Een preventief jeugdwerker heeft de vader onjuist geadviseerd over de verblijfplaats van een van zijn zoons. Ten aanzien van het dossier is zowel de wijze van opstellen onvolledig geweest als de (informatie)verstrekking.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw J.J.M. Wouters, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N.J. Antonissen, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam geweest als preventief jeugdwerker bij [organisatie], hierna te noemen: [organisatie], als een van de participanten binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin, hierna te noemen: het CJG, te [plaatsnaam].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als gedragswetenschapper bij [organisatie 2] te [plaats].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 17 november 2017, met de bijlagen;
– de aanvulling op het klaagschrift van 18 december 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 21 februari 2018, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 juni 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder van de zijde van klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een vertrouwenspersoon van Zorgbelang [provincienaam] aanwezig geweest. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een collega aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van twee minderjarige zoons, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. De oudste zoon is geboren in 2001 en de jongste zoon in 2003.

2.2

Klaagster en de vader van de kinderen zijn al een aantal jaar uit elkaar, het contact tussen hen verloopt moeizaam. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klaagster en de vader. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij klaagster en omgang met de vader.

2.3

De oudste zoon meldt zich in juni 2016 bij zijn schoolmaatschappelijk werkster met zorgen over klaagster. Uit de door beklaagde overgelegde tijdlijn blijkt dat de schoolmaatschappelijk werkster hierover kennelijk naar het CJG op 17 juni 2016 mailt dat de zoon vertelt dat het de laatste tijd minder goed gaat met klaagster; dat ze drinkt, de halve dag op de bank ligt en daar ’s nachts ook regelmatig slaapt.

2.4

In het teamoverleg van het CJG wordt besloten dat beklaagde vanaf 17 juni 2016 de casus oppakt als preventief jeugdwerker, in het vrijwillige kader, om te inventariseren wat de hulpvraag is of zou kunnen zijn van klaagster en de vader.

2.5

Op 5 juli 2016 zoekt de vader ook contact met zijn maatschappelijk werker van [organisatie] vanwege zijn eerder gemaakte melding in januari 2016 met zorgen om de kinderen. Hierna wordt besloten dat ook een casemanager jeugd van [organisatie] aan de casus wordt toegewezen, omdat “preventieve hulpverlening” niet aansloot bij de problematiek (tussen klaagster en de vader). Op verzoek van de casemanager jeugd blijft beklaagde bij de casus betrokken, met name vanwege de werkdruk van de casemanager jeugd. Beklaagde en de casemanager jeugd gaan samen in gesprek met klaagster, de vader en de kinderen. Het doel van deze gesprekken is de aard en ernst van de zorgen in kaart te brengen en bespreekbaar te maken. In de samenwerking is het de casemanager jeugd die de regie voert.

2.6

Beklaagde en de casemanager jeugd hebben eerst afzonderlijke gesprekken met klaagster, de vader en de kinderen gevoerd. Op 23 november 2016 vindt een gesprek met de kinderen plaats. In dit gesprek laat de jongste zoon weten dat hij meer bij de vader wil zijn, maar dat hij dit niet tegen klaagster durft te vertellen.

2.7

Op 21 december 2016 is een gezamenlijk gesprek tot stand gekomen tussen beklaagde, de casemanager jeugd, klaagster en de vader. In dit gesprek wordt besproken wat de kinderen nodig hebben om rust en veiligheid te ervaren. Aan klaagster en de vader wordt samengevat verteld dat de kinderen buiten de problematiek van de ouders gehouden dienen te worden.

2.8

Op 22 december 2016 heeft klaagster om 01:45 uur naar de casemanager jeugd gemaild dat zij met spoed contact zoekt. Klaagster laat diezelfde ochtend in het telefoongesprek met de casemanager jeugd weten dat de jongste zoon heeft laten weten dat hij bij de vader wil wonen en dat zij hierop boos heeft gereageerd. Afgesproken wordt dat begin januari 2017 nader contact wordt gezocht, omdat op 18 januari 2017 een gezamenlijk gesprek gepland staat waar de kinderen mogelijk bij kunnen aansluiten. De casemanager jeugd is vanaf deze dag tot 2 januari 2017 afwezig vanwege vakantie, de gedragswetenschapper van het CJG neemt haar taken waar.

2.9

Er volgen in de kerstvakantie incidenten, waardoor beklaagde meerdere contactmomenten heeft met de kinderen, klaagster en de vader. Een van de incidenten is dat klaagster na het gesprek van 21 december 2016 onrust bij de kinderen heeft veroorzaakt door tegen hen te zeggen dat ze uithuisgeplaatst worden door het CJG. Naar aanleiding van de incidenten heeft beklaagde op 23 december 2016 overlegd met de gedragswetenschapper. Samengevat adviseert de gedragswetenschapper dat de escalatie in het gezin alleen te doorbreken is wanneer de vader zijn verantwoordelijkheid als (de mede met het gezag belaste) ouder neemt en de jongste zoon bij hem laat wonen. Beklaagde koppelt dit advies in een telefoongesprek op 23 december 2016 aan de vader terug.

2.10

Beklaagde stelt dat zij op 30 december 2016 de hulpverlening aan het gezin in zijn geheel overgedragen heeft aan de casemanager jeugd. Beklaagde heeft aldus in de periode van 17 juni 2016 tot en met 30 december 2016, als preventief jeugdwerker, hulpverlening geboden aan het gezin in het vrijwillig kader.

2.11

Nadat de kinderen in de tweede helft van de kerstvakantie, vanaf 1 januari 2017, bij de vader verblijven (in het kader van de “omgangsregeling”), laat de vader aan klaagster op 6 januari 2017 per e-mailbericht weten dat de jongste zoon vanaf dan bij hem blijft wonen. Hierna heeft klaagster weinig contact met de jongste zoon.

2.12

Op 30 maart 2017 vindt, op verzoek van klaagster, een oplossingsgesprek plaats tussen klaagster en de casemanager jeugd. Beklaagde is op verzoek van de casemanager jeugd ter ondersteuning aanwezig tijdens dit gesprek. Klaagster liet zich in dit gesprek ondersteunen door een medewerker van Zorgbelang [provincienaam].

2.13

Uit het logboek van 30 maart 2017 blijkt dat tijdens voornoemd gesprek met klaagster besproken wordt dat het CJG het gezin wil doorverwijzen naar [instelling], met name om de contacten tussen ouders en de kinderen te herstellen. Ten behoeve van deze hulpverlening schrijft beklaagde een aanvraag jeugdhulp.

2.14

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [registratiedatum] 2016 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ. Sinds [registratiedatum 2] 2018 is beklaagde als jeugd- en gezinsprofessional bij SKJ geregistreerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster neemt het beklaagde in de kern kwalijk dat zij samen met haar collega, de casemanager jeugd, de vader heeft geadviseerd zijn verantwoordelijkheid te nemen door de jongste zoon bij hem te laten wonen. Klaagster meent dat zij als moeder opzij is gezet.

3.1.4

Het College overweegt dat beklaagde bij SKJ geregistreerd is sinds [registratiedatum] 2016. Het College onthoudt zich daarom van een inhoudelijk oordeel voor wat betreft de klachten betrekking hebben op gedragingen van beklaagde die hebben plaatsgevonden voor de genoemde registratiedatum. Het College zal bij de beoordeling van de klachten dan ook uitgaan van de periode vanaf [registratiedatum] 2016.

3.1.5

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde neemt klaagster niet serieus, luistert niet en is niet neutraal.
Beklaagde heeft op 23 december 2016 aan de vader het advies gegeven om de jongste zoon bij zich te houden. Dit advies is niet met klaagster besproken. Beklaagde heeft dit advies gegeven nadat zij met een gedragswetenschapper had gesproken. De gedragswetenschapper heeft op basis van het dossier besloten dat de jongste zoon het best bij zijn vader kon verblijven, terwijl er informatie over de klaagster in het dossier mist. Klaagster meent dat het beklaagde, door het geven van een dergelijk advies aan de vader, te verwijten is dat de jongste zoon vanaf januari 2017 niet meer bij klaagster woont. Beklaagde heeft volgens klaagster ook nagelaten grondig onderzoek naar de situatie te doen, klaagster is immers ten tijde van het advies niet gehoord. Klaagster vraagt zich tot slot af waarom zij niet op de hoogte gebracht is van de grote zorgen die kennelijk over haar bestonden en waarom er geen verzoek is ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming, als de zorgen zo groot waren. Alles wat zich heeft afgespeeld vanaf 6 januari 2017, is zeer traumatisch voor klaagster geweest. Dat is het gevolg geweest van het handelen van beklaagde.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde geeft aan dat vanaf juni 2016 telkens geprobeerd is om met beide ouders in contact te komen over de gemelde zorgen van de vader en de oudste zoon. Alhoewel de kinderen aanvankelijk aangaven 50/50 bij de ouders te willen wonen, gaf de jongste zoon in december 2016 aan bij de vader te willen wonen. Beklaagde stelt dat zij gedaan heeft wat zij kon, ook al betrof het werk geen preventief jeugdwerk. Zij heeft telkens opengestaan voor de contacten met de ouders, maar ook naar de kinderen in een benarde situatie “tussen de ouders in”. Beide kinderen zochten uit zichzelf contact met beklaagde tijdens de escalerende situatie in december 2016.
Beklaagde vindt het vervelend voor klaagster dat de jongste zoon na 6 januari 2017 niet thuis is gekomen, en dat klaagster dit als traumatisch heeft ervaren. Beklaagde heeft de vader tijdens de crisissituatie in december 2016, na advies van de gedragswetenschapper, gewezen op zijn verantwoordelijkheid als vader: als hij zich zorgen maakte dat hij, in overleg met klaagster, voor zijn zoon kon en moest beslissen. Beklaagde heeft dat besluit niet voor de vader genomen en de verantwoordelijkheid bij de vader gelaten.

3.2.3

Het College overweegt als volgt:
Uit de toelichting op het klachtonderdeel, het verweer en op grond van het behandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is het voor het College voldoende duidelijk dat klaagster in dit klachtonderdeel beklaagde verwijt dat zij op 23 december 2016 aan de vader het advies heeft gegeven, inhoudende dat, wanneer de vader zich zorgen maakte, hij zijn verantwoordelijkheid kon en moest nemen door zijn jongste zoon bij hem te laten wonen. Klaagster meent dat beklaagde klaagster niet meegenomen heeft in dit advies en dat beklaagde hierdoor niet neutraal heeft gehandeld.
Het College neemt in het oordeel allereerst mee dat tussen partijen niet in geschil is dat, ten tijde van de betrokkenheid van beklaagde, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij klaagster was.
Het is het College verder uit het verweerschrift van beklaagde gebleken dat zij, vanuit haar functie preventief jeugdwerker, normaal gesproken bij een nieuwe aanmelding de inventarisatie uitvoert, inhoudende drie tot vijf gesprekken met de betrokkenen voeren. Uitgangspunt van deze hulpverlening is dat ouders bereid zijn mee te werken, omdat in het preventieve deel er nog mogelijkheden bestaan om de ontstane situatie op te lossen. Wanneer dan uit de inventarisatie bleek dat er geen preventieve hulpvraag bij betrokkenen is, maar er nog steeds zorgen zijn, er opgeschaald werd naar de casemanager jeugd. In deze casus concludeert het College dat er geen sprake geweest is van de inzet van “preventieve hulpverlening”, gelet op de problematiek die tussen ouders al geruime tijd aanwezig was en de inzet van de casemanager jeugd. Beklaagde heeft in dit verband desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de casus om die reden, al bij aanvang van de hulpverlening, niet onder haar werkzaamheden, als zijnde preventief jeugdwerker, had behoren te vallen. Om deze reden was kennelijk de afspraak in deze casus dat de casemanager jeugd de regie had. Dit neemt niet weg dat beklaagde (tuchtrechtelijk) verantwoordelijk gehouden kan worden voor haar handelen, hetgeen beklaagde ook tijdens de mondelinge behandeling erkend heeft.
Tijdens de afwezigheid van de casemanager jeugd, vanaf 22 december 2016, is de gedragswetenschapper van het CJG als haar waarnemer aangesteld. Tijdens deze afwezigheid vinden vervolgens een aantal incidenten plaats waardoor beklaagde contact heeft met de kinderen, de vader, klaagster en de gedragswetenschapper. Voor wat betreft het advies dat beklaagde aan de vader heeft gegeven, leest het College in een brief van beklaagde en de casemanager jeugd d.d. 10 maart 2017 aan klaagster en de vader het volgende: “Het CJG heeft tegen [de vader] gezegd dat [klaagster] de kinderen emotioneel belast in gesprekken met hen en dat [de vader] zijn verantwoordelijkheid kon nemen door [de jongste zoon] bij hem te laten zijn.” In de door beklaagde overgelegde tijdlijn van gebeurtenissen, welke zij geschreven heeft naar aanleiding van de ingediende klacht, leest het College voorts het volgende: “Het advies van de gedragswetenschapper op grond van bovenstaande is:
-het lukt de hulpverlening niet om de communicatie tussen de ouders te verbeteren;
-m.n. moeder weigert te erkennen dat er een vraag is, of dat er problemen zijn, uitkomsten van gesprekken worden naar de kinderen toe verdraaid waardoor de spanning bij de kinderen toeneemt;
-de kinderen duidelijk hebben aangegeven de huidige situatie tussen ouders heel slecht verdragen;
-de spanningen dermate opgelopen zijn bij [de jongste zoon] dat hij niet meer bij zijn moeder wil wonen; Op dit moment kan verdere escalatie in het gezin alleen doorbroken worden wanneer vader ‘zijn verantwoordelijkheid als met gezag belaste ouder’ neemt en [de jongste zoon] bij hem laat wonen. Eventueel kan later het hoofdverblijf via de rechtbank gewijzigd worden. In een telefoongesprek met vader koppelt [beklaagde] dit advies terug aan vader. Er is op dat moment geen andere mogelijkheid om de ontstane situatie te doorbreken.”
Het College is van oordeel dat het gegeven advies niet strookt met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub a en b van het Burgerlijk Wetboek stelt de rechtbank een regeling vast, in het geval ouders samen niet tot overeenstemming komen, op verzoek van de ouders of één van hen, betreffende een toedeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: omgangsregeling) en/of bij welke ouder een jeugdige zijn hoofdverblijfplaats heeft. Naar het oordeel van het College had in dit geval het advies dan ook moeten luiden dat de vader de rechtbank diende te verzoeken een dergelijke regeling (opnieuw) vast te stellen. Een ouder, in dit geval de vader, maakt zich immers schuldig aan overtreding van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht wanneer hij zich niet houdt aan de vastgestelde omgangsregeling en de jeugdige opzettelijk onttrekt aan het ouderlijk gezag van de andere ouder. Het kan evenwel voorkomen dat sprake is van een ernstig zorgelijke situatie, en de jeugdprofessional een afweging dient te maken of direct ingrijpen noodzakelijk is. Wanneer blijkt dat de zorgen niet kunnen worden wegnomen met behulp van het netwerk, de inzet van ambulante hulpverlening of een vrijwillige plaatsing, dient de betrokken jeugdprofessional dan de Raad voor de Kinderbescherming in te schakelen zodat kan worden overgegaan tot het verzoeken van een voorlopige ondertoezichtstelling, in combinatie met een spoed machtiging tot uithuisplaatsing. Het College verwijst in dit verband ook naar de richtlijn “Crisisplaatsing”. Beklaagde heeft echter tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat in deze casus geen sprake was van een dergelijke crisissituatie.
Het College overweegt dat beklaagde het onjuiste advies aan de vader heeft gegeven, nadat zij daarover een terugkoppeling gekregen had van de gedragswetenschapper. Gelet op de functie “preventief jeugdwerker” van beklaagde, had het naar het oordeel van het College nooit tot de bevoegdheden van beklaagde mogen behoren om de vader in en over een dergelijke kwestie te adviseren. Het College acht het handelen van beklaagde haar echter wel te verwijten, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van een jeugdprofessional en het gegeven dat alle professionals die bij het bieden van jeugdhulp (en jeugdbescherming) worden ingezet, vakbekwaam dienen te zijn en over de juiste kennis en vaardigheden dienen te beschikken conform de ‘norm van de verantwoorde werktoedeling’, die volgt uit het Besluit Jeugdwet. Naar het oordeel van het College dienen de wettelijke kaders, zoals in het vorengaande geschetst, onderdeel te zijn van de kennis van een jeugdprofessional.
Het College concludeert dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de voor haar geldende professionele standaard door aan de vader een advies te geven welke in strijd is met wettelijke kaders en acht dit handelen een schending van artikel B (bevordering deskundigheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Voorts is het College voldoende gebleken dat klaagster in dit advies niet is meegenomen en niet is gehoord, althans door beklaagde zijn geen stukken overgelegd waaruit dit zou blijken, hetgeen naar het oordeel van het College een schending oplevert van artikel E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College wil beklaagde in dit verband wijzen op de richtlijn “Scheiding en problemen van jeugdigen”, waarin onder meer in hoofdstuk vijf tools worden aangereikt hoe de samenwerking met beide ouders aan kan worden gegaan. Beklaagde heeft met dit handelen het vertrouwen van klaagster in de jeugdzorg niet bevorderd, hetgeen strijdig is aan artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Tot slot is het College van oordeel dat beklaagde onvoldoende de grenzen van haar eigen expertise heeft erkend door werkzaamheden boven haar functie te verrichten, hetgeen strijdig is aan artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College heeft evenwel oog voor de functie van beklaagde, en het gegeven dat zij vanuit haar functie had mogen vertrouwen op het oordeel van de gedragswetenschapper, alsook de context van de (nieuwe) organisatie waarin zij werkzaam is geweest. Het is voor het College voldoende duidelijk geworden dat in deze jonge organisatie nog niet alles vlekkeloos verliep, kaders onvoldoende aanwezig bleken te zijn, en dat dit eraan heeft bijgedragen dat beklaagde gevraagd is om bij de casus betrokken te blijven ondanks haar functie als “preventief jeugdwerker”. Het College acht het voornoemde verzachtende omstandigheden van het handelen van beklaagde en zal dit meenemen in de op te leggen maatregel, hetgeen volgt in de conclusie onder 3.9.

3.2.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde geeft onvoldoende inzage in het dossier. Aan klaagster is tijdens het oplossingsgesprek van 30 maart 2017 toegezegd dat zij een overzicht zou krijgen van de mails en contactjournaals van de periode voor 6 januari 2017. In plaats van dat contactjournaals aan klaagster zijn toegezonden, is haar op 7 april 2017 een contactoverzicht toegestuurd. In dit overzicht leest klaagster niet terug wat er met haar is besproken en welke afspraken zijn gemaakt. Beklaagde heeft steeds gezegd dat met klaagster is besproken dat de jongste zoon bij de vader wil wonen en dat er zorgen in de opvoedsituatie bij klaagster waren, dat hierover gemaild is en dat klaagster ondersteuning is geboden. Klaagster stelt dat zij zich dit niet kan herinneren en dit ook niet terug ziet in de door haar opgevraagde contactjournaals. Dit maakt klaagster onzeker en maakt haar aan het twijfelen.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Zowel klaagster als de vader hebben het logboek ontvangen, de informatie uit het registratiesysteem van het CJG. Dossiers worden gemaakt op naam van de kinderen, klaagster heeft zelf geen dossier. Beide ouders hebben recht op afgifte. Klaagster geeft aan dat zij op sommige momenten twijfelt aan haar geheugen. De gesprekken met klaagster zijn door beklaagde en de casemanager jeugd samen gevoerd. Het is hen gebleken dat klaagster gesprekken inderdaad niet goed onthoudt en verdraait. Bijzonder pijnlijk bleek dit op 23 december 2016, toen klaagster haar kinderen vertelde dat ze uit huis zouden worden geplaatst door het CJG. De waarheid van klaagster is anders dan die van beklaagde, de casemanager jeugd en de vader die bij dit gesprek aanwezig waren. Dit heeft de situatie doen escaleren rondom de jongste zoon.

3.3.3

Het College overweegt als volgt:
Het College leest in de overgelegde stukken dat beklaagde aan klaagster naar aanleiding van het gesprek van 30 maart 2017, op diens verzoek, op 7 april 2017 een e-mailcorrespondentie en een lijst heeft toegestuurd met een overzicht van de contactmomenten met klaagster, de vader en de kinderen. Het College is het met klaagster eens dat uit deze lijst niet blijkt wat tijdens deze momenten met de betrokkenen is besproken, het betreft slechts een feitelijk overzicht van de data van contactmomenten. Als reactie hierop vraagt klaagster per e-mailbericht op 12 en 20 april 2017 (nogmaals) aan beklaagde en de casemanager jeugd wat inhoudelijk is besproken tijdens deze momenten en dat zij ervan uitgaat dat contactjournaals zijn bijgehouden. Op 25 april 2017 wordt door de casemanager jeugd, met beklaagde in de cc van dit bericht, aan klaagster gecommuniceerd dat klaagster niet over de werkaantekeningen kan beschikken. Vervolgens vraagt klaagster om een afschrift van het gehele dossier, dit doet zij per brief aan het CJG d.d. 3 mei 2017. Het dossier wordt na dit verzoek uiteindelijk aan klaagster (en de vader) beschikbaar gesteld. Het College kan uit de stukken niet vaststellen op welke datum dit aan klager beschikbaar is gesteld.
Het bevreemdt het College dat aan klaagster, na meerdere uitdrukkelijke verzoeken hiertoe, in eerste instantie niet het overzicht beschikbaar is gesteld van de contactjournaals of een overzicht van wat inhoudelijk met haar is besproken. Het kan zijn dat werkaantekeningen niet tot het dossier behoren, zoals de casemanager jeugd in de mail aangeeft, dit doet echter niet af aan het recht dat klaagster heeft tot inzage en afschrift van het dossier op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet, waartoe contactjournaals onderdeel van uitmaken. Een belangrijk uitgangspunt in de hulpverlening is immers openheid richting de cliënt, onderdeel van deze openheid is dat elke cliënt recht heeft om na te kunnen gaan of en zo ja, op welke wijze, gegevens over hem of haar worden verwerkt. Op grond van voornoemd artikel dient de jeugdhulpverlener aan de betrokkene daarom desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van het dossier te verstrekken, of delen daarvan. Deze verstrekking kan slechts achterwege blijven voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. Van een dergelijke uitzondering is in deze casus niet gebleken, te meer omdat klaagster uiteindelijk, nadat zij vasthield aan haar verzoek, wel een afschrift van het dossier heeft gekregen.
Het College acht de informatieverschaffing aan klaagster op 25 april 2017 betreffende haar rechten aangaande (delen van) het dossier onvolledig, net als het aan klaagster op 7 april 2017 toegestuurde overzicht van contactmomenten. Het College acht deze onvolledige informatieverschaffing aan klaagster niet in lijn met de daarvoor gestelde wettelijke bepalingen van de Jeugdwet en is van oordeel dat dit een schending van artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker oplevert. Nu uit de stukken blijkt dat zowel beklaagde als de casemanager jeugd met klaagster hebben gecommuniceerd aangaande het al dan niet verstrekken van een afschrift van (delen van) het dossier c.q. de contactjournaals, acht het College beide professionals hiervoor verantwoordelijk.

3.3.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.4

Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft de privacy van klaagster geschonden. In mei 2017 heeft beklaagde namelijk aan de vader laten weten dat klaagster het dossier heeft opgevraagd. De vader hoeft dit niet te weten en hierdoor heeft beklaagde ten onrechte informatie met de vader gedeeld. Voorts blijkt uit de stukken dat de vader precies hetzelfde dossier als klaagster heeft gekregen. Dit betekent dat de vader ook stukken heeft gekregen die niet voor hem van toepassing zijn, zoals een weergave van het oplossingsgesprek dat klaagster heeft gevoerd met beklaagde en de casemanager jeugd op 30 maart 2017.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Dossiers worden gemaakt op naam van de kinderen. Beide ouders (en in dit geval ook de kinderen) hebben recht op afgifte. Klaagster had zelf geen dossier bij het CJG.
Beklaagde heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat het voorts binnen de instelling de afspraak is dat de betrokken gedragswetenschapper het dossier doorneemt en beoordeelt of er eventueel informatie uit de dossiers verwijderd dient te worden, op grond van de privacy van een van de ouders. Het is dan ook de gedragswetenschapper geweest die besloten heeft dat aan beide ouders een afschrift van hetzelfde dossier kon worden verstrekt. Beklaagde heeft daar, gelet op haar functie, niet in mee besloten.

3.4.3

Het College overweegt als volgt:
Allereerst wordt beklaagde in dit klachtonderdeel verweten dat zij aan de vader heeft laten weten dat klaagster het dossier heeft opgevraagd. Het College leest in een contactjournaal van 9 mei 2017 van beklaagde hierover het volgende: “mail contact [vader], dat [klaagster] inzage dossier vraagt, dat hij daar ook recht op heeft. [Vader] wil gebruik maken van dit recht. Dossier wat [klaagster] krijgt, zal [vader] ook krijgen, zodat beide ouders dezelfde informatie hebben- dit ook na overleg met de gedragswetenschapper [naam gedragswetenschapper] CJG.” De informatievoorziening aan de vader over zijn recht op inzage en afschrift van het dossier is volgens het College een juiste uitoefening van artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College is het evenwel met klaagster eens dat het bij deze informatievoorziening niet nodig was geweest om aan de vader te laten weten dat klaagster reeds het dossier had opgevraagd. Het College acht het handelen van beklaagde echter geen schending van een tuchtrechtelijke norm en acht het daarnaast verklaarbaar in het kader van transparantie en openheid richting beide ouders.
Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangegeven dat zij beklaagde met name het tweede onderdeel van de klacht verwijt, namelijk dat aan de vader hetzelfde dossier is verstrekt en dat daarmee haar privacy is geschonden. Het College is het met klaagster eens dat delen van het dossier, welke slechts betrekking hebben op haar, zoals een weergave van het oplossingsgesprek dat zij gevoerd heeft op 30 maart 2017, niet verstrekt hadden moeten worden aan de vader. Dit vloeit voort uit artikel 7.3.10 van de Jeugdwet waarin is bepaald dat verstrekking van delen van het dossier achterwege blijft voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de privacy van een ander. Dat wil zeggen dat een ouder slechts recht heeft op de gegevens over de ouder zelf, en niet van de andere ouder, naast dat de ouder recht heeft op de gegevens in het kader van de geboden hulpverlening aan de kinderen. Beklaagde heeft echter tijdens de mondelinge behandeling voldoende aannemelijk gemaakt dat zij binnen de instelling niet de bevoegdheid had om te besluiten over de samenstelling van het dossier en over welke delen van het dossier aan de ouders verstrekt diende te worden. Het College acht deze stellingname van beklaagde, als zijnde preventief jeugdwerker, navolgbaar, onder meer gelet op het juridische karakter en de privacyregels die gelden bij het verstrekken (van delen) van een dossier. Beklaagde valt naar het oordeel van het College om deze reden in dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.4.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.5

Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
De werkwijze van beklaagde. Beklaagde heeft in mei 2017 eenzijdige informatie gebruikt voor de aanvraag jeugdhulp. De gebruikte informatie is niet door klaagster aangeleverd en omschreven. Zij heeft de hulp ook niet aangevraagd; haar hulpvraag was om op een fijne goede manier weer in contact te komen met de jongste zoon. Beklaagde heeft hierin onzorgvuldig gehandeld en klaagster in de aanvraag weggezet als een persoon die zij niet is.
Voorts is klaagster van mening dat beklaagde respectloos, onzorgvuldig en ongevoelig heeft gehandeld door op de aanvraag als adres van de jongste zoon het adres van de vader te vermelden. Klaagster vindt dit pijnlijk, en meent dat opgenomen had kunnen worden dat het hoofdverblijf van de jongste zoon bij klaagster is en dat hij bij de vader verblijft.
Verder verwijt klaagster beklaagde dat zij de reden en verantwoordelijkheid van het niet thuiskomen van de jongste zoon bij klaagster neerlegt en niet bij zichzelf.
Voorts heeft beklaagde het verhaal van klaagster niet vermeld, maar zaken die niet getoetst zijn. Zo is in de aanvraag vermeld: “de afspraak is afgezegd door [klaagster]”, terwijl de reden van afzegging -klaagster wilde eerst alleen met de jongste zoon praten over wat er gebeurd was, en niet direct met de vader erbij en zijn broer- ten onrechte niet wordt genoemd. Klaagster wordt ten onrechte weggezet als een alcoholische slechte moeder.
Voorts staat in de aanvraag dat er sprake is van een ‘jarenlange slechte verzorging”, maar is onduidelijk over wie het gaat. Klaagster neemt beklaagde kwalijk dat zij geen verantwoordelijkheid heeft genomen te herstellen wat zij in gang heeft gezet, te weten een letterlijke verwijdering van de jongste zoon.

3.5.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft de casemanager jeugd ondersteund met de aanvraag jeugdhulp, met de informatie die zij toen tot haar beschikking had. Voor een aanvraag is vereist dat de adresgegevens worden toegevoegd. Op dat moment was de jongste zoon volledig woonachtig bij de vader. De gemeente wil deze informatie op de aanvraag vermeld hebben.
Het CJG heeft uitsluitend geprobeerd om ouders in het belang van hun kind te laten communiceren, ook nadat de jongste zoon bij de vader was gaan wonen. Aan klaagster zijn verschillende gesprekken aangeboden. Gezien de ernst van de situatie voor de kinderen en het uitblijven van verbetering, is door het CJG opgeschaald en is besloten geïndiceerde jeugdhulp in te zetten van [instelling].

3.5.3

Het College overweegt als volgt:
Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde het verloop, van hoe de aanvraag jeugdhulp tot stand is gekomen, voldoende helder uiteengezet. De aanvraag jeugdhulp is in concept door beklaagde en de casemanager jeugd opgesteld en vervolgens aan klaagster (en de vader) voorgelegd. Nadat klaagster aangegeven had het niet eens te zijn met (delen van) de aanvraag, is de aanvraag in samenspraak met klaagster door de casemanager jeugd herschreven. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat ze akkoord was met de herschreven aanvraag, welke ook door haar is ondertekend. Het College is van oordeel dat klaagster in het geschetste verloop voldoende is meegenomen en de mogelijkheid heeft gekregen om haar zienswijze naar voren te brengen door aan te mogen geven op welke punten de aanvraag herschreven diende te worden. Deze gang van zaken acht het College in lijn met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

3.5.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6

Klachtonderdeel V

3.6.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het dossier is onvolledig. Beklaagde werkt niet meer voor het CJG en het CJG bestaat ook niet meer in [plaatsnaam]. Zulks terwijl klaagster veel onbeantwoorde vragen heeft. Volgens de nieuwe medewerker van de [stichting] (de opvolger van het CJG) kan zij geen antwoord geven op de vragen van klaagster omdat dit niet terug te vinden is in het dossier.

3.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het registratiesysteem waarmee gewerkt werd, had niet de functies om een volledig dossier bij te houden, maar slechts de mogelijkheid om bestanden te uploaden en het bijhouden van een logboek. Vanuit haar functie, preventief jeugdwerker, heeft beklaagde het dossier bijgehouden zoals dat was afgesproken met de casemanager jeugd en de gedragswetenschapper.

3.6.3

Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft dossiervorming en het verwerken van persoonsgegevens is het uitgangspunt als volgt. Op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet is de jeugdhulpverlener verplicht om een dossier in te richten met betrekking tot de jeugdhulpverlening, dit geldt slechts voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkene noodzakelijk is. Voorts dienen persoonsgegevens op grond van artikel 11 lid 1 en 2 van de Wet Bescherming Persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld en verwerkt, juist, nauwkeurig en ter zake dienend en niet bovenmatig te zijn. Tot slot dient verslaglegging en dossiervorming plaats te vinden conform de beroepsstandaard, gelet op de toelichting van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.
Beklaagde heeft erkend dat er geen volledig dossier is bijgehouden en heeft hier als reden voor gegeven dat het registratiesysteem beperkt is geweest. Alhoewel het systeem wellicht beperkt was, is het College van oordeel dat blijkens de stukken het systeem afdoende was om een volledig dossier op te kunnen bouwen door middel van het zorgvuldig en volledig bijhouden van het genoemde logboek. Het had volgens het College op de weg van zowel beklaagde als de casemanager jeugd gelegen om onder meer gespreksverslagen en e-mailcorrespondentie in het logboek op te nemen, waarvan klaagster voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat dit niet (volledig) is gebeurd, hetgeen beklaagde niet heeft betwist. De overgelegde stukken lezende, is het College het met klaagster eens dat door deze wijze van dossiervorming een eenzijdig beeld in het dossier is ontstaan, waarin klaagsters visie onvoldoende naar voren komt. Het College concludeert dat de dossiervorming niet heeft plaatsgevonden conform de daarvoor gestelde wettelijke bepalingen van de jeugdwet en is van oordeel dat dit een schending is van artikel M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, gelet op voornoemde toelichting behorend bij dit artikel.

3.6.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.7

Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Op 17 november 2016 spreekt beklaagde in een e-mailbericht, met de casemanager jeugd in de cc van dit bericht, over het sluiten van het dossier, terwijl vervolgens de situatie in december 2016 escaleert doordat de jongste zoon bij de vader gaat wonen. Klaagster meent dat beklaagde hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld.

3.7.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde en de casemanager jeugd hebben er alles aan gedaan om ouders in contact met elkaar te brengen om de zorgen van en over de kinderen met elkaar te bespreken en een hulpverleningstraject te starten. Klaagster stond hier helaas niet voor open. In de escalerende situatie heeft beklaagde de gedragswetenschapper mee laten kijken en besluiten over te nemen stappen in contact met de ouders en kinderen.

3.7.3

Het College overweegt als volgt:
In de overgelegde e-mail van 17 november 2016 leest het College dat beklaagde en de casemanager jeugd graag met de kinderen in gesprek willen, om hierna te overleggen over de vervolgstappen of om het dossier af te sluiten. Het College is van oordeel dat de escalerende situatie in december 2016, losstaat van deze inschatting in november. Het is het College voldoende aannemelijk geworden dat het in november 2016 een redelijke verwachting was dat het dossier mogelijk gesloten kon worden. Beklaagde valt hierin aldus volgens het College geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.7.4

Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

3.8

Klachtonderdeel VII

3.8.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Klaagster verwijt beklaagde dat zij haar onheus bejegend heeft door haar als handelingsonbekwaam weg te zetten. Waarop is het beeld dat beklaagde schetst van klaagster gebaseerd? Beklaagde zegt dat zij het echt met klaagster besproken heeft, maar dit is nergens terug te vinden in het dossier. Klaagster is door beklaagde ontzettend slecht en onprofessioneel behandeld.

3.8.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist dat zij achter de rug van klaagster om heeft gehandeld. Er is volgens beklaagde veelvuldig telefonisch contact geweest met klaagster. Wat de situatie lastig maakte, was dat de kinderen erg leden onder de situatie. Dit kon niet met de ouders gezamenlijk besproken worden, want klaagster nam dit niet serieus. De kinderen zochten daarover zelf contact met anderen, waaronder beklaagde. Zij durfden hierover niet (meer) te communiceren met klaagster. Beklaagde heeft evenwel begrip voor het verdriet van klaagster, maar zij zag ook de kinderen en de vader lijden onder de situatie.
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling voorts aangegeven dat zij altijd gepoogd heeft klaagster met respect te behandelen maar erkent dat zij ten tijde van de escalerende situatie in december 2016 mogelijk anders had kunnen handelen, maar dat tegelijkertijd zoveel gebeurde waarop zij direct diende te handelen.

3.8.3

Het College overweegt als volgt:
Het College stelt allereerst vast dat reeds in klachtonderdeel I is geoordeeld dat klaagster in december 2016 onvoldoende is meegenomen in het door beklaagde gegeven advies aan de vader en daarin niet is gehoord. Voorts is in klachtonderdeel V geoordeeld dat een eenzijdig beeld in het dossier is ontstaan, waarin klaagsters visie onvoldoende naar voren is gekomen. Het College kan begrijpen dat klaagster zich door dit handelen onheus bejegend voelt. Nu over deze punten echter al een oordeel is gegeven, zal het College dit niet meenemen voor de beoordeling van dit klachtonderdeel.
Voor het overige heeft beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, tezamen met de casemanager jeugd, getracht heeft zowel klaagster, de vader als de kinderen mee te nemen in het traject van de hulpverlening. Hetgeen, gelet op de vaak tegenstrijdige belangen van de betrokkenen en de gebeurtenissen die plaatsvonden in december 2016, niet altijd even makkelijk was. Daarnaast leidt het College uit de overgelegde stukken af dat met de betrokkenen veelvuldig contact is geweest. Tot slot heeft het College er oog voor dat klaagster zelf niet altijd openstond voor de aangeboden hulpverlening, hetgeen de samenwerking ook heeft bemoeilijkt. Het College concludeert dat beklaagde, voor wat betreft de bejegening naar klaagster, dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.

3.8.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.9

Conclusie

3.9.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen I, II en V een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Beklaagde heeft in december 2016 het advies aan de vader gegeven dat hij zijn verantwoordelijkheid moest nemen door zijn jongste zoon bij zich te houden, ondanks de vastgestelde hoofdverblijfplaats bij klaagster en de geldende omgangsregeling met de vader. Dit advies strookt naar het oordeel van het College niet met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Beklaagde heeft klaagster voorts in dit advies onvoldoende meegenomen en haar hierin niet gehoord. Daarnaast is klaagster onvolledig geïnformeerd betreffende haar recht op afschrift van het dossier en is aan haar op 7 april 2017 een onvolledig overzicht van contactmomenten toegestuurd. Tot slot is volgens het College sprake geweest van onvoldoende dossiervorming, waardoor een eenzijdig beeld is ontstaan waarin klaagsters visie onvoldoende is vastgelegd.
Het College heeft echter oog voor de functie van beklaagde en de context waarin zij werkzaam is geweest, namelijk een nieuwe organisatie waarin kaders onvoldoende aanwezig bleken te zijn. De hulpverlening die beklaagde geboden heeft, is volgens het College bovendien niet passend geweest bij haar functie als “preventief jeugdwerker”, hetgeen beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht erkend heeft. Bij de op te leggen maatregel neemt het College voorts in overweging dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht ook blijk gegeven heeft van voldoende reflecterend vermogen door haar eigen professionele verantwoordelijkheid te benadrukken. Het College wil beklaagde in dit kader evenwel wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van een geregistreerd professional, waarvan verwacht wordt dat de professional op de hoogte is van relevante wet- en regelgeving en de voor hem geldende professionele standaard; de Beroepscode en richtlijnen. Middels dit oordeel hieromtrent beoogt het College bij te dragen aan een verdere bewustwording hierover, ook binnen de beroepsgroep.
Gelet op het verwijtbaar handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen, maar de functie van beklaagde, de context van de instelling en het reflecterend vermogen van beklaagde in ogenschouw genomen, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen III, IV, VI en VII ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen I, II en V gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 8 augustus 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris