Een medewerkster van Veilig Thuis heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld omdat onder andere het verzoek tot onderzoek onvoldoende volgens de beroepsnormen is opgesteld en zij te laat heeft ingezien welke verantwoordelijkheden zij ten opzichte van de casus behoorde te dragen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw N.A. van Lingen, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als medewerker bij Veilig Thuis, locatie: [vestigingslocatie], hierna te noemen: Veilig Thuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. G.V. van Campen, werkzaam bij Forward Advocaten te ’s-Hertogenbosch.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. P.S. Ling, werkzaam bij Claassen Advocaten te Eindhoven.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 13 september 2017, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 27 oktober 2017, met de bijlagen;
– de aanvullingen op het klaagschrift ontvangen op 28 november 2017 en 11 december 2017;
– het aanvullende verweerschrift ontvangen op 22 december 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht [toehoorder], werkbegeleiding Veilig Thuis, aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen wat partijen ter zitting verklaard hebben, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige dochter: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2016. Klaagster en [vader], de vader van [minderjarige 1], zijn sinds mei 2017 uit elkaar. Klaagster en de vader oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] uit.

2.2

Tot het gezin van klaagster behoren eveneens de minderjarige kinderen: [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2007, en [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2009. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn geboren uit een eerder huwelijk van klaagster, met [vader minderjarige 2 en minderjarige 3]. Klaagster en [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit.

2.3

[minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 1] wonen bij klaagster.

2.4

Op 13 juni 2017 is er door het kinderdagverblijf van [minderjarige 1] een zorgmelding bij Veilig Thuis gedaan vanwege de geuite zorgen van klaagster over de vader van [minderjarige 1].

2.5

Op 12 juli 2017 heeft de [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] telefonisch contact opgenomen met Veilig Thuis en zijn zorgen geuit omtrent de situatie bij klaagster. Uit het contactjournaal van 12 juli 2017 blijkt dat de [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] in overleg met klaagster belt. Betreffende de zorgen van de [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] is het volgende in het contactjournaal opgenomen: “[Klaagster] geeft tijdens contacten met [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] soms zaken aan waardoor [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] zich zorgen maakt om haar, maar ook om de kinderen binnen het gezin. [Vader minderjarige 2 en minderjarige 3] geeft aan dat hij alles (zijn zorgen) op papier heeft staan en vraagt of hij dit mag mailen naar Veilig Thuis. Dit is akkoord.” Voorts wordt aangegeven dat zijn informatie wordt toegevoegd aan het bestaande dossier en meegenomen wordt tijdens het onderzoek. Op 12 juli 2017 heeft [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] zijn zorgen met betrekking tot de veiligheid van klaagster en haar kinderen naar Veilig Thuis gemaild. In de mail van [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] worden de volgende zorgen genoemd: “Ik heb gebeld nadat ik [klaagster] mijn ex-vrouw had gesproken omdat ze voor [aanstaand] weekend onderdak wou gaan zoeken omdat ze zich niet veilig voelt met haar kinderen in haar huis. Terwijl ze 15 juni de sleutel van haar nieuwe huis heeft gekregen dat een veilige basis zou moeten zijn voor haar, mijn dochters [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en hun halfzusje [minderjarige 1]. Dit wil ik ook graag zo houden.”

2.6

Op 18 juli 2017 wordt klaagster door een medewerker van Veilig Thuis op de hoogte gesteld dat Veilig Thuis een onderzoek is gestart naar aanleiding van de zorgmelding van het kinderdagverblijf en het opvolgende contact met [vader minderjarige 2 en minderjarige 3].

2.7

Op 19 juli 2017 gaan twee medewerkers van Veilig Thuis, niet zijnde beklaagde, op huisbezoek bij klaagster en haar kinderen.

2.8

Op 14 augustus 2017 wordt vanuit Veilig Thuis besloten om beklaagde aan het onderzoek toe te voegen.

2.9

Op 15 augustus 2017 doet de politie een zorgmelding bij Veilig Thuis naar aanleiding van het contact dat de politie met klaagster heeft gehad.

2.10

Op 17 en 21 augustus 2017 legt Veilig Thuis in de persoon van onder meer beklaagde eveneens huisbezoeken bij klaagster af.

2.11

Veilig Thuis constateert dat in het vrijwillig kader geen afspraken mogelijk zijn, met name met betrekking tot de omgang tussen de vader en [minderjarige 1], en besluit op 21 augustus 2017 in een multidisciplinair overleg, hierna te noemen: mdo, een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, in te dienen. Veilig Thuis acht het noodzakelijk dat via een gedwongen kader de mogelijkheden met betrekking tot voornoemde omgang worden onderzocht.

2.12

Op 28 augustus 2017 wordt klaagster schriftelijk uitgenodigd voor de beschermtafel en wordt haar het verzoek tot onderzoek toegezonden.

2.13

Op 31 augustus 2017 is de zaak bij de beschermtafel ingebracht, alwaar is besloten dat de RvdK een onderzoek zal starten. Op 1 september 2017 bericht Veilig Thuis aan klaagster onder meer de uitkomst van de beschermtafel en dat het dossier bij Veilig Thuis wordt gesloten.

2.14

Op 9 september 2017 heeft klaagster samen met haar zus een klachtbrief tegen drie medewerkster van Veilig Thuis, waaronder beklaagde, bij de klachtencommissie van Veilig Thuis ingediend. De klachtencommissie van Veilig Thuis heeft op 20 november 2017 uitspraak gedaan. Klacht één is ongegrond verklaard, klacht twee deels ongegrond, deels gegrond en deels heeft de klachtencommissie zich onthouden van een uitspraak met betrekking tot dit klachtonderdeel, en klacht drie is gegrond verklaard.

