Klacht tegen jeugdconsulent over het onvoldoende houden van regie, het niet handelen in het belang van het kind en over het niet zorgvuldig afsluiten van de hulpverlening.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
de heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdconsulent bij [lokaal team], locatie [vestigingsplaats].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. K. Dankers.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M.J.M. ten Voorde, werkzaam bij Stadhouders Advocaten te Utrecht.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift d.d. 28 april 2017, ontvangen op 1 mei 2017,
– een aanvulling van het klaagschrift, inclusief bijlagen, van 5 juni 2017,
– het verweerschrift met bijlagen d.d. 14 september 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 10 november 2017 in aanwezigheid van klager, beklaagde en diens gemachtigde. Als toehoorder aan de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling aanwezig geweest [toehoorder].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is de (juridische) vader van vijf minderjarige kinderen, te weten: [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1]) geboren op [geboortedatum] 2003, [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2]) geboren op [geboortedatum] 2004, [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3]) geboren op [geboortedatum] 2006, [minderjarige 4] (hierna te noemen: [minderjarige 4]) geboren op [geboortedatum] 2008 en [minderjarige 5] (hierna te noemen: [minderjarige 5]) geboren op [geboortedatum] 2009, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en de moeder van de kinderen zijn sinds 2 juli 2014 gescheiden. Klager oefent samen met moeder het gezamenlijk gezag over de vijf kinderen uit. De huidige partner van moeder is de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 5].

2.3

Bij beschikking van 2 juli 2014 heeft de rechtbank [vestigingsplaats] bepaald dat de kinderen om de week bij klager verblijven en de andere week bij moeder. Deze co-ouderschapsregeling is uitgevoerd tot de zomer van 2015.

2.4

Op 16 januari 2015 is er een zorgmelding binnengekomen bij [lokaal team] in [vestigingsplaats]. Naar aanleiding hiervan is er hulpverlening gestart binnen het vrijwillig kader. Beklaagde is werkzaam als jeugdconsulent bij [lokaal team] en heeft vanaf 24 augustus 2015 de regie gehad over de hulp aan klager en moeder. Beklaagde is geregistreerd bij het SKJ sinds [datum] 2013.

2.5

Binnen de vrijwillige hulpverlening is in eerste instantie ingezet op ouderschapsbemiddeling door [instelling 1]. In december 2015 heeft [instelling 1] haar opdracht echter terug gegeven. Reden daarvoor was dat de ouderschapsbemiddeling onvoldoende van de grond was gekomen door de voortdurende strijd tussen klager en moeder over de (financiële) afwikkeling van de echtscheiding.

2.6

Op 18 december 2015 heeft moeder aan beklaagde laten weten de zorgregeling tussen klager en de kinderen per direct stop te zetten in verband met zorgen over de seksuele veiligheid van de kinderen als zij bij klager zijn. Naar aanleiding van deze mededeling heeft beklaagde op 21 december 2015 een melding gedaan bij Veilig Thuis.

2.7

Nadat de op advies van Veilig Thuis aangevraagde Ambulante Spoedhulp was afgewezen, heeft beklaagde voorgesteld om een gesprek in te plannen met klager, moeder en haar partner en de betrokken advocaten. Het doel van dit overleg was om het contact tussen klager en de kinderen weer te hervatten op basis van een gezamenlijk op te stellen veiligheidsplan. Tijdens het gesprek, dat uiteindelijk plaatsvond op 18 februari 2016, is besloten om een [verslag] in te dienen bij [vorm van jeugdbeschermingstafel] (hierna te noen: [jeugdbeschermingstafel]).

2.8

Beklaagde heeft het concept [verslag] op 6 april 2016 aan klager en moeder verzonden met het verzoek om binnen een week op het verslag te reageren. Klager heeft gelijk op het verslag gereageerd en moeder op 29 april 2016, waarna beklaagde op 29 april 2016 het [verslag] aan [jeugdbeschermingstafel] heeft toegezonden. [jeugdbeschermingstafel] heeft vervolgens op 14 juni 2016 plaatsgevonden.

2.9

Tijdens [jeugdbeschermingstafel] is geadviseerd om van 14 juni 2016 tot 14 december 2016 hulpverlening in het drangkader in te zetten. Hiermee zijn klager en moeder akkoord gegaan. Het drangtraject is uitgevoerd door [instelling 2] (hierna te noemen: [instelling 2]) en is in december 2016 met zes maanden verlengd.

2.10

Op 20 januari 2017 heeft [instelling 2] een concept gezinsplan naar klager en moeder verzonden. In het bericht van 20 januari 2017 wordt door [instelling 2] aan klager en moeder gemeld dat hun dossier op 3 februari 2017 zal worden gesloten.

2.11

Op 25 januari 2017 heeft klager per e-mail aan beklaagde aangegeven dat hij niet tevreden is over de hulpverlening van [instelling 2]. Klager heeft daarbij aangegeven naar zijn mening alsnog een raadsonderzoek moet worden gestart conform de afspraken [naar aanleiding van de jeugdbeschermingstafel] van 14 juni 2016.

2.12

Naar aanleiding van de klacht van klager over de hulpverlening heeft er overleg plaatsgevonden tussen beklaagde en [instelling 2], waarbij is afgesproken dat klager zal worden uitgenodigd voor een gesprek waarin [instelling 2] haar beleid en de door haar gemaakte afweging zou kunnen toelichten. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017 in aanwezigheid van beklaagde.

3 De klacht

3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

3.1.1

Beklaagde heeft onvoldoende regie gehouden op de voortgang en kwaliteit van de ingezette hulpverlening. Mede hierdoor is er veel tijd verloren gegaan en is de hulpverlening inefficiënt verlopen.

3.1.2

Beklaagde heeft niet in het belang van de kinderen gehandeld. Dit blijkt uit het feit dat de kinderen sinds december 2015 geen contact met klager hebben. Hierin is onder verantwoordelijkheid van beklaagde geen enkel resultaat geboekt.

3.1.3

Beklaagde heeft klager niet gerespecteerd in zijn rol als ouder met gezag. Hiertoe stelt klager dat beklaagde een rol heeft gespeeld in het stopzetten van de bestaande zorgregeling en vervolgens op geen enkele wijze heeft geprobeerd om naar mogelijkheden te zoeken om de ouderrol van klager opnieuw vorm te geven.

3.1.4

Beklaagde is tekort geschoten in de informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening richting klager. Klager stelt in dit verband niet door beklaagde geïnformeerd te zijn over de mogelijkheden en vormen van de hulp- en dienstverlening, eventuele kosten, informatie over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde tuchtrecht, de rechtspositie van klager en informatie over in- of externe ketensamenwerkingsverbanden (zoals met [instelling 2]).

3.1.5

Beklaagde heeft niet gezorgd voor een zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening. Klager wijst in dit kader op de door hem in januari 2017 ontvangen conceptrapportage waarin, zonder waarschuwing vooraf, werd medegedeeld dat het traject zal worden afgesloten. Beklaagde heeft vervolgens geen antwoord gegeven op de vragen van klager over voornoemde rapportage.

3.2

Tegen deze achtergrond is klager van mening dat beklaagde in ieder geval de artikelen 1A, 1D, 2E, 2F en 2I van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft geschonden.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.1.1

Vanaf 24 augustus 2015 heeft beklaagde het dossier direct opgepakt en steeds voortvarend en zorgvuldig gehandeld. Beklaagde betreurt het wel dat het vanwege andere urgente werkzaamheden zes weken heeft geduurd om een concept [verslag] op te stellen. De termijn waarbinnen zij het [verslag] heeft opgesteld is echter niet onaanvaardbaar lang. Ten aanzien van de periode die is gelegen tussen de aanmelding bij [jeugdbeschermingstafel] en de daadwerkelijke bespreking wijst beklaagde erop dat – anders dan klager stelt – het dossier niet reeds in december 2015, maar op 29 april 2016 is aangemeld bij [jeugdbeschermingstafel]. Wat betreft het vermeende gebrek aan regie op de hulpverlening door derden heeft beklaagde toegelicht dat zij op basis van de toenmalige werkafspraken geen bemoeienis had met het door een Gecertificeerde Instelling uitgevoerde drangtraject. Dit gold zowel ten aanzien van de inhoud als de voortgang/het proces van het traject. Beklaagde heeft gehandeld conform deze werkafspraken en had derhalve geen enkele invloed op het verloop van het drangtraject vanaf 14 juni 2016.

4.1.2

Beklaagde heeft zich tot het uiterste ingespannen om in het belang van de kinderen de ouders op één lijn te krijgen. Klager gaat er aan voorbij dat bij de hulpverlening de belangen van de kinderen voorop staan en dat deze belangen niet steeds overeen hoeven te komen met het belang van de ouder(s). Het feit dat klager het niet eens is met de uiteindelijke conclusies en resultaten van de hulpverlening is onvoldoende om te concluderen dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.1.3

Beklaagde heeft klager altijd betrokken en aangesproken als de met gezag belaste ouder. Klager is niet anders bejegend dan moeder en haar partner. Beklaagde heeft bovendien geen enkele rol gespeeld in het stopzetten van de zorgregeling tussen klager en de kinderen. Bij aanvang van de betrokkenheid van beklaagde op 24 augustus 2015 ondervonden partijen reeds problemen met de uitvoering van de zorgregeling als gevolg van het feit dat ouders niet tot communicatie in staat waren en er veel onopgeloste conflicten tussen hen bestonden. Beklaagde benadrukt in dit verband dat zij in het vrijwillig kader geen middelen heeft om een ouder te dwingen om mee te werken aan een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling en dat zij dit ook aan klager kenbaar heeft gemaakt.

4.1.4

Beklaagde heeft het dossier overgenomen van een collega. Om die reden is beklaagde er vanuit gegaan dat partijen door haar collega reeds waren geïnformeerd over hun rechtspositie, de beroepscode die geldt, de mogelijkheden van hulp- en dienstverlening en eventuele kosten. Mede vanwege de actieve betrokkenheid van de advocaten van klager en moeder heeft beklaagde geen aanleiding gezien om voornoemde onderwerpen tussentijds nogmaals nadrukkelijk aan de orde te stellen door bijvoorbeeld de betreffende folders te overhandigen. Beklaagde heeft klager wel steeds mondeling geïnformeerd over zijn rechtspositie. Het verwijt dat klager niet is geïnformeerd over de kosten van de hulp kan beklaagde niet volgen nu aan de ouders is medegedeeld dat er geen kosten zijn verbonden aan de hulpverlening.

4.1.5

Het besluit van [de instelling 2] om het drangtraject te beëindigen en de wijze waarop klager hierover is geïnformeerd kan niet aan beklaagde worden verweten. Het betreft het handelen van de medewerkers van [instelling 2] en niet van beklaagde. Beklaagde was, zoals hierboven toegelicht, niet verantwoordelijk voor het inhoudelijke traject en de beslissingen die daaruit voortvloeiden.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt over de door klager naar voren gebrachte klachten.

I
De toenmalige werkverdeling tussen [instelling 2] als gecertificeerde instelling en [lokaal team] brengt met zich mee dat beklaagde in haar functie van jeugdconsulent maar een heel beperkte rol had gedurende het door [instelling 2] uitgevoerde drangtraject. Voor zover de hulpverlening door [instelling 2] niet efficiënt is verlopen danwel van onvoldoende kwaliteit is geweest, kan dit naar het oordeel van het College dan ook niet aan beklaagde worden verweten. Ten aanzien van de periode voorafgaand aan het drangtraject heeft het College in het dossier evenmin aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat beklaagde onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld. Daarbij neemt het College mede in aanmerking dat door beklaagde ingeplande overleggen verschillende keren zijn verzet vanwege agenda technische problemen aan de zijde van klager en/of moeder.

II
Hoewel het College zich kan voorstellen dat het voor klager zeer teleurstellend is dat – ondanks de ingezette hulpverlening – er geen uitvoering meer wordt gegeven aan de door de rechtbank vastgestelde regeling voor de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, valt beklaagde in dit verband tuchtrechtelijk niets te verwijten. In het belang van de kinderen heeft beklaagde namelijk steeds stappen proberen te zetten die zouden kunnen leiden tot verbetering van de communicatie tussen klager en moeder. Nadat op initiatief van moeder het contact tussen vader en de kinderen in december 2015 helemaal was verbroken, heeft beklaagde zich bovendien ingespannen om contactherstel mogelijk te maken door (onder meer) te proberen in gezamenlijk overleg een veiligheidsplan op te stellen. Nadat dit niet was gelukt, heeft zij besloten de casus in te brengen bij [jeugdbeschermingstafel]. Hiermee heeft beklaagde naar het oordeel van het College wel degelijk in het belang van de kinderen gehandeld. Dat het door klager gewenste resultaat is uitgebleven, maakt dit niet anders.

III
Uit het dossier blijkt dat beklaagde vanaf het begin van haar betrokkenheid klager als de met gezag belaste ouder steeds actief heeft benaderd en geïnformeerd over de voortgang van de verschillende stappen. Hierin is door beklaagde geen onderscheid gemaakt tussen moeder en klager. Daarnaast geeft het dossier geen enkele aanleiding voor de veronderstelling dat beklaagde een rol zou hebben gespeeld in het stopzetten van de zorgregeling in december 2015. Uit de diverse stukken blijkt namelijk dat dit uitsluitend op initiatief van moeder is gebeurd. Gelet op de ernst van de door moeder geuite zorgen, was beklaagde binnen haar verantwoordelijkheden als jeugdconsulent wel gehouden om met deze melding aan de slag te gaan. Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft beklaagde daarbij geprobeerd om het contact tussen klager en de kinderen weer te herstellen. Dat beklaagde klager niet zou hebben gerespecteerd in zijn rol als met gezag belaste ouder, is het College dan ook niet gebleken.

IV
Wat betreft de bij aanvang van een hulpverleningstraject te verschaffen informatie neemt het College in aanmerking dat beklaagde een lopend dossier over heeft genomen van een collega. Beklaagde is er daarbij vanuit gegaan dat haar collega de betreffende schriftelijke informatie reeds aan klager had verstrekt. Zoals beklaagde ook zelf heeft erkend, was het beter geweest als zij expliciet had geverifieerd of dit ook daadwerkelijk was gebeurd. Desondanks is het College van oordeel dat beklaagde niet buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. In dit kader is van belang dat klager niet heeft betwist dat beklaagde hem wel steeds mondeling heeft geïnformeerd over zijn rechtspositie inzake o.a. privacy en dossiervorming alsmede over de kaders van vrijwillige hulpverlening en de verschillen met een gedwongen kader. Wanneer voor klager deze informatie niet duidelijk was of wanneer hij behoefte had aan meer informatie, had hij daar ook zelf actie op kunnen ondernemen. Tot slot heeft beklaagde ook acht mogen slaan op de omstandigheid dat zowel klager als moeder in de contacten met haar werden ondersteund door hun advocaten.

V
Ten aanzien van de beëindiging van het drangtraject geldt dat beklaagde geen verantwoordelijkheid draagt voor de beslissingen die door [instelling 2] binnen dat traject zijn genomen en de communicatie daarover richting klager. Nadat beklaagde bekend was geworden met de onvrede van klager over de hulpverlening van [instelling 2] en de beëindiging daarvan, heeft beklaagde bovendien overlegd met [instelling 2] om een gesprek te initiëren, waarin klager zijn vragen over de conclusies van [instelling 2] en het beëindigen van het drangtraject aan de orde zou kunnen stellen. Dit maakt dat beklaagde ook wat betreft de afsluiting van de hulpverlening naar het oordeel van het College niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.3

Al het voorgaande samenvattend is het College van oordeel dat beklaagde bij de behandeling van onderhavige casus binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 5 januari 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                 mevrouw mr. K. Dankers
voorzitter                                                                          secretaris