Klacht tegen de jeugdbeschermer, dat zij zich niet heeft ingezet voor het belang van de minderjarige.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.J.M. Wouters, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, mevrouw mr. L. Neuschäfer-Greebe, werkzaam bij DAS Bijstand te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift van 23 augustus 2017 en ontvangen op 1 september 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 31 oktober 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 17 januari 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de onderlinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1999 (hierna te noemen [minderjarige]). Klaagster en de vader van [minderjarige] hebben gezamenlijk gezag.

2.2

Op 12 januari 2017 vindt een spoed jeugdbeschermingstafeloverleg plaats, waarbij [minderjarige], klaagster en de vader, het buurtteam, de GI en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) aanwezig zijn. Met [minderjarige] wordt besproken dat het in haar belang noodzakelijk is dat zij naar een crisisopvang gaat. Zij weigert dit.

2.3

De RvdK dient vervolgens een verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp in bij de rechtbank. Dit in verband met de zorgen over de relatie van [minderjarige] met haar meerderjarige vriend M. en zijn vermeende betrokkenheid bij loverboypraktijken, mensenhandel en haar wegloopgedrag.

2.4

Op 12 januari 2017 wordt een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken voor drie maanden, dat wil zeggen van 12 januari 2017 tot 12 april 2017. De GI wordt belast met de uitvoering hiervan.

2.5

Op basis van een eveneens bij beschikking van 12 januari 2017 verleende machtiging gesloten jeugdhulp verblijft [minderjarige] in de periode van 12 januari 2017 tot 12 april 2017 in de gesloten jeugdhulpinstelling [instelling 1] (hierna te noemen: [instelling 1]).

2.6

Op 23 maart 2017 organiseert de [instelling 1] een zorgtafeloverleg.

2.7

Bij beschikking van 30 maart 2017 wordt [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 maart 2017 tot aan haar meerderjarigheid, te weten 2 november 2017. De rechtbank overweegt dat [minderjarige] begeleid moet worden naar zelfstandigheid.

2.8

Op 10 april 2017 dient beklaagde namens de GI een verzoek (spoed) machtiging uithuisplaatsing in een open accommodatie in.

2.9

Op 12 april 2017 eindigt de machtiging gesloten jeugdhulp. [minderjarige] verblijft vervolgens tot
15 september 2017 in een open voorziening van [instelling 2].

2.10

Op 18 april 2017 worden de volgende afspraken gemaakt tussen de GI, [instelling 2], [minderjarige], klaagster en de vader van [minderjarige]: [minderjarige] moet een baantje zoeken, zij moet haar school afmaken, mag niet bij haar vriendin slapen en vriend X. mag [minderjarige] niet komen opzoeken.

2.11

Op 20 april 2017 stuurt beklaagde klaagster en de vader een e-mail waarin zij uitlegt dat [minderjarige] gezien haar leeftijd niet meer opgelegd kan krijgen met wie ze wel en niet om wil gaan. Op diezelfde dag reageert klaagster richting beklaagde, dat zij het hier niet mee eens is.

2.12

Bij beschikking van 3 mei 2017 verleent de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulp, te weten [instelling 2], met ingang van 3 mei 2017 tot 2 november 2017. Over het verblijf van [minderjarige] bij [instelling 2] en over andere zaken, zoals verloven, dienen [minderjarige], klaagster, de vader, de GI en [instelling 2] afspraken te maken, aldus de rechter.

2.13

Beklaagde is sinds [datum] 2015 werkzaam bij de GI. Zij is als gezinsvoogd belast met de uitvoering van de (voorlopige) ondertoezichtstelling van [minderjarige].

2.14

Beklaagde is geregistreerd als jeugdzorgwerker bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster verwijt beklaagde –kort samengevat- dat zij zich niet heeft ingezet voor het belang van [minderjarige]. Er was slechts een korte tijd tot aan de volwassenheid van [minderjarige], waarin alle hulp nodig was. Beklaagde heeft haar eigen koers gevolgd en is niet meegegaan met de andere hulpverleners. Beklaagde heeft daarbij volgens klaagster de volgende artikelen uit de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker geschonden: artikel A (‘De jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen’), B (‘Bevordering deskundigheid’), C (‘Bereid iedere cliënt te helpen’), D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’), E (‘Respect’), F (‘Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening’), G (‘Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening’) en H (‘Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie’). Klaagster heeft dit vertaald in een aantal klachtonderdelen.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie ten aanzien van alle klachtonderdelen.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Beklaagde heeft ervoor gekozen om de machtiging gesloten jeugdhulp van drie maanden niet te verlengen, omdat [minderjarige] bijna 18 jaar zou worden. Ingeschat kon worden dat [minderjarige] haar oude gedrag zou voortzetten nadat zij weer vrijheid zou krijgen. Klaagster is van mening dat de machtiging met drie maanden verlengd had moeten worden, zodat [minderjarige] voor een langere periode uit haar situatie werd gehaald.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat de gronden voor verblijf in een instelling voor gesloten jeugdhulp betrekking hadden op de zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in relatie tot haar vriend X, die betrokken zou zijn bij mensenhandel, prostitutie en loverboypraktijken. Op 23 maart 2017 werd tijdens het zorgtafeloverleg informatie uit politieonderzoek gedeeld, waaruit bleek dat de vriend niet voorkwam in de bestanden van de politie en niet betrokken was bij dergelijke praktijken. De GI achtte vervolgens onvoldoende gronden aanwezig voor verlenging van de gesloten plaatsing en besloot geen verzoek hiertoe in te dienen. Het besluit is een kernbeslissing en wordt in overleg, onder andere met de gedragswetenschapper, genomen. Dat betekende overigens niet dat [minderjarige] geen hulp nodig had.

3.2.3

Het College stelt vast dat er verschil van opvatting is tussen klaagster en beklaagde over de noodzaak van het voortzetten van de gesloten plaatsing. Tijdens de mondelinge behandeling bij het College heeft klaagster betoogd dat verlenging van de gesloten plaatsing noodzakelijk was omdat er van alles speelde rond de vriend. Het College overweegt dat beklaagde voldoende heeft aangetoond dat tijdens het door [instelling 1] georganiseerde zorgoverleg op 23 maart 2017 duidelijk werd dat de vriend niet verdacht werd van betrokkenheid bij mensenhandel, prostitutie en loverboypraktijken en dat daarmee de grond voor verlenging van de gesloten plaatsing verviel. Op basis daarvan werd verlenging van de gesloten jeugdhulp niet haalbaar geacht. Voorts heeft beklaagde verklaard dat dit een kernbeslissing is geweest die zij, in overleg met haar team waarvan onder andere een gedragswetenschapper deel uitmaakt, genomen heeft. Het College overweegt voorts dat de rechter op 3 mei 2017 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulp, te weten [instelling 2], heeft afgegeven voor de periode van 3 mei 2017 tot 2 november 2017. Die beslissing is genomen op basis van de op dat moment aanwezige informatie. De zorgwekkende informatie aangaande X. en over de situatie rondom [minderjarige] die klaagster tijdens de hoorzitting van het College naar voren heeft gebracht, waren beklaagde en de GI toen niet bekend en zijn ook niet anderszins kenbaar gemaakt. Het College constateert aan de hand van de beschikking dat klaagster zelf bij de mondelinge behandeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing aanwezig was en heeft verklaard achter de open plaatsing van [minderjarige] bij [instelling 2] te staan. Het College is dan ook van oordeel dat het beklaagde niet persoonlijk verweten kan worden dat de machtiging gesloten plaatsing niet is verlengd. Zij heeft gehandeld zoals het een zorgvuldig jeugdprofessional betaamt.

3.2.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdelen II & III

3.3.1

Beklaagde had wettelijk gezien direct een machtiging uithuisplaatsing voor [instelling 2] moeten aanvragen, aangezien er altijd zo’n machtiging moet liggen zodra een jeugdige met een ondertoezichtstelling elders wordt geplaatst. Beklaagde heeft vervolgens een spoedverzoek machtiging uithuisplaatsing ingediend, maar heeft dat ten onrechte niet aan klaagster overhandigd. Er is geen inzage geweest. Klaagster heeft de stukken via de rechtbank ontvangen.

3.3.2

Beklaagde heeft, klachtonderdelen II en III, nu deze in elkaars verlengde liggen, samen genomen. Zij voert het volgende aan. Op 30 maart 2017 vond een zitting plaats bij de rechtbank met betrekking tot het verzoek tot de ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Beklaagde heeft toen inderdaad besloten geen reguliere machtiging uithuisplaatsing te verzoeken omdat alle betrokkenen het eens waren dat [minderjarige] een behandeling zou gaan volgen bij [instelling 2]. Ten onrechte heeft beklaagde aangenomen dat een machtiging daarmee niet nodig was. Tijdens het overleg met het team is beklaagde duidelijk geworden dat er altijd een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing gedaan moet worden als er sprake is van een ondertoezichtstelling, waarbij een minderjarige niet thuis woont. Beklaagde heeft daarom op 10 april 2017 alsnog het vereiste verzoek ingediend. [minderjarige] is op 12 april 2017 bij [instelling 2] geplaatst. De machtiging uithuisplaatsing werd op 3 mei 2017 afgegeven door de rechtbank en liep tot 2 november 2017. De stukken zijn zoals gebruikelijk door de rechtbank naar klaagster verzonden. Beklaagde heeft klaagster niet geïnformeerd over het spoedverzoek omdat [minderjarige] beklaagde hiervoor geen toestemming gaf, de relatie tussen beklaagde en [minderjarige] kwetsbaar was en dat klaagster hierover -te doen gebruikelijk- door de rechtbank zou worden geïnformeerd.

3.3.3

Ook het College neemt de klachtonderdelen II en III gezien hun onderlinge relatie samen. Het College stelt vast dat beklaagde heeft nagelaten een machtiging uithuisplaatsing voor [instelling 2] aan te vragen, alsmede dat zij, toen zij nadien het spoedverzoek heeft ingediend, klaagster hier niet over heeft geïnformeerd. Het College overweegt dat op grond van de Jeugdwet in het kader van een ondertoezichtstelling een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is om de jeugdige uit huis te kunnen plaatsen. Het College stelt vast dat toen beklaagde erachter kwam dat zij verzuimd had een machtiging uithuisplaatsing te verzoeken, zij deze machtiging op 10 april 2017 alsnog met spoed heeft aangevraagd. Het College meent dan ook dat beklaagde deze omissie zo spoedig mogelijk naar vermogen heeft hersteld en dat deze omissie noch voor klaagster, noch voor [minderjarige] schadelijke gevolgen heeft gehad. Beklaagde heeft aldus weliswaar juridisch niet correct gehandeld, maar laten zien dat zij zich heeft ingespannen om haar verzuim te herstellen en aldus heeft gereflecteerd op haar handelen. Naar het oordeel van het College heeft zij hiermee dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Vast staat dat beklaagde klaagster niet heeft geïnformeerd over het door haar gedane spoedverzoek machtiging uithuisplaatsing. Het College had het zorgvuldiger gevonden als beklaagde klaagster over het spoedverzoek had geïnformeerd. Gezien de kwetsbare samenwerking die er was tussen beklaagde en klaagster had beklaagde hiermee het vertrouwen kunnen vergroten. De afweging die beklaagde heeft gemaakt, te weten haar kwetsbare relatie met [minderjarige] te willen beschermen, en het feit dat klaagster de stukken -zoals te doen gebruikelijk- via de rechtbank zou ontvangen, begrijpt het College ook. Omdat er hier in de ogen van het College voor beklaagde sprake was van een zogenaamd ‘conflict van plichten’ en beklaagde daarin een redelijke afweging heeft gemaakt, oordeelt zij dat hiermee de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker niet is geschonden.

3.3.4

Het College oordeelt dat beide klachtonderdelen ongegrond zijn.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1

Beklaagde heeft [minderjarige] toestemming gegeven om bij een gezin te verblijven, terwijl klaagster nadrukkelijk heeft aangegeven dit niet te willen. Beklaagde heeft hier een andere keuze gemaakt. Ter zitting heeft klaagster nog benadrukt dat het probleem was dat men ervan uit ging dat [minderjarige] bij haar vriendin verbleef maar dat zij feitelijk elders was, of door haar vriend werd opgehaald.

3.4.2

Beklaagde veronderstelt dat klaagster doelt op het gezin van de vriendin van [minderjarige]. [minderjarige] verbleef van 12 april 2017 tot 15 september 2017 bij [instelling 2]. Het beleid van [instelling 2] is er onder andere op gericht dat de jeugdige contact onderhoudt met haar netwerk. De onder 2.10 vermelde afspraken zijn gemaakt in overleg met [minderjarige], klaagster, de vader en beklaagde. Het netwerk bestond op dat moment uit de familie van [minderjarige] en de familie van haar vriend. Vanaf het begin van het verblijf bij [instelling 2] heeft klaagster aangegeven dat [minderjarige] moest kiezen tussen de relatie met haar vriend of haar eigen gezin. Zolang [minderjarige] niet zou kiezen voor haar eigen gezin, mocht zij niet naar huis. [minderjarige] wilde echter met beide gezinnen contact onderhouden. Zij heeft bij de begeleider van [instelling 2] aangegeven dat zij in het weekend dan graag naar haar vriendin toe wil. [instelling 2] heeft hierover contact opgenomen met beklaagde. Beklaagde heeft contact opgenomen met klaagster en aangegeven dat nu [minderjarige] in het weekend niet naar huis kon, zij graag naar haar vriendin wilde. Klaagster was het hier niet mee eens. Beklaagde heeft aandacht gegeven aan de wensen van klaagster en tevens uiteengezet waarom het [minderjarige] niet verboden kon worden eigen keuzes te maken. Ondanks dat klaagster er op tegen was dat [minderjarige] naar haar vriendin zou gaan, heeft beklaagde in overleg met haar team en de begeleiders van [instelling 2] een huisbezoek gebracht aan de vriendin. Dat verliep positief.
Nu [minderjarige] bijna meerderjarig is, maakt zij steeds meer haar eigen keuzes. Haar verbieden contact te hebben met mensen die zij zelf uitkiest, heeft naar de overtuiging van beklaagde tot gevolg dat de verwijdering tussen [minderjarige] en haar omgeving (familie en hulpverleners) alleen maar groter wordt. Dat is de reden dat beklaagde het goed heeft gevonden dat [minderjarige] bij haar vriendin verbleef. Beklaagde heeft klaagster hierover geïnformeerd en haar aangeboden om kennis te maken met de vriendin. Klaagster wenste daar echter geen gebruik van te maken.

3.4.3

Het College stelt vast dat [minderjarige] een aantal keren in de weekenden bij haar vriendin is geweest, terwijl op 18 april 2017 bij [instelling 2] met alle betrokkenen de afspraak is gemaakt dit niet toe te laten. Het College stelt ook vast dat klaagster, zoals zij ter zitting heeft verklaard, over meer zorgwekkende informatie beschikte over het gedrag van [minderjarige] dan op dat moment bekend was bij beklaagde en de andere hulpverleners. Voorts heeft het College begrepen dat beklaagde en [instelling 2] klaagster wel hebben geïnformeerd over het voornemen haar in de weekenden naar haar vriendin te laten gaan, dat beklaagde vooraf een positief huisbezoek heeft gebracht aan het gezin van de vriendin, dat zij klaagster heeft aangeboden om ook kennis te maken met de vriendin, dat zij veelvuldig contact had met [instelling 2] en met [minderjarige] zelf, en dat [minderjarige] niet naar huis kon.
Het College overweegt als volgt. Zij vindt het ongebruikelijk en onhandig van beklaagde om binnen korte tijd nadat de afspraak is gemaakt [minderjarige] niet bij haar vriendin te laten verblijven, anders te handelen. Dat neemt niet weg dat het de opdracht van een jeugdprofessional is om uiteindelijk haar eigen inschatting te maken van wat het meest in het belang van [minderjarige] is. Kennelijk had zij naar aanleiding van haar eigen bevindingen en, na een veiligheidscheck in het gezin van de vriendin van [minderjarige], onvoldoende gronden om [minderjarige] niet te laten gaan. Daarbij neemt het College in aanmerking dat het voor [minderjarige] in de weekenden niet mogelijk was naar huis te gaan. Het College neemt hierbij artikel 1:262 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking, dat voorschrijft dat de inspanningen van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling – als het ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten daartoe aanleiding geven- mede gericht zijn op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige.

Het College overweegt derhalve dat er voor beklaagde ook hier sprake is geweest van een conflict van plichten. Weliswaar had beklaagde in het kader van de ondertoezichtstelling op grond van artikel 1:262 lid 1 Burgerlijk Wetboek de plicht hulp en steun te bieden aan [minderjarige] en aan klaagster en de vader opdat de concrete bedreigingen die aanleiding waren voor de ondertoezichtstelling zouden worden weggenomen, maar anderzijds was [minderjarige] bijna 18 jaar en had beklaagde op grond van lid 2 van voornoemd artikel de taak haar te helpen haar zelfstandigheid te vergroten, wat ook één van de doelen was van de ondertoezichtstelling.
Het College is van oordeel dat beklaagde zich gezien de zeer complexe omstandigheden van dit geval voldoende heeft ingespannen om zowel klaagster en de vader, als [minderjarige] tegemoet te komen. Zij heeft in haar schriftelijke verweer, maar ook tijdens de mondelinge behandeling aangetoond dat zij zich heeft ingespannen om nauwe contacten te onderhouden met zowel [minderjarige] als ook met klaagster en de vader, en daarin waar mogelijk beiden tegemoet te komen. Binnen het tuchtrecht gaat het er niet om of het beter had gekund maar om beantwoording van de vraag of beklaagde bij haar beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Dat is hier naar het oordeel van het College het geval.

3.4.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdelen V & VII

3.5.1

De twee klachtonderdelen gaan erover dat beklaagde de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] niet heeft gewaarborgd. [minderjarige] geeft geen zicht op haar vrijetijdsbesteding, trekt haar eigen plan, gaat niet naar school, noch naar haar bijbaantje. [minderjarige] keert vaak niet terug naar haar groep en ondanks dit alles heeft beklaagde geen actie ondernomen, dan wel heeft zij geen consequenties verbonden aan het gedrag van [minderjarige]. Ter zitting heeft klaagster nog benadrukt overal zelf achteraan te moeten gaan. Daardoor heeft zij vastgesteld dat [minderjarige] niet naar haar baantje ging en niet naar school.

3.5.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat tijdens het verblijf van [minderjarige] op de behandelgroep van [instelling 2] de werkwijze van [instelling 2] en de daaruit voortvloeiende afspraken/plannen leidend zijn geweest. Hierover was overleg met klaagster, de vader en beklaagde. [instelling 2] onderhield de contacten met klaagster. [instelling 2] heeft beklaagde op de hoogte gehouden van het verloop van het verblijf van [minderjarige]. Beklaagde is van mening dat zij en [instelling 2] de risico’s met betrekking tot de veiligheid van [minderjarige] elke keer zorgvuldig met elkaar hebben besproken, waarna [instelling 2] zich ging beraden op het al dan niet stellen van consequenties. Op grond van de informatie van [instelling 2] werd binnen het team van beklaagde de afweging gemaakt of er sprake was van situaties waarin de veiligheid van [minderjarige] zodanig in het geding was dat overgegaan moest worden tot het doen van een verzoek om haar opnieuw gesloten te plaatsen. Dergelijke gronden waren niet aanwezig. Beklaagde heeft in voorkomende gevallen zelf via WhatsApp contact met [minderjarige] onderhouden, teneinde haar te overreden contact op te nemen met [instelling 2]. Hetzelfde geldt voor de periode dat [minderjarige] bij [instelling 1] verbleef. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde nog benadrukt dat [minderjarige] vaak zelf bepaalde waar zij heen ging. Ze was wel bij [instelling 2], doch niet zo vaak als wenselijk was. Maar ze kwam altijd weer terug. Beklaagde had hier veelvuldig overleg over met [instelling 2]. Er waren echter wel afspraken met [minderjarige] te maken. Haar mentor had ook contact met haar, en [instelling 2] legde sancties op zoals op de kamer blijven.

3.5.3

Gezien de samenhang zal het College de klachtonderdelen V en VII gezamenlijk beoordelen. Het College stelt vast dat er wel afspraken waren met [minderjarige], maar dat zij deze afspraken door haar zelfbepalende gedrag lang niet altijd na kwam. Die afspraken zagen toe op werken, school en het verblijf van [minderjarige] op de groep van [instelling 2]. Het College stelt ook vast dat [minderjarige] niet gesloten geplaatst was en sterk zelfbepalend gedrag vertoonde. Ten aanzien van school heeft beklaagde onweersproken verklaard dat [minderjarige] een speciaal programma volgde wat betekende dat zij niet altijd naar school hoefde. Het College is van oordeel dat noch uit de stukken, noch uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, gebleken is dat beklaagde zich in dit verband onvoldoende zou hebben ingespannen voor [minderjarige]. Beklaagde heeft, mede in aanmerking genomen de leeftijd van [minderjarige] en het doel haar richting zelfstandigheid te begeleiden, gedaan wat er van haar verwacht kon worden; zij onderhield regelmatig contact met [instelling 2] en met [minderjarige] zelf.

3.5.4

Zowel klachtonderdeel V als VII zijn ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel VI

3.6.1

Klaagster stelt dat [minderjarige] in de gesloten inrichting [instelling 1] [minderjarige] onderzocht zou worden, maar dat dit ten onrechte niet heeft plaatsgevonden.

3.6.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat [instelling 1] een IQ-onderzoek heeft gedaan en dat er in het kader van een persoonlijkheidsonderzoek een aantal vragenlijsten is afgenomen. De nadruk heeft gelegen op het bepalen van het IQ, onder andere in verband met het aanmelden bij een passende vervolgplek. [minderjarige] is dus wel degelijk onderzocht.

3.6.3

Het College constateert dat er in 2014 door [instelling 3] onderzoek is verricht naar [minderjarige]. Daar is haar IQ vastgesteld en voorts dat er sprake is van ODD. Het College stelt vast dat in de beschikking van de rechtbank van 30 maart 2017 staat dat de RvdK in haar verzoek heeft aangedrongen op observatie en diagnostiek, gevolgd door passende behandeling. In diezelfde beschikking staat opgenomen dat door de GI is aangevoerd dat [instelling 1] [minderjarige] structuur heeft gegeven en dat er een IQ-onderzoek heeft plaatsgevonden, maar dat waarschijnlijk vanwege de beperkte tijd er aan verdere diagnostiek niet is toegekomen.
Het College overweegt dat de periode van drie maanden dat [minderjarige] bij [instelling 1] verbleef relatief kort was om diagnostisch onderzoek naar [minderjarige] te verrichten. Diagnostisch onderzoek neemt doorgaans een langere periode in beslag. De gesloten jeugdhulp heeft bovendien een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het te verrichten onderzoek. Het is begrijpelijk dat [instelling 1] voorrang gaf aan het onderzoek naar het IQ van [minderjarige] met het oog op het vinden van een geschikte vervolgplek. Beklaagde kon in deze context weinig doen om het diagnostisch onderzoek te bespoedigen. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

3.6.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VIII

3.7.1

Beklaagde heeft zich niet gehouden aan de gestelde doelen voor [minderjarige]. Niet consequent zijn, is geen goede aanpak. Ter zitting heeft klaagster verduidelijkt dat dit klachtonderdeel toeziet op het toewerken bij [instelling 1] naar zelfstandigheid, zoals ook is opgenomen in het perspectiefplan.

3.7.2

Het is voor beklaagde niet duidelijk waar klaagster hier op doelt en derhalve kan zij zich hier niet tegen verweren. De bijlage waar klaagster naar verwijst is het perspectiefplan, opgesteld door [instelling 1].

3.7.3

Het College stelt vast dat uit de verslagen van [instelling 1] is gebleken dat zowel klaagster als beklaagde bij de besprekingen omtrent het perspectiefplan voor [minderjarige] aanwezig zijn geweest. Het College stelt voorts vast dat beklaagde ter zitting onweersproken heeft verklaard dat er bij [instelling 1] met alle betrokkenen één doel is gesteld, te weten het zoveel mogelijk toewerken naar zelfstandigheid van [minderjarige]. Het is het College voldoende gebleken dat dit doel wel is nagestreefd, maar dat het niet, dan wel onvoldoende is behaald. Beklaagde heeft dat ter zitting ook erkend en aangegeven dat spijtig te vinden. Het College komt tot de slotsom dat beklaagde daar waar het in haar macht lag zoveel mogelijk heeft gedaan om [minderjarige] bij te staan in haar weg naar zelfstandigheid. Het College is ook van oordeel dat dit doel moeilijk te bereiken was, gezien het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] en haar leeftijd.

3.7.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.8 Klachtonderdeel IX

3.8.1

Beklaagde neemt klaagster onvoldoende mee in het traject en ondermijnt haar gezag door [minderjarige], zonder klaagster in te lichten, toestemming te geven bij een vriendin te verblijven.

3.8.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat het traject voor [minderjarige], met als doel het toewerken naar zelfstandigheid, is vastgesteld in overleg met [minderjarige], klaagster en de vader, [instelling 1], [instelling 2] en beklaagde. [instelling 1] en [instelling 2] hebben de betrokkenen op de hoogte gehouden van het verloop. Klaagster was nagenoeg bij alle evaluaties en besprekingen aanwezig, en is dus wel degelijk meegenomen in het traject. Beklaagde heeft op geen enkele manier het gezag van klaagster willen ondermijnen. Beklaagde heeft slechts getracht duidelijk te maken dat het, gelet op de leeftijd van [minderjarige], niet meer mogelijk was haar te verbieden met mensen van haar eigen keuze om te gaan. Beklaagde verwijst hier ook naar haar verweer onder klachtonderdeel IV, en naar haar e-mail van 20 april 2017.
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van dit klachtonderdeel begrip getoond voor de moeilijke positie van klaagster.

3.8.3

Het College kan zich voorstellen dat het voor klaagster zwaar is geweest te moeten constateren dat beklaagde in bepaalde gevallen de stem van [minderjarige] zwaarder heeft laten wegen dan die van klaagster. Het College overweegt dat ook hier het conflict van plichten een rol heeft gespeeld, net zoals dat onder klachtonderdeel IV aan de orde is geweest. Ook hier is het College van oordeel dat het een moeilijke afweging is geweest maar dat beklaagde met de manier waarop zij gehandeld heeft niet buiten de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is getreden. Zo heeft zij steeds getracht [minderjarige] tot haar recht te laten komen, heeft zij klaagster zoveel als mogelijk betrokken, was beklaagde ook beperkt in haar mogelijkheden [minderjarige] een plek te bieden in de weekenden, omdat zij thuis niet welkom was en heeft beklaagde steeds moeten laveren tussen de verschillende belangen, waarbij het belang van [minderjarige] gezien haar leeftijd wettelijk zwaarder woog.

3.8.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.9 Klachtonderdeel X

3.9.1

Klaagster stelt dat beklaagde is meegegaan in het manipulerende gedrag van [minderjarige] met het gevolg dat zij klaagster heeft ondermijnd en een kloof heeft gecreëerd tussen haar en [minderjarige].

3.9.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij in overleg met [instelling 2] één keer niet naar een overleg is gegaan, omdat klaagster niet met haar om de tafel wilde. Daar beklaagde het belangrijk vond dat de relatie tussen [minderjarige] en haar familie zoveel mogelijk hersteld zou worden, heeft zij toen afgezien van deelname aan dat gesprek, zodat klaagster daar wel bij kon zijn. In de beginperiode van het verblijf van [minderjarige] bij [instelling 2] heeft beklaagde zoveel als mogelijk geprobeerd een opening te krijgen naar minimaal contact tussen [minderjarige] en haar familie. Bijvoorbeeld door regelmatig voor te stellen een kop thee met elkaar te drinken. Klaagster heeft dat steeds geweigerd. Klaagster was van mening dat er geen contactherstel kon zijn zolang [minderjarige] een relatie heeft met haar vriend en zij zich in zijn cultuur begeeft. Beklaagde is van mening dat dat (mede) oorzaak is van de kloof tussen [minderjarige] en haar familie. Zij heeft getracht deze kloof te dichten.

3.9.3

Het College stelt vast dat beklaagde wel degelijk heeft meegewerkt aan het bewerkstelligen van een band tussen [minderjarige] en haar gezin, dan wel het herstellen van het contact tussen beiden. Zij heeft regelmatig voorgesteld thee te drinken. Zij heeft tevens bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk was, omdat er sprake was van een langdurige ernstige gezinsproblematiek. Zij achtte ambulante gezinsbehandeling met het oog op het meerderjarig worden van [minderjarige] nodig om te werken aan het herstellen van de familierelaties. Het College stelt voorts vast dat beklaagde zich tijdens een overleg bewust heeft teruggetrokken, omdat klaagster op dat moment niet met haar aan tafel wilde en zij de sfeer niet wilde bederven. Ook hier had beklaagde net als bij de klachtonderdelen IV en IX te maken met het conflict van plichten. Zij diende te manoeuvreren tussen het belang van [minderjarige] en de belangen van klaagster en de vader, en heeft dat naar het oordeel van het College voldoende gedaan. Zij heeft gehandeld in lijn met lid 3 van eerdergenoemd artikel 1:262 van het Burgerlijk Wetboek, te weten: ‘De gecertificeerde instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige’.

3.9.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.10 Klachtonderdeel XI

3.10.1

Beklaagde heeft geen gehoor gegeven aan de zorgen van klaagster en behandelt haar daarin met onvoldoende respect.

3.10.2

Beklaagde dient primair het belang van [minderjarige]. Beklaagde realiseert zich dat zulks soms kan botsen met de belangen van ouders, zeker waar het een jeugdige betreft die bijna meerderjarig is. Dat betekent niet dat beklaagde geen oog heeft gehad voor de belangen van klaagster. Integendeel, maar het betekent wel dat zij klaagster niet altijd tegemoet kon komen. Beklaagde heeft de zorgen gehoord, maar niet weg kunnen nemen. Dat betekent niet dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is voor beklaagde niet duidelijk op grond waarvan klaagster van mening is dat beklaagde onvoldoende respect zou hebben getoond. Hiertegen kan zij zich dan ook niet verweren.

3.10.3

Het College stelt in navolging van de klachtonderdelen IV, IX en X vast dat beklaagde steeds heeft moeten laveren tussen de belangen van [minderjarige] en die van klaagster en de vader. De leeftijd van [minderjarige] ligt hieraan ten grondslag. Nu zij in die periode de leeftijd van 18 jaar naderde, diende beklaagde het belang van [minderjarige] zwaarder te laten wegen, dan dat van haar ouders. Dat is, zoals het College eerder heeft vermeld, wettelijk zo bepaald. Het klachtonderdeel is door klaagster verder niet met voorbeelden onderbouwd. Het College is dan ook onvoldoende gebleken dat beklaagde geen gehoor heeft gegeven aan de zorgen van klaagster, dan wel dat beklaagde haar met onvoldoende respect heeft behandeld.

3.10.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.11 Klachtonderdelen XII & XIII

3.11.1

Ondanks dat [minderjarige] meerdere malen de wet heeft overtreden, niet naar school ging, diefstal heeft gepleegd en een ambtenaar in functie heeft beledigd, is er door beklaagde niet opgetreden. [minderjarige] is tevens in aanraking gekomen met de politie wegens marktplaatsfraude, wat klaagster in mei 2017 heeft gemeld aan beklaagde. In augustus 2017 is dit nogmaals gebeurd en heeft klaagster aangifte gedaan. Beklaagde heeft hier niets mee gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster nog aangevoerd dat zij beklaagde op 22 mei 2017 hierover heeft benaderd.

3.11.2

Beklaagde heeft, nu de klachtonderdelen XII en XIII in elkaars verlengde liggen, deze samen genomen en voert het volgende aan. Beklaagde heeft [minderjarige] gestimuleerd haar school af te maken en complimenten gegeven dat zij erin slaagde haar opdrachten af te ronden. Begin 2017 vertelde [minderjarige] en klaagster dat zij alleen opdrachten hoefde te maken en geen lessen hoefde te volgen. De leerplichtambtenaar is erbij betrokken geweest omdat er een periode is geweest dat [minderjarige] langdurig afwezig was van school. Vervolgens zijn er afspraken gemaakt en heeft [minderjarige] haar diploma gehaald.
Beklaagde is niet op de hoogte van strafbare feiten anders dan een winkeldiefstal en belediging van een ambtenaar in functie. Beklaagde heeft [minderjarige] hierop aangesproken, doch het verbinden van consequenties hieraan overgelaten aan de politie. Op 15 september 2017 heeft beklaagde de politie gevraagd of [minderjarige] nog meer strafbare feiten heeft gepleegd. Klaagster had aangegeven dat dat het geval was, en dat zij aangifte zou hebben gedaan. Volgens de politie liepen er geen aangiftes tegen [minderjarige]. Tijdens de zitting heeft beklaagde nog gereageerd op de opmerking van klaagster dat [minderjarige] weg moest bij [instelling 2]. Zij was daarvan zeker op de hoogte en is toen meteen op zoek gegaan naar een plaats in de crisisopvang, waar zij ook na haar 18e verjaardag kon blijven. Beklaagde had toen niet de indruk dat klaagster daar veel eerder van op de hoogte was dan zij. Beklaagde is concluderend van mening dat zij bij al haar handelen het belang van [minderjarige] voorop heeft gesteld, en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

3.11.3

Gezien de samenhang zal het College de klachtonderdelen XII en XIII gezamenlijk beoordelen. De twee klachtonderdelen gaan erover dat [minderjarige] heeft gestolen, een ambtenaar in functie heeft beledigd en tot twee keer toe marktplaatsfraude heeft gepleegd. Het College overweegt dat beklaagde hier kennelijk de afweging heeft gemaakt om [minderjarige] wel aan te spreken op haar gedrag maar daar verder geen sancties aan te verbinden, omdat beklaagde was gebleken dat de politie hier kennelijk al mee bezig was. Het College kan zich vinden in deze afweging en is van oordeel dat beklaagde hiermee is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwaam beroepsbeoefenaar.
Ten aanzien van de marktplaatsfraude, waarvan klaagster stelt dat beklaagde daar wel van op de hoogte was, wat ontkend wordt door beklaagde, oordeelt het College dat niet is na te gaan, dan wel vast te stellen hoe dit zich werkelijk heeft voorgedaan. Het College is van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

3.11.4

Het klachtonderdeel is om die reden ongegrond.

3.12

Als slotwoord geeft klaagster de volgende verklaring. Zij heeft de klacht ingediend omdat ze wil aankaarten dat jeugdhulp niets meer kan betekenen als de jeugdige boven de 16 jaar is. Klaagster begrijpt wat beklaagde heeft gedaan wat mogelijk was in de korte tijd die voorhanden was. Maar klaagster en haar echtgenoot hebben geen antwoorden of handvatten gekregen ten aanzien van hun eigen hulpvraag; er is geen diagnostisch onderzoek gedaan. Stel dat het mis was gegaan met [minderjarige] voor haar 18e verjaardag? Wat had klaagster kunnen doen? Hulpverlening is zo belangrijk voor ouders. Hulpverleners kijken er allemaal anders naar. Als beklaagde mee was gegaan met alles wat klaagster en haar echtgenoot als ouders al wisten dan was het misschien anders gelopen.

3.13

Gemachtigde van beklaagde heeft als laatste woord aangegeven dat iedereen de situatie, waarin [minderjarige] zit, betreurt. Er wordt echter nu een beeld geschetst dat beklaagde alles op zijn beloop heeft gelaten, terwijl beklaagde steeds het belang van [minderjarige] heeft nagestreefd. Dit belang kan botsen met de belangen van klaagster.

3.14

Het College komt tot de slotsom dat het handelen van beklaagde geen schending van de voor haar geldende professionele standaard behelst. Er kan derhalve dan ook geen sprake zijn van het opleggen van een maatregel.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– Verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 14 maart 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel                                               mevrouw mr. E.C. Abbing
voorzitter                                                                                        secretaris