 2016 nogmaals aan klagers gestuurd.

De onderhavige procedure ziet vooral toe op deze zienswijze. Deze is opgesteld door de pleegzorgwerker, met ondersteuning van beklaagde. De zienswijze is geschreven vanuit het beeld dat de pleegzorginstelling en de pleegouders hebben over de ontwikkeling van de minderjarigen. Er zijn bewust geen uitspraken gedaan over het functioneren van de ouders. Maar er is wel een aantal algemene uitspraken gedaan op basis van de praktijk, wetenschappelijke kennis en opgedane ervaringen. Het was aan de GI om mede op basis van deze zienswijze en informatie uit andere bronnen tot een advies te komen en dit voor te leggen aan de rechtbank. Het uiteindelijke advies over het toekomstperspectief is daarmee gegeven door de GI en maakt dat de zienswijze niet als zodanig kan worden geïnterpreteerd. Het was niet duidelijk dat de zienswijze als geheel aan de rechtbank zou worden overgelegd. Dat heeft de GI besloten.

De rechtbank is van oordeel geweest dat de terugplaatsing in gang is gezet zonder dat er vooraf sprake was van een zorgvuldig traject. De RvdK had daar volgens de rechtbank bij betrokken moeten worden. Tevens is de beslissing tot afwijzing van de wijziging verblijfsplaats van de minderjarigen niet alleen gebaseerd op de zienswijze, zoals ook blijkt uit de overwegingen in de beschikking van de rechtbank van 9 december 2016 op pagina 5.

Voor zover de zienswijze als advies moet worden beschouwd, geldt met betrekking tot de door klagers ter zake gemaakte opmerkingen het volgende.

De passage uit de zienswijze waar gesproken wordt over een groot gezin betreft een algemene uitspraak. Het is bekend dat meerdere minderjarigen in een gezin met ieder hun eigen problematiek veel vraagt van ouders en dat als daarin problemen ontstaan dit ook gevolgen heeft voor alle andere minderjarigen en het gehele gezinssysteem. De andere minderjarigen kunnen daar problemen van gaan ondervinden. De opmerking komt voort uit de eigen deskundigheid en is geformuleerd in het belang van de minderjarigen.

In gesprekken met de pleegzorgwerker hebben de minderjarigen steeds duidelijk laten blijken dat ze vooral als minderjarigen samen willen zijn. Uit hun verhalen, direct of via de pleegouders, is af te leiden dat de minderjarigen met elkaar verbonden zijn en het samenzijn sterk waarderen. Uit ervaring en wetenschappelijk onderzoek laat zich daarnaast afleiden dat broertjes en zusjes aan elkaar gehecht zijn, en dat mocht er een knip gemaakt worden daar veel verscheidene en negatieve gevoelens bij kunnen komen kijken. Zo kunnen minderjarigen die niet terug naar huis mogen, denken dat zij slecht zijn en minderjarigen die wel terug naar huis mogen, zich juist schuldig voelen.

Het verslag van [GGZ-instelling] was ten tijde van het uitbrengen van het rapport niet in het bezit van de pleegzorginstelling. De daarin vervatte conclusie onderschrijft de weergegeven zorgpunten wel. Er is niet aangegeven dat er geen hechting zou zijn met de ouders. Er is verwezen naar de band die de minderjarigen (ook) hebben met de pleegouders. Dat blijkt uit de gesprekken met de minderjarigen, en het risico van het wegvallen hiervan en de daaruit voortvloeiende risico’s, ook gezien de duur van de uithuisplaatsing. Daarbij is de relatie tussen de ouders en de pleegouders moeizaam, met als risico dat bij terugplaatsing de band met de pleegouders niet in stand kan blijven.
Het betreft hier algemene uitspraken op basis van de contacten die de pleegzorgwerker heeft gehad met de minderjarigen, de pleegouders en eerdere ervaring. Met betrekking tot het contact tussen de ouders en de minderjarigen en de opvoedvaardigheden van de ouders is geen uitspraak gedaan in het betreffende rapport.

Medio 2012 zijn de minderjarigen aangemeld voor een onderzoek bij de pleegzorginstelling, waarvoor de ouders geen toestemming hebben gegeven. In april 2014 is er door de ouders mondeling toestemming gegeven voor GGZ-hulp. In verband met het uitblijven van de ondertekening van die toestemming is er in juni 2015 tot een afgifte van een rechterlijke machtiging medisch handelen gekomen.
Klagers verwijzen naar de hulp welke zij hebben ingeschakeld van […] thuiszorg, [GGZ-instelling] en de Opvoedpoli. De rapportage van de […] thuiszorg stamt uit 2012 en is niet ontvangen door de pleegzorginstelling. De pleegzorginstelling was, zoals eerder aangegeven, niet in het bezit van de rapportage van [GGZ-instelling], die in november 2015 is gestart met haar onderzoek. De hulp van de Opvoedpoli was voor het uitbrengen van het rapport ingezet, maar de bevindingen dateren van daarna en zien vooral toe op de interactie tussen klagers en de minderjarigen. Het rapport heeft juist specifiek gewezen op de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen. Laatstgenoemde omstandigheden hebben mede tot het formuleren van de aangegeven zorgpunten geleid.

