De gezinsvoogd heeft de moeder in de gelegenheid gesteld om te reageren op een deel van het conceptplan. Ook is de moeder op de hoogte gebracht over het opvragen van informatie aan derden. De gezinsvoogd mag in het kader van de uitvoering van een ondertoezichtstelling aan de Raad voor de Kinderbescherming inlichtingen over de moeder en haar gezin verstrekken zonder toestemming of reactie van de moeder.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [plaatsnaam 1],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [GI], locatie: [plaatsnaam 2], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan haar gemachtigde mevrouw [naam gemachtigde], werkzaam bij Zorgbelang [provincienaam].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.R. Gans, werkzaam bij Plas Bossinade Advocaten te [plaatsnaam 2].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 30 augustus 2017, met de bijlagen;

– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 5 september 2017;

– het verweerschrift ontvangen op30 oktober 2017, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde, de collega van beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest de heer [toehoorder].

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van het minderjarige kind: [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum] 2013), hierna te noemen: [minderjarige 1]. Uit een eerdere relatie van klaagster is op [geboortedatum]2008 [minderjarige 2], hierna te noemen: [minderjarige 2] geboren. Uit een eerdere relatie van de vader van [minderjarige 1], hierna te noemen: vader, is een dochter geboren.

2.2

Klaagster en vader zijn sinds november 2013 uit elkaar. De relatie tussen klaagster en vader is niet goed. Klaagster en vader zijn belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1]. Klaagster verblijft met de kinderen op een geheim adres. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij moeder. Na een incident over afgifte van [minderjarige 1] aan de deur bij vader in maart 2014 heeft geen contact meer plaatsgevonden tussen vader en [minderjarige 1]. Een vrijwillig hulpverleningstraject bij [de instelling] is vastgelopen.

2.3

De Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, heeft in een rapport d.d. 12 juli 2016 de rechtbank verzocht [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar.

2.4

Bij beschikking van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam 3], d.d. 21 september 2016 en de herstelbeschikking d.d. 12 oktober 2016 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 september 2016 tot 20 september 2017.

2.5

Beklaagde is werkzaam als jeugdzorgwerker bij de GI en was van 21 september 2016 tot 21 februari 2017 samen met haar collega, mevrouw [naam], tegen wie klaagster een gelijkluidende klacht heeft ingediend, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1].

2.6

Op 13 december 2016 heeft beklaagde een concept gezinsplan ondertoezichtstelling, hierna te noemen gezinsplan, naar klaagster verzonden. Klaagster heeft op dit plan gereageerd per brief d.d. 18 december 2016.

2.7

Klaagster is tegen de onder 2.4 genoemde beschikking in beroep gegaan. De mondelinge behandeling bij het gerechtshof heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017. Ter zitting heeft het gerechtshof aangekondigd dat de beschikking zal worden vernietigd.
Bij beschikking van het gerechtshof [arrondissement] d.d. 21 maart 2017 is de beschikking van de rechtbank vernietigd. Het gerechtshof is van oordeel dat het de kinderrechter niet vrijstond de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] ambtshalve uit te spreken zonder dat in de onderhavige zaak een formeel verzoek daartoe van de RvdK aan haar voorlag.

2.8

Voorafgaand aan het hoger beroep heeft de RvdK beklaagde verzocht om informatie. Beklaagde heeft een rapport verloop ondertoezichtstelling opgesteld en naar de RvdK verzonden.

2.9

Op 9 januari 2017 heeft de GI klaagster per brief bericht over het voornemen om haar een schriftelijke aanwijzing te geven. In het voornemen staat onder andere vermeld dat klaagster de ingezette hulpverlening dient te accepteren, dient mee te werken en dat zij in samenwerking blijft met beklaagde en haar collega door minimaal een keer per twee weken face-to-face contact te hebben.

2.10

Het gezin van klaagster wordt ondersteund door een […]-team. Klaagster wordt tevens ondersteund door een persoonlijk begeleider.

2.11

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2015.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.2

De klacht van klaagster heeft, kort samengevat, betrekking op het gezinsplan, het rapport ‘verloop ondertoezichtstelling’, het schenden van de privacy en het niet informeren van klaagster over contactmomenten van beklaagde met het […]-team, de crèche van [minderjarige 1] en de persoonlijk begeleider van klaagster.
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is het College het volgende gebleken.
Klaagster is, naar haar zeggen, in de afgelopen jaren aan veel stress blootgesteld.
Zij heeft zich overvallen gevoeld door de ondertoezichtstelling van[minderjarige 1] en is het hier niet mee eens. Beklaagde wijst erop dat niet zij maar de rechter heeft besloten om [minderjarige 1] onder toezicht te stellen. De ondertoezichtstelling is uitgevoerd op basis van de beschikking van de rechter.
Bij een ondertoezichtstelling wordt hulp en begeleiding bij de opvoeding van kinderen geboden. Deze hulp en begeleiding is verplicht. Vanuit haar betrokkenheid als ouder heeft klaagster de regie willen voeren. Hoewel dit begrijpelijk is, is dat binnen een ondertoezichtstelling niet altijd mogelijk.

3.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de oorspronkelijke klacht en het verweer zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

Klachtonderdeel I

Klaagster stelt zich op het standpunt dat zij door beklaagde niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de inhoud van het vastgestelde gezinsplan.

Nadat klaagster heeft gereageerd op het concept gezinsplan, heeft beklaagde het concept aangevuld en is het gezinsplan definitief geworden.

Beklaagde heeft aangevoerd dat het gezinsplan in concept aan klaagster is verzonden en dat zij schriftelijk heeft gereageerd op het concept. Beklaagde heeft het gezinsplan verder uitgewerkt en heeft de op- en aanmerkingen van klaagster verwerkt. Vervolgens is het gezinsplan naar zowel klaagster als vader verzonden. Het gezinsplan is een werkplan dat zo nodig bijgesteld kan worden. Beklaagde heeft altijd opengestaan voor eventuele aanpassingen. Klaagster heeft echter inhoudelijk geen verdere op- en aanmerkingen gemaakt.

Het College is van oordeel dat uit de mondelinge behandeling bij het College en het dossier is gebleken dat klaagster op 13 december 2016 door beklaagde in de gelegenheid is gesteld om te reageren op een deel van het conceptplan. Het gaat hier om een bijlage met zorgen en klachten die klaagster eerder heeft gemeld. Klaagster is gevraagd of de omschrijving hiervan correct is en of zij nog toevoegingen heeft. Haar is verzocht de bijlage in te vullen en mee te nemen naar een gesprek met beklaagde op 22 december 2016. Klaagster heeft bij brief gereageerd op 18 december 2016. Beklaagde heeft de opmerkingen van klaagster vervolgens verwerkt in het gezinsplan en dit heeft dit definitief gemaakt. Het definitieve gezinsplan is vervolgens naar klaagster en vader verzonden.

Klaagster heeft deze gang van zaken niet weersproken. Dat klaagster ook heeft willen reageren op het definitieve gezinsplan is, gelet op de regie die klaagster wenst, begrijpelijk maar beklaagde valt terzake geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel II

Klaagster is van mening dat beklaagde de privacy van klaagster heeft geschonden door de woonwijk van klaagster, het […]-team […] en het […] team […] in het gezinsplan te noemen terwijl zij op een geheim woonadres verblijft. Vader heeft uit deze gegevens kunnen opmaken wat de woonplaats en woonwijk van klaagster is.

Beklaagde heeft te kennen gegeven dat klaagster de vermelding van het […]-team en het […] met vermelding van de wijk niet heeft gecorrigeerd in het eerste concept. Beklaagde heeft samen met haar collega excuses aangeboden tijdens twee gesprekken met klaagster. Het is vervelend dat een en ander in het rapport is vermeld en het rapport is op dit punt aangepast. Het is niet juist dat door vermelding van de woonwijk het adres van klaagster kenbaar is geworden voor vader.

Het College oordeelt als volgt. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling uiteengezet, dat zij uit respect voor klaagster alert is geweest op het weglaten van privacygevoelige informatie.
Hoewel de vermelding van de woonwijk en het […]-team in het gezinsplan ongelukkig is, gaat het om algemene verwijzingen en zijn het adres en de woonplaats van klaagster niet vermeld. Het College heeft in het dossier geen andere aanknopingspunten aangetroffen waaruit blijkt dat beklaagde de privacy van klaagster heeft geschonden. Evenmin is gebleken dat vader op basis van het gezinsplan achter het woonadres van klaagster is gekomen.
Beklaagde heeft na de brief van klaagster d.d. 8 februari 2107, waarin zij beklaagde vraagt om verwijdering van de woonwijk en het […]-team, overlegd met collega’s en heeft actie ondernomen door het gezinsplan te wijzigen en vader te vragen om het gezinsplan terug te sturen. Daarna is een nieuw gezinsplan verzonden.
Het College overweegt tot slot dat beklaagde in gesprekken op 17 februari 2017 en 20 juni 2017 haar excuses aan klaagster heeft aangeboden.
Onder deze omstandigheden is het klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel III

Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde ten behoeve van het onder 2.7 genoemde hoger beroep het rapport ‘verloop ondertoezichtstelling’ aan de RvdK heeft gestuurd zonder dat klaagster hiervan kennis heeft kunnen nemen of op heeft kunnen reageren. Klaagster heeft het rapport na de zitting van het hoger beroep ontvangen derhalve nadat de ondertoezichtstelling officieel is beëindigd.

