Klacht tegen gedragswetenschapper over het afnemen van een IQ-test bij een minderjarige en het verspreiden van deze test, zonder de toestemming van de moeder (klaagster).

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw drs. B.J. van Leeuwen, lid-beroepsgenoot,
de heer drs. M. Faas, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als gedragswetenschapper bij het Centrum voor Jeugd- en Gezin, hierna te noemen: het CJG.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. K.T.B. Salomons, werkzaam bij [advocatenkantoor] te Den Haag.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 8 december 2017;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 11 december 2017, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 29 januari 2018, met de bijlagen;
– de door de gemachtigde van beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 23 april 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder aan de zijde van beklaagde zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht haar teammanager en een collega van haar gemachtigde aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van een dochter. De dochter is geboren in 2005.

2.2

Ten tijde van het handelen dat beklaagde wordt verweten, was klaagster belast met het ouderlijk gezag over de dochter. De ouders waren niet bij elkaar en de dochter woonde bij klaagster. De verstandhouding tussen klaagster en de vader van de dochter was verstoord. De vader had (en heeft) op regelmatige basis contact met zijn dochter.

2.3

Blijkens het gezinsplan van het CJG (versie november 2015) heeft Veilig Thuis het gezin aangemeld bij het CJG vanwege verschillende zorgmeldingen van de politie. Deze meldingen gaan over gewelddadige conflicten tussen klaagster en de vader, waar de dochter (mogelijk) getuige van was.

2.4

Beklaagde is binnen het CJG werkzaam als gedragswetenschapper en is bij de casus betrokken geraakt tijdens de besprekingen in het zogenoemde jeugdteam van het CJG. Op 1 maart 2016 is door beklaagde bij de dochter een intelligentieonderzoek afgenomen, te weten de WISC-III, hierna te noemen: IQ-test. De bevindingen van deze IQ-test zijn vastgelegd in het schrijven genaamd: “Verslag screenend onderzoek”, van maart 2016. Als reden voor aanmelding van de IQ-test wordt het volgende op pagina 1 van voornoemd verslag vermeld: “[De betrokken gezinscoach vanuit het CJG] meldt [de dochter] aan voor screenend onderzoek. [De dochter] is recent van school gewisseld, omdat er problemen waren op haar oude school ([naam school 1]). Deze problemen gingen over het contact met haar juffrouw waarbij het wederzijds vertrouwen geschaad was. Haar nieuwe school ([naam school 2]) wil graag weten wat het cognitief niveau van [de dochter] is en hoe haar intelligentieprofiel is opgebouwd, zodat ze haar beter kunnen begeleiden.”

2.5

Het is het College gebleken dat op 17 maart 2016 de dochter voorlopig onder toezicht is gesteld en dat op die datum een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de dochter verleend is. Na de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van twee weken is de dochter terug bij klaagster geplaatst. De (voorlopige) ondertoezichtstelling is nadien verlengd.

2.6

Op 12 april 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden bij de gecertificeerde instelling (die belast is geweest met de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling), hierna te noemen: de GI, om de uitkomsten van de IQ-test te bespreken. Bij dit gesprek was, naast beklaagde en klaagster, een hulpverlener van Ambulante Spoed Hulp aanwezig. De betrokken gezinsvoogd was afwezig, vanwege ziekte.

2.7

Op 14 april 2016 heeft een gesprek op de dochters school plaatsgevonden tussen beklaagde en de dochter, om de uitkomsten van de IQ-test te bespreken.

2.8

Beklaagde is als pedagoog sinds [datum] 2015 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster verwijt beklaagde – in de kern samengevat – dat zij in maart 2016 een IQ-test heeft afgenomen bij haar dochter, zonder toestemming van klaagster. Deze IQ-test heeft in haar dochters nadeel gewerkt en veel ellende veroorzaakt, zoals een (onterechte) machtiging tot uithuisplaatsing. Ook is het verslag van de IQ-test, zonder toestemming van klaagster, verspreid onder derden. Beklaagde heeft voorts tijdens de betrokkenheid van het CJG geen behandelplan voor de dochter opgesteld.

3.1.4

Het College dient te beoordelen of beklaagde – als geregistreerde pedagoog – is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het handelen wat beklaagde verweten wordt, heeft zich afgespeeld in 2016. Gelet hierop zal het College het handelen van beklaagde toetsen aan de toen geldende professionele standaard; de Beroepscode van de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen uit 2008, hierna te noemen: de Beroepscode NVO, en de richtlijnen.

3.1.5

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Schending van de privacy omdat, zonder de toestemming van klaagster, door beklaagde een IQ-test bij de dochter is afgenomen op 1 maart 2016. Beklaagde heeft voorts nagelaten te controleren of klaagster toestemming verleend had, hetgeen zij wel had moeten doen.

Toelichting:
Niet alleen heeft klaagster geen toestemming verleend voor het afnemen van de IQ-test bij de dochter door beklaagde, het onderzoeksverslag betreffende de IQ-test is voorts door beklaagde negatief opgemaakt teneinde een machtiging tot uithuisplaatsing te verkrijgen. Klaagster meent dat in het onderzoeksverslag negatief uiteengezet is hoe zij haar dochter naar het CJG heeft gebracht alsmede hoe het contact was tussen klaagster en haar dochter en tussen beklaagde en de dochter, klaagster verwijst hiervoor naar de passage onder het kopje “Observaties” op pagina 1 en 2 van het verslag.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het afnemen van de IQ-test is op 24 februari 2016 met klaagster besproken door de intern begeleider van de dochters nieuwe school en de betrokken gezinscoach vanuit het CJG. Ook in het door klaagster ondertekende gezinsplan is onder “afspraken” te lezen dat de gedragswetenschapper van het CJG een IQ-test bij de dochter zou gaan afnemen. Bovendien heeft klaagster de dochter zelf naar het CJG gebracht op 1 maart 2016 voor het onderzoek, zodat beklaagde meent dat zij ervan uit kon gaan dat klaagster instemde met het afnemen van de IQ-test bij de dochter. Klaagster heeft immers tijdens het brengen van de dochter geen bezwaar kenbaar gemaakt.
Beklaagde betwist dat zij het onderzoeksverslag bewust negatief opgemaakt zou hebben, teneinde een machtiging tot uithuisplaatsing te verkrijgen. Ten tijde van het onderzoek waren er zorgen over de ontwikkeling van de dochter, maar werd nog niet gedacht aan een machtiging tot uithuisplaatsing. Dit heeft dan ook geen invloed gehad op het afnemen van de IQ-test dan wel op het onderzoeksverslag. Het doel van het onderzoek was slechts het cognitieve niveau van de dochter vast te stellen. Beklaagde meent overigens dat bij herlezing van het verslag (ook collegiaal) niet gebleken is van negatieve bewoording. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan volgens beklaagde noodzakelijk zijn, maar is nimmer een doel op zich. Betreffende de observaties die in het verslag te lezen zijn, geeft beklaagde aan dat het gebruikelijk is in een onderzoeksverslag om te beschrijven hoe een kind tijdens het onderzoek gezien wordt. Als hier opvallende zaken te zien zijn, kan dat namelijk van invloed zijn op de resultaten van de test die afgenomen wordt. Hetgeen klaagster in de klacht aanhaalt, is een feitelijke beschrijving van wat beklaagde die ochtend bij de dochter gezien heeft. Beklaagde meent dan ook dat het verslag volgens de professionele standaard is opgemaakt.

3.2.3

Het College overweegt als volgt:
Betreffende de vereiste toestemming van klaagster voor het afnemen van de IQ-test bij de dochter, overweegt het College als volgt. Beklaagde is op 1 maart 2016, door het afnemen van een intelligentieonderzoek (de IQ-test), een zogeheten professionele relatie met de dochter aangegaan. Op grond van artikel 12 van de Beroepscode NVO is toestemming van de cliënt vereist voor het aangaan van een professionele relatie. Omdat de dochter ten tijde van het onderzoek echter tien jaar oud was, kon op grond van artikel 12 juncto artikel 5, derde lid, van de Beroepscode NVO worden volstaan met het verkrijgen van toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger van de dochter, te weten klaagster. Alhoewel klaagster stelt dat zij de vereiste toestemming voor het afnemen van de IQ-test niet verleend heeft, treft het College in het dossier voldoende aanwijzingen aan om vast te kunnen stellen dat deze toestemming wel door klaagster is verleend. Het College overweegt daartoe als volgt. In het door klaagster ondertekende gezinsplan van het CJG (versie november 2015) wordt immers op pagina 7 vermeld: “Gedragswetenschapper van het CJG neemt IQ onderzoek af bij [de dochter] op verzoek van de nieuwe school [naam school 2]”. Als datum voor deze afspraak wordt 1 maart 2016 op dezelfde pagina vermeld. Het College is het voorts met beklaagde eens dat zij ervan uit mocht gaan dat klaagster instemde met het afnemen van het onderzoek, nu het klaagster is geweest die de dochter naar de afspraak gebracht heeft. De door klaagster aangevoerde stelling tijdens de mondelinge behandeling bij het College, inhoudende dat het voor haar niet duidelijk was dat een IQ-test bij de dochter zou worden afgenomen, is volgens het College niet houdbaar nu in de overgelegde contactjournaals, alsmede in het gezinsplan, steeds gesproken wordt van het afnemen van “een IQ onderzoek” bij de dochter. Aangaande het toestemmingsvereiste heeft beklaagde aldus naar het oordeel van het College gehandeld conform de professionele standaard. Het College verklaart dit deel van het klachtonderdeel ongegrond.
Klaagster verwijt beklaagde voorts dat zij het verslag van de IQ-test negatief heeft opgesteld, teneinde een machtiging tot uithuisplaatsing te verkrijgen. Klaagster verwijst hiervoor naar de passage onder het kopje “Observaties” op pagina 1 en 2 van het verslag. Het College is het echter met beklaagde eens dat het gangbare praktijk is dat hetgeen door de onderzoeker wordt waargenomen tussen ouder(s) en kind, wordt opgenomen in het verslag. Het College heeft in het de aangehaalde passage, alsook in de rest van het verslag van de IQ-test, geen negatieve bewoording kunnen constateren en klaagster heeft naar het oordeel van het College onvoldoende duidelijk gemaakt welke bezwaren zij heeft tegen de opgenomen passages. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde, met de gekozen bewoording in het verslag, geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.

3.2.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Het verstrekken van de opgevraagde informatie (het College begrijpt: het verslag van de IQ-test) aan derden.

Toelichting:
Beklaagde heeft het verslag betreffende de IQ-test opgeslagen op de zogenoemde S-schijf van het CJG, welke toegankelijk is voor gedragswetenschappers. Klaagster meent dat het verslag alleen ingezien mag worden door ouders, zoals omschreven staat op de eerste pagina van het verslag. Voorts heeft beklaagde op 12 april 2016, zonder de toestemming van klaagster, het verslag overhandigd aan de betrokken jeugdbeschermer van de dochter. Tot slot is beklaagde op 14 april 2016, wederom zonder de toestemming van klaagster, naar de dochters school geweest om de uitkomst van de IQ-test met de dochter te bespreken.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Over het opslaan van het verslag van de IQ-test op de S-schijf, merkt beklaagde op dat het niet toegestaan is het verslag op te slaan in het digitale dossier (van de minderjarige), omdat het dan inzichtelijk zou zijn voor alle gezinscoaches. Het is echter voor de betrokken hulpverleners van belang te weten waar het verslag te vinden is. Om deze reden staat in het dossier vermeld waar het verslag van de IQ-test te vinden is en is het tevens toegankelijk voor collega-gedragswetenschappers, in het geval de betrokken gedragswetenschapper niet (meer) werkzaam zou zijn bij het CJG.
Beklaagde betwist dat klaagster geen toestemming gegeven heeft voor het delen van het verslag van de IQ-test met de betrokken jeugdbeschermer. Klaagster heeft hiervoor tijdens het gesprek mondeling haar toestemming gegeven, zoals te lezen is in het gezinsdossier in de rapportageregel van 12 april 2016. Volledigheidshalve merkt beklaagde op dat, ook zonder toestemming van klaagster, de wettelijke verplichting bestaat om op eigen beweging of op verzoek informatie te delen met de gezinsvoogd op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet. Ook voor het gesprek tussen beklaagde en de dochter heeft moeder op 12 april 2016 haar mondelinge toestemming verleend.

3.3.3

Het College overweegt als volgt:
Betreffende het verwijt dat beklaagde onterecht het dossier, in de vorm van het verslag van de IQ-test, op de S-schijf zou hebben opgeslagen, overweegt het College als volgt. Op grond van artikel 30 van de Beroepscode NVO mag een pedagoog, die een dienstverband heeft, de verantwoordelijkheid voor het bewaren van “het dossier” overdragen aan de werkgever. Dat neemt echter niet weg dat, alvorens het dossier wordt opgeslagen in een databank, de pedagoog ervoor zorg dient te dragen dat de toegang tot die databank zodanig is afgeschermd tegen misbruik overeenkomstig de bepalingen uit de Beroepscode NVO. Deze verplichting voor de pedagoog vloeit voort uit artikel 31 van de Beroepscode NVO. Het College is van oordeel dat beklaagde zich aan deze verplichting heeft gehouden nu uit stukken blijkt dat het dossier, te weten het verslag van de IQ-test, is opgeslagen op een met een wachtwoord beveiligde, en slechts voor collega-gedragswetenschappers toegankelijke, databank, te weten de S-schijf. Beklaagde is aldus naar het oordeel van het College, met de wijze van opslaan van het dossier, gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Ook voor wat betreft het delen van het verslag van de IQ-test met de betrokken jeugdbeschermer, alsmede het bespreken van de uitkomsten van het IQ-test met de dochter, is beklaagde naar het oordeel van het College gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en het College overweegt daartoe als volgt. Voor het al dan niet delen van vertrouwelijke informatie door de pedagoog over de cliënt, gelden in beginsel de voorschriften van artikel 8 van de Beroepscode NVO. Het derde lid van dit artikel schrijft voor dat, wanneer het in het belang van de cliënt is wanneer informatie gedeeld wordt met andere personen of instanties, de pedagoog zich dient in te zetten om deze informatie door de cliënt zelf te laten doorgeven, dan wel dient de cliënt expliciet toestemming te verlenen voor het doorgeven van de informatie. Blijkens het overgelegde contactjournaal van 12 april 2016 heeft beklaagde gehandeld conform artikel 8, derde lid, van de Beroepscode NVO. Het College leest namelijk de volgende aantekening van beklaagde: “[Klaagster] snapte de uitkomst van het onderzoek en gaf aan dat ze het goed vond als ik een exemplaar voor [naam jeugdbeschermer] de GV zou achterlaten, zodat ook zij op de hoogte zou zijn. [Klaagster] vond het ook goed als ik [haar dochter] nog een keer zou spreken om de uitkomst van het onderzoek uit te leggen.” Van het ontbreken van de vereiste toestemming voor het delen van de informatie is het College aldus niet gebleken.

3.3.4

Het College wijst er ten overvloede op dat in het geval van een kinderbeschermingsmaatregel op grond van artikel 7.3.11, vierde lid, van de Jeugdwet, en artikel 8, vijfde lid, van de Beroepscode NVO ook zonder toestemming van de betrokkene(n), wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp, (beroepsmatige) informatieverstrekking plaats kan vinden aangaande gegevens die de persoon betreffen van de onder toezicht gestelde minderjarige, diens wettelijke vertegenwoordiger of ouder.

3.3.5

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.4

Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde het volgende:
Tijdens de vier maanden dat het CJG betrokken is geweest, is door beklaagde geen behandelplan gemaakt. In plaats van dat beklaagde de dochter hielp, gaf zij slechts het advies inhoudende dat de dochter psychiatrische hulp nodig had. De dochter is vervolgens aangemeld bij een jeugd-GGZ instelling. Door deze instelling is echter geconcludeerd dat er met de dochter niks aan de hand was.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde is werkzaam als gedragswetenschapper, niet als behandelaar of psycholoog, en omdat er geen directe behandeling met de dochter heeft plaatsgevonden, is er ook geen behandelplan opgesteld. Door de betrokken gezinscoach vanuit het CJG is destijds een gezinsplan opgesteld, in samenspraak met klaagster, als gezaghebbende ouder. Zoals in de afsluitbrief van de jeugd-GGZ instelling vermeld wordt, is de dochter bij deze instelling aangemeld door een medewerker van de GI en niet door beklaagde. Beklaagde heeft slechts de IQ-test bij de dochter afgenomen en de bevindingen daarvan vastgelegd in het verslag.

3.4.3

Het College overweegt als volgt:
Het is het College gebleken dat beklaagde een professionele relatie met de dochter is aangegaan naar aanleiding van de hulpvraag gericht op onderzoek, namelijk in de vorm van het afnemen van de IQ-test. De hulpvraag die bij beklaagde was neergelegd, zag niet toe op een vorm van behandeling bieden aan de dochter. Om deze reden volgt het College het verweer van beklaagde dat het niet tot haar taken behoorde een behandelplan voor de dochter op te stellen. Klaagster heeft voorts geen onderbouwende stukken overgelegd wat betreft het verwijt dat beklaagde geadviseerd zou hebben dat de dochter psychiatrische hulp nodig zou hebben, noch blijkt uit de overgelegde stukken dat beklaagde de dochter zou hebben aangemeld bij de jeugd-GGZ instelling. Het College ziet om deze reden, en mede gelet op de gemotiveerde betwisting van beklaagde, in dit klachtonderdeel geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt aan beklaagde.

3.4.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 4 juni 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris