Jeugdzorgwerker wordt verweten avances te hebben gemaakt naar de moeder door haar uit te nodigen voor individuele gesprekken en haar te hebben betast.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
de heer E.H. Weise, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.J.M. Wouters, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [instelling] locatie [plaats], hierna te noemen: [instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.M.A.W. van Zanten.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S.C. Wesselingh, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 23 juni 2017;
– de aanvullingen op het klaagschrift ontvangen op 29 juli 2017 en 31 oktober 2017;
– het verweerschrift met de bijlagen ontvangen op 4 september 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 9 november 2017 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van het minderjarige kind: [de minderjarige], hierna te noemen: [de minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2008).

2.2

Klaagster en haar ex-partner, hierna te noemen: vader, oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.

2.3

Op 2 september 2016 hebben de GZ-psycholoog en orthopedagoog van [de minderjarige] een melding gedaan bij [instelling], waarna [instelling] een onderzoek is gestart.

2.4

Op 21 november 2016 is het onderzoek door [instelling] afgerond en is begeleiding in het vrijwillig kader ingezet.

2.5

Beklaagde is werkzaam als jeugdzorgwerker bij [instelling] en heeft sinds 20 april 2017 van een collega de begeleiding van klaagster, vader en [de minderjarige] overgenomen.

2.6

Op 20 april 2017 heeft een kennismakingsgesprek plaatsgevonden met beklaagde, klaagster, vader en twee medewerkers van het buurtteam.

2.7

Op 4 mei 2017 en 24 mei 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden met beklaagde, klaagster, vader en een medewerker van het buurtteam.

2.8

Op 12 juni 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden met beklaagde, klaagster, vader, een medewerker van het buurtteam en een kennis van klaagster.

2.9

Op 19 juni 2017 heeft klaagster bij [instelling] een klacht ingediend over het handelen van beklaagde. Beklaagde heeft naar aanleiding van de door klaagster ingediende klacht op 20 juni 2017 telefonisch contact opgenomen met klaagster. Vervolgens heeft beklaagde het dossier overgedragen aan een collega.

2.10

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:

3.1.1

Beklaagde heeft avances gemaakt naar klaagster. Beklaagde heeft tijdens het gesprek op 4 mei 2017 aan klaagster aangegeven dat hij een afspraak voor een individueel gesprek met klaagster wilde maken om haar kant van het verhaal te horen. Deze opmerking van beklaagde bevreemdde klaagster nu de voorganger van beklaagde heeft aangegeven dat [instelling] geen individuele gesprekken voert met ouders. Tijdens het gesprek op 24 mei 2017 heeft beklaagde opnieuw aan klaagster voorgesteld om een individueel gesprek te voeren. Op 12 juni 2017 heeft beklaagde avances gemaakt door klaagster uit te nodigen om koffie te komen drinken op zijn kantoor. Tijdens hetzelfde gesprek, waar vader eveneens bij aanwezig was, heeft vader aangegeven dat klaagster al twee jaar een geliefde heeft. Uit de reactie van beklaagde, op voornoemde mededeling van vader, heeft klaagster opgemaakt dat beklaagde hier moeite mee had.

3.1.2

Beklaagde heeft klaagster betast. Na het kennismakingsgesprek op 20 april 2017 heeft beklaagde een arm om klaagster heen geslagen. Op 24 mei 2017 heeft beklaagde vervolgens zijn hand in de hals van klaagster gelegd en haar zachtjes gestreeld. Klaagster heeft hierop aan beklaagde aangegeven dat zij niet wilde dat beklaagde haar aanraakte en heeft de hand van beklaagde van zich afgehaald. Na het gesprek op 12 juni 2017 heeft beklaagde zijn hand in de haren van klaagster gelegd en haar hoofd gestreeld. Beklaagde heeft zijn hand weggetrokken toen vader zich omdraaide richting klaagster en beklaagde.

3.1.3

Er is op onprofessionele wijze met de klacht van klaagster omgegaan. Beklaagde heeft contact gehad met vader over de door klaagster ingediende klacht tegen beklaagde. Voorts is beklaagde door [instelling] op de hoogte gesteld klaagster klacht tegen beklaagde en is aan klaagster niet de mogelijkheid geboden om hierover een één-op-één gesprek met de regiomanager van [instelling] te voeren.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.1.1

Beklaagde betwist dat hij avances heeft gemaakt naar klaagster. Tijdens de gesprekken op 4 mei en 24 mei 2017 is gebleken dat het moeizaam was om met klaagster tot een gesprek te komen. Beklaagde heeft om die reden een aantal keer aan klaagster voorgesteld om een individueel gesprek met haar te voeren, in de hoop dat klaagster zich tijdens een individueel gesprek beter zou kunnen uiten. Beklaagde heeft daar geen amoureuze of seksuele bedoelingen bij gehad.

4.1.2

Beklaagde heeft na afloop van het kennismakingsgesprek op 20 april 2017 eenmaal zijn hand op de schouder van klaagster gelegd in een poging om een vertrouwensband met klaagster op te bouwen. Beklaagde meent dat een dergelijke aanraking geoorloofd is. Beklaagde betwist dat hij op 24 mei 2017 zijn hand in de hals van klaagster heeft gelegd en/of haar heeft gestreeld. Beklaagde betwist eveneens dat hij tijdens het gesprek op 12 juni 2017 klaagster heeft betast en/of gestreeld. Klaagster heeft voornoemd gesprek voortijdig verlaten.

4.1.3

Beklaagde heeft geen contact gehad met vader over de inhoud van de klacht van klaagster. Beklaagde heeft slechts aan vader aangegeven dat het dossier van hem is overgenomen, omdat klaagster een klacht tegen beklaagde heeft ingediend. Klachtonderdeel III ziet voor het overige deel niet op het individuele handelen van beklaagde. Beklaagde kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de wijze waarop de klacht door [instelling] is afgehandeld.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I
Klaagster stelt dat beklaagde avances heeft gemaakt door klaagster op verschillende momenten te benaderen voor een individueel gesprek. Beklaagde heeft ter zitting aangegeven dat hij individuele gesprekken met ouders tracht te voeren, wanneer een gezamenlijk gesprek niet tot het gewenste resultaat leidt. Dat is in de onderhavige zaak ook aan de orde geweest. Van avances was geen sprake. Het College stelt vast dat klaagster een geheel andere zienswijze heeft gehad op het voorstel van beklaagde om individuele gesprekken te voeren, dan beklaagde zelf. Het is het College echter op geen enkele wijze gebleken dat beklaagde, bij zijn voorstel om individuele gesprekken te voeren, amoureuze gedachtes heeft gehad. Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende heeft aangetoond dat hij alleen vanuit de juiste intenties heeft gehandeld en door te handelen, zoals hij heeft gedaan, niet buiten de grenzen van zijn beroepsmatig handelen is getreden.

Klachtonderdeel I is ongegrond.

II
Klaagster stelt dat zij meerdere malen door beklaagde is betast. Beklaagde heeft, in zijn verweer en nogmaals ter zitting, erkend dat hij eenmaal zijn hand op de schouder van klaagster heeft gelegd, met als doel een vertrouwensband met haar op te bouwen. Het College oordeelt dat het leggen van een hand op de schouder van klaagster niet grensoverschrijdend is.
Voor het overige oordeelt het College dat de door klaagster geschetste handelingen, anders dan het leggen van de hand op de schouder, in het geheel niet kunnen worden bekrachtigd door enig onderdeel uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht.

Klachtonderdeel II is ongegrond.

III
Klaagster klaagt erover dat beklaagde contact heeft gehad met vader over de door klaagster ingediende klacht tegen beklaagde. Het College overweegt dat genoegzaam door beklaagde naar voren is gebracht dat vader op eigen initiatief telefonisch contact heeft opgenomen met beklaagde. Beklaagde heeft onweersproken aangevoerd dat hij vader slechts heeft medegedeeld dat hij van het dossier is afgehaald, in verband met een door klaagster ingediende klacht tegen beklaagde, en heeft geen uitspraken gedaan over de inhoud van voornoemde klacht. Het College vermag niet inzien hoe beklaagde hiermee buiten de grenzen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend jeugdzorgwerker is getreden.

Voor zover klachtonderdeel III erop ziet dat beklaagde door [instelling] is ingelicht over de klacht en [instelling] aan klaagster geen mogelijkheid zou hebben geboden om een één-op-één gesprek te voeren met de regiomanager van [instelling], oordeelt het College dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht. Het voornoemde betreft het handelen van [instelling] als instelling en heeft geen betrekking op het professioneel handelen van beklaagde.

Klachtonderdeel III is deels ongegrond en voor het overige niet-ontvankelijk.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I en II ongegrond;
– verklaart klachtonderdeel III deels ongegrond en voor het overige niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 14 december 2017 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy                                                               mevrouw mr. E.M.A.W. van Zanten
voorzitter                                                                                           secretaris