Concluderend kan worden gesteld dat het rapport en het advies over de terugplaatsing gebaseerd zijn op de contacten van de pleegzorgwerker met de minderjarigen, de pleegouders, met de jeugdbeschermers en haar eigen ervaring. Steeds heeft afstemming plaatsgevonden met beklaagde.

Daarbij is in aanmerking genomen dat de minderjarigen inmiddels zes jaar bij de pleegouders verblijven, dat de minderjarigen dubbele signalen afgeven over de door hun gewenste woonsituatie en dat er in de periode van het onderzoek naar thuisplaatsing in ieder geval één fysiek incident is geweest van vader naar [minderjarige 2]. Voorts dat er twijfels waren rondom de haalbaarheid van de terugplaatsing gezien de omvang en samenstelling van het gezin en zorgen over de ontwikkeling zoals gezien door de pleegzorgwerker, pleegouders, school en de jeugdbeschermer, alsmede het niet, dan wel moeizaam opstarten van de hulp aan de minderjarigen. Er is ingeschat dat de aangegeven zorgpunten een thuisplaatsing kwetsbaar maken. Indien door deze zorgpunten de thuisplaatsing zou mislukken, zou dit heel schadelijk voor de minderjarigen zijn.

Normaal gesproken zou het uitgebrachte rapport met de ouders mondeling zijn besproken. In verband met de afspraak dat de GI de contacten met de ouders zou onderhouden, en de tijdsdruk heeft dat in dit geval niet plaatsgevonden. Dit wordt betreurd en had misschien onduidelijkheid kunnen voorkomen. Beklaagde is bereid dit overleg – eventueel via bemiddeling-alsnog plaats te laten vinden.
Ter zitting heeft beklaagde nog verklaard dat in het eerste jaar na de uithuisplaatsing er voor alle betrokkenen duidelijkheid moet ontstaan.

4.1.3

Wat betreft de brief die [minderjarige 1] voorafgaande aan de zitting van 25 november 2016 aan de rechtbank heeft geschreven, is het volgende van belang. [minderjarige 1] is op [datum] 2016 12 jaar geworden. Op 18 november 2016 heeft hij een brief ontvangen van de rechtbank om mondeling ter zitting of schriftelijk zijn mening te geven. [minderjarige 1] heeft zelf aan zijn pleegouders aangegeven dat hij niet gehoord wilde worden, maar wel zijn mening wilde geven. Pleegouders hebben daarop contact gezocht met de pleegzorgwerker. Zij heeft vervolgens contact opgenomen met beklaagde. Daarbij is overeengekomen dat het gesprek met [minderjarige 1] hieromtrent met de pleegzorgwerker zou plaatsvinden, omdat zij, in tegenstelling tot beklaagde, een bekend gezicht is. [minderjarige 1] heeft vervolgens zelfstandig de brief geschreven. Desgevraagd heeft beklaagde ter zitting aangegeven dat zij ten aanzien van de brief gekozen heeft voor een praktische oplossing.

4.1.4

Beklaagde heeft naar aanleiding van de zorgen van ouders over de verzorging en veiligheid van de minderjarigen in de periode mei-juni 2013 het Protocol Vermoedens van Kindermishandeling doorlopen. Op 6 juni 2013 heeft hierover een gesprek plaatsgevonden met ouders. Conclusie van pleegzorg was dat de veiligheid en verzorging van de minderjarigen niet in gevaar waren. De ouders waren het hier niet mee eens en hebben aangegeven een AMK-melding te zullen doen en strafrechtelijke aangifte. Beide hebben niet plaatsgevonden.

4.1.5

Beklaagde heeft geen onderzoek (diagnostiek of behandeling) verricht. Zij heeft advies gegeven wat betreft de zienswijze. In de zienswijze is aangegeven dat het opstellen hiervan enkel in samenwerking met beklaagde heeft plaatsgevonden.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar, vanaf de
datum van registratie bij SKJ, bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen. Evenmin is het College bevoegd beroepsmatig handelen/nalaten van voor de registratiedatum te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I en IV
Gezien de samenhang zal het College de klachtonderdelen I en IV gezamenlijk behandelen.
In klachtonderdeel I klagen klagers over de inhoud van, en de wijze waarop de zienswijze van 1 september 2016 tot stand is gekomen. Zij vragen zich af hoe beklaagde tot haar oordeel is gekomen. In klachtonderdeel IV hebben klagers erover geklaagd dat een gedragswetenschapper, zoals een psycholoog, volgens de beroepscodes van het NIP en de NVO geen onderzoek mag doen zonder toestemming van de ouders. Hier doelen de klagers eveneens op de zienswijze, die door beklaagde mede is ondertekend. Beklaagde heeft zich aldus verweerd dat zij geen onderzoek heeft verricht en enkel heeft geadviseerd ten aanzien van de zienswijze.

Het College stelt vast dat de – vermeende- handelswijze waarop de klachtonderdelen zich richten, zich hebben afgespeeld in de periode voor dat beklaagde was ingeschreven als gedragswetenschapper in het Kwaliteitsregister Jeugd van SKJ. Op 1 september 2016 heeft beklaagde op verzoek van de GI, samen met de pleegzorgwerker, de zienswijze opgesteld en afgerond over de terugplaatsing van de minderjarigen. Op dat moment was beklaagde (nog) niet als gedragswetenschapper in het register ingeschreven, en is het College derhalve niet bevoegd een oordeel uit te spreken. Beklaagde is vanaf [datum] 2016 geregistreerd.

Om die reden verklaart het College van Toezicht klagers niet-ontvankelijk in de klachten I en IV.

II
Klachtonderdeel II gaat over de brief aan de rechtbank, die de pleegzorgwerker volgens klagers samen met [minderjarige 1] heeft geschreven. Klagers verwijten beklaagde dat zij dit als psycholoog heeft laten gebeuren, dat zij niet heeft aangegeven dat dat tot haar competentie behoorde, noch dat zij de vraag heeft gesteld of dat wel zo kon, omdat er een vertrouwensband bestond tussen [minderjarige 1] en zijn jeugdbeschermer.

Minderjarigen vanaf 12 jaar worden door de rechter in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken in rechtszaken die hen betreffen. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat pleegouders, voor wie de pleegzorgwerker het aanspreekpunt is, haar benaderd hebben toen zij het verzoek van de rechter ontvingen. Het College stelt vast dat de pleegzorgwerker, nadat het verzoek van de rechtbank was ontvangen, hierover met beklaagde contact heeft opgenomen. Gebleken is dat beklaagde en de pleegzorgwerker in onderling overleg hebben besloten dat de pleegzorgwerker de meest vertrouwde persoon was voor [minderjarige 1] om naast hem te zitten en hem te ondersteunen bij het geven van zijn mening. In tegenstelling tot beklaagde die geen bekend gezicht was voor [minderjarige 1]. Daarmee heeft beklaagde [minderjarige 1] tot zijn recht laten komen.

Het College overweegt ook dat het beter was geweest als beklaagde de pleegzorgwerker erop had geattendeerd ook de jeugdbeschermer, die in dit proces en gezien het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling de regievoerder is, te informeren en af te stemmen over de bewuste brief. De beklaagde is als gedragsdeskundige medeverantwoordelijk voor de kwaliteit van haar team (artikel 31 Beroepscode NIP) en draagt verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van haar medewerkers (artikel 32 Beroepscode NIP). Onder team en medewerker valt de pleegzorgwerker. Het College heeft hier een afweging gemaakt en overweegt dat het gegeven dat beklaagde [minderjarige 1] tot zijn recht heeft laten komen, zwaarder weegt dan het gegeven dat zij de pleegzorgwerker hier niet op heeft geattendeerd. Beklaagde is in deze niet buiten de grenzen van haar beroepsmatig handelen getreden.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

III
In klachtonderdeel III klagen klagers erover dat beklaagde geen actie heeft ondernomen toen er aanwijzingen waren voor kindermishandeling.
Het College stelt vast dat deze klacht zich heeft afgespeeld in de periode van juni 2013 tot oktober 2013, toen het tweede gesprek over de kindermishandeling plaatsvond. Op dat moment was beklaagde niet als gedragswetenschapper ingeschreven in het Kwaliteitsregister Jeugd, en is het College niet bevoegd zich tuchtrechtelijk uit te spreken.

Om die reden verklaart het College van Toezicht klagers niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

5.3

Het College komt tot de slotsom dat het handelen van beklaagde geen schending van de voor haar geldende professionele standaard behelst. Er kan derhalve dan ook geen sprake zijn van het opleggen van een maatregel.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klagers niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen I, II en IV;
– verklaart klachtonderdeel II ongegrond;

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 21 december 2017 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                                               mevrouw mr. E.C. Abbing
voorzitter                                                                                                           secretaris