2.15

Beklaagde is geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ, sinds [datum] 2014.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster verwijt beklaagde, kort en zakelijk weergegeven, dat zij het gestarte onderzoek van Veilig Thuis onzorgvuldig en onvolledig heeft uitgevoerd. Beklaagde heeft tijdens dit onderzoek niet meervoudig partijdig gehandeld. Klaagster meent voorts dat beklaagde op grond van onjuistheden en veronderstellingen een subjectieve conclusie heeft getrokken en een stellig advies geformuleerd heeft.

3.1.4

Hierna worden de naar voren gekomen klachtonderdelen besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Beklaagde heeft geen open en objectief onderzoek uitgevoerd, zij heeft slechts haar vooringenomen standpunt willen bevestigen. Beklaagde heeft om deze reden suggestieve vragen gesteld en zij heeft naar conclusies toe geredeneerd. Toezeggingen die gedurende het onderzoek gedaan zijn, zijn door beklaagde niet nagekomen. Beklaagde heeft, door aldus te handelen, nagelaten de opdracht van Veilig Thuis uit te voeren. Beklaagde heeft immers geen aandacht gehad voor huiselijk geweld / kindermishandeling.
De gemachtigde van klaagster heeft ter zitting nader onderbouwd dat beklaagde het onderzoek gebaseerd heeft op de scheidingsproblematiek van de ouders en het gegeven dat geen omgang tussen [minderjarige 1] en haar vader plaatsvond. Beklaagde is, door het onderzoek op die gronden in te steken, voorbij gegaan aan de eerste melding van het kinderdagverblijf waarin de volgende zorgen benoemd werden: middelengebruik en psychiatrische problematiek van de vader van [minderjarige 1]. Beklaagde heeft, door het onderzoek op de omgang te richten, nagelaten in het verzoek tot onderzoek, conform artikel 8.3.1 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis, te vermelden of er sprake is van enigerlei vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling. Beklaagde heeft voorts tijdens het onderzoek meerdere richtlijnen en artikelen uit het Handelingsprotocol Veilig Thuis niet gevolgd. Klaagster meent dat de richtlijnen “Scheiding en problemen van jeugdigen” en “Kinderen van Ouders met Psychische Problemen (KOPP)” niet gevolgd zijn. Voorts is nagelaten een vertrouwensarts bij de casus te betrekken, hetgeen conform artikel 6.3.3 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis een vereiste is wanneer in de melding (een vermoeden van) psychiatrische problematiek bij betrokkenen of een vermoeden van verslavingsproblematiek aangehaald wordt. Voorts is nagelaten conform artikel 8.4.5 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis voldoende gegevens afkomstig uit het professionele netwerk op te vragen noch is conform artikel 8.4.6 het informele netwerk betrokken.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist dat van bovenstaande sprake is geweest. Zij heeft tijdens haar werkzaamheden – binnen de grenzen van haar taak en bevoegdheden – de zorg van een goede hulpverlener in acht genomen en daarbij gehandeld in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid. Beklaagde meent dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Beklaagde heeft ter aanvulling de reactie van de directeur van Veilig Thuis op de uitspraak van de klachtencommissie van Veilig Thuis overgelegd, waarin de reactie op klacht drie luidt: “De onderzoeksgegevens zijn in meerdere [mdo’s] besproken en geanalyseerd, conform richtlijnen van het [Handelingsprotocol Veilig Thuis].”
Op basis van de verkregen informatie is een inschatting gemaakt van de veiligheid van alle betrokkenen. Op het moment dat beklaagde bij de zaak betrokken raakte, bleek dat er geen sprake was van direct gevaar omdat klaagster en de vader van [minderjarige 1] uit elkaar waren en de omgang tussen [minderjarige 1] en de vader uitsluitend onder toezicht van klaagster plaatsvond.
Ter zitting heeft beklaagde aangevuld dat zij, ter ondersteuning van haar collega, betrokken werd bij het onderzoek. Beklaagde heeft aangegeven dat zij in haar ogen slechts “vanaf de zijlijn” betrokken is geweest. Alhoewel beklaagde tijdens de twee huisbezoeken van 17 en 21 augustus 2017 de gesprekken met klaagster heeft gevoerd, is haar collega verantwoordelijk geweest voor het uitvoeren van het onderzoek. Niettemin heeft beklaagde ter zitting erkend dat zij evengoed verantwoordelijk gehouden kan worden voor het onderzoek, omdat onder het verzoek tot onderzoek ook haar handtekening staat. Beklaagde heeft echter ten tijde van het onderzoek onvoldoende ervaren dat zij voor het onderzoek (mede) verantwoordelijk was.

3.2.3

Het College wijst er allereerst op dat het handelen van de professional dient te voldoen aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen. Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de professionele standaard; de Beroepscode en de richtlijnen voor de jeugdprofessional. Om deze reden toetst het College in ieder geval aan de geldende Beroepscode en de richtlijnen. Betreffende het namens klaagster aangehaalde Handelingsprotocol van Veilig Thuis overweegt het College het volgende. In de inleiding van het Handelingsprotocol Veilig Thuis wordt het gebruik van het protocol als volgt omschreven: “Dit model geeft duidelijke kaders mee aan zowel professionals van het AMHK en daarbuiten, als aan de gezinnen en huishoudens die met het AMHK te maken krijgen. (…) Werken met dit model Handelingsprotocol heeft voor de gezinnen en huishoudens die met het AMHK te maken krijgen het voordeel dat alle professionals eenzelfde mate van zorgvuldigheid betrachten. Daarmee wordt bereikt dat de wijze waarop ze door professionals van het AMHK worden benaderd, de informatie die ze krijgen, de manier waarop ze op hun rechten worden gewezen, steeds met dezelfde kwaliteit gebeurt. Aan gezinnen en huishoudens die met het AMHK te maken krijgen geeft het protocol dus inzicht in wat ze van het AMHK kunnen verwachten, hoe ze worden geïnformeerd en wat hun rechten zijn.” Het College is van oordeel dat aldus in het Handelingsprotocol omschreven wordt wat in beginsel verwacht mag worden van een professional werkzaam bij Veilig Thuis. Om deze reden zal het College het Handelingsprotocol marginaal in de beoordeling van de klachtonderdelen meewegen.

3.2.4

Het College stelt vast dat beklaagde vanaf 14 augustus 2017 aan het onderzoek toegevoegd is, hetgeen blijkt uit het verslag van het mdo van die datum. Het College kan beklaagde niet volgen in haar redenering dat zij tijdens het onderzoek in de veronderstelling zou zijn geweest dat zij slechts “vanaf de zijlijn” bij het onderzoek betrokken was, onder meer omdat blijkens het verslag van het mdo van 14 augustus 2017 het volgende, in aanwezigheid van beklaagde, besloten is: “Omdat deze casus snel complexer aan het worden is, heeft [Veilig Thuis] besloten [beklaagde] aan het onderzoek toe te voegen. Reden hiervan is dat [de vader van [minderjarige 1] en [klaagster] geen normale omgangsregeling kunnen hanteren (…). (…) Er is besloten om met [de vader van [minderjarige 1]] en [klaagster] beiden opnieuw in gesprek te gaan. [Klaagster] voor te leggen om begeleide omgang met [minderjarige 1] en [de vader van [minderjarige 1]] te hebben.” Het College overweegt dat beklaagde dan ook vanaf 14 augustus 2017 (mede) verantwoordelijk gehouden kan worden voor de uitvoering van het onderzoek. Het College zal bij de beoordeling van de klachtonderdelen hier dan ook vanuit gaan. Het College heeft in dit oordeel meegenomen dat beklaagde het verzoek tot onderzoek mede ondertekend heeft. Deze ondertekening kan naar het oordeel van het College geen ander gevolg hebben gehad dan dat beklaagde zich bewust had moeten zijn van de op haar rustende verantwoordelijkheid ten aanzien van de uitvoering van het onderzoek.

3.2.5

Betreffende het klachtonderdeel dat beklaagde heeft nagelaten de “opdracht” van het onderzoek van Veilig Thuis uit te voeren overweegt het College het volgende. Beklaagde is bij de casus betrokken geraakt toen het onderzoek van Veilig Thuis reeds lopende was. Tijdens de fase van onderzoek overweegt het College dat onder meer de bepalingen uit hoofdstuk acht (“Onderzoeken”) van het Handelingsprotocol Veilig Thuis van toepassing zijn geweest. Gelet op de geciteerde passage uit het mdo van 14 augustus 2017, zoals onder punt 3.2.4 van deze beslissing weergegeven, was het onderzoek bij aanvang van de betrokkenheid van beklaagde – anders dan bij aanvang van het onderzoek in juni 2017 – gericht op het herstellen van de omgang tussen [minderjarige 1] en haar vader. De (primaire) opdracht voor beklaagde die aldus uit het mdo voortvloeide was het onderzoeken van de mogelijkheden tot omgang en – naar het College begrijpt – de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 1]. In het verslag van het mdo van 17 augustus 2017 staat voorts vermeld: “Duidelijk is dat de zaak aan het escaleren is en er snel actie ondernomen moet worden. Er zijn vooral zorgen m.b.t. [klaagster], vooral of zij goed voor haar kinderen kan zorgen en zich staande kan houden. Afspraken zijn dat een [verzoek tot onderzoek] gestart wordt, (…). Er gaat ingezet worden op begeleide omgang gaat komen. Voor tijdelijke oplossing komt er contact met [organisatie voor welzijn] zodat er toch omgang kan zijn voor [de vader van [minderjarige 1]] met zijn dochter.” Het College begrijpt hieruit dat naar aanleiding van de voorlopige bevindingen in het kader van het onderzoek de focus die aanvankelijk gericht was op de zorgmelding van het kinderdagverblijf, ten aanzien waarvan toen reeds werd vastgesteld dat het slechts om signalen van klaagster ging, gaandeweg is verschoven naar de gevolgen van het ontbreken van omgang tussen [minderjarige 1] en haar vader en de mogelijkheden deze te herstellen. Het College volgt de gemachtigde van klaagster dat het onderzoek zich dus in deze fase niet meer (primair) richtte op de problematiek zoals werd benoemd in de zorgmelding van het kinderdagverblijf. Het College acht echter onvoldoende aannemelijk geworden dat een dergelijke dynamische wijze van onderzoek mede gelet op de artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), K (Vermoeden kindermishandeling) en S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker niet zorgvuldig zou zijn. Veilig Thuis is gezien zijn wettelijke taken immers gehouden om naar aanleiding van een melding de vraag te beoordelen of er sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, welke (onderliggende) problemen er zijn die (ook) moeten worden opgelost om tot een duurzame veiligheid en herstel te komen, en welke ondersteuning, hulp, behandeling of maatregelen nodig zijn voor alle betrokkenen om te komen tot duurzame veiligheid en tot herstel van de gevolgen van huiselijk geweld of de kindermishandeling voor betrokkenen. Hierin heeft Veilig Thuis zijn eigen professionele verantwoordelijkheid, los van de intentie van de melder dan wel de andere betrokkenen. Zulks geldt evenzeer voor beklaagde.
Het College overweegt voorts dat, daar waar Veilig Thuis een onderzoek naar een vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling doet, er op grond van artikel 8.4.8 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis slechts drie conclusies mogelijk zijn, welke naar het College begrijpt in een dergelijke rapportage dienen te worden vastgelegd. Deze drie conclusies zijn: het vermoeden is weerlegd, het vermoeden is niet bevestigd of het vermoeden is bevestigd. Voorts dient op grond van artikel 8.3.1 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis tijdens het onderzoek tenminste de onderzoeksvraag, of sprake is van enigerlei vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling, beantwoord te worden. Op grond van de stukken stelt het College vast dat een dergelijke rapportage, met beantwoording van deze vraag, in deze casus naar alle waarschijnlijkheid niet opgesteld is. Het College komt tot deze conclusie omdat ten eerste blijkens de geciteerde passage uit het mdo van 17 augustus 2017 besloten is dat een verzoek tot onderzoek gestart zou worden. Ten tweede verwijst het College naar de uitspraak van de klachtencommissie van Veilig Thuis, en wel naar de “Toelichting/Reactie VTNO” onder klacht drie, tweede pagina bovenaan, waarin het volgende is opgenomen: “De gedragswetenschapper vult aan dat als het doorgaat naar de beschermtafel, het verzoek tot raadsonderzoek eigenlijk het verslag van het onderzoek van [Veilig Thuis] is.” Ten derde omdat partijen een dergelijke rapportage noch in de stukken noch op de mondelinge behandeling hebben overgelegd dan wel aan gerefereerd hebben.
Gelet op het reeds overwegende betreffende de dynamische wijze van onderzoek doen, zulks het College zorgvuldig acht, volgt het College het standpunt van klaagster niet dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden betreffende het niet uitvoeren van de “opdracht” van Veilig Thuis. Het College neemt hierbij tevens in aanmerking dat blijkens de inleiding van het Handelingsprotocol Veilig Thuis mag worden afgeweken van het protocol, wanneer dit gerechtvaardigd kan worden. Voorts neemt het College in aanmerking dat multidisciplinair besloten is dat een verzoek tot onderzoek gestart zou worden, hetgeen volgens het citaat uit de klachtencommissie van Veilig Thuis met zich heeft gebracht dat slechts het verzoek tot onderzoek vastgesteld is en niet de rapportage op grond van het Handelingsprotocol Veilig Thuis. Mede gelet op dit besluit, genomen in multidisciplinair verband, acht het College voldoende gerechtvaardigd waarom in deze casus gaandeweg het onderzoek de opdracht van beklaagde gewijzigd is in het onderzoeken van de mogelijkheden tot omgang en – naar het College begrijpt – de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 1].

3.2.6

Het College dient voor het overige van het klachtonderdeel te beoordelen of beklaagde geen open en objectief onderzoek uitgevoerd heeft, waarin zij toezeggingen niet is nagekomen, en of beklaagde al dan niet de voornoemde richtlijnen en de artikelen uit het Handelingsprotocol Veilig Thuis gevolgd heeft. Vastgesteld kan worden dat beklaagde voor het onderzoek verantwoordelijk is geweest in een korte periode, en wel van 14 augustus 2017 tot en met de datum van afronding van het onderzoek, te weten 28 augustus 2017. Het is het College niet gebleken dat beklaagde in deze periode nagelaten zou hebben een open en objectief onderzoek uit te voeren. Beklaagde heeft tijdens de huisbezoeken van 17 en 21 augustus 2017 immers gepoogd de mogelijkheden tot omgang in het vrijwillige kader te onderzoeken. Tijdens deze huisbezoeken bleek dat klaagster voorwaarden stelde aan de omgang tussen [minderjarige 1] en haar vader. Beklaagde heeft – in de beperkte periode – navraag gedaan in hoeverre de voorwaarden uitvoerbaar waren. Nadat bleek dat de voorwaarden onvoldoende uitvoerbaar waren, heeft beklaagde na het mdo van 21 augustus 2017, en mede in overleg met klaagster, een verzoek tot onderzoek ingediend bij de RvdK. Klaagster heeft mondeling, maar ook schriftelijk, kenbaar gemaakt achter een raadsonderzoek te kunnen staan.
Klaagster heeft niet nader onderbouwd welke specifieke toezeggingen van beklaagde tijdens het onderzoek niet door haar zouden zijn nagekomen.
Betreffende de genoemde richtlijnen, in dit geval “Scheiding en problemen van jeugdigen” en “Kinderen van Ouders met Psychische Problemen (KOPP)”, is het College van oordeel dat richtlijnen niet expliciet in rapportages benoemd hoeven te worden maar dat ervan uit mag worden gegaan dat richtlijnen – en de werkwijzen die hierin beschreven worden – onderdeel zijn van de expertise van de professional. In deze casus stuitte beklaagde daags na betrokkenheid reeds op de situatie waarin klaagster niet uitvoerbare voorwaarden aan de omgang koppelde en tevens achter een verzoek tot onderzoek stond. In deze context, en met het oog op de opdracht van beklaagde, is het College van oordeel dat beklaagde juist gehandeld heeft door het verzoek tot onderzoek bij de RvdK in te dienen.
Het namens klaagster aangehaalde artikel 6.3.3 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis ziet op de fase van triage, die voorafgaand aan het onderzoek plaatsvindt, en waarin beklaagde aldus nog niet betrokken is geweest. Tot slot oordeelt het College dat in de aangehaalde artikelen 8.4.5 en 8.4.6 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis geen verplichtingen omschreven staan, hetgeen met zich brengt dat beklaagde bij het niet uitvoeren hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.

3.2.7

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
De verslaglegging van beklaagde is onzorgvuldig, subjectief en deels onjuist geweest. Beklaagde heeft voorts nagelaten om de bronvermelding in het verzoek tot onderzoek op te nemen. Op basis van deze onjuistheden en de veronderstellingen van beklaagde is zij direct overgegaan tot acties en advies, zonder enige vorm van toetsing.
De gemachtigde van klaagster heeft ter zitting aangevuld dat beklaagde nagelaten heeft conform artikel 6.3.5 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis de meningen en feiten in het verzoek tot onderzoek van elkaar te scheiden.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde meent dat zij zorgvuldig te werk is gegaan, waarbij het belang van [minderjarige 1] voorop heeft gestaan. Vanaf de betrokkenheid van beklaagde (en reeds daarvoor) hebben er voorts verschillende mdo’s plaatsgevonden. De zaak is dan ook op verschillende momenten, met meerdere medewerkers van verschillende disciplines van Veilig Thuis, besproken. Vanuit de mdo’s is het beleid steeds bepaald. Beklaagde heeft dan ook haar beroepsmatig handelen aan het professioneel en beroepsethisch oordeel van haar collega’s getoetst.
Ter zitting heeft beklaagde aangevuld dat haar collega het verzoek tot onderzoek geschreven heeft. Alhoewel beklaagde bepaalde stellingen en onderdelen van het verzoek tot onderzoek zelf anders zou hebben geformuleerd, heeft zij zich kunnen vinden in de kern en de uitkomst van het verzoek tot onderzoek.

3.3.3

Het College overweegt ten eerste dat beklaagde (mede) verantwoordelijk gehouden kan worden voor de wijze van verslaglegging van het verzoek tot onderzoek, dit gelet op de handtekening van beklaagde onder voornoemd verzoek. Dat voornoemd verzoek niet door beklaagde, maar door haar collega geschreven is, doet aan de verantwoordelijkheid van beklaagde niet af. Het College is van oordeel dat wanneer een professional een handtekening onder een document plaatst, van de betreffende professional verwacht mag worden dat het document voldoende gecontroleerd is en eventueel van correcties is voorzien.

3.3.4

Ten tweede overweegt het College dat de formuleringen in het verzoek tot onderzoek op sommige punten onzorgvuldig gekozen zijn, waarbij het tevens niet duidelijk is of het gestelde een feit of een mening is. Zo begint op pagina drie de tekst onder de kop “Veiligheid” als volgt: “Er is sprake van verwaarlozing door een complexe beëindiging van de relatie.” Deze conclusie acht het College niet navolgbaar en stellig omschreven, in die zin dat uit deze formulering onvoldoende naar voren komt wie tot deze conclusie, en op grond van welke gegevens, gekomen is. Voorts wordt op pagina drie als “redenen voor het verzoek tot Raadsonderzoek” het volgende gesteld: “[Klaagster] geeft geen toestemming meer aan [de vader van [minderjarige 1]] om omgang te hebben met [minderjarige 1].” Naar het oordeel van het College had deze formulering genuanceerder geformuleerd moeten worden, nu duidelijk uit de gesprekken met klaagster naar voren is gekomen dat zij, onder de door haar gestelde voorwaarden, zou kunnen instemmen met omgang tussen [minderjarige 1] en de vader. Dit in overweging nemende sluit het College zich aan bij het oordeel van de klachtencommissie van Veilig Thuis, die met betrekking tot de formuleringen in het verzoek tot onderzoek het volgende heeft geoordeeld: “De commissie heeft het dossier en binnen het dossier het verzoek tot raadsonderzoek nauwkeurig doorgenomen en concludeert dat in het verzoek tot raadsonderzoek feiten, meningen en oordelen door elkaar staan en dat het vaak niet controleerbaar is waar een bepaalde mening of een bepaald oordeel op gebaseerd is.”
Het namens klaagster aangehaalde artikel 6.3.5 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis, betreffende feiten scheiden van meningen, ziet echter op de fase van triage, die voorafgaat aan de fase van onderzoek. Het College begrijpt echter dat artikel 8.4.8 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis nagenoeg hetzelfde voorschrijft voor de fase van onderzoek, namelijk dat feiten gescheiden dienen te worden van meningen, oordelen en hypothesen. Het College oordeelt aldus dat in het verzoek tot onderzoek onvoldoende gehandeld is conform artikel 8.4.8 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis. Beklaagde heeft voorts naar het oordeel van het College met de gekozen formuleringen in het verzoek tot onderzoek in strijd gehandeld met artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het verzoek tot onderzoek voldoet onvoldoende aan de normen, zoals geformuleerd in de beroepsstandaard. Gelet op het gestelde dat het rapport door de collega van beklaagde geschreven is, is het College voorts van oordeel dat beklaagde – door na te laten de onzorgvuldige formuleringen in het rapport met haar collega te bespreken – in strijd gehandeld heeft met artikel T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.3.5

Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Beklaagde heeft de mogelijkheden in het vrijwillige kader nauwelijks onderzocht en aldus geen uitvoering gegeven aan de eigen missie van Veilig Thuis, te weten: samenwerken aan een veilige toekomst. Beklaagde heeft met dit handelen afstand tussen de ouders gecreëerd.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist dat zij de mogelijkheden in het vrijwillige kader nauwelijks onderzocht heeft. Beklaagde heeft tijdens het huisbezoek van 17 augustus 2017 onderzocht of in het vrijwillige kader nog mogelijkheden waren om tot omgang tussen de vader en [minderjarige 1] te komen. Klaagster bleef echter standvastig in haar opvatting dat vader niet te vertrouwen zou zijn. Klaagster gaf voorts aan bang te zijn en zich onveilig te voelen voor de vader en zijn familie. Beklaagde heeft klaagster tijdens dit huisbezoek uitgelegd dat de zaak ingebracht zou worden bij de beschermtafel van de RvdK. Klaagster stond achter dit besluit. Beklaagde heeft klaagster gevraagd of zij, ter overbrugging tot de uitkomsten van het mogelijke raadsonderzoek, kon instemmen met tijdelijke begeleide omgang vanuit [organisatie voor welzijn]. Klaagster kon hiermee echter slechts instemmen wanneer zou worden voldaan aan de door haar bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden bleken echter niet uitvoerbaar, hetgeen beklaagde vrijwel direct aan klaagster heeft aangegeven. Omdat klaagster vast bleef houden aan de door haar bepaalde voorwaarden, was er voor beklaagde geen ruimte meer om de mogelijkheden in het vrijwillige kader te onderzoeken.

3.4.3

Het College heeft reeds onder 3.2.6 van deze beslissing overwogen dat beklaagde tijdens de huisbezoeken van 17 en 21 augustus 2017 gepoogd heeft de mogelijkheden tot omgang in het vrijwillige kader te onderzoeken. Tijdens deze huisbezoeken bleek echter dat klaagster voorwaarden stelde aan de omgang tussen [minderjarige 1] en haar vader. Op grond hiervan is tijdens het mdo van 21 augustus 2017 door Veilig Thuis besloten een verzoek tot onderzoek bij de RvdK in te dienen. Uit het contactjournaal van 22 augustus 2017 blijkt voorts dat beklaagde contact opgenomen had met de RvdK. Het College begrijpt uit voornoemd contactjournaal dat de RvdK aan beklaagde geadviseerd had de casus in te brengen bij de beschermtafel, en dat beklaagde dit advies heeft overgenomen. Voorts neemt het College mede in overweging dat klaagster tijdens de huisbezoeken, alsook schriftelijk, kenbaar gemaakt had achter een raadsonderzoek te kunnen staan. Beklaagde heeft aldus naar het oordeel van het College – in de beperkte periode van ongeveer twee weken – zich voldoende ingespannen om de mogelijkheden in het vrijwillige kader te onderzoeken en juist gehandeld door het in het mdo genomen besluit uit te voeren en het advies van de RvdK te volgen.

3.4.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Beklaagde heeft de zorgmelding van de vader van de oudste twee dochters niet gebruikt. Zijn informatie, alsook de informatie gegeven door de oudste dochter, is voorts niet verwerkt, terwijl wel met hen is gesproken. Ook is informatie van de zus van klaagster niet gebruikt, terwijl dat wel is toegezegd.

3.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De zorgen die [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] heeft geuit, zijn meegenomen in het plan van aanpak. Gelet op de hoeveelheid aan informatie is de verkregen informatie van door moeder genoemde informanten niet expliciet apart benoemd in het verzoek tot onderzoek. Beklaagde betwist dat zij toegezegd zou hebben dat zij de zus van klaagster ook als informant zou benaderen.

3.5.3

Het College stelt vast dat blijkens het contactjournaal van 12 juli 2017 met de vader van de oudste twee dochters gecommuniceerd is dat zijn informatie aan het reeds bestaande dossier zou worden toegevoegd, waarmee de vader akkoord is gegaan. Het College leidt hieruit af dat de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] instemde om geen nieuwe zorgmelding te registreren. Het College is aldus van oordeel dat van een zorgmelding van de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dan ook niet gebleken is. Voorts stelt het College vast dat op pagina 7 van het verzoek tot onderzoek onder de kop “netwerk” het volgende is opgenomen betreffende de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de zus van klaagster: “Zowel de zus van [klaagster] als [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] steunen haar visie [met betrekking tot] haar ex-partner.” Het College volgt klaagster dan ook niet in de stelling dat de informatie van [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] dan wel van haar zus niet meegenomen is in het verzoek tot onderzoek.
Inzake de informatie gegeven door de oudste dochter, overweegt het College als volgt. In beginsel dient in een rapportage van Veilig Thuis (in deze casus: het verzoek tot onderzoek) alle relevante informatie opgenomen te worden. Een professional is bevoegd, tot op zekere hoogte, hierin een eigen afweging te maken. Het College kan begrijpen dat de informatie van de oudste dochter niet is meegenomen in het verzoek tot onderzoek om zodoende haar uit de problematiek en de strijd tussen klaagster en haar ex-partner te houden.

3.5.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Beklaagde heeft klaagster het recht ontzegd om iemand mee te nemen naar de beschermtafel.

3.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Alhoewel klaagster spreekt van een recht, zijn er geen richtlijnen over het al dan niet mogen meenemen van een (vertrouwens)persoon naar een beschermtafel. De gebruiken verschillen per locatie. In [plaats] is het beleid dat wanneer sprake is van een (vecht)scheiding dat, op de vader en moeder na, geen andere personen bij het overleg aanwezig mogen zijn.

3.6.3

Het College acht aannemelijk geworden dat over het meebrengen van iemand (ter ondersteuning) naar de beschermtafel geen richtlijnen dan wel regels bestaan. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College juist gehandeld door de bij haar bekende gebruiken hierin te volgen, en aldus richting klaagster kenbaar te maken dat geen andere personen dan klaagster en haar ex-partner bij de beschermtafel aanwezig mochten zijn. Het College is van oordeel dat beklaagde met dit handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Te meer nu de inbrenger van een zaak, in dit geval beklaagde en haar collega, niet verantwoordelijk zijn voor het al dan niet toestaan van ondersteunende personen tijdens een beschermtafel. De organisator van de beschermtafel is hier verantwoordelijk voor.

3.6.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Beklaagde heeft tijdens de beschermtafel van [minderjarige 1] ook de andere twee dochters van klaagster willen inbrengen, terwijl de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] daarvan niet op de hoogte was.

3.7.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft tijdens de beschermtafel slechts nagevraagd of nog een ander overleg ingepland moest worden in verband met de twee oudste dochters van klaagster. De RvdK achtte dit niet nodig en heeft geadviseerd de namen van de oudste twee dochters uit het verzoek tot onderzoek te verwijderen, met als motivatie dat de RvdK ambtshalve bevoegd is om hen, wanneer noodzakelijk, mee te nemen in het raadsonderzoek. Tijdens de beschermtafel is niet inhoudelijk gesproken over de oudste twee dochters.

3.7.3

Het College overweegt dat niet alleen [minderjarige 1] maar ook de andere twee kinderen van klaagster in het verzoek tot onderzoek benoemd worden. Allereerst worden alle drie de kinderen onder “1.2 Gegevens van het kind” genoemd. Ten tweede luidt de eerste zin onder “2. Redenen voor het verzoek tot Raadsonderzoek” als volgt: “Als gevolg van het beëindigen van de relatie en zorgen omtrent het handelen van [klaagster] en [de vader van [minderjarige 1]], worden de ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] & [minderjarige 3] bedreigd.” Ook op andere plekken in het verzoek tot onderzoek worden [minderjarige 2] en [minderjarige 3] benoemd. Het verzoek tot onderzoek wordt afgesloten onder “5. Urgentie” met de stelling: “Gezien de veronderstelde overbelasting van mevrouw zijn er ook zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]”. Het College oordeelt op grond van het vorengaande dat uit het verzoek tot onderzoek onvoldoende blijkt dat Veilig Thuis bij de beschermtafel slechts [minderjarige 1] heeft willen inbrengen. Nu tevens de (bedreigde) ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] expliciet, op meerdere plekken, in het verzoek tot onderzoek genoemd worden, is het College van oordeel dat conform artikel 7.3.7 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geïnformeerd c.q. uitgenodigd had moeten worden voor de beschermtafel. Door dit na te laten, is het College van oordeel dat beklaagde onzorgvuldig en in strijd gehandeld heeft met artikel J (vertrouwelijkheid) en artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.7.4

Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Beklaagde wist niet hoe zij zorgen over drie kinderen, van twee verschillende vaders, in een onderzoek moest verwerken.

3.8.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist dat zij niet wist hoe ze om moest gaan met de zorgen van [vader minderjarige 2 en minderjarige 3] betreffende alle drie de kinderen. Beklaagde heeft slechts aangegeven dat zij aan de RvdK zou navragen of zij het verzoek tot onderzoek slechts op [minderjarige 1] moest richten dan wel op alle drie de kinderen. Tijdens de beschermtafel is vanuit de RvdK besloten het verzoek tot onderzoek slechts op [minderjarige 1] te richten. Het verzoek tot onderzoek is daar vervolgens op aangepast.

3.8.3

Alhoewel klaagster stelt dat beklaagde onvoldoende wist over hoe zij de zorgen betreffende alle drie de kinderen in het onderzoek moest verwerken, is dit het College niet gebleken. Te meer omdat gebleken is dat in het verzoek tot onderzoek betreffende alle drie de kinderen zorgen zijn benoemd. Het College heeft in dit oordeel meegenomen dat voor Veilig Thuis voorts voldoende informatie betreffende de zorgen voorhanden was om het verzoek tot onderzoek bij de beschermtafel in te brengen.

3.8.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Beklaagde heeft de volgende uitspraak op klaagster geprojecteerd: “kinderen betrekken bij volwassenenproblematiek door ze te laten schrijven”, terwijl de collega van beklaagde aan [minderjarige 2] geadviseerd heeft haar verhaal op te schrijven.

3.9.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
In het verzoek tot onderzoek, dat door een collega van beklaagde is opgesteld, staat op pagina drie van het verzoek tot onderzoek omschreven dat er zorgen bestaan dat moeder de kinderen belast met volwasseneproblematiek. Deze zorgen van Veilig Thuis bestonden reeds voor de betrokkenheid van beklaagde. Beklaagde meent niet dat van haar verlangd kan worden dat zij reeds voorliggende informatie nogmaals onderzoekt. Beklaagde meent voorts dat zij mag afgaan op informatie die reeds voorhanden was.
Ter zitting heeft beklaagde in aanvulling hierop erkend dat in het rapport een verkeerde uitleg is gegeven aan waarom klaagster haar kinderen zou belasten met volwasseneproblematiek. Er is immers niet gebleken dat klaagster haar kinderen aanzet tot het laten opschrijven van “hun verhaal”. Beklaagde heeft echter ter zitting uitgelegd dat zij van mening is dat klaagster de kinderen op een andere wijze met volwasseneproblematiek belast omdat kinderen, wanneer sprake is van een scheiding, last ondervinden van de situatie onder meer in de vorm van stress en emoties. Beklaagde heeft om die reden gemeend dat klaagster haar kinderen belast met volwasseneproblematiek.

3.9.3

Het College overweegt dat uit het onderzoek en de verslagen van de huisbezoeken op geen enkele wijze gebleken is dat klaagster haar kinderen zou belasten met volwasseneproblematiek. De mondelinge toelichting van beklaagde ter zitting maakt niet dat het College tot een andere conclusie in deze komt. Het College volgt beklaagde niet in haar toelichting dat onder “kinderen belasten met volwasseneproblematiek” verstaan zou worden dat kinderen last ondervinden van een scheiding in de vorm van stress en emoties. Deze mondelinge toelichting van beklaagde strookt naar het oordeel van het College niet met de gangbare definitie van wat verstaan wordt onder “kinderen belasten met volwasseneproblematiek”. Naar het oordeel van het College worden kinderen belast met volwasseneproblematiek wanneer (een van) de ouders de kinderen (al dan niet bewust) betrekken bij bijvoorbeeld de scheidingsproblematiek van ouders, zodat kinderen van zaken op de hoogte zijn, waarvan zij niet van op de hoogte behoren te zijn. Het College is van oordeel dat het op grond van artikel B (bevordering deskundigheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker tot de verantwoordelijkheid en deskundigheid van beklaagde behoort om dit begrip op een juiste wijze te kunnen uitleggen. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde aldus artikel B (bevordering deskundigheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden. Voorts is het College van oordeel dat beklaagde in strijd gehandeld heeft met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, nu zij de formuleringen in het verzoek tot onderzoek, betreffende dat klaagster haar kinderen zou belasten met volwasseneproblematiek, niet aangepast heeft.

3.9.4

Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

3.10 Klachtonderdeel IX

3.10.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Beklaagde heeft een uiterst beperkt referentenonderzoek uitgevoerd, terwijl vanaf 19 juli 2017 tot 28 augustus 2017 hiervoor ruim de tijd is geweest. De referenten waarvan tijdens het huisbezoek is toegezegd dat zij benaderd zouden worden, zijn deels niet benaderd. De referenten die echter wel zijn benaderd, hebben onvoldoende de tijd gekregen om te reageren; de huisarts en de NLP relatiecoach hebben een termijn van één uur gekregen om te reageren op de vragen van Veilig Thuis. De toegezonden informatie van de huisarts is vervolgens summier verwerkt.

3.10.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Tijdens het eerste huisbezoek op 19 juli 2017 is het plan van aanpak met klaagster besproken, waarin vermeld stond welke informanten door Veilig Thuis benaderd zouden worden. Daarnaast zijn als informanten benaderd: de wijkagent, de NLP relatiecoach en de oud psycholoog van de vader van [minderjarige 1]. Beklaagde betwist dan ook dat een beperkt referentenonderzoek is uitgevoerd. Veilig Thuis had, door de verkregen informatie van ouders en de benaderde informanten, voldoende informatie om de zaak in te brengen bij de beschermtafel. Beklaagde betwist voorts dat de huisarts en de NLP relatiecoach slechts één uur de tijd zouden hebben gekregen om te reageren op de vragen van Veilig Thuis. De collega van beklaagde heeft overigens voornoemde informanten benaderd. Het verslag van de huisarts was op zichzelf zeer beperkt en de NLP relatiecoach heeft het verslag niet kunnen accorderen, zodat zijn informatie niet meegenomen is in het verzoek tot onderzoek.

3.10.3

Het College stelt vast dat blijkens het overgelegde (ongedateerde) plan van aanpak, hetgeen voorafgaand aan de onderzoeksfase opgesteld wordt, de volgende informanten tijdens het onderzoek benaderd zouden worden: het consultatiebureau, het Kindercentrum [naam kindercentrum], de huisarts en eventueel andere informanten. Beklaagde was in deze fase echter nog niet betrokken bij het onderzoek. Uit het mdo van 2 augustus 2017 stelt het College vast dat besloten wordt dat “eerst meer informatie van instanties (huisarts, GGD, NLP coach en een oud psycholoog van de vader) gevraagd moet worden.” Blijkens de overgelegde contactjournaals heeft de collega van beklaagde vervolgens op 17 augustus 2017, met de huisarts, en op 18 augustus 2017, met de psychiater en de NLP coach, contact opgenomen. Het College stelt aldus vast dat, kort na aanvang van de betrokkenheid van beklaagde op 14 augustus 2017, de informanten, door de collega van beklaagde, benaderd zijn. Het College is van oordeel dat wanneer al dan niet geoordeeld zou kunnen worden dat de informanten (te) laat benaderd zijn, dit beklaagde niet kan worden aangerekend, gelet op de datum van aanvang van haar betrokkenheid.

3.10.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.11 Klachtonderdeel X

3.11.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Beklaagde heeft tijdens de beschermtafel aan stemmingmakerij gedaan.

3.11.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betreurt het dat een opmerking van haar, betreffende een 105 pagina’s tellend stuk van de zus van klaagster, denigrerend overgekomen is op klaagster. Dit is niet de bedoeling van beklaagde geweest. Beklaagde betwist voor het overige dat zij de RvdK zou hebben geadviseerd enkel in contact te treden met de betrokken instanties. De RvdK beslist zelfstandig wie zij als informaten voor een onderzoek benaderen.

3.11.3

Alhoewel door klaagster gesteld is dat beklaagde tijdens de beschermtafel aan stemmingmakerij gedaan heeft, heeft klaagster nagelaten hiervoor onderbouwende stukken over te leggen. Het College kan op deze wijze onvoldoende vaststellen of beklaagde al dan niet tijdens de beschermtafel aan stemmingmakerij gedaan zou hebben.

3.11.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.12 Conclusie

3.12.1

Het College concludeert dat beklaagde met betrekking tot de klachtonderdelen II, VI en VIII een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Het verzoek tot onderzoek is naar het oordeel van het College onvoldoende volgens de beroepsnormen opgesteld. Het College rekent het beklaagde voorts aan dat zij te laat heeft ingezien welke verantwoordelijkheden zij ten opzichte van de casus behoorde te dragen. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid en deskundigheid van beklaagde had het op haar weg gelegen dat zij het verzoek tot onderzoek van correcties had voorzien dan wel diende zij haar collega te wijzen op de onzorgvuldige formuleringen in het verzoek tot onderzoek. Te meer nu stukken, geschreven door hulpverleners, langdurige en mogelijk ernstige gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben. Bij het opleggen van de maatregel aan beklaagde houdt het College er echter rekening mee dat het verwijtbare handelen slechts betrekking heeft gehad op een zeer beperkte periode van betrokkenheid van beklaagde, en wel van 14 augustus tot 1 september 2017. Het College ziet hierin aanleiding om te volstaan met het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan beklaagde. Het College neemt in deze overweging mee dat deze beslissing dient bij te dragen aan de bewustwording van beklaagde om zorgvuldig met onderzoeksgegevens om te gaan. Voorts wil het College aan beklaagde meegeven dat zij zich in de toekomst meer bewust dient te zijn van wat het betekent om (mede)verantwoordelijk te zijn voor een casus.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I, III, IV, V, VII, IX en X ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen II, VI en VIII gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 7 maart 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris