De jeugdbeschermer wordt verweten niet gehandeld te hebben in het belang van de kinderen, de vader niet te hebben gerespecteerd in zijn rol als ouder met gezag en onvoldoende te hebben gecommuniceerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
de heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [instelling], locatie [vestigingsplaats].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. K. Dankers.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 28 april 2017, ontvangen op 1 mei 2017,

– de bijlagen en de aanvullingen hierop van 5 juni 2017,

– het verweerschrift d.d. 15 augustus 2017 met bijlagen, ontvangen op 23 augustus 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft, vanwege de samenhang tussen de zaken, tegelijkertijd plaatsgevonden met de behandeling van de klacht bekend onder nummer 17.058Tb. Tijdens deze zitting op 10 november 2017 waren aanwezig klager, beklaagde, de hiervoor genoemde gemachtigde en de beklaagde in zaak 17.058Tb, hierna te noemen: collega. Als toehoorder aan de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest mevrouw [toehoorder].

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende voor de casus relevante feiten uit.

2.1

Klager is de (juridische) vader van vijf minderjarige kinderen, te weten: [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1]) geboren op [geboortedatum] 2003, [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2]) geboren op [geboortedatum] 2004, [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3]) geboren op [geboortedatum] 2006, [minderjarige 4] (hierna te noemen: [minderjarige 4]) geboren op [geboortedatum] 2008 en [minderjarige 5] (hierna te noemen: [minderjarige 5]) geboren op [geboortedatum] 2009, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en de moeder van de kinderen zijn sinds 2 juli 2014 gescheiden. Klager oefent samen met moeder het gezamenlijk gezag over de vijf kinderen uit. De huidige partner van moeder is de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 5].

2.3

Bij beschikking van 2 juli 2014 heeft de rechtbank [vestigingsplaats] bepaald dat de kinderen om de week bij klager verblijven en de andere week bij moeder. Deze co-ouderschapsregeling is uitgevoerd tot de zomer van 2015.

2.4

Op 16 januari 2015 is er een zorgmelding binnengekomen bij [lokaal team] in [vestigingsplaats]. Naar aanleiding hiervan is er in eerste instantie hulpverlening gestart binnen het vrijwillig kader.

2.5

Op 18 december 2015 heeft moeder aan de betrokken jeugdconsulent van de gemeente [vestigingsplaats] laten weten de zorgregeling tussen klager en de kinderen per direct stop te zetten in verband met zorgen over de seksuele veiligheid van de kinderen als zij bij klager zijn. Naar aanleiding van deze mededeling is er een melding gedaan bij Veilig Thuis.

2.6

Op 29 april 2016 is door de jeugdconsulent een [verslag] bij [vorm van jeugdbeschermingstafel] (hierna te noemen: [jeugdbeschermingstafel]. Tijdens [jeugdbeschermingstafel] op 14 juni 2016 is geadviseerd om voor een periode van zes maanden hulpverlening in het drangkader in te zetten. Hiermee zijn klager en moeder akkoord gegaan. Het drangtraject is uitgevoerd door [instelling] (hierna te noemen: [instelling]) en vanaf 30 juni 2016 is beklaagde aangesteld als jeugdbeschermer voor de kinderen en haar collega als jeugdbeschermer voor de ouders. Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2015.

2.7

Beklaagde en haar collega hebben tijdens een gezamenlijke bespreking op 12 juli 2016 kennis gemaakt met klager, moeder en de partner van moeder. In de periode daarna heeft beklaagde meerdere keren met de kinderen gesproken.

2.8

Op 9 september 2016 hebben beklaagde en haar collega hun bevindingen tot dan toe met klager besproken. Tijdens dit gesprek is met klager afgesproken dat hij kaarten voor de kinderen aan [instelling] toe zou zenden. Dit heeft klager op 19 oktober 2016 gedaan.

2.9

Op 13 december 2016 heeft er binnen [instelling] een multidisciplinair overleg plaatsgevonden, waarbij is geconcludeerd dat het forceren van contactherstel tussen de kinderen en klager niet in het belang van de kinderen is. Daarnaast is besloten om niet op te schalen naar een raadsonderzoek omdat er geen zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen.

2.10

Op 14 december 2016 is het drangtraject verlengd tot 14 juni 2017.

2.11

Op 4 januari 2017 heeft beklaagde een (afsluitend) gesprek met de kinderen gehad, waarin zij de kinderen (onder meer) heeft gevraagd of zij een kaart willen terug sturen aan klager. Ook is nogmaals geïnventariseerd in hoeverre de kinderen open staan voor contact met klager. Klager heeft op dezelfde dag van beklaagde per e-mail een terugkoppeling van voornoemd gesprek ontvangen. Bij e-mailberichten van 4 en 9 januari 2017 heeft klager gereageerd op de terugkoppeling van het gesprek met de kinderen en daarbij zijn ongenoegen geuit over de werkwijze van beklaagde en haar collega.

2.12

Op 20 januari 2017 hebben beklaagde en haar collega een concept gezinsplan naar klager en moeder verzonden. Daarbij hebben beklaagde en haar collega aan klager en moeder bericht dat hun dossier op 3 februari 2017 zal worden gesloten. Klager heeft bij e-mailberichten van 24 en 26 januari en 2 februari 2017 zijn reactie op het concept gezinsplan gegeven. Deze reacties zijn aan het dossier toegevoegd.

2.13

Nadat klager zich tot de gemeente had gewend met een klacht over de werkwijze van [instelling], hebben beklaagde en haar collega hem – in overleg met de jeugdconsulent van de gemeente – op 3 maart 2017 uitgenodigd voor een afsluitend gesprek op 30 maart 2017. Door agenda technische problemen aan de zijde van klager heeft dit gesprek uiteindelijk pas op 22 juni 2017 plaatsgevonden.

3 De klacht

3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

3.1.1

Beklaagde heeft niet gehandeld in het belang van de kinderen. Mede door de trage en inefficiënte manier van werken van beklaagde heeft klager sinds december 2015 zijn kinderen niet gezien. Beklaagde heeft op geen enkele wijze samengewerkt met klager om verandering in deze situatie te brengen.

3.1.2

Beklaagde heeft klager niet gerespecteerd in zijn rol als ouder met gezag. Beklaagde heeft partijdig gehandeld door niet aan te sluiten bij de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling alsmede door geen onderzoek te doen naar de werkelijke beweegredenen van de kinderen om geen contact meer te willen. Klager stelt tot slot dat beklaagde vanaf het begin van haar betrokkenheid een negatieve houding heeft aangenomen ten aanzien van de ‘drieouderconstructie’ en dit heeft laten meespelen in het gehele verdere traject.

3.1.3

Beklaagde is ernstig tekortgeschoten in haar communicatie met klager. Klager is nauwelijks op de hoogte gehouden van de voortgang van het proces en is dan ook overvallen door de plotselinge beëindiging van de hulpverlening in januari 2017. Klager heeft op 20 januari 2017 geheel onverwacht een concept rapportage ontvangen, waarin hij moest lezen dat het drangtraject zou worden beëindigd. Hierna heeft klager niets meer vernomen van beklaagde over het vervolg van het traject.

3.2

Tegen deze achtergrond is klager van mening dat beklaagde in ieder geval de artikelen 1A, 2E, 2F en 2I van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft geschonden.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.1.1

Beklaagde heeft zich steeds ingespannen om tot een goede samenwerking te komen en betreurt het dat de hulpverlening niet heeft geleid tot contactherstel met de kinderen. Beklaagde betwist dat haar een verwijt kan worden gemaakt omtrent de tijdsduur tussen het plannen van de afspraken. Zij wijst er in dit verband onder meer op dat afspraken verschillende keren zijn verzet op verzoek van klager en/of moeder. Voor wat betreft de gestelde inefficiënte manier van werken verwijst beklaagde naar de door haar overgelegde tijdlijn van het uitgevoerde drangtraject.

4.1.2

Beklaagde herkent zich niet in het beeld dat zij klager niet zou hebben gerespecteerd in zijn rol als ouder met gezag en stelt klager altijd actief te hebben betrokken en aangesproken als de met gezag belaste ouder. Klager is niet anders bejegend dan moeder en haar partner. De zorgregeling werd reeds sinds december 2015 niet meer nagekomen. Beklaagde heeft binnen het vrijwillig kader onderzocht waarom de omgang tussen klager en de kinderen is gestagneerd, maar heeft geen mogelijkheden om binnen het vrijwillig kader nakoming van de zorgregeling af te dwingen.

4.1.3

Beklaagde stelt altijd helder en transparant met klager te hebben gecommuniceerd. Wat betreft de inhoud van het gezinsplan is beklaagde van mening dat hierin voor klager geen nieuwe dingen stonden. Ook de uitkomst van het multidisciplinair overleg was al eerder aan klager teruggekoppeld. Met betrekking tot de beëindiging van de professionele relatie erkent beklaagde dat het achteraf bezien beter was geweest als er een afzonderlijk eindgesprek had plaatsgevonden met klager, moeder en [instelling]. Een eindgesprek in een dergelijke samenstelling was echter niet gebruikelijk en heeft om die reden niet plaatsgevonden. Voorts was beklaagde van mening dat een eindgesprek geen toegevoegde waarde zou hebben en heeft het initiatief voor een eindgesprek daarom bij klager en moeder gelaten.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I
Hoewel het College zich kan voorstellen dat het voor klager zeer teleurstellend is dat het ingezette drangtraject niet heeft geresulteerd in contactherstel, volgt het College klager niet in zijn stelling dat beklaagde en haar collega niet in het belang van de kinderen zouden hebben gehandeld. Integendeel, uit het dossier blijkt dat beklaagde en haar collega heel bewust hebben willen aansluiten bij de wensen en behoeften van de kinderen. Dat als gevolg hiervan het door klager gewenste resultaat is uitgebleven, maakt dit niet anders. Daarnaast geeft het dossier geen aanleiding voor de stelling dat beklaagde en haar collega onvoldoende voortvarend te werk zijn gegaan. Hierbij dient mede in aanmerking te worden genomen dat verschillende afspraken zijn uitgesteld op verzoek van klager en/of moeder. Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

II
Dat beklaagde klager niet zou hebben gerespecteerd in zijn rol als met gezag belaste ouder, is het College niet gebleken. Uit het dossier blijkt namelijk dat klager van begin af aan door beklaagde en haar collega actief bij het traject is betrokken. Dat het binnen het drangtraject niet gelukt is om opnieuw uitvoering te geven aan de door de rechtbank vastgestelde verdeling van zorg- en opvoedingstaken, brengt niet met zich dat beklaagde partijdigheid kan worden verweten. Beklaagde heeft immers geen middelen om een ouder in het vrijwillig kader te dwingen om mee te werken aan een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Ook overigens heeft klager de vermeende partijdigheid van beklaagde onvoldoende onderbouwd, zodat het College dit klachtonderdeel verwerpt.

III
Het dossier geeft – tot slot – geen aanleiding voor de stelling dat klager onvoldoende op de hoogte zou zijn gehouden van de voortgang van het traject. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie en de door beklaagde opgestelde tijdlijn blijkt dat klager steeds is geïnformeerd over de verschillende stappen van beklaagde en haar collega. Ook het verloop van de gesprekken met de kinderen is aan hem teruggekoppeld. Uit het dossier blijkt bovendien dat klager ook is meegenomen in de beslissing om aan te sluiten bij de wensen van de kinderen en contactherstel niet te gaan forceren. Zowel in de e-mail van de collega van 22 december 2016 als in de e-mail van 4 januari 2017 van beklaagde is deze beslissing aan klager toegelicht.

Wat betreft de beëindiging van het drangtraject is het College van oordeel dat het – zoals beklaagde ook zelf heeft erkend – beter was geweest als met klager nog een afzonderlijk eindgesprek was gevoerd alvorens tot sluiting van het dossier was overgegaan. Nu beklaagde en haar collega kort na het sluiten van het dossier klager alsnog hebben uitgenodigd voor een afrondend gesprek, is er echter naar het oordeel van het College geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dat dit gesprek uiteindelijk pas op 22 juni 2017 heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Ten aanzien van de beëindiging van het drangtraject hecht het College er nog wel aan om op te merken dat het haar heeft verbaasd dat de verdere begeleiding van [minderjarige 2] in zijn wens om wel contact te hebben met klager op geen enkele wijze is geborgd in het concept gezinsplan. Beklaagde en haar collega hebben in dit verband tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij [minderjarige 2], gelet op zijn leeftijd, vooral ondersteuning hebben willen bieden, maar dat [minderjarige 2] hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Desondanks geeft het College graag aan beklaagde als aandachtspunt mee om in de toekomst in soortgelijke gevallen nadrukkelijker af te wegen of een vorm van monitoring of verwijzing niet op zijn plaats is.

5.3

Al het voorgaande samenvattend is het College van oordeel dat beklaagde bij de behandeling van onderhavige casus binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 5 januari 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                  mevrouw mr. K. Dankers
voorzitter                                                                                           secretaris