De jeugzorgwerker heeft voldoende gemotiveerd welke acties zij heeft ondernomen om de zorg voor het kind in kaart te brengen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [plaatsnaam],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdprofessional bij [de stichting], hierna te noemen: de stichting.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw A. de Ruijter, werkzaam als jurist bij [de stichting].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 14 december 2017, met de bijlage en de aanvullingen hierop van 6 januari 2018;
– het verweerschrift ontvangen op 31 januari 2018, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 maart in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Hoewel klager in een e-mail van 5 maart 2018 te kennen heeft gegeven verhinderd te zijn, is hij verschenen en heeft hij de moeder van [minderjarige] en [minderjarige] als toehoorders meegebracht. Desgevraagd heeft beklaagde te kennen gegeven hier geen bezwaar tegen te hebben. De voorzitter heeft de [minderjarige] in de gelegenheid gesteld het woord te doen waarna hij met zijn moeder in een andere ruimte heeft gewacht. Klager heeft met deze gang van zaken ingestemd.

Als toehoorder van de zijde van beklaagde zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [toehoorders].

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen wat tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van het minderjarige kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005, hierna te noemen [minderjarige]. [minderjarige] heeft een zus van 9 jaar. Klager is samen met de moeder van [minderjarige], hierna te noemen: moeder.

2.2

Bij [minderjarige] zijn verschillende diagnoses en medische problematieken vastgesteld. Klager en moeder ontvangen ouderbegeleiding van [instelling] om [minderjarige] zo goed mogelijk te kunnen begeleiden.[minderjarige] heeft tot 1 januari 2015 dagelijkse zorg ontvangen op basis van een indicatie die werd afgegeven door CIZ (Centrum Indicatie Zorg). Op 1 januari 2015 zijn de indicatiestellingen en herindicatieaanvragen namens de gemeente belegd bij de stichting.

2.3

Op 9 december 2015 heeft [de stichting] [minderjarige] door middel van een formulier aangemeld in het vrijwillig kader voor een herindicatie en een uitbreiding van de indicatie. De aanvraag houdt in: ‘5 dagdelen begeleiding dag en vervoer zodat [minderjarige] meer gespecialiseerde opvang heeft en zich beter kan ontwikkelen en in verband met de ontlasting van de thuissituatie een kort verblijf elders’.

2.4

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2015 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.
Zij is sinds oktober 2015 werkzaam als casusregisseur bij [de stichting]. Van 28 december 2015 tot en met 26 december 2016 is zij bij het gezin van klager betrokken geweest.
Op 27 december 2016 heeft een collega deze zaak van beklaagde overgenomen.

2.5

Beklaagde heeft op 28 december 2015 een intakegesprek met klager en moeder gehad. Klager en moeder hebben tijdens het gesprek, op advies van de psycholoog van [instelling], gevraagd om een uitbreiding van de zorg naar 5 dagdelen naschoolse opvang met eventueel een behandeling of een vergelijkbaar aanbod met ondersteuning en regelmatig weekendverblijf voor [minderjarige] met passende methodiek om zijn individuele ontwikkeling tot zijn recht te laten komen.

2.6

Beklaagde is op 6 januari 2016 bij klager op huisbezoek gegaan. Tijdens dit huisbezoek zijn de hulpvragen van vader en moeder voor [minderjarige] geïnventariseerd en is informatie verstrekt over het proces om de hulpverlening in gang te zetten. Klager en moeder is gevraagd een toestemmingsformulier te ondertekenen zodat informatie bij instanties kan worden opgevraagd. Moeder heeft dezelfde dag een toestemmingsverklaring ondertekend waarin staat opgenomen dat beklaagde contact op kan nemen en kan overleggen met de onderwijsvoorziening en de zorgaanbieders.

2.7

Op 11 februari heeft een ‘groot overleg’ plaatsgevonden. Hierbij zijn beklaagde, klager, moeder en de betrokken zorgaanbieders aanwezig geweest. Het overleg had als doel om gezamenlijke afspraken te maken over de zorg die nodig is voor [minderjarige], klager en moeder.

2.8

In maart 2016 is de aanvraag voor jeugdhulp voor [minderjarige] door beklaagde vastgelegd in een actieplan, hierna te noemen: het plan. In dit plan staat opgenomen dat klager en moeder een systeemgerichte behandeling ontvangen in de thuissituatie. [minderjarige] zal voorts drie dagdelen per week gebruik maken van de naschoolse opvang. Zodra de zorgboerderij is geregeld wordt het derde dagdeel omgezet naar de zorgboerderij. Beklaagde heeft het plan tijdens een huisbezoek op 2 maart 2016 met moeder besproken. Tijdens een huisbezoek van 22 maart 2016 is het plan met klager en moeder gezamenlijk besproken en is het plan door hen ondertekend.

2.9

Op 5 april 2016 is door de [stichting], opgericht door 17 gemeentes in [plaatsnaam], een beschikking afgegeven voor een dagactiviteit van drie dagdelen in de week voor de periode van 2 april 2016 tot en met 1 april 2017.

2.10

Beklaagde heeft op 21 juni 2016 een plan opgesteld dat gericht is op de behandeling in de thuissituatie en waarvan klager heeft betwist dat hij het heeft ondertekend.
Op 3 oktober 2016 heeft de [stichting] een beschikking afgegeven voor praktisch pedagogische gezinsbehandeling door [zorgaanbieder] voor vier uur in de week voor de periode van 28 september 2016 tot en met 1 april 2017.

2.11

Klager heeft op 24 november 2017 bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte. Het gaat om een handtekening van klager die zou zijn vervalst op een door beklaagde opgesteld actieplan van 21 juni 2016. Op 29 november 2017 heeft de politie klager bericht dat zijn zaak niet in behandeling zal worden genomen.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Op grond van het klaagschrift, een bijlage bij het klaagschrift en de mondelinge behandeling heeft het College kunnen opmaken dat klager tien klachtonderdelen heeft geformuleerd. Vanwege de samenhang worden hierna klachtonderdelen I, II, VII en VIII gezamenlijk besproken en beoordeeld evenals klachtonderdelen IV en V en klachtonderdelen VI en X. Klachtonderdelen III en IX worden afzonderlijk besproken en beoordeeld.
Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I, II, VII en VIII

3.2.1

Klager is van mening dat beklaagde nalatig is geweest in de uitvoering van haar werkzaamheden. Zij heeft geweigerd hulp te verlenen, heeft zich niet ingeleefd in de medische toestand van [minderjarige] en heeft slechts een beperkt deel van de zorgbehoefte in het plan weergegeven.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij zich meer dan voldoende heeft verdiept in de medische situatie van [minderjarige]. Op het moment dat beklaagde betrokken was bij het gezin van klager, was nog een onderzoek gaande. De onderzoeksresultaten werden later bekend en weken af van de onderzoeksresultaten die bij aanvang van het onderzoek bij beklaagde bekend waren. Onder andere werd een zwaardere verstandelijke beperking gediagnosticeerd dan eerder aan werd aangegeven.

De hulpvragen van klager en moeder over de hulp van [minderjarige] zijn door beklaagde gehoord, genoteerd en afdoende beantwoord. Beklaagde heeft steeds ruggespraak gehouden met haar collega’s en de gedragswetenschapper.

Klager en moeder hebben in mei 2017 hun onvrede kenbaar gemaakt. Beklaagde betwist dat zij ten tijde van de betrokkenheid van beklaagde is aangesproken op haar verantwoordelijkheden.

3.2.3

Het College overweegt het volgende.
Beklaagde is op 6 januari 2017 bij klager op huisbezoek geweest om de hulpvraag voor [minderjarige] te inventariseren en klager en moeder van informatie te voorzien. Nadat beklaagde intern de casus van klager heeft besproken, heeft zij contact gelegd met school, de buitenschoolse opvang en de psycholoog van [instelling] waarna zij heeft geconstateerd dat verschillende visies aanwezig zijn over de in te zetten zorg. Na intern overleg heeft beklaagde op 11 februari 2017 een ‘groot overleg’ georganiseerd waarbij klager en moeder en de betrokken instanties aanwezig waren om gezamenlijke afspraken te maken over de zorg voor [minderjarige]. In dit ‘groot overleg’ is de zorgbehoefte van het gezin van klager besproken en is een multidisciplinair besluit genomen op basis van de informatie die op dat moment voorhanden was. Gezamenlijk is geconcludeerd dat de naschoolse opvang niet wordt uitgebreid maar dat thuisbehandeling zal worden ingezet om het systeem rond [minderjarige] sterker te maken. Hierna is het in 2.8 genoemde plan opgesteld waarin deze conclusie is vermeld en dat door klager mede is ondertekend. Voorts is de in 2.9 genoemde beschikking afgegeven.

Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende heeft gemotiveerd welke acties zij heeft ondernomen om de zorg voor [minderjarige] in kaart te brengen. Zij heeft alle relevante partijen hierbij betrokken waarna een multidisciplinair besluit is genomen. Klager heeft in het ´groot overleg´ zijn zienswijze kenbaar kunnen maken. Het College kan zich voorstellen dat klager wellicht liever een ander resultaat van het ‘groot overleg’ had gezien maar ziet in het bovenstaande geen reden om aan te nemen dat beklaagde door bovenstaande handelswijze nalatig is geweest in de uitvoering van haar werkzaamheden.

Klager heeft gesteld dat beklaagde heeft geweigerd hulp te verlenen. Klager heeft als voorbeelden genoemd dat de PGB aanvragen voor de zorgboerderij en de vakantie van [instelling] niet in behandeling zijn genomen en dat klager en moeder zijn afgeschilderd als overbelast ouders. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het bij hem slecht is gevallen dat beklaagde klager en moeder op deze manier ziet.

Het College overweegt dat beklaagde onweersproken uiteen heeft gezet dat zij in het vrijwillig kader met klager en moeder heeft afgesproken dat het initiatief voor de start en het in gang zetten van de hulpverlening bij hen ligt, dat zij hiermee akkoord zijn gegaan en dat zij minder hulp hebben gebruikt dan is aangeboden.

Beklaagde heeft een lijst gekregen van zorgboerderijen maar heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat later duidelijk is geworden dat [minderjarige] niet van dieren houdt. Beklaagde heeft het verzoek van klager en moeder om vakantieopvang door [instelling] mogelijk te maken, intern besproken. Nadat beklaagde heeft geconcludeerd dat de thuisbehandeling en een dagdeel van de zorgboerderij om onduidelijke redenen niet zijn ingezet en waardoor de aangeboden hulp niet van de grond kwam, is het verzoek van klager en moeder niet in behandeling genomen. Onbekend was wat het effect was van de hulpverlening. Beklaagde heeft klager en moeder hierover geïnformeerd. Voorts heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat de overbelasting van ouders een van de uitkomsten was van het ‘groot overleg’ en dat zij dit in het actieplan heeft aangepast nadat klager zijn onvrede heeft geuit.Klager heeft deze gang van zaken niet weersproken.

Het is het College niet gebleken dat beklaagde zich niet heeft ingeleefd in de medische situatie van [minderjarige]. Beklaagde heeft in het onder 2.8 genoemde plan onder het kopje ´eerdere relevante hulpverlening´ verwezen naar het psychodiagnostisch onderzoek van [instelling]. Ook onder de kopjes ´wat zijn de zorgen´ en ´wat moet er gebeuren´ heeft beklaagde verwezen naar dit onderzoek. Het College overweegt voorts dat onder het kopje ´wat zijn de zorgen´ is omschreven dat [minderjarige] specialistische zorg en behandeling nodig heeft om zich verder te ontwikkelen en hij een specifieke gecombineerde diagnose heeft wat de opvoeding, zorg en begeleiding heel complex maakt.

Voorts is niet gebleken dat beklaagde een beperkt deel van de zorgbehoefte in het plan heeft weergegeven. Beklaagde heeft zich bij het vaststellen van de zorgbehoefte van [minderjarige] gebaseerd op de bij haar aanwezige gegevens over [minderjarige]. Haar valt tuchtrechtelijk niet te verwijten dat zij niet beschikte over voorhanden zijnde eerdere rapportages, o.a. aangaande psychodiagnostisch onderzoek uit 2013, die wellicht een vollediger beeld hadden gegeven op de zorgbehoefte van [minderjarige]. Het College overweegt tevens dat klager en moeder het plan voor akkoord hebben ondertekend. Voorts heeft het College uit de stukken niet kunnen opmaken dat klager op dat moment zijn bezwaren tegen de inhoud van het plan aan beklaagde kenbaar heeft gemaakt.

Het is begrijpelijk dat klager teleurgesteld is over de verleende zorgindicatie, vooral nu nieuwe onderzoeken bevestigen dat [minderjarige] meer zorg nodig heeft en ontvangt dan de zorg die in 2016 bij Besluit over Jeugdhulp in 2016 is toegekend. Nu de uitkomsten van de nieuwe onderzoeken niet bekend waren op het moment dat de zorgindicatie was verstrekt, valt beklaagde ook hier geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Op grond van het bovenstaande is het College van oordeel dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager verwijt beklaagde het plegen van valsheid in geschrifte.

3.4.2

Beklaagde distantieert zich volledig van de stelling van beklaagde. Zij ziet geen enkel relevant belang om over te gaan tot het zetten van een dergelijke handtekening. Klager heeft dit klachtonderdeel niet nader onderbouwd noch is het door hem gestelde bewezen.

3.4.3

Het College oordeelt als volgt. In het dossier bevindt zich een actieplan van 21 juni 2016 dat is ondertekend op 19 juli 2016. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat het plan digitaal is ondertekend. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij in het plan opmerkingen in de kantlijn heeft geplaatst en dat hij dit ´voor gezien´ heeft ondertekend. Nu klager dit document niet heeft overgelegd in deze procedure, beklaagde heeft betwist dat zij de handtekening heeft vervalst en het College in het dossier geen aanknopingspunten heeft aangetroffen die de stelling van klager ondersteunen, is het klachtonderdeel ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV en V

3.5.1

Naar de mening van klager heeft beklaagde medische informatie ingewonnen bij onbevoegde personen en heeft zij geen medische gegevens bij de artsen en specialisten opgevraagd.

3.5.2

Beklaagde is van mening dat klager deze klachtonderdelen niet nader heeft onderbouwd met feiten.

3.5.3

Het College overweegt dat het tot de taak van beklaagde behoort om de benodigde hulpverlening aan [minderjarige] in kaart te brengen zodat een zorgindicatie kan worden verleend. In dat licht is het begrijpelijk dat zij met toestemming van moeder contact op heeft genomen met de naschoolse opvang en [instelling] en hen om informatie heeft gevraagd. Dat beklaagde medische informatie heeft ingewonnen bij onbevoegde personen is niet uit het dossier gebleken. Het verwijt dat beklaagde heeft nagelaten om bij artsen en specialisten medische gegevens op te vragen, is niet voldoende onderbouwd.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel VI en X

3.6.1

Klager is van mening dat beklaagde op de stoel van de psycholoog is gaan zitten.

3.6.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat klager en moeder ouderbegeleiding ontvangen vanuit [instelling]. De psycholoog van [instelling] heeft op 10 maart 2016 contact opgenomen met beklaagde. Zij was het niet eens met het beleid van het sociale wijkteam en heeft te kennen gegeven dat klager en moeder dit ook vinden. Beklaagde heeft de psycholoog verwezen naar de uitkomsten en conclusie van het ‘groot overleg’, een overleg waarbij alle betrokken zorgaanbieders aanwezig zijn geweest.

3.6.3

Het College is van oordeel dat de inbreng van de verschillende disciplines in het ‘groot overleg’ zijn gewogen en een multidisciplinair besluit is genomen. Klager is bij dit overleg aanwezig geweest en heeft de gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen.

Blijkbaar zijn binnen dit ‘groot overleg’ verschillende visies over de benodigde hulpverlening naar voren gebracht, zodat mogelijk niet meteen voor klager helder is geweest wat het advies voor de indicatie zou zijn. Het is begrijpelijk dat deze situatie voor klager en zijn gezin uiterst vervelend is geweest. Dat de psycholoog van [instelling] een andere visie heeft, valt beklaagde echter onder deze omstandigheden niet tuchtrechtelijk te verwijten zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.7 Klachtonderdeel IX

3.7.1

Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde de aanmelding van [minderjarige] bij het CIZ voor de WLZ ten onrechte aan klager en moeder heeft overgelaten. Ook de gezinsbegeleidster van klager en moeder heeft te kennen gegeven dat klager en moeder hierbij hulp nodig hadden.

3.7.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat klager en moeder goed inzicht hebben in de problematiek van [minderjarige] en dat zij in staat zijn om de aanvraag zelf te doen. Als bij hen vragen rijzen, is beklaagde beschikbaar.

3.7.3

Het College overweegt dat sprake is van hulpverlening in een vrijwillig kader en dat het gebruikelijk is dat binnen dit kader afspraken worden gemaakt. Beklaagde heeft onweersproken naar voren gebracht dat zij met klager en moeder heeft afgesproken dat zij zelf de aanmelding doen en dat zij bereid is te helpen wanneer dat nodig is. Beklaagde heeft zich op deze wijze voldoende actief ingezet voor het gezin van klager.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 9 mei 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder                             mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                   secretaris