Beklaagde heeft aangevoerd dat de mondelinge behandeling van het Gerechtshof op korte termijn heeft plaatsgevonden zodat haast was geboden bij het opstellen van het rapport. Beklaagde heeft aan klaagster telefonisch medegedeeld dat dit rapport verstuurd zou worden. Klaagster heeft niet te kennen gegeven dat zij het rapport van tevoren zou willen inzien. Als zij dit gedaan had, had beklaagde haar direct uitgenodigd om langs te komen. Overigens is het onderhavige stuk een feitelijke weergave van de gang van zaken en is geen beoordeling gegeven.

Het College overweegt dat beklaagde aan de Rvdk inlichtingen over klaagster en haar gezin kan verstrekken zonder de toestemming of reactie van klaagster.
Beklaagde heeft verklaard dat zij gelet op de tijdsdruk klaagster telefonisch op de hoogte heeft gebracht van het verzoek van de RvdK en dat klaagster haar op dat moment niet heeft gevraagd om inzage. Klaagster heeft deze gang van zaken niet weersproken.

Gelet op deze omstandigheden heeft beklaagde voldoende transparant gehandeld en valt haar geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel IV

Klaagster is van mening dat in het rapport ‘verloop ondertoezichtstelling’ privacygevoelige informatie over [minderjarige 2] staat vermeld dat bij de RvdK en mogelijk bij vader is terechtgekomen.

Beklaagde heeft naar voren gebracht dat in het rapport de naam van [minderjarige 2] tweemaal is genoemd. Voor een volledige weergave van de gebeurtenissen is het verklaarbaar, acceptabel en functioneel dat zij op deze wijze verslag heeft gedaan.
Beklaagde betwist dat de veiligheid van klaagster en haar kinderen in het geding zou zijn.

Het College is van oordeel dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft toegelicht dat het rapport de naam van [minderjarige 2] heeft vermeld omdat zij onlosmakelijk verbonden is met het gezin van klaagster, deel uitmaakt van het gezinssysteem en er een melding is geweest van Veilig Thuis. Dit heeft geleid tot het opstellen van een veiligheidsplan. Voor [minderjarige 2] is hulp ingezet en er is gekeken naar de veiligheid van [minderjarige 1]. Dat klaagster het niet eens is met de inhoud van het rapport is teleurstellend maar kan niet tot de conclusie leiden dat beklaagde heeft gehandeld buiten de grenzen van het beroepsmatig handelen.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel V

Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde haar niet heeft geïnformeerd over contactmomenten van beklaagde met het […]-team, de crèche van [minderjarige 1] en de persoonlijk begeleider van klaagster.

Beklaagde heeft aangevoerd dat het overleg heeft plaatsgevonden uit hoofde van de taak en de eigen verantwoordelijkheid van beklaagde. Daarvoor is geen voorgaande toestemming van klaagster vereist. Het uitgangspunt is immers het belang van [minderjarige 1]. Beklaagde heeft klaagster duidelijk gemaakt dat dergelijke contacten in het kader van het onderzoek en de werkzaamheden zouden plaatsvinden. Klaagster heeft toen niet te kennen gegeven dat zij deze contacten niet acceptabel vond, dan wel dat zij van tevoren op de hoogte gesteld wenste te worden.

Het College is met beklaagde van oordeel dat een ondertoezichtstelling als gevolg heeft dat overleg plaatsvindt tussen beklaagde en betrokken instanties over [minderjarige 1] zonder dat de toestemming van klaagster is vereist.

Beklaagde heeft onweersproken verklaard dat zij tijdens het eerste contact moment klaagster heeft geïnformeerd over de uitvoering van de ondertoezichtstelling en dat dit met zich meebrengt dat informatie aan derden wordt gevraagd waaronder het medisch kinderdagverblijf.

Klaagster heeft aangevoerd dat zij niet door beklaagde maar door betrokkenen op de hoogte is gebracht van de contactmomenten. Beklaagde heeft toegelicht dat klaagster noch telefonisch, noch per email bereikbaar was en dat de communicatie voornamelijk per brief plaatsvond.

Het College verwijst naar het gestelde onder alinea 3.2. Het College begrijpt dat het voor klaagster om haar moverende redenen belangrijk is dat zij de regie wil houden en dat zij als betrokken ouder op de hoogte gehouden wil worden. Dit neemt niet weg dat de communicatie met beklaagde bemoeilijkt wordt doordat klaagster voor haar telefonisch en per e-mail niet bereikbaar is.
Nu klaagster al door beklaagde op de hoogte was gesteld, het voor beklaagde niet duidelijk was dat klaagster opnieuw op de hoogte gesteld wilde worden en klaagster niet gemakkelijk te bereiken is, is het te verklaren dat klaagster tijdens haar contactmomenten met de betrokkenen door hen op de hoogte is gebracht en niet door beklaagde.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 8 maart 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                      mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                               secretaris