De onderzoeker van Veilig Thuis heeft de klager vooraf niet geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Daar ligt ook een taak op instellingsniveau.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,
mevrouw C.G. de Rooij, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als onderzoeker bij Veilig Thuis, locatie [locatie], hierna te noemen: Veilig Thuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 26 oktober 2017, met de aanvullingen hierop van
27 en 29 oktober 2017, 13, 14, 20 en 21 november 2017, 14 december 2017 en 9 januari 2018;
– het verweerschrift ontvangen op 31 januari 2018, met de bijlagen en de aanvulling op het verweer van 18 juni 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorders van de zijde van beklaagde zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [toehoorder1], teamleider Veilig Thuis en [toehoorder2], partner van beklaagde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van twee kinderen, geboren op [datum] 2002, hier te noemen: minderjarige 1, en geboren op [datum] 2004, hierna te noemen: minderjarige 2, gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en de moeder van de kinderen zijn sinds begin 2017 uit elkaar. Klager en de moeder hebben gezamenlijk gezag.

2.3

Er is een omgangsregeling vastgesteld; de kinderen verblijven deels bij klager en deels bij de moeder.

2.4

Op 28 februari 2017 heeft Veilig Thuis een zorgmelding van de politie ontvangen. Klager en de moeder zijn hier schriftelijk over geïnformeerd.

2.5

Veilig Thuis heeft, om hulpverlening op gang te brengen, de melding overgedragen aan het Sociaal Team [locatie].

2.6

Op 23 maart, 12 mei, 6 juni en 13 juli 2017 heeft Veilig Thuis nog vier zorgmeldingen van de politie ontvangen. Klager en de moeder zijn hierover geïnformeerd. De meldingen zijn overgedragen aan het Sociaal Team.

2.7

In de brief van 9 juni 2017 naar aanleiding van de zorgmelding van 6 juni 2017 heeft Veilig Thuis aan klager geschreven te overwegen op te schalen naar Jeugdbescherming, dan wel naar de Beschermingstafel.

2.8

Op 25 juli 2017 heeft Veilig Thuis vanwege het aantal meldingen onderzoek ingezet. Veilig Thuis heeft het Sociaal Team geadviseerd de Beschermingstafel er bij te betrekken.

2.9

Op 1 augustus 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van het Sociaal Team. Aanwezig zijn klager, de moeder, een medewerker van het Sociaal Team en beklaagde voor Veilig Thuis. Het gesprek is voortijdig gestaakt vanwege onenigheid over het maken van een geluidsopname door klager.

2.10

Op 2 augustus 2017 heeft Veilig Thuis een multidisciplinair overleg gevoerd over de situatie. Veilig Thuis heeft besloten contact op te nemen met de huisarts en de kinderen, klager en de moeder hiervan op de hoogte te stellen en hen de mogelijkheid te bieden gezamenlijk in gesprek te gaan.

2.11

Op 24 augustus 2017 heeft beklaagde samen met beide teamleiders van Veilig Thuis een klachtgesprek met klager gevoerd.

2.12

Op 31 augustus 2017 is de Beschermingstafel bijeen gekomen. Daarbij waren aanwezig beklaagde voor Veilig Thuis, het Sociaal Team, Jeugdbescherming, een medewerker van het Adviesteam van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, een raadsonderzoeker en klager. Het Sociaal Team heeft de RvdK verzocht onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van de kinderen.

2.13

Op 31 augustus 2017 is het raadsonderzoek gestart.

2.14

Op 25 oktober 2017 heeft beklaagde klager een brief gestuurd over de afronding van het onderzoek door Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft de casus overgedragen aan de RvdK en het dossier gesloten.

2.15

Beklaagde is als onderzoeker van Veilig Thuis vanaf 1 augustus 2017 bij klager, de moeder en de kinderen betrokken.

2.16

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2016 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De ontvankelijkheid van de klacht

3.1

Beklaagde heeft in het aanvullende verweer van 18 juni 2018 aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht, omdat klager een zeer dwingende houding heeft, blijft zoeken naar contact en hierop niet is aan te spreken. Voor beklaagde heeft de wijze waarop klager zich heeft opgesteld, geleid tot een verstoring van haar werkzaamheden en zelfs tot een ziekmelding. Beklaagde stelt zich dan ook op het standpunt dat van haar niet meer kan worden verwacht dat zij zich tuchtrechtelijk verantwoordt voor haar professionele handelen. Beklaagde acht het tevens niet alleen voor zichzelf maar ook voor alle jeugdprofessionals van belang om bescherming te kunnen genieten bij grensoverschrijdend gedrag van ouders/betrokkenen, zodat zij het werk, te weten het waken over de veiligheid en beschermen van kinderen, kunnen blijven uitvoeren. Het doel van het tuchtrecht is het College van Toezicht te vragen om een oordeel over professional handelen van beklaagde te geven, zodat dit niet alleen voor de betrokken professional, maar voor de hele beroepsgroep een lerend effect heeft. Het doel van het tuchtrecht zou niet mogen zijn om cliënten de mogelijkheid te geven om te klagen en een podium te bieden voor allerhande opgekropte gevoelens en emoties.

3.2

Naar aanleiding van dit verzoek van beklaagde overweegt het College als volgt. Het College heeft uit het dossier kunnen opmaken dat klager onbegrensd is geweest in zijn gedrag naar beklaagde toe en kan zich voorstellen dat de impact op beklaagde zeer groot is geweest. Aan beklaagde kan naar het oordeel van het College dan ook worden toegegeven dat het haar werkzaamheden niet eenvoudig zal hebben gemaakt en het College betreurt het ten stelligste dat dit zelfs heeft geleid tot een ziekmelding. Het College meent echter dat de grenzen niet in die mate zijn overschreden dat de klacht van klager niet in behandeling kan worden genomen. Klager was onbegrensd in het zoeken van contact en hield zich niet aan de gestelde regels over de wijze van contact, maar klager heeft zich naar het oordeel van het College nimmer zodanig grievend uitgelaten dat hij daarmee de fatsoensnormen overtrad. Naar het oordeel van het College heeft klager ook niet tot doel gehad beklaagde persoonlijk dan wel in de door haar uitgeoefende functie publiekelijk te beschadigen. De klacht is dan ook ontvankelijk.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

De klager klaagt over de gang van zaken gedurende de betrokkenheid van Veilig Thuis bij hem en zijn kinderen. Klager is niet geïnformeerd en er is niet met hem gesproken over de meldingen. Beklaagde heeft hierbij vooringenomen en niet transparant gehandeld. Dat is de essentie van zijn klacht.

4.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.2

Klachtonderdeel I

4.2.1

Klager verwijt beklaagde dat zij niet persoonlijk met klager in gesprek is gegaan om de situatie te bespreken. Ter zitting heeft klager benadrukt dat Veilig Thuis volgens protocol moet werken en hoor en wederhoor moet toepassen. Dat heeft klager in zijn aanvullende klacht van 20 november 2017 ook benadrukt. De escalatie is nu opgezocht met als gevolg dat klager en de moeder niet meer samen in één ruimte kunnen zijn.

4.2.2

Beklaagde voert kort en samengevat het volgende aan. Na het gestaakte gesprek op 1 augustus 2017 is klager meerdere malen uitgelegd dat hij af moest wachten wat er aan de Beschermingstafel besloten zou worden. Klager is verteld dat er een afspraak gemaakt zou worden met zijn kinderen en met de huisarts. Op 24 augustus 2017 heeft beklaagde samen met beide teamleiders van Veilig Thuis een klachtgesprek gevoerd met klager. Dit gesprek is volgens beklaagde positief afgesloten. Beklaagde betreurt het dat later blijkt dat klager terug komt op bepaalde punten en hier blijkbaar last van heeft ervaren.
Tussen het gesprek op 1 augustus 2017 en de Beschermingstafel op 31 augustus 2017 is er regelmatig contact geweest met klager. Klager was in zijn contact dwingend, stelde regelmatig eisen en verwachtte dat er binnen een uur gereageerd zou worden op zijn vele e-mails, WhatsApp berichten, telefoontjes en voicemailberichten. Door de grote hoeveelheid berichten van klager is het niet mogelijk geweest steeds te reageren.

Klager is uitgenodigd voor een gezamenlijk gesprek met de moeder. Ook is hij uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek maar dan wel onder voorwaarden. Die zijn gesteld omdat klager zich regelmatig negatief uitliet over de moeder en er geen oplossing kwam voor de situatie. Ter zitting heeft beklaagde aangevoerd dat zij wel heeft overwogen om aparte gesprekken te voeren. De casus zou echter doorgezet worden naar de Beschermingstafel, waar gesprekken gevoerd zouden gaan worden met klager en de moeder afzonderlijk. Beklaagde wilde nog wel spreken met de kinderen en met de huisarts.

4.2.3

Voor het College staat vast dat beklaagde als onderzoeker van Veilig Thuis betrokken is geraakt op 1 augustus 2017. Zij is op die dag aangesloten bij een vergadering op het kantoor van het Sociaal Team. Op 31 augustus 2017, de dag dat de Beschermingstafel bijeen kwam, is de RvdK verzocht een onderzoek te starten. In die maand, zo blijkt uit het dossier, is er veel contact geweest tussen klager en beklaagde. Uit het dossier en uit de verklaring van beklaagde tijdens de mondelinge behandeling is het College gebleken dat klager wel is aangeboden om in gesprek te gaan, maar dat daar voorwaarden aan zijn gesteld. Beklaagde wilde met klager in gesprek wanneer klager zou reflecteren op zijn aandeel en zijn handelen en niet op het handelen van de moeder. Voorts is klager aangeboden om in gesprek te gaan met Veilig Thuis met de moeder gezamenlijk. Het klachtgesprek dat klager op 24 augustus 2017 heeft gehad met twee teamleiders van Veilig Thuis en met beklaagde was kennelijk niet het inhoudelijke gesprek waar klager behoefde aan had. Het College begrijpt dat klager een persoonlijk gesprek wilde om zijn kant van het verhaal te vertellen. Beklaagde wilde dat alleen voeren onder eerdergenoemde voorwaarden. Het College overweegt dat Veilig Thuis een maatschappelijke en wettelijke taak opgelegd heeft gekregen. Veilig Thuis doet naar aanleiding van een melding onderzoek of er daadwerkelijk sprake is van huiselijk geweld of kindermishandeling. In dat kader dient Veilig Thuis gesprekken met betrokkenen aan te gaan. Vast staat echter dat tijdens het eerste gesprek waar Vellig Thuis op 1 augustus 2017 bij aansloot er onenigheid ontstond omdat klager het gesprek wilde opnemen en de moeder dat niet goed vond. Het gesprek is toen gestaakt. Voor het College staat ook vast dat direct de volgende dag op 2 augustus 2017 binnen het multidisciplinaire overleg bij Veilig Thuis besloten is contact te leggen met de RvdK en gesprekken aan te gaan met de kinderen en met de huisarts. Veilig Thuis heeft klager geïnformeerd dat zij in gezamenlijkheid, dus met zowel klager als de moeder in gesprek wil, tenzij klager individueel zou willen reflecteren op zijn handelen en in gesprek zou willen over zijn eigen aandeel in de strijd en wat hij nodig heeft in de toekomst om niet in conflict te raken. Gelet op de casus en de omstandigheden van het geval acht het College deze beslissing van beklaagde, om klager deze twee mogelijkheden voor te houden, navolgbaar. Daarbij is deze beslissing genomen in overleg met haar collega’s.

4.2.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.3

Klachtonderdeel II

4.3.1

Klager verwijt beklaagde dat zij hem niets heeft verteld over zijn rechten, noch over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Beklaagde heeft klager en de kinderen evenmin gewezen op de mogelijkheid een vertrouwenspersoon te kunnen spreken.

4.3.2

Beklaagde wijst op het gesprek dat zij op 24 augustus 2017 met klager en twee teamleiders heeft gevoerd. Daar is besproken dat klager geen informatiefolder van Veilig Thuis heeft gekregen. Dit komt doordat van de gebruikelijk route is afgeweken. Veilig Thuis is later aangesloten bij een gesprek en is niet begonnen met een huisbezoek. Normaal ontvangen ouders tijdens het huisbezoek de informatiefolder en worden de stappen met ouders besproken. Beklaagde heeft hier tijdens het klachtgesprek haar excuses voor aangeboden en klager alsnog de informatie overhandigd. De stappen die gezet zouden gaan worden, zijn overigens steeds gemeld aan klager en de moeder. Beklaagde verklaart hier als hulpverlener van geleerd te hebben en zal hier in het vervolg beter op letten.
De Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is een leidraad voor de hulpverlener. Bij Veilig Thuis is het niet gebruikelijk cliënten op de Beroepscode te wijzen.
Tot slot heeft beklaagde ter zitting verklaard dat zij klager en de kinderen inderdaad niet heeft gewezen op een vertrouwenspersoon. Zij had dat kunnen doen. Daarentegen heeft zij de kinderen gezegd dat zij een gesprek zouden kunnen krijgen waar zij maar wilden.

4.3.3

Het College heeft kennis genomen van het feit dat de informatiefolder die Veilig Thuis normaal gesproken tijdens het eerste gesprek overhandigt pas tijdens het klachtgesprek van 24 augustus 2017 aan klager is verstrekt. Beklaagde heeft daar in het gesprek haar excuses voor aangeboden. Kennelijk was het delen van de informatie met klager erbij ingeschoten omdat er een afwijkende route is gevolgd. Het College overweegt dat klager eerder geïnformeerd had moeten worden over de werkwijze van Veilig Thuis. Ook als er van de normale route wordt afgeweken, acht het College informatieverstrekking door de hulpverlener van groot belang. Dat klager van alle stappen op de hoogte is gehouden, dat klager tijdens het klachtgesprek alsnog de folder gekregen heeft en dat beklaagde haar excuses heeft aangeboden, maakt het oordeel van het College niet anders. Dit deel van de klacht is derhalve gegrond.
Op het deel van de klacht dat beklaagde klager niet heeft geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is artikel F van de Beroepscode van toepassing. Dat artikel gaat over informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening en luidt als volgt: ‘De jeugdzorgwerker verschaft de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de voor een goede professionele relatie relevante informatie, zoveel mogelijk in een voor de cliënt(en) begrijpelijke taal.’ In de toelichting op dit artikel staat vermeld: ‘Het verschaffen van informatie vindt plaats op basis van wetgeving, kwaliteitskaders, instellingsbepalingen en beroepswaarden. Met informatie op basis van beroepswaarden wordt ten minste bedoeld: … informatie over deze code en het daaraan gekoppelde tuchtrecht …’. Nu vast staat dat beklaagde klager daar niet op heeft gewezen en artikel F van de Beroepscode dit wel vereist, dient de klacht gegrond te worden verklaard. Het College constateert dat het kennelijk geen beleid is binnen Veilig Thuis cliënten te wijzen op de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College is van oordeel dat hier (ook) een verantwoordelijkheid op instellingsniveau ligt. Beklaagde heeft vervolgens ook de tuchtrechtelijke weg gevonden en is door het gebrek aan informatie over de Beroepscode en het tuchtrecht kennelijk niet in zijn belang geschaad.
Vast staat voorts dat klager en de kinderen niet gewezen zijn op de mogelijkheid een gesprek aan te gaan met een vertrouwenspersoon. In de Jeugdwet staat dat alle (pleeg)kinderen, jongeren, (pleeg)ouders en verzorgers die vragen of klachten hebben over jeugdhulp daarvoor terecht moeten kunnen bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 4.1.9 lid 1 Jeugdwet luidt als volgt: ‘De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen de vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen.’ Het College leest hierin niet dat op de jeugdprofessional de verantwoordelijkheid rust om cliënten hierop te wijzen. Beklaagde kan hier naar het oordeel van het College dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

4.3.4

Het klachtonderdeel is deels gegrond.

4.4

Klachtonderdeel III en VI

4.4.1

De klachtonderdelen III en VI gaan erover dat in het dossier dat klager van beklaagde ontvangen heeft slechts twee meldingen staan, terwijl bij de Beschermingstafel en [instelling] van vijf meldingen is uitgegaan. Inhoudelijk zijn deze meldingen ook nooit met klager besproken. Voorts kwam beklaagde snel tot de conclusie dat klager zou moeten veranderen, zonder dat ze met klager gesproken heeft. Is beklaagde vooringenomen?

4.4.2

Beklaagde voert aan dat in het dossier dat is opgestuurd aan klager haar activiteiten als hulpverlener van Veilig Thuis staan opgenomen. De eerdere politiemeldingen, die zijn doorgezet naar het [instelling], zijn ondergebracht in een ander dossier met een ander dossiernummer. Veilig Thuis is een nieuw dossier gestart, vanaf het moment dat besloten werd tot actieve bemoeienis. De eerdere meldingen zijn bij Veilig Thuis echter wel bekend en maakten deel uit van het verzoek tot onderzoek bij de Beschermingstafel[de instelling2]. Van elke melding zijn klager en de moeder per post op de hoogte gesteld, ook voordat Veilig Thuis aansloot. Verder is dit ook meerdere malen telefonisch en in het klachtgesprek met klager besproken. Beklaagde kan zich als hulpverlener voorstellen dat het verwarrend is dat meldingen diverse nummers kunnen hebben, maar zij kan dat persoonlijk niet veranderen. Dat is binnen Veilig Thuis zo geregeld.
De klacht dat de meldingen niet stuk voor stuk inhoudelijk besproken zijn, heeft te maken met het feit dat de eerdere meldingen door het [instelling] zijn opgepakt. Veilig Thuis heeft bij haar eerste gesprek op 1 augustus 2017 verklaard dat alle meldingen bij haar bekend waren. Ook zijn de laatste twee meldingen toen onderwerp van gesprek geweest. Zoals hierboven gemeld, is er vrij snel besloten de RvdK te verzoeken een onderzoek te starten, waardoor het dossier van Veilig Thuis is overgedragen en afgesloten. Aangezien het gesprek op 1 augustus 2017 met klager en de moeder niet afgemaakt kon worden omdat klager de opname van het gesprek niet stop wilde zetten en vervolgens alleen op zijn voorwaarden in gesprek wilde gaan, is het nooit tot een uitgebreid gesprek over de inhoud gekomen.
Tot slot voert beklaagde aan dat zowel klager als de moeder zijn aangesproken op wat zij ieder voor zichzelf zouden kunnen doen om de problemen op te lossen en te komen tot een betere samenwerking. Beklaagde heeft klager in een telefonisch contact gevraagd wat er volgens hem zou moeten veranderen. Klager heeft beklaagde vervolgens op 9 augustus 2017 beschuldigd van partijdigheid. Op 10 augustus 2017 heeft beklaagde klager nogmaals uitgelegd wat zij hiermee bedoelde en dat zij zowel klager als de moeder hierover benaderd heeft. Beklaagde betreurt het dat klager hierdoor het idee zou hebben dat beklaagde partijdig/vooringenomen is en heeft hiervoor in het klachtgesprek haar excuses aangeboden.

4.4.3

Gezien de samenhang tussen de klachtonderdelen III en VI zal het College deze gezamenlijk behandelen. Voor het College staat vast dat er sprake is van vijf zorgmeldingen. Deze zijn gedaan op 28 februari, 23 maart, 12 mei, 6 juni en op 13 juli 2017. Uit het dossier heeft het College opgemaakt dat alle meldingen zijn verstuurd aan klager. Het College acht het dan ook aannemelijk dat klager bekend moet zijn geweest met vijf meldingen. Volgens klager is hij niet gehoord naar aanleiding van de meldingen. Ter zitting heeft klager aangevoerd dat als de melding van 13 juli besproken was, er geen klacht was geweest. Het College overweegt dat uit het gespreksverslag van 1 augustus 2017, dat door beklaagde bij haar verweer is gevoegd, blijkt dat de meldingen daar aan de orde zijn gekomen. Veilig Thuis heeft in dat gesprek aangegeven dat er weer een nieuwe zorgmelding was binnengekomen. Klager heeft daarop gevraagd van wie deze zorgmelding komt. Veilig Thuis heeft daarop geantwoord dat het onderzoek is gestart aan de hand van alle vijf de zorgmeldingen en niet alleen op basis van de laatste melding en dat zij niet in zal gaan op de schuldvraag. Het College vindt in het verslag voldoende aanwijzing dat Veilig Thuis in gesprek wilde gaan over de vijf meldingen. Omdat klager en de moeder elkaar toen niet tegemoet wilden komen, is het gesprek gestaakt. Zoals ook onder klachtonderdeel I is gebleken, is klager daarna aangeboden om een gesprek te hebben met beklaagde, evenwel onder voorwaarden. Ook is klager aangeboden een gesprek te hebben met beklaagde, samen met de moeder. Het College kan klager dan ook niet volgen in zijn klacht en is van oordeel dat hem voldoende kansen geboden zijn.
Ten aanzien van de klacht van klager dat beklaagde vooringenomen zou zijn geweest, stelt het College vast dat dit gaat om de WhatsApp contacten op 9 en 10 augustus 2017. In het WhatsApp bericht van 9 augustus heeft beklaagde klager geschreven dat zij open staat voor een gesprek wanneer klager zijn verhaal wil doen over zijn aandeel en zijn handelen. In een WhatsApp bericht van 10 augustus heeft beklaagde nader verklaard wat zij bedoelde en dat hetzelfde gold voor de gesprekken met de moeder. Beklaagde heeft duidelijk gemaakt dat zij niet met klager in gesprek wil over het handelen van de moeder en andersom. Voorts heeft zij klager gemeld dat er bij de Beschermingstafel met zowel klager als de moeder in gesprek gegaan zal worden. Beklaagde heeft in haar verweer ook aangevoerd dat zij in het klachtgesprek van 24 augustus haar excuses heeft aangeboden, omdat klager dit kennelijk als partijdig heeft opgevat. Het College acht de toonzetting in de bewuste WhatsApp berichten onhandig maar niet partijdig nu moeder hetzelfde bericht heeft ontvangen. Het handelen van beklaagde is niet van dien aard dat zij hiermee een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

4.4.4

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

4.5

Klachtonderdeel IV

4.5.1

Klager verwijt beklaagde dat er geen (zorgvuldige) overdracht is geweest. Er is geen begeleiding en/of nazorg geweest. Ter zitting heeft klager verklaard dat er niemand is aangewezen om de kinderen in de gaten te houden. Dan is er kennelijk geen gevaar en is er ook geen onderzoek nodig.

4.5.2

Beklaagde voert aan dat op 31 augustus 2017 is besloten tot een raadsonderzoek. [instelling] zou betrokken blijven bij de moeder. Klager is hierover ingelicht. Klager en de moeder zouden een uitnodiging ontvangen voor een voorlichtingsbijeenkomst bij de RvdK, de gesprekken met klager en de moeder zouden gepland gaan worden en Veilig Thuis heeft de casus overgedragen aan de RvdK. Vanwege de bemoeienis van de RvdK is het dossier bij Veilig Thuis afgesloten. Dit is mondeling gecommuniceerd en vervolgens heeft beklaagde een afsluitbrief aan klager, de moeder en de kinderen gestuurd. In de afsluitbrief van 25 oktober 2017 staat dat Veilig Thuis overdraagt aan de RvdK. Verder is er uitgelegd dat wanneer klager vragen heeft over de brief of contact wil met Veilig Thuis hij contact kan opnemen met de teamleider. Hieruit is voldoende gebleken dat beklaagde niet meer betrokken was. Na een aantal maanden voert Veilig Thuis altijd een monitoring uit om te kijken hoe het gaat. Dit moment moet nog komen. Ondanks dat ervoor gekozen is om het contact over te dragen aan de teamleiders is Veilig Thuis beschikbaar gebleven voor de vragen van klager. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde nog aangevoerd dat Veilig Thuis onderzoek doet, en in dat kader informanten benadert, maar dat het niet haar taak is om wekelijks contact te onderhouden met de kinderen. Klager wilde enerzijds geen bemoeienis en anderzijds wel bemoeienis.

4.5.3

Voor het College staat vast dat op 31 augustus 2017 aan de Beschermingstafel is besloten om de RvdK te vragen een onderzoek te starten. Dit verzoek is gedaan door [instelling]. Veilig Thuis heeft de casus daarna overgedragen aan de RvdK. Het onderzoek is door Veilig Thuis afgerond. Veilig Thuis heeft klager op 25 oktober 2017 de afsluitbrief verzonden. Het College heeft geconstateerd dat in die brief staat vermeld dat er na drie maanden en na een jaar nog contact opgenomen zal worden met klager en de moeder en de aanwezige hulpverlening. Op de vraag van het College aan beklaagde waarom de afsluitbrief pas op 25 oktober 2017 is verstuurd, heeft beklaagde geantwoord dat dat het gevolg is geweest van haar ziekte. Het College is van oordeel dat het niet meer tot de taken van Veilig Thuis, dan wel van beklaagde behoort, om nadat een casus is overgedragen aan de RvdK nog regelmatig contact met de kinderen te houden. De aangekondigde monitoring na drie maanden en na een jaar behoort wel tot de taken van Veilig Thuis. Daar is klager, door omstandigheden relatief laat, maar wel volledig over geïnformeerd. Beklaagde kan hier geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.

4.5.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.6

Klachtonderdeel V

4.6.1

Klager verwijt beklaagde dat zij gesprekverslagen van de kinderen heeft doorgegeven aan de Beschermingstafel zonder toestemming van klager. In de aanvullende klacht van 13, 14 en 20 november 2017 meldt klager dat ook de toestemming van minderjarige 2 hiervoor ontbrak. Minderjarige 2 heeft het verslag nooit ontvangen en heeft geen akkoord gegeven op de inhoud.

4.6.2

Beklaagde voert aan dat bij de Beschermingstafel de kindgesprekken besproken zijn. Tijdens de kindgesprekken is de kinderen verteld over de Beschermingstafel. De kinderen hebben een brief gestuurd naar klager en de moeder voor de Beschermingstafel. Verder hebben zij beiden los van elkaar aangegeven, dat het delen van de informatie goed was. Minderjarige 1 heeft het verslag gelezen en goedgekeurd. Minderjarige 2 heeft mondeling tijdens het gesprek goedkeuring gegeven. Beklaagde heeft het gespreksverslag ook opgestuurd aan minderjarige 2 met de vraag of zij opmerkingen had. Daar heeft beklaagde geen antwoord op gekregen. Later gaf minderjarige 2 aan het niet gekregen/gelezen te hebben. Het is nogmaals verstuurd en toen heeft minderjarige 2 laten weten dat het verslag goed was. Aangezien de kinderen geboren zijn in 2002 en 2004 hebben zij zelf een belangrijke stem in het wel of niet delen van de door hen gegeven informatie met derden. Verder was klager op de hoogte van het delen van de zorgen over de kinderen bij de Beschermingstafel. Dit is met hem besproken. Veilig Thuis is bevoegd om de informatie uit de gesprekken met de kinderen mondeling aan de Beschermingstafel te delen met de RvdK. De gespreksverslagen zijn niet getoond. Het Sociaal Team had geen contact meer met de kinderen omdat klager daar geen toestemming voor gaf. Derhalve was er geen zicht op de kinderen ondanks dat er meldingen bleven binnenkomen. In dit geval was er sprake van een duidelijk zorgsignaal en wogen de kindfactoren zwaarder. In de gesprekken met de kinderen kwam naar voren dat zij klem zitten in de strijd tussen klager en de moeder.

4.6.3

Het klachtonderdeel bestaat uit twee delen. Klager meent dat zijn toestemming gevraagd had moeten worden voor het delen van informatie uit de gesprekken met de kinderen aan de Beschermingstafel. Voorts heeft klager aangevoerd dat toestemming van minderjarige 2 ontbrak.
Ten aanzien van de toestemming van klager overweegt het College als volgt. Veilig Thuis heeft een wettelijke taak onderzoek in te stellen bij zorgen over de veiligheid. In dat kader mag zij informanten benaderen en gesprekken aangaan met de kinderen. Klager is daar tijdens het gesprek op 1 augustus 2017 over geïnformeerd. Informatie uit deze gesprekken mag Veilig Thuis delen met relevante derden. Het College verwijst naar het Handelingsprotocol van Veilig Thuis, waarin staat dat Veilig Thuis betrokkenen vooraf informeert over externe overleggen, contacten en het verstrekken van informeert maar dat toestemming daarvoor van deze betrokkenen niet vereist is.
Het College constateert dat klager en beklaagde het niet eens zijn over de gang van zaken rond de toestemming van minderjarige 2 voor het delen van haar gespreksverslag aan de Beschermingstafel. Het College overweegt dat klager de klachten onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover er stukken zijn bijgevoegd door klager bieden zij onvoldoende bewijs dat minderjarige 2 door beklaagde niet is geïnformeerd over het verslag. Het College overweegt dan ook dat zij de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de toestemming van minderjarige 2 niet heeft kunnen vaststellen.

4.6.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.7

Klachtonderdeel VII

4.7.1

Klager verwijt beklaagde dat zij niet heeft aangegeven wie de regie heeft in de casus, wie aanspreekpunt is, wie eindverantwoordelijk is en wat het tijdspad is.

4.7.2

Beklaagde verwijst naar het gesprek op 1 augustus 2017, waar Veilig Thuis bij is aangesloten. Beklaagde heeft toen uitgelegd dat zij van Veilig Thuis is en dat zij de kinderen en de huisarts zou gaan spreken. Ook is er uitgelegd dat aan de hand van dat gesprek de verdere stappen bepaald zouden worden, aanmelding bij de Beschermingstafel of niet. Klager en de moeder zijn hier overigens al voor het gesprek door [instelling] van op de hoogte gesteld. In dat gesprek is aan klager en de moeder uitgelegd waarom Veilig Thuis aan zou gaan sluiten. Er was geen verbetering in de situatie en er waren nieuwe meldingen. Na 2 augustus 2017 is, zoals hierboven al benoemd, de zaak door [instelling] doorgezet naar de Beschermingstafel en de RvdK. Veilig Thuis heeft toen besloten om de zaak af te ronden. Dit is ook aan klager en de moeder gecommuniceerd. Klager en de moeder zijn door [instelling] op de hoogte gesteld van de aanmelding bij de Beschermingstafel. Ook is er gecommuniceerd dat Veilig Thuis gesprekken zou aangaan met de kinderen en de huisarts.
Na de Beschermingstafel van 31 augustus 2017 zijn klager en de moeder nogmaals op de hoogte gesteld van de gemaakte afspraken. Veilig Thuis heeft een afsluitbrief gestuurd. Dat de regie vanaf het moment van het starten van het raadsonderzoek bij de RvdK ligt en dat het dossier door Veilig Thuis is afgesloten, is klager doorgegeven. Klager wist ook wie de contactpersoon was. Beklaagde heeft hierin gedaan wat zij kon en met klager zo duidelijk mogelijk gecommuniceerd over wat hij kon verwachten.

4.7.3

Het College overweegt dat beklaagde op 1 augustus 2017 bij het gesprek bij [instelling] is aangesloten. Daar is naar het oordeel van het College voldoende duidelijk gemaakt dat Veilig Thuis zich actief met de casus zou gaan bemoeien. Op 31 augustus 2017 is aan de Beschermingstafel de casus overgedragen aan de RvdK. Bij beide gesprekken is klager aanwezig geweest. In het dossier en uit wat ter zitting is besproken, vindt het College geen aanleiding om te oordelen dat beklaagde aan klager op dit punt onvoldoende duidelijkheid heeft verstrekt. Er zijn meerdere contactmomenten geweest tussen klager en beklaagde.

4.7.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.8

Klachtonderdeel VIII

4.8.1

Klager verwijt beklaagde dat zij hem op maandag 28 augustus 2017 telefonisch heeft verteld dat er niets aan de hand is met de kinderen. Drie dagen later op 31 augustus 2017 heeft beklaagde het verzoek tot onderzoek bij de Beschermingstafel gesteund. Klager vraagt zich af of beklaagde de waarheid heeft gesproken.

4.8.2

Beklaagde voert in haar verweer het volgende aan. Op 28 augustus 2017 heeft Veilig Thuis telefonisch contact gehad met klager. Klager was overstuur en bang dat de kinderen uit huis gehaald zouden worden naar aanleiding van de kindgesprekken. Beklaagde heeft toen gemeld dat er geen acute zorgen waren over de gezondheid en veiligheid van de kinderen, die aanleiding zouden kunnen zijn voor een uithuisplaatsing. Dat betekende niet dat er helemaal geen zorgen waren over de kinderen. Die waren er wel en dit is ook besproken. De kinderen hebben te maken met twee ouders die met elkaar strijden. In deze situatie kwam geen verbetering. Daar maakte Veilig Thuis zich net als [instelling] zorgen over. Dat is de reden dat de zaak is doorgezet naar de Beschermingstafel.

4.8.3

Uit het dossier blijkt volgens het College voldoende dat klager beklaagde heeft gebeld naar aanleiding van het gesprek met zijn kinderen. Hij vroeg zich af of hij zich er zorgen over moest maken dat zijn kinderen direct uit huis gehaald worden. Beklaagde heeft daarop gereageerd dat er nu geen acute zorgen waren over de veiligheid van de kinderen en aangegeven dat klager de Beschermingstafel moest afwachten. Het College overweegt dat het feit dat er geen acute zorgen over de kinderen zijn niet impliceert dat er in het geheel geen zorgen over de kinderen zijn. Het College kan klager dan ook niet volgen in zijn klacht dat beklaagde zou hebben aangegeven dat er niets aan de hand zou zijn met de kinderen. Beklaagde heeft klager slechts gezegd dat er geen acute zorgen waren. Het College kan zich niet voorstellen dat klager op dat moment in de veronderstelling was dat beklaagde als medewerker van Veilig Thuis bedoelde dat er niets aan de hand was met de kinderen. Er lagen vijf zorgmeldingen,  [instelling] en Veilig Thuis waren betrokken en klager wist dat de casus door het Sociaal Team was doorgezet naar de Beschermingstafel. Het College deelt het standpunt van klager dat beklaagde hiermee niet de waarheid zou hebben gesproken dan ook niet.

4.8.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.9

Klachtonderdeel IX

4.9.1

Klager verwijt beklaagde in zijn aanvullende klacht van 20 november 2017 dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt.

4.9.2

Beklaagde is noch in haar verweer van 31 januari 2018, noch in de aanvulling op het verweer van 18 juni 2018 ingegaan op deze aanvullende klacht van klager. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde aangevoerd dat Veilig Thuis bevoegd is gegevens te verwerken. Dat staat vermeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning, verder te noemen: de Wmo.

4.9.3

Het College is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het op juiste en rechtmatige wijze verwerken van persoonsgegevens bij de instelling ligt, waarvoor de jeugdprofessional werkt. In artikel 5.1.6 lid 1 Wmo staat dat Veilig Thuis bevoegd is om persoonsgegevens van hun cliënten te verwerken, om zo de wettelijke opdracht die Veilig Thuis heeft goed uit te kunnen voeren. In deze casus zijn er dan ook geen omstandigheden die het College ertoe brengen om te oordelen dat beklaagde een beroepsverantwoordelijkheid heeft bij het verwerken van persoonsgegevens. Beklaagde heeft hier geen beroepsnorm geschonden.

4.9.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.10

Conclusie

Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat klachtonderdeel II deels gegrond is. Beklaagde heeft ter zitting echter gesteld dat zij geleerd heeft van de omissie klager niet tijdig te informeren over de werkwijze van Vellig Thuis. Hiermee heeft zij gereflecteerd op haar handelen. Voorts had beklaagde klager moeten wijzen op de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Dat beklaagde dat heeft nagelaten, maakt dat artikel F (‘Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening‘) is geschonden. Echter gelet op de overwegingen van het College dat hier (ook) een verantwoordelijkheid ligt op instellingsniveau en dat klager niet in zijn belang is geschaad nu hij de weg naar de tuchtrechter heeft gevonden, is er sprake van een geringe verwijtbaarheid.
Voor de overige klachtonderdelen komt het College tot de slotsom dat beklaagde in lijn met de beroepsnorm heeft gehandeld en dat haar geen tuchtrechtelijk verwijten gemaakt kunnen worden. Beklaagde heeft zich naar aanleiding van een vraag van het College ter zitting afgevraagd of, als zij anders had gehandeld, het ook anders was gelopen. Zij heeft verklaard dat niet te verwachten. Klager is, zo is het College uit het dossier gebleken, onbegrensd geweest in het zoeken naar contact. Het College kan zich voorstellen dat dat de samenwerking niet eenvoudig heeft gemaakt. Het College heeft ook begrip voor de positie van klager en zijn klachten, die, naar het College voorkomt, meer te maken hebben met het systeem dan met de wijze waarop hij vindt dat beklaagde heeft gehandeld.
Nu het College de verwijtbaarheid bij het deels gegronde klachtonderdeel II gering vindt, beklaagde heeft gereflecteerd op het eigen handelen en het bovendien gaat om een eenmalige misslag, legt zij geen maatregel op.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel II deels gegrond;
– verklaart alle overige klachtonderdelen ongegrond;
– legt aan beklaagde geen maatregel op.

Aldus gedaan door het College en op 15 augustus 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege mevrouw mr. E.C. Abbing
voorzitter secretaris