Jeugdbeschermer had aan betrokkenen moeten laten weten dat eerder verstrekte informatie was aangepast. Overige klachten, onder andere over niet ingrijpen bij het drugsgebruik van een minderjarige, zijn ongegrond.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als [jeugdbeschermer] bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, [gemachtigde]. [Gemachtigde] is tevens de partner van klaagster.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. L. Neuschäfer-Greebe, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 10 oktober 2017, met de bijlagen en de aanvulling(en) hierop van 5 november 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 29 december 2017, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter besloten de […] niet toe te laten als toehoorder aan de zijde van beklaagde, nu beklaagde niet conform artikel 9.3 Tuchtreglement (TR) de naam en hoedanigheid van deze toehoorder tenminste twee weken vóór de zitting aan de secretaris van het College heeft medegedeeld, en klaagster bovendien bezwaar heeft gemaakt tegen diens aanwezigheid.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen partijen ter zitting verklaard hebben, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van de minderjarige kinderen: [minderjarige1], geboren in 2001, en [minderjarige2], geboren in 2003, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klaagster en ex-partner, de vader van de kinderen zijn sinds 2014 uit elkaar. De vader is sinds april 2016 belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.

2.3

Klaagster heeft op onregelmatige basis omgang met de kinderen.

2.4

Het gezin van de vader wordt sinds juni 2015 op vrijwillige basis begeleid door [de instelling]. [minderjarige2] is door [de instelling] in september 2016 aangemeld bij [jeugdhulp instantie] in verband met ernstige gedragsproblemen en emotieregulatieproblemen.

2.5

[minderjarige2] verbleef van 8 februari 2017 tot en met 7 april 2017 doordeweeks met instemming van de vader op de afdeling [naam afdeling] van [instelling2] ten behoeve van diagnostiek; de opname is vroegtijdig afgebroken omdat [minderjarige2] zich vanwege middelengebruik niet goed aan de regels kon houden.
Na 7 april 2017 verbleef [minderjarige2] weer in het gezin van de vader met als doel uit te zoeken welke instelling het beste aansluit bij het advies van [instelling2]; het zoeken van een passende instelling bleek echter lastig.
In juni en juli 2017 heeft [minderjarige2] verbleven op een crisisgroep van [instelling6]. In augustus 2017 hebben zich enkele incidenten voorgedaan rond [minderjarige2].
Omdat een passende plek nog niet was gevonden alsmede vanwege de veelvoud van problematiek is de casus van [minderjarige2] op 7 september 2017 ingebracht bij [het overleg] van de gemeente [plaatsnaam]. Hierop is [minderjarige2] aangemeld bij [instelling3], maar bleek haar middelengebruik uiteindelijk aan een opname in de weg te staan. Uiteindelijk is [minderjarige2] op 27 september 2017 geplaatst in [instelling4] in [plaatsnaam], een instelling gericht op verslavingsproblematiek.

2.5

Beklaagde is werkzaam als [jeugdbeschermer] bij [de instelling] en was van 20 januari 2017 tot 27 oktober 2017 contactpersoon voor ouders. Beklaagde is de vierde contactpersoon voor de ouders geweest namens [de instelling] vanaf april 2015.

2.6

Naar aanleiding van een klacht die klaagster op 30 januari 2017 heeft ingediend bij de gemeente, heeft op 10 maart 2017 een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. In dit gesprek komt naar voren dat klaagster zich al langere tijd zorgen maakt over het welzijn van de kinderen en zich niet betrokken voelt in het hulpverleningsproces. Tijdens dit gesprek is met klaagster afgesproken:

1. U maakt een afspraak met [beklaagde] voor inzage in het dossier;

2. [Beklaagde] bespreekt met de vader hoe klaagster geïnformeerd kan worden met betrekking tot haar kinderen;

3. [Beklaagde] nodigt beide ouders uit voor een gezamenlijk gesprek.

2.7

Klaagster heeft een viertal klachten ingediend bij de Klachtencommissie [instelling]. De Klachtencommissie heeft de klachten ter zitting van 20 juni 2017 behandeld en op 5 juli 2017 de uitspraak verzonden. Blijkens de uitspraak werd ter zitting duidelijk dat beide kinderen op dat moment uit huis geplaatst waren, voor diagnostiek maar tevens bij wijze van time-out. De uitspraak luidde dat klacht 1 voor wat betreft de gebreken in de begeleiding door de meerdere wisselingen van [jeugdbeschermer] gegrond is, met de kanttekening dat dit al in het bemiddelingsgesprek van 10 maart 2017 erkend was, en voor het overige ongegrond. Klacht 2 betreffende het niet correct communiceren met klaagster en haar niet op de hoogte houden van ontwikkelingen rond de kinderen en de begeleiding van [de instelling] is eveneens gegrond, met de kanttekening dat deels al in het bemiddelingsgesprek erkend is dat de communicatie niet altijd correct was. Klacht 3 betreffende het niet correct behandelen van klaagsters verzoek om inzage in die zin dat zij te lang op inzage heeft moeten wachten en te weinig informatie heeft gekregen, is gegrond voor wat betreft de lange duur voordat inzage werd verleend, met de kanttekening dat dit al was erkend, en ongegrond voor wat betreft de onvolledigheid.
Klacht 4 inhoudende dat het dossier onjuistheden bevat en data en bronvermeldingen ontbreken, is pas ter zitting ingediend en heeft de klachtencommissie om die reden niet kunnen beoordelen. Ter zitting is afgesproken dat klaagster haar commentaar op de rapportage op schrift zal zetten en aan de [jeugdbeschermer] zal toezenden en dat [de instelling] daarna in overleg zal treden met klaagster over eventuele aanvullingen en correcties.

2.8

Beklaagde is geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ sinds [datum] 2015, tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker en sindsdien als jeugd- en gezinsprofessional.

3 De ontvankelijkheid van de klacht

Beklaagde heeft aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht omdat het klaagschrift niet voldoet aan de daaraan in artikel 7.5 TR gestelde eisen, met name niet aan het bepaalde onder d en f: “het klaagschrift bevat in ieder geval: d: een duidelijke omschrijving van de klacht, waaronder de feiten en gronden waarop deze berust, met inbegrip van een exacte aanduiding van het tijdvak waarin bedoelde feiten hebben plaatsgevonden, en f: een samenvatting van de klacht, waaruit blijkt welk verwijtbaar handelen van de beklaagde aan het College van Toezicht wordt voorgelegd.”

Het College constateert dat klaagster op 1 oktober 2017 een klaagschrift heeft ingediend, en dat dit klaagschrift op 5 november 2017 door klaagster is aangevuld. Het College constateert dat in het klaagschrift klaagster onder A. in antwoord op de vraag “beschrijf hier de gebeurtenissen vanaf de ingangsdatum dat de jeugdprofessional geregistreerd is” heel globaal heeft omschreven wat er tijdens de begeleiding door beklaagde vanaf 22 februari 2017 is gebeurd , en onder B. in antwoord op de vraag “wat verwijt u de jeugdprofessional?” zes verwijten ten aanzien van beklaagde heeft geformuleerd, waarbij naar het oordeel van het College een aantal van deze verwijten samenhang met elkaar vertonen. Ter onderbouwing van haar klacht heeft klaagster als bijlagen bij het klaagschrift gevoegd de uitspraak van de klachtencommissie van 5 juli 2017, alsmede een afschrift van een schrijven van medewerkers van De [instelling5] van 26 juli –naar het College begrijpt: 2017- waarin deze aangeven dat het door hun verzonden eindverslag zeer onzorgvuldig een nader genoemde opmerking ten aanzien van klaagster bevat, dat op basis van mondelinge overdracht door [de instelling] in het verslag is opgenomen, maar een niet op feiten gefundeerde aanname is en daarom niet geformuleerd had mogen worden.
In de aanvulling van haar klacht heeft klaagster de eerder door haar genoemde verwijten nogmaals herhaald, en per verwijt ter onderbouwing verschillende documenten opgesomd, waarvan zij het merendeel als bijlage heeft toegevoegd, een en ander overigens zonder inhoudsopgave en zonder in de tekst van de bijlagen de van belang zijnde passages te markeren.

Aan beklaagde kan naar het oordeel van het College worden toegegeven dat het niet eenvoudig is uit de laatstgenoemde bijlagen op te maken op welk verwijt zij betrekking hebben. Het College is echter van oordeel dat klaagster desondanks in voldoende mate heeft voldaan aan de eisen die artikel 7.5 van het Tuchtreglement stelt. Het College neemt hierbij in aanmerking dat, zoals in artikel 7.1 TR staat vermeld, een klacht bij voorkeur door tussenkomst van een onafhankelijke klachtondersteuner of vertrouwenspersoon wordt ingediend, maar dat zulks niet is voorgeschreven. Een en ander brengt naar het oordeel van het College logischerwijs mee dat er (kwaliteits)verschillen zijn in formulering van de klaagschriften in verschillende zaken. In zijn beslissing heeft het College mede in aanmerking genomen dat beklaagde gezien het door haar zelf opgestelde verweerschrift, dat als productie 1 is gevoegd bij het verweerschrift dat door haar gemachtigde is ingediend, goed in staat is geweest de verschillende door klaagster geformuleerde verwijten te onderscheiden en zich hierop te verweren.
De klacht is dan ook ontvankelijk.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling van de klachtonderdelen

4.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Klaagster heeft desgevraagd aangegeven dat haar klacht in de kern draait om de communicatie van beklaagde jegens haar en haar dochter, het vermelden van onjuiste, slechts op aannames gebaseerde informatie in rapporten en het verspreiden van deze onjuiste informatie aan ketenpartners.

4.2

Klaagster heeft haar klacht vertaald in een aantal concrete verwijten jegens beklaagde. Deze luiden – samengevat en zakelijk weergegeven- als volgt:

I dat zij onjuiste, belastende informatie over klaagster in het dossier in stand houdt en verspreidt, en aldus de uitspraak van de klachtencommissie niet nakomt;

II dat zij klaagster buitensluit door haar niet te informeren en niet betrekt bij de hulpverlening, en aldus de uitspraak van de klachtencommissie niet nakomt;

III dat zij het goedkeurt dat [minderjarige2] drugs gebruikt;

IV dat zij de vader niet stimuleert in het nakomen van de informatieregeling, en aldus de uitspraak van de klachtencommissie niet nakomt.

4.3

Hierna zullen de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een concluderende beslissing ten aanzien van alle klachtonderdelen.

Klachtonderdeel I

4.4.1

Klaagster verwijt beklaagde -samengevat en zakelijk weergegeven- dat zij onjuiste, belastende informatie over klaagster in het dossier in stand houdt en verspreidt. Het gaat om informatie aan [instelling2], [jeugdhulp instantie], [instelling5], [instelling6] en [instelling4]. Klaagster stelt dat zij, toen zij in 2017 dossierinzage kreeg, constateerde dat er in verslagen van [instelling2] en [jeugdhulp instantie] onjuiste, ongefundeerde informatie was opgenomen over haar psychische gesteldheid. Deze informatie bleek afkomstig te zijn van [de instelling]. [instelling2] en [jeugdhulp instantie] hebben vervolgens op verzoek van klaagster deze informatie gecorrigeerd. Klaagster verwijst ter onderbouwing naar een ongedateerde brief van een kinder- en jeugdpsychiater bij [instelling2] aan klaagster waarin deze haar verontschuldigingen aanbiedt aan klaagster voor haar onzorgvuldigheid, en aangeeft dat de twee verslagen –naar het College begrijpt: het evaluatierapport van 7 april 2017 en de ontslagbrief van 2 mei 2017- zijn gerectificeerd in die zin dat de betreffende citaten zijn verwijderd. Voorts verwijst klaagster naar een emailbericht van twee medewerkers van [jeugdhulp instantie], onderdeel van [instelling5], waarin staat vermeld dat het door hen verzonden eindverslag de zeer onzorgvuldige opmerking “Tevens psycho-educatie ten aanzien van de Borderline diagnose van haar moeder” bevat, dat deze informatie vanuit de mondelinge overdracht door [de instelling] in het verslag is opgenomen, maar een niet op feiten gefundeerde aanname is die daarom niet geformuleerd had mogen worden.
Klaagster stelt dat beklaagde daarnaast de uitspraak van de klachtencommissie niet is nagekomen in die zin dat zij nog niet gedegen heeft gerectificeerd. Beklaagde heeft weliswaar de zinsnede dat klaagster psychische problemen zou hebben, verwijderd, maar zij heeft dit veranderd in “[klaagster] heeft ‘eigen’ problematiek”, terwijl klaagster zich ook in deze laatste zinsnede niet kan vinden bij gebreke aan bronvermelding.
Klaagster heeft ter zitting aangegeven dat de Klachtencommissie inmiddels voor de tweede maal uitspraak heeft gedaan, en laatstelijk heeft bevestigd dat beklaagde de eerdere beslissing van de Klachtencommissie niet is nagekomen.

4.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De aanmelding bij de [instelling5]/[jeugdhulp instantie] is door de voorganger van beklaagde gedaan. Deze voorganger heeft -eveneens voordat beklaagde betrokken was- het gezinsplan geschreven alsmede de analyse en het plan van aanpak, dat is vastgesteld op 13 januari 2017, en heeft deze naar de [instelling5]/[jeugdhulp instantie] verzonden. Op 3 mei 2017 heeft klaagster haar dossier ingezien. In navolging van een afspraak, gemaakt ter zitting van de Klachtencommissie, heeft klaagster haar aanmerkingen op de dossierstukken aan beklaagde gemaild op 16 juli 2017, echter met als voorwaarde dat er voor 17 juli 2017 gerectificeerd moest zijn. Klaagster heeft vervolgens op 18 juli 2017 een nieuwe klacht bij de Klachtencommissie ingediend. Op 13 september 2017 heeft beklaagde klaagster een email gezonden waarin zij aangeeft dat de rapportage deels is gerectificeerd, en dat de overige door klaagster genoemde punten als bijlagen zijn toegevoegd aan de rapportage. Beklaagde geeft aan dat zij ook ten aanzien van de informatie die door [de instelling] is verkregen in de periode waarin beklaagde nog niet betrokken was, is nagegaan of deze gebaseerd was op bronnen, en dat zij, daar waar dit niet het geval was, dit heeft aangepast. Beklaagde heeft de gerectificeerde rapportage vanaf het moment van rectificatie steeds meegezonden met de verdere aanmeldingen, te weten die voor [instelling3] en [instelling4]. Ten aanzien van [instelling2] stelt beklaagde dat het gezinsplan al in januari 2017 naar deze instelling was gezonden, voordat klaagster had aangegeven rectificatie te willen. Beklaagde geeft aan dat klaagster weliswaar heeft gevraagd welke instanties de gezinsrapportage hebben gekregen, maar dat zij niet heeft verzocht het gerectificeerde rapport aan deze instanties te zenden. Beklaagde heeft verklaard dat [de instelling] wegens het beëindigen van de behandelovereenkomst met [minderjarige2] voor [instelling2] en de [instelling5]/[jeugdhulp instantie] niet zelf heeft gevraagd de rapportage te rectificeren.

4.4.3

Het College constateert dat [instelling2] en [jeugdhulp instantie] hun verslagen op verzoek van klaagster hebben gerectificeerd omdat daarin door [de instelling] aangeleverde informatie was opgenomen over de psychische gesteldheid van klaagster, terwijl deze informatie berust op een aanname en niet is geverifieerd. Voorts constateert het College dat beklaagde het plan van aanpak van [de instelling] op verzoek van klaagster heeft gecorrigeerd in die zin dat zij van “psychische problematiek” aan de zijde van klaagster heeft gemaakt “eigen problematiek”.
Beklaagde heeft onweersproken verklaard, dat het haar voorganger was die aan [instelling2] en [jeugdhulp instantie] informatie heeft verstrekt, zodat het College hiervan uitgaat. Ook heeft beklaagde onweersproken gesteld dat het bestreden plan van aanpak van [de instelling] is opgemaakt in de periode voordat beklaagde betrokken was. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde niet kan worden verweten dat er eerder ongefundeerde informatie aan [instelling2] en [jeugdhulp instantie] is verstrekt, nog afgezien van de omstandigheid dat [instelling2] en [jeugdhulp instantie] een eigen verantwoordelijkheid hebben waar het gaat om zorgvuldig rapporteren. Evenmin kan het beklaagde worden verweten dat haar voorganger ongefundeerde informatie in het plan van aanpak van [de instelling] heeft vermeld aangaande de psychische gesteldheid van klaagster. Het College is daarnaast van oordeel, gelet op hetgeen uit het dossier naar voren is gekomen en beklaagde hierover ter zitting heeft verklaard, dat beklaagde zich in voldoende mate heeft ingespannen om na te gaan of er onjuistheden dan wel ongefundeerde informatie in het plan van aanpak stonden, nadat klaagster om correctie had verzocht. Beklaagde heeft dit ook gedaan voor informatie die [de instelling] heeft verkregen voordat zij betrokken was. Het College acht bovendien onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de correcties die beklaagde heeft aangebracht, ontoereikend waren. Het College neemt hierbij mede in aanmerking de taak en verantwoordelijkheid van beklaagde als hulpverlener.

Tot slot heeft beklaagde terecht, vanaf het moment van correctie, de gecorrigeerde versie van het plan van aanpak meegezonden met de verdere aanmeldingen. Het College kan beklaagde echter niet volgen in haar standpunt dat zij niet gehouden zou zijn derden aan wie de gegevens eerder zijn verstrekt, zoals [instelling2] en [jeugdhulp instantie], op de hoogte te stellen van het feit dat de gegevens zijn gecorrigeerd. Het College meent dat beklaagde zich als contactpersoon in het kader van de begeleiding, tot het uiterste dient in te spannen om ook deze betrokkenen van de correctie op de hoogte te stellen. Hiervan is het College onvoldoende gebleken.

4.4.4

Het College acht de klacht dan ook deels gegrond.

Klachtonderdeel II

4.5.1

Klaagster verwijt beklaagde -samengevat en zakelijk weergegeven- dat zij klaagster buitensluit door haar niet te informeren en niet betrekt bij de hulpverlening, en aldus de uitspraak van de klachtencommissie niet nakomt. Klaagster heeft diverse mails van haar aan zowel beklaagde als de leidinggevende van beklaagde bijgevoegd waarin zij erover klaagt dat [de instelling] geen informatie aan haar verschaft. In een mail van 9 juli 2017 van klaagster aan beklaagde geeft klaagster aan dat tijdens het bemiddelingsgesprek van 10 maart 2017 is bevestigd dat niet correct gecommuniceerd is met haar, dat er op 22 maart 2017 een excuusbrief is verzonden door [de instelling], dat de klachtencommissie ter zitting van 20 juni 2017 heeft aangegeven dat niet gecommuniceerd is met klaagster en dat zij ten onrechte niet op de hoogte is gehouden van ontwikkelingen rond de kinderen maar dat klaagster op het moment nog steeds niet is geïnformeerd over waar de kinderen verblijven, voor hoe lang, wat het vervolg zal zijn, en de onderzoeksresultaten. Weliswaar is het zo dat beklaagde klaagster sinds de uitspraak van de klachtencommissie tweemaal heeft uitgenodigd om bij een gesprek aanwezig te zijn, maar klaagster loopt er hierbij tegen aan dat de vader dit eigenlijk niet wil en dat beklaagde dan niet optreedt; bovendien is de vriendin van de vader tegen de zin van klaagster ook aanwezig.

4.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde was niet betrokken bij het gezin ten tijde van het verschijnen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de RvdK). Toen beklaagde betrokken raakte, had klaagster al geen gezag meer. Op dat moment waren er geregeld escalaties tussen de gezinsleden waardoor beklaagde zich in eerste instantie heeft gericht op de vader en de kinderen, teneinde de veiligheid te kunnen waarborgen. Beklaagde verwijst naar haar bijlagen met daarin emailberichten met verzoeken van beklaagde om inzage, en de reacties die zij hierop steeds heeft gegeven waarin klaagster is gewezen op de privacyregels inhoudende dat de kinderen om toestemming moet worden gevraagd om de ouder zonder gezag informatie over hen te verstrekken. Voorts geeft zij aan dat moeder conform de afspraak gemaakt tijdens het bemiddelingsgesprek op 1 mei 2017 inzage heeft gehad in het dossier.
Beklaagde heeft verklaard dat zij na de hoorzitting bij de Klachtencommissie, te weten op 27 juni 2017, een emailbericht aan de ouders heeft gestuurd met het verzoek om te komen tot een gezamenlijk gesprek, welk gesprek op 12 juli 2017 heeft plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek blijkt dat de informatievoorziening van de vader naar klaagster moeilijk van de grond komt, reden waarom is besloten dat klaagster vanaf dat moment meegenomen zal worden in de mails en bij de gesprekken over [jeugdige2] aanwezig zal zijn. Op 7 september 2017 vond een gesprek plaats bij de [experttafel] omtrent het verdere verloop van de plaatsing van [minderjarige2]. Beide ouders zijn op de hoogte gesteld van dit gesprek en de uitkomst hiervan.
Op 15 september 2017 vond een gesprek plaats bij [instelling6] omtrent het verdere verloop van het hulpverleningstraject van [minderjarige2] en de uitkomst van de escalatietafel, waarbij onder meer beide ouders aanwezig waren; beide ouders hebben dezelfde dag in vervolg hierop een mail van beklaagde ontvangen. Uiteindelijk is [minderjarige2] aangemeld bij [instelling4] in verband met middelengebruik; beide ouders zijn aanwezig geweest bij de intake op 27 september 2017. Na de zitting bij de Klachtencommissie hebben ten tijde van de begeleiding van beklaagde geen gesprekken meer plaatsgevonden waarbij klaagster niet aanwezig is geweest.

4.5.3

Het College overweegt als volgt:
Naar het oordeel van het College stelt beklaagde zich terecht op het standpunt dat zij voor het verschaffen van dossierinformatie over [minderjarige1] en [minderjarige2] aan klaagster -ouder zonder gezag- toestemming nodig heeft van genoemde dochters gelet op hun leeftijd. Niet gebleken is van deze toestemming. Ook bij gebreke van toestemming van [minderjarige1] en [minderjarige2], heeft klaagster als ouder zonder gezag recht op informatie van beklaagde als beroepskracht over ‘belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van de kinderen of hun verzorging en opvoeding betreffen’ op basis van artikel 1:377c BW.

In haar uitspraak van 5 juli 2017 heeft de Klachtencommissie overwogen dat [de instelling] in het bemiddelingsgesprek op 10 maart 2017 ten opzichte van klaagster heeft ontkend dat haar dochters uit huis geplaatst waren, in plaats van aan te geven dat er ontwikkelingen zijn waarvan is besloten klaagster niet in kennis te stellen. Aldus is klaagster volgens de Klachtencommissie belangrijke informatie onthouden. Beklaagde was bij dit bemiddelingsgesprek aanwezig. Het College constateert dat er aldus sprake is geweest van een eenmalige misser voor wat betreft het verschaffen van belangrijke informatie aan klaagster, waarvoor klaagster erkenning heeft gekregen van de Klachtencommissie.
Het College maakt uit het verslag van het bemiddelingsgesprek op 10 maart 2017 op dat de juridische uitgangspunten voor wat betreft de informatieverschaffing zoals hierboven vermeld aan klaagster duidelijk zijn gemaakt. [de instelling] heeft daarbij aangegeven zich ervoor te willen inzetten dat de samenwerking tussen klaagster en de vader als ouders verbetert, onder andere door erop aan te sturen dat klaagster als moeder beter wordt geïnformeerd over hoe het gaat met de kinderen. In bedoeld gesprek is onder meer afgesproken dat beklaagde met de vader bespreekt hoe klaagster geïnformeerd kan worden betreffende de kinderen, en dat beklaagde beide ouders uitnodigt voor een gezamenlijk gesprek.
Het College is van oordeel dat na genoemde misslag beklaagde zich in voldoende mate heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat in het belang van de kinderen klaagster zoveel mogelijk zou worden betrokken en op de hoogte zou worden gesteld van de ontwikkelingen rond hen. Dit heeft beklaagde gedaan door de vader te wijzen op zijn verantwoordelijkheid klaagster als ouder zonder gezag op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden betreffende [minderjarige1] en [minderjarige2]. En daar waar beklaagde bleek dat de vader hiertoe weinig bereidheid vertoonde, zij een constructie heeft voorgesteld waarbij klaagster steeds een afschrift zou ontvangen van de emailberichten van beklaagde aan de vader en klaagster aanwezig zou zijn bij gesprekken met de vader over de kinderen. Aldus is beklaagde bovendien de afspraken, zoals gemaakt in het bemiddelingsgesprek, nagekomen. Het College begrijpt dat het beklaagde overigens in het vrijwillig kader waarin zij handelde, aan instrumenten ontbrak om zaken af te dwingen.
Het College komt gelet op het voorgaande tot de slotsom dat beklaagde gehandeld heeft als een redelijk bekwame beroepsbeoefenaar.

4.5.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel III

4.6.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij ervan op de hoogte is dat de vader [minderjarige2] voorzag van drugs in de jaren 2016 en 2017, maar hierop niet ingrijpt.

4.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
In het rapport van de RvdK wordt gesproken over het drugsgebruik van [minderjarige2]. Sinds de aanvang van de betrokkenheid van beklaagde zijn deze problemen bij haar bekend en is gezocht naar een juiste behandeling voor onder andere deze problematiek. Omdat er sprake was van diverse problematiek is ervoor gekozen om eerst nader onderzoek te doen omtrent de diagnostisering van [minderjarige2], zulks om een goed beeld te krijgen van dat wat er speelt en advies te krijgen omtrent de passende hulpverlening. Ook zou door de diagnose meer zicht komen op het middelengebruik van [minderjarige2]. Ten behoeve daarvan heeft [minderjarige2] van 8 februari 2017 tot en met 7 april 2017 binnen de afdeling Diagnostiek en Advies afdeling van [instelling2] verbleven. Nadien is het lastig gebleken om vanwege de veelvoud van de problematiek bij [minderjarige2] waaronder verslavingsproblematiek alsmede incidenten een passende plek voor haar te vinden. Uiteindelijk is besloten om haar te plaatsen in een instelling die zich specifiek richt op verslavingsproblematiek, [instelling4]. Klaagster was bij de intake aanwezig. Bij [instelling4] deed [minderjarige2] het goed op de groep, althans tot het einde van de betrokkenheid van beklaagde. Klaagster heeft samen met de vader op 27 september 2017 een emailbericht aan beklaagde gezonden waarin de ouders vraagtekens zetten bij het middelengebruik van [minderjarige2] en vragen om een second opinion. Beklaagde heeft daarop in een emailbericht van 29 september 2017 aan ouders bericht dat zij aan de hand van de intake bij [instelling4] het idee had dat de ouders een goed gevoel hadden bij [instelling4], maar dat als dit niet zo is en zij zorgen hebben zij het beste contact kunnen opnemen met [instelling4] over een second opinion omdat [instelling4] specialist is op het gebied van verslaving. Ook biedt beklaagde aan ouders aan samen hierover een gesprek te hebben als de twijfels blijven bestaan.

4.6.3

Het College overweegt als volgt:
Zoals door beklaagde onweersproken is gesteld, kwam in het rapport van de RvdK reeds naar voren dat er sprake was van drugsgebruik bij [minderjarige2]. Het College begrijpt uit het verweer van beklaagde dat zij zich terdege bewust was van het drugsgebruik van [minderjarige2]. Beklaagde beschrijft in haar verweer verschillende stappen die zij ten tijde van haar betrokkenheid te dien aanzien heeft ondernomen. Zo heeft zij eerst getracht een goed beeld te krijgen in de problematiek van [minderjarige2], en zicht te krijgen op eventueel verslavingsproblematiek. Uiteindelijk, nadat het vanwege veelheid van problematiek moeilijk bleek een passende plek te vinden voor [minderjarige2], is [minderjarige2] opgenomen in verslavingskliniek [instelling4]. Genoemd traject is door klaagster niet weersproken, zodat het College hiervan uit gaat. Gegeven dit traject en de uiteindelijke opname in een verslavingskliniek, is naar het oordeel van het College niet aannemelijk geworden dat beklaagde niet heeft ingegrepen ten aanzien van drugsgebruik bij [minderjarige2].

4.6.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel IV

4.7.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven dat zij de vader niet stimuleert in het nakomen van de door de rechter opgelegde informatieregeling, en aldus de uitspraak van de klachtencommissie niet nakomt.

4.7.2

Beklaagde verwijst naar een emailbericht van 29 maart 2017 waarin zij aan klaagster heeft bericht dat zij de vader heeft gesproken, bij hem heeft aangegeven dat hij de plicht heeft om klaagster op de hoogte te houden, hierover met de vader in gesprek is en dat duidelijke afspraken hierover moeten worden gemaakt in een te plannen gesprek.
Beklaagde geeft aan dat zij na de hoorzitting bij de Klachtencommissie, te weten op 27 juni 2017, een emailbericht aan de ouders heeft gestuurd met het verzoek om te komen tot een gezamenlijk gesprek. Vanwege de verschillende agenda’s heeft dit gesprek plaatsgevonden op 12 juli 2017. Tijdens dit gesprek is gebleken dat de informatievoorziening van de vader naar klaagster moeilijk van de grond komt, en is om die reden besloten dat klaagster vanaf dat moment meegenomen zal worden in de mails en bij de gesprekken over [minderjarige2] aanwezig zal zijn. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de vader aan klaagster de rapportage van [instelling2] doorgezonden.

4.7.3

Het College is niet op de hoogte van de door de rechter aan de vader opgelegde omgangsregeling. Wettelijk uitgangspunt is echter dat de vader is gehouden klaagster als ouder zonder gezag op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden betreffende [minderjarige1] en [minderjarige2].
Zoals ook onder 4.5.3 is overwogen, is vast komen te staan dat beklaagde de vader na het bemiddelingsgesprek van 10 maart 2017 heeft gewezen op zijn verantwoordelijkheid klaagster te informeren, en dat beklaagde, toen haar bleek dat de vader hiertoe niet bereid was, in een gezamenlijk gesprek het initiatief heeft genomen tot een afspraak met de ouders inhoudende dat beklaagde voortaan een afschrift van haar e-mailberichten aan de vader aan klaagster zendt en klaagster bij gesprekken over [minderjarige2] aanwezig zal zijn. Het College acht dan ook niet aannemelijk geworden dat beklaagde de vader niet stimuleerde in het nakomen van een informatieregeling, zoals klaagster stelt. Het College neemt hierbij tevens in aanmerking dat beklaagde het gezin van de vader in vrijwillig kader begeleidde.

4.8

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat klachtonderdeel I deels gegrond en deels ongegrond is, en de overige klachtonderdelen ongegrond. Ten aanzien van klachtonderdeel I is het College van oordeel dat beklaagde te weinig inzet heeft getoond, daar waar het gaat om het inlichten van derden dat eerder door hen ontvangen rapportages zijn gecorrigeerd. Mede nu het gaat om een eenmalig tekort schieten, ziet het College geen termen om een maatregel op te leggen.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel I deels gegrond en deels ongegrond;
– verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 5 juli 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder
voorzitter

b.a. mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
secretaris