Er is geen sprake van het onterecht clusteren van klachtonderdelen door het College van Toezicht nu klagers in beroep hebben nagelaten te specificeren hoe hierdoor de informatie en diepgang uit het klaagschrift verloren is gegaan.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw S. Kouwenberg, lid-beroepsgenoot,
mevrouw C.G. de Rooij, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellant 1] en [appellant 2], wonende te [woonplaats], klagers in eerste aanleg, hierna te noemen: appellanten,

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerder], werkzaam als [jeugdbeschermer] bij de [instelling], hierna te noemen: [instelling], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerder.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Appellanten worden in deze zaak bijgestaan door hun gemachtigde, een vertrouwenspersoon van het AKJ.

Verweerder wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellanten bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juli 2017;
– het door verweerder bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 29 september 2017;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.085T van 18 januari 2018;
– het door appellanten ingestelde beroepschrift tegen voornoemde beslissing, ontvangen op 9 maart 2018;
– het door verweerder ingediende verweerschrift, ontvangen op 2 mei 2018.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellanten op 9 maart 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerder is op 2 mei 2018 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 mei 2018 in aanwezigheid van appellanten, verweerder en de hiervoor genoemde gemachtigden. Van de zijde van appellanten zijn twee toehoorders aanwezig geweest. Appellanten zijn tijdens de mondelinge behandeling van het beroep bijgestaan door een tolk, [naam tolk].

1.6

Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 25 juli 2018 verstuurd zal worden.

1.7

Appellanten hebben op 6 juli 2018 wrakingsverzoeken ingediend tegen de voorzitter en lid-jurist van het College van Beroep. In het kader van deze wrakingsverzoeken is de beslissing in de onderhavige zaak aangehouden. De wrakingskamer heeft op 14 november 2018 de voornoemde wrakingsverzoeken afgewezen. Partijen zijn voorts op 20 november 2018 door de secretaris bericht dat de beslissing in zaaknummer 18.004B op 22 november 2018 verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellanten zijn gehuwd en de ouders van een thans meerderjarige dochter die in 1999 geboren is in [plaatsnaam]. Appellanten hebben daarnaast nog twee (jongere) kinderen. In september 2006 zijn appellanten met hun gezin vanuit [land] naar Nederland verhuisd.

2.2

Verweerder is sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Van [datum] 2013 tot [datum] 2018 was hij geregistreerd als jeugdzorgwerker. Sinds [datum] 2018 tot op heden is hij geregistreerd als jeugd- en gezinsprofessional.

2.3

De dochter is vanaf september 2015 niet meer woonachtig bij ouders. Na een periode in verschillende opvanglocaties te hebben verbleven, woont zij sinds november 2016 in een gast-/pleeggezin.

2.4

In juni 2016 is er op verzoek van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) een beschermingstafel georganiseerd waaraan de ouders, CJG, [instelling] en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hebben deelgenomen. Naar aanleiding van deze beschermingstafel heeft een overdracht plaatsgevonden van CJG naar [instelling] voor hulpverlening in het drangkader. Verweerder is door [instelling] vanaf 15 september 2016 aangewezen als nieuw contactpersoon voor appellanten. Een collega van verweerder is aangesteld als contactpersoon voor de dochter.

2.5

Bij beschikking van 16 september 2016 is er door de rechtbank een bijzonder curator benoemd welke als opdracht had om op basis van gesprekken met alle betrokkenen in kaart te brengen welke problemen er spelen en wat er nodig is om deze problemen op te lossen. In het eindverslag van 25 oktober 2016 heeft de bijzonder curator geadviseerd dat er op korte termijn een ondertoezichtstelling zou moeten worden aangevraagd. Volgens de curator werd de dochter op dat moment bedreigd in haar ontwikkeling door de verstoorde verhoudingen en het ontbreken van duidelijkheid over – onder meer – haar verblijfplaats.

2.6

Bij beschikking van 20 december 2016 is de dochter onder toezicht gesteld en heeft de rechtbank een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van de dochter in het (netwerk)pleeggezin. Verweerder is vanaf dat moment de [jeugdbeschermer] binnen het gedwongen kader geweest.

3 Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de wijze van behandelen/beoordelen door het College van Toezicht en van de specifieke beoordeling van de (geclusterde) klachtonderdelen ‘Wijze van communicatie’, ‘Handelen ten opzichte van de jeugdige’ en ‘privacy/dossiervorming’, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

3.1.4

Hierna wordt besproken op welke wijze appellanten de klachtonderdelen hebben geformuleerd in het klaagschrift en op welke wijze het College van Toezicht dit heeft gedaan in de bestreden beslissing, gevolgd door het oordeel van het College van Toezicht per (geclusterd) klachtonderdeel. Vervolgens worden de grieven in beroep besproken, evenals het verweer in beroep, gevolgd door het oordeel van het College van Beroep per grief.

3.2

Beoordeling van de beroepsgronden

3.2.1

Appellanten hebben tijdens de procedure bij het College van Toezicht onderstaande afzonderlijke klachtonderdelen in het klaagschrift geformuleerd:

“1. [Verweerder] heeft onjuiste informatie verstrekt aan betrokken instanties en aan ouders.
[Verweerder] heeft zonder overleg met ouders aan [jeugdinstelling] laten weten dat [dochter] van de wachtlijst voor het fasehuis kan worden gehaald en heeft daarna onterecht aan ouders medegedeeld dat dit een beslissing van [jeugdinstelling] is geweest. Ook heeft [verweerder] onterecht aan ouders laten weten dat er een plaats voor [dochter] beschikbaar was in het fasehuis.
b. [Verweerder] heeft bij de gemeente een Aanvraag Individuele Voorziening ingediend voor een formalisering van de pleegzorgplaatsing van [dochter] in het gastgezin door [jeugdinstelling], waarin staat dat ouders hiervoor toestemming gaven, terwijl ouder deze toestemming nooit hebben gegeven en zelfs actief hebben gereageerd tegen de plaatsing.
2. De werkwijze van [verweerder] is onvoldoende transparant
a. [Verweerder] heeft ouders onvoldoende duidelijk kunnen maken wat hun verwachtingen mochten zijn omtrent de hulpverlening vanuit de [instelling] (kaders, procedures etc)
b. Er is door [Verweerder] onterecht te weinig gecommuniceerd over het proces en de te behalen doelen.
c. [Verweerder] heeft tot november 2016 onterecht nooit met ouders gesproken over een vakantie van [dochter] samen met het gastgezin naar [vakantieland], terwijl [dochter] en het gastgezin al voor die tijd lange-termijn plannen hebben gemaakt voor deze vakantie.
d. [Verweerder] heeft ouders onterecht niet geïnformeerd over het feit dat het gastgezin een vliegticket heeft gekocht voor een vakantie met [dochter] in de zomer van 2017 en heeft de vakantie onterecht als onderwerp toegevoegd aan de notulen, terwijl het niet met ouders besproken was.
3. [Verweerder] heeft een Beschermingstafel belegd zonder de rapportage daarvoor aan ouders te verzenden.
4. De bejegening van ouders door [verweerder] is onheus.
a. [Verweerder] bejegent ouders niet respectvol
b. [Verweerder] heeft onvoldoende oog voor de angst van ouders om de relatie met hun dochter(s) te verliezen
5. [Verweerder] zet ouders onterecht onder druk in het vrijwillig kader.
6. [Verweerder] heeft in het gesprek met dochters niet in het belang van de kinderen gehandeld
7. [Verweerder] geeft door zijn gedrag richting ouders een verkeerd voorbeeld aan [dochter]
8. [Verweerder] heeft het dossier niet volledig bijgehouden óf beklaagde heeft niet het volledige dossier aan ouders verstrekt
9. [Verweerder] heeft onterecht persoonlijke informatie over ouders met het gastgezin gedeeld.”

3.2.2

Door het College van Toezicht zijn de klachtonderdelen in de bestreden beslissing onder 3.2 als volgt geformuleerd:
“ I. [Verweerder] heeft onjuiste informatie verstrekt aan betrokken instanties en klagers, in het bijzonder ten aanzien van:
a. de mogelijke plaatsing van [dochter] bij een fasehuis van [jeugdinstelling] en het afmelden voor de wachtlijst daarvoor, en;
b. de aanvraag om de pleegzorgplaatsing bij familie [achternaam] te formaliseren.
II. De werkwijze van [verweerder] is onvoldoende transparant geweest ten aanzien van:
a. de verwachtingen die [appellanten] mochten hebben van de hulpverlening van [instelling];
b. het proces en de te behalen doelen;
c. de plannen van [dochter] en het gastgezin voor een vakantie naar [vakantieland] in december 2016;
d. de geplande vakantie in de zomer van 2017.
III. [Verweerder] heeft een beschermingstafel belegd zonder de rapportage daarvoor naar [appellanten] te zenden.
IV. [Appellanten] zijn door [verweerder] onheus en niet respectvol behandeld en [verweerder] heeft klagers onvoldoende gerespecteerd in hun rol als ouders met gezag.
V. [Verweerder] heeft [appellanten] binnen het vrijwillig kader onder druk gezet.
VI. [Verweerder] heeft niet gehandeld in het belang van de twee andere dochters door een gesprek met hen af te dwingen.
VII. [Verweerder] heeft door zijn gedrag en houding richting [appellanten] een verkeerd voorbeeld aan [dochter] gegeven.
VIII. [Verweerder] heeft het dossier niet zorgvuldig bijgehouden dan wel niet het hele dossiers aan [appellanten] ter beschikking gesteld.
IX. [Verweerder] heeft in strijd met het privacyreglement van [instelling] persoonlijke informatie over [appellanten] gedeeld met het gast-/pleeggezin van [dochter]. “

3.2.3

Het College van Toezicht heeft in de bestreden beslissing het volgende overwogen ten aanzien van de negen geformuleerde klachtonderdelen “De klachten van [appellanten] kunnen worden geclusterd rond drie onderwerpen, te weten de wijze van communicatie tussen [verweerder] en [appellanten], het handelen van [verweerder] ten opzichte van [dochter] en de dossiervorming/privacy.”

3.2.4

Het College van Toezicht oordeelde vervolgens ten aanzien van de drie geclusterde klachtonderwerpen als volgt:

“Wijze van communicatie
5.3 [Appellanten] hebben in detail uiteengezet op welke punten [verweerder] zich niet zou hebben gehouden aan de richtlijnen en protocollen ten aanzien van een correcte bejegening. Uit de vele voorbeelden en klachtonderdelen die [appellanten] in dit verband naar voren hebben gebracht, heeft het College [van Toezicht] echter niet kunnen afleiden dat [verweerder] buiten de grenzen is getreden van wat binnen een redelijke bekwame beroepsuitoefening van een jeugdprofessional mag worden verwacht. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Handelen ten opzichte van de jeugdige
5.4 Bezien vanuit de kaders van de Nederlandse wet- en regelgeving hebben jeugdigen van 16 en 17 jaar een speciale positie binnen de jeugdzorg. Door te handelen zoals [verweerder] heeft gedaan, heeft hij laten zien voor de speciale positie van [dochter] en zijn handelen primair te richten naar haar belangen. In het verlengde daarvan had [verweerder] te respecteren welke informatie [dochter] wel of niet met haar ouders wilde delen. Dat dit eraan heeft bijgedragen dat [appellanten] zich niet steeds volledig geïnformeerd hebben gevoeld, valt dan ook niet aan [verweerder] te verwijten. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Privacy/dossiervorming
5.5 De e-mailberichten die door [verweerder] zijn gedeeld met [dochter] en haar gast-/pleegouders [..] hadden in hoofdzaak betrekking op praktische zaken die moesten worden geregeld in verband met het verblijf van [dochter] bij de familie [achternaam]. Voor zover in enkele e-mailberichten ook persoonlijke omstandigheden van [appellanten] aan de orde zijn gekomen, is de inhoud daarvan volgens het College [van Toezicht] niet van dien aard dat door het noemen daarvan [verweerder] buiten de kaders van een behoorlijke beroepsuitoefening is getreden. Ook is het College [van Toezicht] niet gebleken dat [verweerder] geen volledig dossier zou hebben bijgehouden. Het is echter wel mogelijk dat [appellanten] niet alle stukken hebben ontvangen in verband met het ontbreken van de daarvoor benodigde toestemming van [dochter], maar dat kan [verweerder] niet worden tegengeworpen. Het klachtonderdeel wordt verworpen.”

3.2.5 Clustering in drie onderwerpen door het College van Toezicht is onterecht

Appellanten stellen zich op het standpunt dat het College van Toezicht ten onrechte de negen door hen ingediende klachtonderdelen heeft geclusterd in drie onderwerpen en daarmee de keuze heeft gemaakt om niet alle negen klachtonderdelen apart te behandelen. Appellanten hebben de formulering van hun klachtonderdelen zorgvuldig afgewogen en hadden van het College van Toezicht een inhoudelijke beoordeling van al hun klachtonderdelen verwacht. Door de clustering is belangrijke informatie en diepgang uit het klaagschrift verloren gegaan.

3.2.6

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet aan appellanten is om te bepalen op welke wijze het College van Toezicht uitspraken inricht en afdoet. Verder wil hij hierover opmerken dat, voor zover hij zich kan herinneren, bij de aanvang van de mondelinge behandeling van de klacht, de voorzitter heeft benoemd dat de klachten geclusterd zouden worden behandeld. Daar is toen van de zijde van appellanten geen bezwaar tegen gemaakt. Dat er door het College van Toezicht voor is gekozen om een aantal klachtonderdelen geclusterd te behandelen, betekent niet dat daarmee geen inhoudelijk oordeel op alle klachtonderdelen is gegeven. In de bestreden beslissing is een opsomming van alle klachtonderdelen gegeven, waarmee kenbaar is gemaakt over welke klachtonderdelen is beslist. De inhoud van de grieven en wijze waarop deze zijn geformuleerd is voor verweerder (en andere hulpverleners) kenmerkend voor de wijze waarop appellanten zich steeds opstellen, te weten door steeds terug te komen op genomen beslissingen en gemaakte afspraken en dat zij een sterke neiging hebben om volledig de controle en regie over zaken te willen hebben.

3.2.7

Het College van Beroep stelt allereerst vast dat beide partijen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep hebben aangegeven dat er tijdens de mondelinge behandeling van de klacht door het College van Toezicht over het clusteren is gesproken. Partijen hebben echter niet (meer) helder of er ook expliciet is gezegd dat de klachtonderdelen geclusterd zouden worden beoordeeld. In het beroepschrift is door appellanten als beroepsgrond aangevoerd dat de clustering van de klachtonderdelen onterecht is geweest en dat daardoor de diepgang uit het klaagschrift verloren is gegaan.
Het College van Beroep overweegt allereerst dat de wijze van inrichten van een uitspraak, in casu het clusteren van klachtonderdelen, een bevoegdheid is van het rechtsprekend orgaan, het College van Toezicht. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van diegene die het beroepschrift indient om de beroepsgronden nader te onderbouwen. Appellanten hebben echter nagelaten om te specificeren hoe en op welke wijze de informatie en diepgang uit hun klaagschrift verloren is gegaan. Zij hebben enkel volstaan met het verzoek om alsnog op alle klachtonderdelen afzonderlijk een inhoudelijk oordeel te geven. Het College van Beroep is van oordeel, nu appellanten hebben nagelaten te specificeren op welke wijze er belangrijke informatie en/of diepgang uit hun klaagschrift verloren is gegaan, er onvoldoende grond is om aan te nemen dat het College van Toezicht niet op goede gronden de klachtonderdelen geclusterd heeft behandeld. Het College van Beroep verwerpt dan ook deze grief.

3.2.8 Het College van Toezicht heeft onterecht de klachten van appellanten geherformuleerd

In de bestreden beslissing heeft het College van Toezicht enkele klachten geherformuleerd, waardoor de strekking van de klachten volgens appellanten verloren is gegaan. Door deze herformulering is belangrijke informatie en diepgang uit het klaagschrift verloren gegaan. Appellanten zijn van mening dat het niet aan het College van Toezicht is de klachtonderdelen te herformuleren.

3.2.9

Verweerder wil ten aanzien van deze grief opmerken dat hij in het anders verwoorden van de klachtonderdelen vooral een korte samenvatting van de door appellanten geformuleerde klacht en niet een wezenlijk andere formulering van de klacht leest.

3.2.10

Het College van Beroep stelt allereerst vast dat het van oordeel is dat het herformuleren van klachtonderdelen tot op zekere hoogte een bevoegdheid is van het College van Toezicht. Het is bij rechtsprekende organen gebruikelijk dat klachtonderdelen – zeker als ze uitgebreid zijn geformuleerd – kort en zakelijk weergeven worden zonder dat daarbij de strekking van het klachtonderdeel verloren gaat. Het College van Beroep is van oordeel dat er in de onderhavige situatie sprake is van het zakelijk weergeven van de door appellanten geformuleerde klachtonderdelen en dat er geenszins gebleken is dat door het herformuleren belangrijke informatie of diepgang verloren is gegaan. Het College van Beroep tekent daarbij nog aan dat ook al worden de klachtonderdelen verkort en zakelijk weergeven, het behandelend college kennis neemt van het gehele dossier en dit bij het oordeel betrekt. De grief faalt.

3.2.11 Het College van Toezicht heeft onvoldoende toelichting gegeven op de beslissing

Naar de mening van appellanten heeft het College van Toezicht zowel tijdens de mondelinge behandeling van klacht als in de bestreden beslissing te weinig blijk gegeven voldoende kennis te hebben genomen van de inhoud van alle klachtonderdelen. Dit terwijl zij een klaagschrift hebben ingediend van 27 pagina’s, aangevuld met 45 bijlagen. Appellanten missen een duidelijke onderbouwing bij de beoordeling van elk van hun klachtonderdelen. Gelet op het voorgaande hebben appellanten geen zicht gekregen op de reden van het ongegrond verklaren van de klachtonderdelen waardoor het College van Toezicht in gebreke is gebleven.

3.2.12

Verweerder herkent het beeld dat appellanten schetsen niet. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, waar van te voren al extra tijd voor was ingeruimd, hebben appellanten voldoende ruimte gekregen om hun klachten nader toe te lichten. Wat hierbij opviel was dat appellanten geen concrete antwoorden gaven op de gestelde vragen door het College van Toezicht, maar bleven vasthouden aan het maken van hun eigen punten. Verder wil verweerder opmerken dat als appellanten het niet eens zijn met het inhoudelijke oordeel over hun klachten, dat niet betekent dat het College van Toezicht onvoldoende kennis zou hebben genomen van het dossier.

3.2.13

Ook ten aanzien van deze grief overweegt het College van Beroep dat appellanten hebben nagelaten om specifiek te onderbouwen waaruit zou blijken dat het College van Toezicht te weinig kennis zou hebben van de inhoud van alle klachtonderdelen. Het enkele feit dat er een klaagschrift van 27 pagina’s, en 45 bijlagen, is ingediend maakt niet dat het College van Toezicht geen kennis heeft genomen van de inhoud van alle klachtonderdelen. Het College van Beroep stelt vast dat partijen in ieder geval tijdens de mondelinge behandeling van de klacht bij het College van Toezicht ruim de tijd hebben gehad om hun standpunten toe te lichten. Het College van Beroep maakt dit op uit een e-mail die op 3 november 2017 naar partijen is verzonden waaruit blijkt dat er in ieder geval een half uur extra was ingepland voor de mondelinge behandeling van de klacht. Het College van Beroep volgt voorts verweerder in zijn standpunt dat indien appellanten het niet eens zijn met het oordeel, dit niet maakt dat het College van Toezicht onvoldoende kennis genomen zou hebben van de inhoud van klachtonderdelen. Voor zover appellanten aangegeven hebben een duidelijke onderbouwing te missen bij elk van hun klachtonderdelen, verwijst het College van Beroep naar hetgeen reeds is overwogen onder 3.2.7 over het clusteren van klachtonderdelen en hier als herhaald en ingelast kan worden beschouwd. Naar het oordeel van het College van Beroep faalt de grief.

3.2.14 Het College van Toezicht heeft zich in de beslissing uitgesproken over het gedrag van appellanten, terwijl dit niet binnen de bevoegdheid van het College van Toezicht valt

In de bestreden beslissing is het volgende opgenomen:
“Hoewel het College [van Toezicht] begrip heeft voor de gevoelens van onmacht en angst van [appellanten], komt zowel uit de stukken als uit de behandeling ter zitting het beeld naar voren dat [appellanten] vooral veel tijd en energie hebben gestoken (en nog immer steken) in formaliteiten en procedurele aspecten en dat daardoor het belang van [dochter] op de achtergrond is gekomen.”

Appellanten zijn van mening dat het College van Toezicht met deze uitspraak buiten de bevoegdheid is getreden. Zij hebben het College van Toezicht gevraagd een uitspraak te doen over het handelen van verweerder, niet over (het handelen van) henzelf. Het College van Toezicht komt met de gemaakte opmerking tot de conclusie dat verweerder niets te verwijten valt. Appellanten vinden dat het College van Toezicht hiermee op oneigenlijke wijze te werk is gegaan.

3.2.15

Verweerder ziet niet in waarom het College van Toezicht geen uitspraken zou mogen doen over hetgeen het op basis van de klachten en het verweer signaleert, namelijk dat wat appellanten en verweerder verdeeld houdt. Bovendien is de bestreden opmerking geplaatst in de context van het handelen van verweerder en zijn taak als jeugdprofessional. Voor verweerder bevestigt deze grief daarnaast hetgeen waar hij en ook andere hulpverleners in contact met appellanten tegenaan zijn gelopen, te weten dat het niet lukt om met appellanten in gesprek te komen over hun rol en aandeel in de conflicten met hun dochter. Appellanten leggen de volledige verantwoordelijkheid van de teleurstelling bij hun dochter en hulpverleners neer. Verweerder betreurt het dan ook voor zowel appellanten als hun dochter, dat appellanten niet in staat lijken te zijn c.q. niet de wil hebben om op een constructieve wijze samen met de hulpverlening toe te werken naar contactherstel met hun dochter.

3.2.16

Het College van Beroep is het met appellanten eens dat in de kern geoordeeld dient te worden over het handelen van een beklaagde en niet over het handelen van een klager. Het College van Toezicht dient echter wel een beeld te krijgen van een situatie alvorens daarover te kunnen oordelen. Het College van Beroep leest in de bestreden opmerking dan ook een weergave van het beeld dat het College van Toezicht van de situatie heeft gekregen. Het College van Beroep volgt dan ook het standpunt van verweerder dat deze opmerking gezien moet worden in de context van het handelen van verweerder als jeugdprofessional. In aanvulling op hetgeen appellanten hebben aangevoerd, merkt het College van Beroep op dat in dezelfde alinea als de bestreden opmerking, ook nog de volgende passage is opgenomen: “[Verweerder] heeft ervoor gewaakt dat desondanks het belang van [dochter] steeds voorop werd gesteld. Dit geheel overeenkomstig met zijn taak als jeugdzorgwerker. Het College [van Toezicht] komt dan ook tot de slotsom dat [verweerder] tuchtrechtelijk niets te verwijten valt.” Het College van Beroep leest hierin dat het College van Toezicht meerdere aspecten heeft afgewogen om tot de slotsom te komen dat verweerder tuchtrechtelijk niets te verwijten valt. Gelet op het voorgaande is het College van Beroep van oordeel dat niet is gebleken dat het College van Toezicht, met het schetsen van het beeld dat zij hebben gekregen tijdens de (mondelinge) behandeling van de klacht, buiten de bevoegdheid is getreden. Het College van Beroep verwerpt aldus de grief.

3.2.17

Het College van Beroep is concluderend van oordeel dat alle grieven falen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– handhaaft de beslissing van het College van Toezicht met zaaknummer 17.085T van 18 januari 2018.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 22 november 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris