Het handelen van een jeugdbeschermer tijdens een zitting bij de rechtbank had beter gekund, maar er is niet gebleken dat de jeugdbeschermer de rechtbank heeft misleid.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.L. Greuters, lid-jurist,
mevrouw G.A. van der Veen, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellant], wonende te [woonplaats], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: appellant,

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerster], ten tijde van het beklaagde handelen werkzaam als [jeugdbeschermer] bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellant bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift in zaaknummer 17.097T ontvangen op 17 augustus 2017, met de bijlagen en de aanvullingen hierop van 3 en 7 januari 2018;
– het door appellant bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift in zaaknummer 17.152T van 14 december 2017;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift in zaaknummer 17.097T ontvangen op 20 oktober 2017, met de bijlagen en aanvulling, tevens verweerschrift in zaaknummer 17.152T, van 29 januari 2018;
– de beslissing van het College van Toezicht in de zaaknummers 17.097T en 17.152T van 6 april 2018;
– het door appellant ingestelde beroepschrift, met bijlagen, tegen voornoemde beslissing ontvangen op 9 april 2018;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 25 mei 2018.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen I tot en met VIII en klachtonderdeel X ongegrond en klachtonderdeel IX gegrond verklaard. Het College van Toezicht heeft afgezien van het opleggen van een maatregel aan verweerster.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellant op 9 april 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 25 mei 2018 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 juli 2018 in aanwezigheid van appellant, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.6

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellant is de vader van een dochter, geboren in 2006, en een zoon, geboren in 2008, hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

2.2

Appellant en de moeder van de kinderen hebben tot enige jaren geleden samengewoond. Appellant heeft de kinderen erkend. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de moeder. De kinderen wonen bij de moeder.

2.3

[De instelling] is sinds 2013 bij de kinderen betrokken vanwege een zorgmelding die is gedaan door de politie. De begeleiding van [de instelling] vond op dat moment in het vrijwillige kader plaats.

2.4

De moeder heeft in 2014 na een incident de omgang tussen de kinderen en appellant stopgezet. In de periode daarna heeft de omgang een tijd niet plaatsgevonden, waarna deze gedurende een periode onder begeleiding weer is hervat.

2.5

Appellant heeft op 23 november 2015 een verzoek ingediend bij de rechtbank tot ondertoezichtstelling van de kinderen. Dit verzoek is afgewezen met daaraan de overweging ten grondslag dat een ondertoezichtstelling niet in de eerste plaats bedoeld is om een gestaakte omgang vlot te trekken en dat [de instelling] in actie zal dienen te komen wanneer de moeder onverhoopt zal stoppen met het eenmaal op gang gekomen traject.

2.6

In 2016 heeft er omgangsbegeleiding vanuit het [de instelling2] plaatsgevonden. In de rapportage van het [de instelling2] van 14 november 2016 is vermeld:
“Gezien de intensiteit van de reacties van de ouders naar elkaar en naar de hulpverlening, het nemen van eenzijdige beslissingen door beide ouders gedurende het begeleidingstraject, alsmede de belasting die de kinderen tonen ten aanzien van het contact met de uitwonende ouder ziet het [de instelling2] geen mogelijkheden meer in vrijwillig kader welke nog ingezet zouden kunnen worden om de omgang vlot te trekken.
Het [de instelling2] constateert dat de kinderen steeds verder in de knel dreigen te komen en deze tendens is niet op vrijwillige basis omkeerbaar gebleken.”

2.7

[De instelling] heeft op 18 november 2016 een melding gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: RvdK. Hierop is door de RvdK een beschermingsonderzoek gestart.

2.8

Bij beschikking van 14 maart 2017 zijn de kinderen door de kinderrechter onder toezicht gesteld en is [de instelling] belast met de uitvoering hiervan.

2.9

De rechtbank heeft bij beschikking van 31 mei 2017 naar aanleiding van een verzoek van appellant bij wijze van voorlopige voorziening onder meer bepaald dat appellant iedere zondag om 17:00 uur telefonisch contact met de kinderen zal hebben.

2.10

Bij beschikking van 11 oktober 2017 zijn de verzoeken van appellant afgewezen om hem primair te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag en hem subsidiair mede te belasten met het ouderlijk gezag en de verblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. De rechtbank heeft appellant daarnaast de omgang met de kinderen ontzegd gedurende een jaar met ingang van 11 oktober 2017.

