Klacht over de raadsonderzoeker die de klager als ouder met gezag niet betrokken heeft bij het onderzoek en informatie heeft achtergehouden.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
de heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot,
mevrouw I. de Jongh-Stols, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [locatie], hierna te noemen: RvdK.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. H.M.Th. de Pont, werkzaam als advocaat te Tilburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 27 oktober 2017, met de aanvulling hierop van 14 december 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 24 januari 2018, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van twee kinderen, geboren op [datum] 2002, hier te noemen: minderjarige 1, en geboren op [datum] 2004, hierna te noemen: minderjarige 2, gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en de moeder van de kinderen zijn sinds 2017 uit elkaar. Klager en de moeder hebben gezamenlijk gezag.

2.3

Er is een omgangsregeling vastgesteld; de kinderen verblijven deels bij klager en deels bij de moeder.

2.4

Op 31 augustus 2017 is de Beschermingstafel bijeen gekomen. Daarbij waren aanwezig een medewerker van het Adviesteam van de RvdK, beklaagde, Veilig Thuis, [instelling], Jeugdbescherming en klager. Het Sociaal Team heeft de RvdK verzocht onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van de kinderen.

2.5

Op 31 augustus 2017 is het onderzoek gestart en is beklaagde aangewezen als raadsonderzoeker.

2.6

Op 14 september 2017 heeft beklaagde klager een huisbezoek gebracht. Dit bezoek is voortijdig gestaakt als gevolg van een verschil van mening over het tekenen van een formulier over de wijze van gebruik van geluidsopnamen.

2.7

Op 22 september 2017 is in een multidisciplinaire overleg besloten om een tweede raadsonderzoeker aan het onderzoek toe te voegen. Dat is de medebeklaagde in zaak 17.128Tb. Bij brief van 22 september 2017 is klager over dit besluit geïnformeerd. Tevens is in die brief gemeld dat er met de kinderen zal worden gesproken en is klager om toestemming gevraagd informanten te benaderen. Klager heeft tot 1 oktober 2017 de tijd gekregen daarop te reageren.

2.8

Op 27 oktober 2017 heeft de teameider van de RvdK een brief aan klager gestuurd met de mededeling dat het onderzoek afgerond had moeten zijn op 26 oktober 2017. De teamleider heeft in zijn brief vermeld dat de termijn als gevolg van de moeizame communicatie niet is gehaald en dat hij verwacht dat het onderzoek binnen twee maanden klaar zal zijn.

2.9

Op 17 januari 2018 heeft klager een gesprek gevoerd met de directeur van de RvdK. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de directeur besloten het vervolgonderzoek uit te laten voeren door de RvdK [locatie].

2.10

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klager klaagt over de gang van zaken rondom de uitvoering van het raadsonderzoek naar de opvoedingssituatie van de kinderen. Klager is als ouder met gezag niet betrokken bij het raadsonderzoek en informatie is voor hem achtergehouden. Dat is de essentie van zijn klacht.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

Klachtonderdeel I en II

3.2.1

De klachtonderdelen I en II gaan samengevat en zakelijk weergegeven over het volgende. Beklaagde heeft klager en de kinderen vooraf niet geïnformeerd over het doel, de werkwijze en het tijdspad van het raadsonderzoek. Beklaagde heeft klager voorts niet geïnformeerd over de vorderingen van het onderzoek.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat, buiten dat klager uitgebreide informatie heeft ontvangen van de voorzitter van de Beschermingstafel, het steeds zijn bedoeling is geweest klager voorlichting te geven over het raadsonderzoek. Dat had moeten gebeuren tijdens het eerste gesprek dat met klager gepland stond op 14 september 2017. Dat gesprek is echter gestaakt, waardoor klager op dat moment niet is geïnformeerd over het doel, de werkwijze en het tijdspad. Klager heeft de RvdK nog op dezelfde dag gevraagd een andere raadsonderzoeker aan te stellen. De teamleider heeft klager op 15 september 2017 een brief geschreven dat beklaagde heeft gehandeld volgens de geldende instructies en dat er geen aanleiding is om hem te vervangen. Na 14 september 2017 heeft klager niet meer met beklaagde willen communiceren. Die situatie heeft geleid tot een multidisciplinair overleg op 22 september 2017. Daar is besloten een tweede raadsonderzoeker aan het onderzoek toe te voegen. De tweede raadsonderzoeker heeft vervolgens de communicatie met klager onderhouden en beklaagde steeds op de hoogte gehouden van de voortgang en de besluiten. Op 22 september 2017 is klager hierover schriftelijk geïnformeerd.

3.2.3

Het College zal gezien de samenhang van de klachtonderdelen deze gezamenlijk beoordelen. Vast staat dat het raadsonderzoek op 31 augustus 2017 feitelijk van start is gegaan. Binnen een week, namelijk op 6 september 2017, is er tussen klager en beklaagde een afspraak ingepland voor 14 september 2017. Die afspraak is voortijdig afgebroken, omdat klager het gesprek wilde opnemen en er geen overeenstemming werd bereikt over de voorwaarden waaronder dit zou plaatsvinden. Hierna heeft klager niet meer met beklaagde willen praten. Uit het dossier is voorts gebleken dat zowel in de brief van 15 september 2017 als in de brief van 22 september 2017 klager is gewezen op de website van de RvdK, waar hij nadere informatie kon vinden over doel, werkwijze en tijdspad van het raadsonderzoek. Voorts is op 22 september 2017 vanwege de communicatieproblemen tussen klager en beklaagde een tweede raadsonderzoeker toegevoegd, die klager vervolgens op de hoogte heeft gehouden van het onderzoek. Het College is van oordeel dat klager gedurende het onderzoek van de RvdK voldoende is geïnformeerd. Beklaagde valt op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.2.4

Beide klachtonderdelen zijn ongegrond.

3.3

Klachtonderdeel III

3.3.1

Klager verwijt beklaagde in het derde klachtonderdeel dat hij is weggelopen tijdens het gesprek op 14 september 2017 bij klager thuis. De reden was dat klager het gesprek op wilde nemen. Beklaagde eiste dat klager daarvoor een formulier zou ondertekenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager aangevoerd dat beklaagde hem niets op kan leggen. Klager heeft vanaf het begin gezegd dat hij geluidsopnamen zou gaan maken om het gesprek zelf terug te kunnen luisteren en het met zijn advocaat te kunnen bespreken. Later heeft de interne Klachtencommissie ook geoordeeld dat hier geen schriftelijke afspraken over gemaakt hoefde te worden. Klager is zich ervan bewust dat hij de opname niet mag publiceren, maar hij mag het wel delen.

3.3.2

Beklaagde voert aan dat klager aan het begin van het gesprek op 14 september 2017 te kennen heeft gegeven een geluidsopname te willen maken voor eigen gebruik en voor overleg met zijn vertrouwenspersoon of advocaat, of om te laten horen aan de rechtbank. Geheel in overeenstemming met de tot dan toe gebruikelijke praktijk bij de RvdK heeft beklaagde klager verzocht om een formulier te ondertekenen. Daarin stonden de voorwaarden waaronder geluidsopnamen mochten worden gemaakt. Klager heeft dat geweigerd. Hoewel beklaagde in de veronderstelling was dat het ondertekenen van een formulier een harde eis was, heeft hij overwogen om het maken van geluidsopnamen toe te staan op basis van een mondelinge afspraak. Ter zitting heeft beklaagde aangevoerd dat hij bij nader inzien wellicht milder had kunnen zijn. Echter de communicatie met klager, zoals die had plaatsgevonden voorafgaande aan het gesprek op
14 september was van dien aard, dat het in de optiek van beklaagde noodzakelijk was om een schriftelijke afspraak te maken. Daarin is beklaagde ook steeds gesteund door zijn leidinggevende. Hoewel het inmiddels binnen de RvdK beleid is dat volstaan, kan worden met het maken van mondelinge afspraken kan aan beklaagde geen verwijt gemaakt worden over zijn houding en opvatting in deze.

3.3.3

Het College overweegt dat er ten aanzien van de geluidsopnamen die klager tijdens het gesprek op 14 september 2017 wilde maken, gewerkt is volgens de geldende werkinstructies binnen de RvdK. Het is gerechtvaardigd dat voorafgaand aan een opname van een gesprek afspraken gemaakt worden over onder meer het gebruik van de opname. In casu was daar des te meer reden voor omdat klager beklaagde zonder diens instemming had toegevoegd aan een WhatsApp-groep. Nadat beklaagde klager had laten weten dat hij niet toegevoegd wilde worden aan een dergelijke groep, heeft klager dit toch nogmaals gedaan. Onder deze omstandigheden is het begrijpelijk dat beklaagde duidelijke afspraken over het gebruik van geluidsopnamen wilde maken met klager. Er kan beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt dat hij conform de toen geldende werkinstructies binnen de RvdK deze afspraken schriftelijk wilde maken.

3.3.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4

Klachtonderdeel IV

3.4.1

Klager verwijt beklaagde dat hem niet is gevraagd of hij akkoord gaat met het benaderen van informanten. Ter zitting heeft klager benadrukt dat hij geen brief heeft ontvangen over het benaderen van informanten. Tevens voert klager tijdens de mondelinge behandeling aan dat hij zelf ook informanten wilde laten horen, maar dat daar niet op is gereageerd.

3.4.2

Beklaagde voert aan dat hij klager op 22 september 2017 schriftelijk heeft gemeld dat hij en zijn collega informanten wilden gaan benaderen, om zo een beter beeld te krijgen van de situatie en het functioneren van de kinderen. Aan de klager is toestemming gevraagd genoemde informanten te benaderen. Zou er geen toestemming worden gegeven, dan zouden de informanten daarvan op de hoogte worden gesteld. In de brief is klager tevens gewezen op de website van de RvdK en voornamelijk op de passages over ‘Hoe verloopt een raadsonderzoek’ en ‘Informatie van mensen die het kind of het gezin goed kennen’. Als reactie op de aanvulling van klager ter zitting dat ook hij informanten heeft aangedragen, heeft de gemachtigde van beklaagde aangevoerd dat dat geen onderdeel van de oorspronkelijke klacht is en derhalve buiten beschouwing gelaten dient te worden.

3.4.3

Vast staat dat op 22 september 2017 aan klager een brief is verstuurd, waarin hij is geïnformeerd over de informanten die beklaagde en zijn mede-raadsonderzoeker wilden gaan benaderen, en waarin klagers toestemming is gevraagd. Klager heeft daarvoor tot 1 oktober 2017 de tijd gekregen, zo is het College uit de brief gebleken. Klager stelt deze brief niet ontvangen te hebben. Het College is van oordeel dat dit beklaagde niet aangerekend kan worden. Het is algemeen geaccepteerd om te communiceren door middel van het verzenden van brieven. Gezien de betrouwbaarheid van de postbezorging mag in beginsel ook aangenomen worden dat een brief de geadresseerde zal bereiken.
Het College zal verder niet ingaan op de aanvulling van de klacht met de stelling dat niet is gereageerd op klagers verzoek informanten te horen. Klager heeft dit pas ter zitting naar voren gebracht. Beklaagde heeft zich hierop niet kunnen voorbereiden en zich derhalve op dit punt niet goed kunnen verweren.
Beklaagde heeft naar het oordeel van het College voldoende gedaan om klager te informeren over de informanten en heeft klager tevens om toestemming gevraagd. Beklaagde valt ter zake geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.4.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5

Klachtonderdeel V

3.5.1

Klager verwijt beklaagde dat hij hem niet heeft geïnformeerd dat er een nieuwe collega raadsonderzoeker aan het onderzoek is toegevoegd en wat de reden hiervan is geweest.

3.5.2

Beklaagde verwijst hier naar het verweer onder de klachtonderdelen I en II. Daarin is nader ingegaan op het multidisciplinaire overleg op 22 september 2017 en de beslissing die toen genomen is een tweede raadsonderzoeker aan het onderzoek toe te voegen. Ter zitting heeft beklaagde aangevoerd overwogen te hebben zich terug te trekken. De teamleider wilde daar echter geen gevolg aan geven.

3.5.3

Zoals hiervoor vermeld, staat vast dat beklaagde klager op 22 september 2017 een brief heeft gestuurd, waarin staat dat beklaagde het onderzoek zal voortzetten maar dat er vanaf die dag een tweede raadsonderzoeker is toegevoegd. De tweede raadsonderzoeker heeft de brief mede ondertekend. Hiermee heeft beklaagde klager hieromtrent voldoende geïnformeerd. Hem kan geen enkel tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.

3.5.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6

Klachtonderdeel VI

3.6.1

Klager verwijt beklaagde dat hij van het raadsonderzoek is buitengesloten. Ter zitting heeft klager verklaard dat hij niet meer met andere raadsonderzoekers in gesprek wilde omdat zijn klachten intern al werden behandeld. Dat aanbod was in zijn ogen te laat.

3.6.2

Beklaagde verweert zich kort samengevat als volgt. Beklaagde heeft klager, ook na
14 september 2017, niet buiten het onderzoek gelaten. Beklaagde heeft klager wel begrensd in zijn communicatie. Zo heeft beklaagde klager verschillende keren laten weten niet inhoudelijk via WhatsApp te willen communiceren, maar wel via de gewone post, telefoon en e-mail. Daarop heeft klager op 5 september 2017 aan beklaagde gemeld dat hij niet langer per e-mail bereikbaar was. Na deze melding heeft klager beklaagde toegevoegd aan een voor hem onbekende WhatsApp-groep. Beklaagde heeft deze WhatsApp-groep onmiddellijk verlaten en klager laten weten dat hij niet toegevoegd wilde worden aan een dergelijke groep. Klager heeft dit echter toch nogmaals gedaan. Beklaagde heeft klager vervolgens geblokkeerd. Daarna is alle communicatie van beklaagde naar klager per brief gegaan. Vanaf het moment dat de collega raadsonderzoeker bij het onderzoek betrokken is geraakt, heeft zij de communicatie met klager overgenomen. In het onderzoek is klager steeds in de gelegenheid gesteld met de raadsonderzoekers in gesprek te gaan. Na het mislopen van het gesprek op 14 september 2017 is klager op 11 oktober 2017 schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek. De collega raadsonderzoeker heeft klager op 13 oktober per e-mail in de gelegenheid gesteld een afspraak te maken. Op 23 oktober en op 11 december 2017 is klager opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. Klager wilde daar niet meer op ingaan.

3.6.3

Het College overweegt dat uit het dossier voldoende is gebleken dat er steeds getracht is met klager inhoudelijk in gesprek te komen. Dat is helaas niet gelukt. Over en weer zijn er voorwaarden gesteld. Echter, ook nadat de RvdK haar voorwaarden had versoepeld, is klager niet ingegaan op een uitnodiging voor een inhoudelijk gesprek. Klager is een gesprek met andere raadsonderzoekers aangeboden, maar daar is klager eveneens niet op ingegaan. Het College is van oordeel dat klager voldoende gelegenheid is geboden zijn mening te geven. Beklaagde heeft hier in de ogen van het College niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het College acht de handelswijze van beklaagde in deze navolgbaar.

3.6.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7

Klachtonderdeel VII

3.7.1

Klager verwijt beklaagde in zijn aanvullende klacht van 14 december 2017 dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt.

3.7.2

Beklaagde is in zijn verweer van 24 januari 2018 niet ingegaan op deze aanvullende klacht van klager. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde aangevoerd dat hij niet verantwoordelijk is voor het versturen van de standaardbrief over de verwerking van persoonsgegevens. De administratie van de RvdK verstuurt dergelijke brieven.

3.7.3

Het College is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het op juiste en rechtmatige wijze verwerken van persoonsgegevens bij de instelling ligt, waarvoor de jeugdprofessional werkt. In deze casus zijn er geen omstandigheden die het College ertoe brengen om te oordelen dat beklaagde tekort is geschoten in de informatievoorziening. Beklaagde heeft hier dan ook geen beroepsnorm geschonden.

3.7.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 15 augustus 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege mevrouw mr. E.C. Abbing
voorzitter secretaris