2.11

Bij brief van 22 december 2017 heeft verweerster aan de RvdK bericht dat zij niet voornemens is om een verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken. Dit vanwege de rust voor moeder en de kinderen die de ontzegging van de omgang heeft gegeven alsmede het contact- en straatverbod, dat appellant op 8 december 2017 is opgelegd. Bij brief van 4 januari 2018 heeft de RvdK aan [de instelling] bericht dat de RvdK zich kan vinden in het voornemen om de ondertoezichtstelling niet te verlengen.

2.12

Verweerster is sinds [datum] 2016 als jeugdzorgwerker bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. Zij is van [datum] 2016 tot [datum] 2018 namens [de instelling] de [jeugdbeschermer] in het gezin van appellant geweest, aanvankelijk in het vrijwillige kader en na het uitspreken van de ondertoezichtstelling in het gedwongen kader.

3 De ontvankelijkheid

3.1

Verweerster heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat het door appellant ingediende beroepschrift niet voldoet aan de eisen als opgenomen in artikel 12.3 en 12.4 van het Tuchtreglement. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft zij dit standpunt in zoverre herzien dat zij van mening is dat de beroepsgrond wel uit het beroepschrift blijkt, maar aan de overige formele eisen niet is voldaan. Zij stelt zich dan ook primair op het standpunt dat appellant niet-ontvankelijk is in zijn beroep.

3.2

In artikel 12.3 en 12.4 van het Tuchtreglement is het volgende opgenomen:
“12.3 Het beroepschrift bevat in ieder geval:
a. de naam, voornamen, adres, woonplaats, dan wel het (werk)adres, geboortedatum, en, indien beschikbaar, het (mobiele) telefoonnummer en het e-mailadres van de appellant;
b. de datum van de beslissing waartegen het beroep zich richt;
c. de gronden van het beroep;
d. de stukken uit het dossier in eerste aanleg.

12.4 Het beroepschrift is ondertekend en gedagtekend door de appellant en indien van toepassing diens onafhankelijke klachtondersteuner, vertrouwenspersoon, (wettelijk) vertegenwoordiger of gemachtigde.”

3.3

Na ontvangst van het beroepschrift heeft de behandelend secretaris vastgesteld dat in het beroepschrift de geboortedatum van appellant ontbreekt. Hierop is aan de voorzitter van het College van Beroep gevraagd een (voortgang)beslissing te nemen over de ontvankelijkheid van het beroepschrift. De voorzitter heeft geoordeeld dat er geen noodzaak bestaat om op dit punt aanvulling te verzoeken van het beroepschrift (conform artikel 12.7 van het Tuchtreglement), nu de geboortedatum van appellant reeds bekend is bij SKJ, gelet op de aanwezigheid van de stukken uit het dossier in eerste aanleg.

3.4

Voor zover het beroepschrift niet gedagtekend is, zoals bepaald in artikel 12.4 van het Tuchtreglement, kan worden opgemerkt, dat het beroepschrift digitaal aan SKJ is aangeboden.
Het College van Beroep gaat uit van de datum waarop het beroepschrift wordt ontvangen (zie artikel 12.6 van het Tuchtreglement). Nu het beroepschrift tijdig, te weten 9 april 2018, per e-mail is ingediend is er geen aanleiding appellant alsnog te verzoeken het beroepschrift te dagtekenen.

3.5

Eveneens bevat het beroepschrift niet de stukken uit het dossier in eerste aanleg.
Het College van Beroep heeft enige tijd geleden besloten dat overlegging hiervan niet langer als formeel vereiste geldt. Hiertoe is overgegaan nu gebleken is dat het voor partijen een (onnodig) zware belasting is om deze stukken aan te leveren, en de noodzaak hiertoe niet langer bestaat nu deze stukken reeds worden verondersteld bij beide partijen bekend zijn en het College van Beroep over deze stukken kan beschikken door deze bij het College van Toezicht op te vragen.
Het Tuchtreglement zal in de nabije toekomst (onder andere) op dit punt worden aangepast. Hierop vooruitlopend verbindt het College van Beroep sinds enige tijd geen gevolg meer aan het niet aanleveren van de stukken uit het dossier in eerste aanleg.

3.6

Al het vorengaande in aanmerking nemend is het College van Beroep van oordeel dat appellant ontvankelijk is in zijn beroep.

4 Het beroep, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College van Beroep wijst alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel X door het College van Toezicht van 6 april 2018 in de zaaknummers 17.097T en 17.152T, dat door het College van Toezicht ongegrond is verklaard.

4.1.4

Hierna wordt het in het beroepschrift genoemde klachtonderdeel besproken en beoordeeld. Eerst wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, vervolgens het oordeel van het College van Toezicht, de grief in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna tenslotte het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven.

4.2

Klachtonderdeel X

4.2.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel X als volgt geformuleerd: [Verweerster] neemt ondanks de opdracht van rechtbank hiertoe geen maatregelen wanneer door toedoen van de moeder het traject bij het [de instelling2] wordt gestaakt.

4.2.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt:
“Het College [van Toezicht] overweegt als volgt. Ter zitting heeft [verweerster] desgevraagd aangegeven dat zij op vragen bij de rechtbank heeft geantwoord de kinderen te stimuleren de beoogde contactregeling met [appellant] na te komen, juist ook omdat zij voor [appellant] wilde dat er omgang zou komen. Echter, op dat moment had zij eigenlijk al het gevoel dat het om een hopeloze missie zou gaan en dat zij de kinderen naar alle waarschijnlijkheid niet gemotiveerd zou krijgen. Achteraf gezien, zo verklaarde [verweerster] ter zitting, was het wellicht beter geweest als zij bij de rechtbank haar vraagtekens over de haalbaarheid had uitgesproken. [Appellant] heeft in een reactie op genoemd antwoord van [verweerster] verklaard dat hij het heel ernstig vindt om een en ander te vernemen, en dat [verweerster] aldus de rechter onjuist heeft voorgelicht en beïnvloed. Het College [van Toezicht] acht alles overziend het klachtonderdeel ongegrond. Niet gebleken is dat [verweerster] ondanks de opdracht van de rechtbank hiertoe geen maatregelen heeft genomen toen het traject bij het [de instelling2] werd gestaakt, zoals [appellant] stelt. Vast staat immers dat [verweerster], nadat het traject bij het [de instelling2] vroegtijdig was geëindigd, een gezinsplan heeft opgesteld ten behoeve van een beschermingsonderzoek door de RvdK, en dat als gevolg hiervan de ondertoezichtstelling is uitgesproken. Het College [van Toezicht] acht voorts gelet op vorenbedoelde verklaring van [verweerster] onvoldoende aannemelijk geworden dat zij de rechter onjuist heeft voorgelicht en beïnvloed, zoals [appellant] stelt. Het College [van Toezicht] ziet in deze verklaring veeleer de bereidheid van [verweerster] om alle mogelijkheden te benutten om te komen tot omgang tussen [appellant] en de kinderen, mede indachtig het wettelijk recht op omgang. Daar waar [verweerster] aangeeft dat zij bij nader inzien toen al wist dat de kinderen niet te motiveren waren tot een regeling, heeft zij naar het oordeel van het College [van Toezicht] bovendien gereflecteerd op haar handelen. Daarnaast gaat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen er niet om of dat handelen beter had gekund.”

4.2.3

Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerster het College van Toezicht tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft misleid. Zij heeft op dat moment aangegeven dat zij de rechter heeft toegezegd de kinderen te zullen stimuleren, hetgeen is opgenomen in de bestreden beslissing onder overweging 3.11.3. Appellant legt ter onderbouwing van zijn standpunt een proces-verbaal van een zitting van de rechtbank van 31 mei 2017 over. Hier blijkt naar de mening van appellant uit dat verweerster bij de rechtbank heeft aangegeven de moeder te coachen en dat zij niet, zoals zij het College van Toezicht heeft doen geloven, uitspraken heeft gedaan over (het stimuleren van) de kinderen. De uitspraken die verweerster bij het College van Toezicht heeft gedaan en diegene die zijn vastgelegd in het proces-verbaal komen totaal niet met elkaar overeen. Al met al is appellant van mening dat de manier van handelen van verweerster, bij zowel de rechtbank als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is gebleven. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft appellant nog kenbaar gemaakt dat hij zijn grief mogelijk niet juist geformuleerd heeft. In algemene zin ziet zijn klacht er op dat verweerster niet conform artikel 3.3 van de Jeugdwet heeft gehandeld. In het aangeleverde proces-verbaal is exact opgemaakt wat verweerster tijdens de betreffende zitting heeft verklaard. Verweerster heeft namelijk moedwillig bij de rechtbank onjuist verklaard over de (eerdere) hulpverlening die aan de moeder is verleend. Verweerster was wel degelijk op de hoogte van de eerdere hulpverlening aan de moeder. Appellant meent dat verweerster zich door de wijze van opstellen tijdens de betreffende zitting bij de rechtbank in feite heeft gepositioneerd als advocaat van de moeder.

4.2.4

Verweerster stelt dat voor zoverre appellant ‘klaagt’ over het gedrag van verweerster of dit nu betrekking heeft op de mondelinge behandeling van de klacht in eerste aanleg of bij de zitting van de rechtbank, dit een nieuwe klacht betreft en dat deze niet eerst in de onderhavige beroepsprocedure aanhangig gemaakt kan worden.
Wat betreft de inhoud van het aangeleverde proces-verbaal meent verweerster dat zij zowel tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, als tijdens de betreffende zitting van de rechtbank in feite heeft aangegeven dat ze weinig heil zag in de voorgestelde skypecontacten. Verweerster heeft aangegeven dat de hulpverlening moeizaam verliep maar uiteindelijk heeft zij desgevraagd aangegeven dat zij zich wel kon vinden in de door appellant verzochte skypecontacten. Verweerster kan zich nog herinneren dat zij tijdens de betreffende zitting haar collega heeft aangekeken om te bezien of ze als hulpverleners wel achter dit voorstel konden staan.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is haar gevraagd hoe zij er tijdens de zitting van de rechtbank in stond. Daarop heeft zij geantwoord op de wijze zoals is opgenomen in de bestreden beslissing. Terugkijkend meent zij dat ze wellicht tijdens de zitting bij de rechtbank al duidelijker aan had moeten geven dat zij er niet veel vertrouwen in had dat de verzochte skypecontacten er zouden komen. Desgevraagd heeft zij wel getracht de skypecontacten tot stand te brengen. Hiertoe is zij met een collega naar de moeder gegaan en heeft aldaar geprobeerd zowel de kinderen als de moeder te stimuleren om het skypecontact tot stand te brengen. Uiteindelijk bleek dat de kinderen het skypecontact niet wilden. Volgens verweerster wilden de kinderen brieven schrijven maar dat accepteerde appellant niet. Verweerster merkt tot slot op dat het beroep van appellant beperkt is en zich enkel richt tegen klachtonderdeel X waardoor het College van Beroep zich alleen daar over kan uitlaten.

4.2.5

Het College van Beroep stelt vast dat in het beroepschrift van appellant staat dat hij zich niet kan verenigen met overweging 3.11.3 in de bestreden beslissing, de overweging die ten grondslag ligt aan het oordeel over klachtonderdeel X door het College van Toezicht. Het College van Beroep kan zich derhalve, zoals verweerster terecht stelt, alleen uitlaten over dit klachtonderdeel.

Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft appellant zijn beroep willen uitbreiden met de stelling dat verweerster tegenover de rechter zou hebben gedaan alsof zij niets wist over de (eerdere) hulpverlening aan de moeder. Het College van Beroep kan zich hier echter niet inhoudelijk over uitlaten. Het College van Beroep wil in dit kader opmerken dat het in het algemeen voor de leek, die juridisch niet onderlegd is, valt aan te raden om bij het indienen van een formele klacht of het indienen van een beroepschrift, ondersteuning en begeleiding te vragen van een gemachtigde of vertrouwenspersoon, bijvoorbeeld van AKJ – vertrouwenspersonen in de jeugdhulp.
In de onderhavige situatie heeft appellant er niet voor gekozen zich op enige wijze bij te laten staan in de procedure. In een dergelijk geval komt het voor risico en rekening van de appellant indien een grief niet compleet of niet zorgvuldig genoeg is geformuleerd. De reikwijdte van de klachten c.q. grieven dienen voor alle betrokkenen, inclusief het College van Beroep, helder te zijn. De wederpartij, in dit geval verweerster, dient zich deugdelijk te kunnen verweren. Het is daarom niet mogelijk om met nieuwe klachten c.q. grieven tijdens de mondelinge behandeling van het beroep te komen c.q. klachten te herformuleren. Het College van Beroep zal zich derhalve beperken tot een inhoudelijke beoordeling van de grief zoals opgenomen in het beroepschrift.

4.2.6

Het College van Beroep stelt vast dat in het overgelegde proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank d.d. 31 mei 2017 in ieder geval de volgende relevante passages zijn opgenomen:
“[De instelling]: Het is niet in het belang van de kinderen als er nu contact komt. Er moet eerst hulp en begeleiding zijn. De eerdere skypecontacten verliepen moeizaam, onder andere vanwege wegvallende verbinding en omdat niet iedere keer beide kinderen aanwezig konden zijn. Dit leidde bij de ouders tot frustratie, hetgeen weer invloed heeft op de kinderen. Hierdoor wakkert het loyaliteitsconflict weer aan.
De kinderen moeten middels hulpverlening de vrijheid gaan voelen om een eigen beeld van hun vader te vormen en dat zij in vrijheid contact met hun vader kunnen aangaan. Met behulp van de GGZ wordt hiernaar toegewerkt. De skypecontacten blijven ingewikkeld. Toch is het belangrijk dat de kinderen contact met vader hebben.
[..]
Desgevraagd geeft [de instelling] aan achter de door vader verzochte skypecontacten te staan, alsmede hieraan hun medewerking te zullen verlenen, door moeder bij een eerste skypecontact na de zitting te zullen coachen en ook als er vragen zij bij moeder voor haar klaar te staan.
[..]
[de instelling]: er zou sprake zijn van niet gestarte hulpverlening in het verleden, als dat al zo is, betreur ik dat ten zeerste. We zullen er op toezien dat in het kader van de ondertoezichtstelling, dat het wel gebeurt. Skype staan wij achter en medewerking zullen wij eraan verlenen. [de instelling2] zou dat oppakken, daarom hebben wij het niet eerder gedaan. Zodra de kinderen er wat over kunnen zeggen, dan kunnen zij gecoacht worden hoe het contact op te bouwen.”

4.2.7

Het College van Beroep is het met verweerster eens, dat zij bij de rechtbank heeft aangegeven dat de (eerste) skypecontacten moeizaam verliepen. Desondanks heeft zij tijdens de mondelinge behandeling van het beroep overtuigend weergeven hoe zij moeder en de kinderen alsnog heeft getracht te stimuleren tot skypecontacten en getracht heeft met alternatieven te komen toen bleek dat de kinderen de skypecontacten niet wilden. Appellant heeft deze weergave door verweerster niet betwist. Het College van Beroep is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster ten aanzien van de skypecontacten de rechtbank heeft misleid. Verweerster heeft gedaan wat zij bij de rechtbank heeft toegezegd. Haar kan niet verweten worden, dat het beoogde resultaat niet werd bereikt. Dat bedoelde contacten uiteindelijk niet van de grond gekomen zijn is verweerster dan ook niet (tuchtrechtelijk) aan te rekenen. Voor wat betreft het verwijt van appellant, dat verweerster haar bedenkingen niet (voldoende) onder woorden zou hebben gebracht bij de rechtbank, meent het College van Beroep dat het wellicht beter zou zijn geweest om bedenkingen, als die er zijn, zo goed mogelijk naar voren te brengen. Dat verweerster dit wellicht niet voldoende heeft gedaan maakt niet dat haar een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Immers, zij heeft wel getracht moeder en de kinderen te motiveren en stimuleren. Het College van Beroep is dan ook van oordeel dat het handelen van de jeugdprofessional in de situatie bij de rechtbank wellicht beter had gekund, maar niet als onvoldoende kan worden aangemerkt.

4.2.8

Het College van Beroep is concluderend van oordeel dat de grief faalt.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht van 6 april 2018 in de zaaknummers 17.097T en 17.152T voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen, zij het onder aanvulling van de motivering ten aanzien van klachtonderdeel X.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 7 september 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris