De jeugdzorgwerker heeft zich voldoende ingespannen om in contact te blijven met de vader en de grootmoeder. Ook heeft de jeugdzorgwerker met de vader en de grootmoeder gesprekken gevoerd over de voorwaarden voor het contactherstel met de jongste zoon.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer E. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N. van Lingen, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [plaatsnaam] en [klager], hierna te noemen: klager, wonende te [plaatsnaam], hierna gezamenlijk te noemen: klagers,

ingediende klacht tegen:

[beklaagde, hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij de [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw L. Neuschäfer-Greebe, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 16 december 2017, met de bijlagen en de aanvullingen van 31 januari 2018 en 17 mei 2018;
– het verweerschrift ontvangen op 26 maart 2018, met de bijlagen en de aanvulling van 11 juni 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018 in aanwezigheid van klagers, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van twee zonen, geboren in 2001 en in 2015, en een dochter, geboren in 2012, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. Klaagster is de grootmoeder van de kinderen.
Klager en de moeder van de kinderen zijn uit elkaar.

2.2

De oudste zoon is sinds 17 maart 2003 onder toezicht gesteld. Vanaf 17 augustus 2016 is de GI als voogd benoemd. Hij woont in een pleeggezin. Klagers en de oudste zoon hebben geen contact met elkaar.

2.3

De jongste zoon is sinds 16 december 2015 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Hij woont in een pleeggezin. Klager heeft sinds 23 juni 2016 geen contact met de jongste zoon.

2.4

De dochter is na haar geboorte onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Zij heeft in verschillende pleeggezinnen gewoond. Van februari 2013 tot en met 6 juli 2017 heeft zij bij klaagster gewoond. Sinds 6 juli 2017 is de dochter uit huis geplaatst en bij een pleeggezin ondergebracht. Klager heeft de dochter een jaar niet gezien. Klaagster heeft een keer in de acht weken een uur begeleide omgang met de dochter. De dochter is op 23 mei 2018 overgeplaatst naar het pleeggezin waar de jongste zoon woont.

2.5

Beklaagde is werkzaam als jeugdzorgwerker bij de GI. Hij is sinds [datum] 2015 namens de GI betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter. De betrokkenheid van beklaagde is tijdelijk gestopt van  augustus 2016 tot juli 2017 omdat de ondertoezichtstelling op [datum] 2016 niet is verlengd. Sinds april 2017 is beklaagde betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de jongste zoon. Beklaagde is sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het College heeft tijdens de mondelinge behandeling gezien dat klagers heel veel verdriet hebben over de uithuisplaatsing van de dochter en dat zij haar erg missen. Duidelijk is dat zij deze beslissing niet kunnen begrijpen. Het College heeft begrip voor het verdriet. Een uithuisplaatsing is een zeer ingrijpende gebeurtenis. Ook beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij zich dit realiseert.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Vanwege de samenhang worden klachtonderdeel I en II gezamenlijk besproken. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdelen I en II

3.2.1

Klagers zijn van mening dat beklaagde ervoor heeft gezorgd dat klager door de dochter is verstoten. Ook heeft beklaagde volgens klagers een loyaliteitsconflict bij de dochter gecreëerd. De dochter is uit huis geplaatst terwijl zij al vier jaar bij klaagster woonde.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat de uithuisplaatsing van de dochter een besluit van de kinderrechter is.

3.2.3

Het College overweegt dat beklaagde niet heeft besloten dat de dochter niet meer bij klaagster kon wonen. De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de dochter zijn door de kinderrechter getoetst. Het College is niet bevoegd om te oordelen over de gronden van deze beslissingen. Dat is een taak die is voorbehouden aan de rechter.

Verder heeft beklaagde contact gezocht met klagers om met hen te praten over de mogelijkheden voor contact met de dochter. Hij heeft gezegd dat hij klagers heeft opgebeld maar dat hij hen niet kon spreken. Hij is langs geweest maar klaagster heeft hem niet willen ontvangen. Daarna heeft hij met klaagster gemaild. Op 31 augustus 2017 heeft beklaagde in een gesprek met klaagster in aanwezigheid van Zorgbelang gesproken over de samenwerking tussen hem en klagers. Op 12 september 2017 heeft beklaagde met klagers een gesprek gevoerd over de voorwaarden voor contactherstel met de dochter. Beklaagde heeft in het contactjournaal geschreven dat het een moeilijk gesprek was en dat klager de kamer een aantal keren boos heeft verlaten. Beklaagde heeft verteld dat hij ook daarna de dialoog met klagers is blijven zoeken. Zo heeft hij met klaagster een gesprek gehad om naar de toekomst te kijken.
Beklaagde heeft zich naar het oordeel van het College voldoende ingespannen om in contact te blijven met klagers. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel III

3.3.1

Volgens klagers heeft beklaagde over straat geroepen dat klager de kinderen niet meer zal zien.

3.3.2

Beklaagde betwist dat hij dat heeft geroepen.

3.3.3

Het College kan niet vaststellen wat er precies is gezegd omdat klagers en beklaagde elkaar tegenspreken. Ook heeft het College in het dossier geen aanknopingspunten gevonden die de stelling van klagers ondersteunen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1

Klager is van mening dat hij van beklaagde een therapie heeft moeten volgen terwijl dit niet door de rechter is opgelegd.

3.4.2

Volgens beklaagde is de omgangsregeling tussen klagers en de jongste zoon gestopt totdat klager is behandeld voor zijn boosheid.

3.4.3

Het College overweegt in de eerste plaats dat de collega van beklaagde (en dus niet beklaagde zelf) op 6 juli 2016 aan klagers een e-mail heeft gestuurd waarin zij schrijft dat de bezoeken van klagers met de jongste zoon zijn stopgezet door de boosheid en de houding van klagers. Ook heeft zij op 28 september 2016 aan klager een schriftelijke aanwijzing gestuurd waarin staat dat de GI heeft besloten dat klager geen omgang heeft met de jongste zoon totdat hij is behandeld tegen boosheid omdat zijn boosheid niet goed is voor de jongste zoon. Verder staat hierin vermeld wat de GI gedaan heeft om de bezoeken die zijn geweest, goed te laten verlopen. Als klager het niet eens waren met deze schriftelijke aanwijzing hadden zij de kinderrechter kunnen vragen om de beslissing van de GI vervallen te laten verklaren.

Beklaagde heeft verteld dat het na de uithuisplaatsing van de zoon, moeilijk is geweest om in contact te komen met klagers. Het contact is moeilijker geworden door de schorsing van het gezag van klager.
Naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat hij het contact met klagers heeft gezocht. Hij heeft verder zorgvuldig gehandeld door op 9 mei 2017 en 22 juni 2017 bij klagers thuis met hen een gesprek te voeren over de voorwaarden voor contactherstel met de jongste zoon. Uit de overgelegde contactjournaals is gebleken dat deze gesprekken eerder zijn gestopt vanwege de boosheid van klager.
Beklaagde valt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.5 Klachtonderdeel V

3.5.1

Klagers zijn van mening dat zij te weinig informatie over de kinderen krijgen en dat zij hen niet mogen zien.

3.5.2

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat hij klagers maandelijks informeert over de dochter en de jongste zoon. Een collega van beklaagde informeert klagers over de oudste zoon.

3.6.3

Het College overweegt het volgende. Een collega van beklaagde is de jeugdzorgwerker van de oudste zoon. Niet beklaagde maar zijn collega is verantwoordelijk voor de informatieverstrekking over de oudste zoon aan klagers.

Beklaagde heeft verteld dat de afspraak is gemaakt dat klagers een keer per maand informatie ontvangen over de jongste zoon en dochter. Hij stuurt daarom maandelijks een e-mail aan klaagster met informatie over en foto’s van de dochter en de jongste zoon. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat zij per e-mail informatie ontvangt van beklaagde.
Beklaagde heeft toegezegd dat hij klager voortaan per post zal informeren nadat klager tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat hij de e-mail van klaagster niet leest, en zelf geen email kan ontvangen.

Het gedeelte van de klacht dat klagers de jongste zoon en de dochter niet mogen zien, is besproken bij de beoordeling van klachtonderdelen I en II en klachtonderdeel IV. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel VI

3.6.1

Volgens klagers doet beklaagde niet wat hij heeft beloofd. Hij lacht klagers in het gezicht uit als zij hem iets vragen.

3.6.2

Beklaagde herkent zich niet in het beeld dat klagers van hem schetsen.

3.6.3

Het College overweegt dat uit de feiten niet naar voren komt dat beklaagde niet heeft gedaan wat hij heeft beloofd en dat hij klagers heeft uitgelachen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VII

3.7.1

Klagers zijn van mening dat de dochter schade is toegebracht omdat zij is verplaatst naar een ander pleeggezin.

3.7.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij op 12 maart 2018 een e-mail van de pleegouders van de dochter heeft ontvangen waarin zij hebben laten weten dat de dochter niet bij hen kon blijven wonen.

3.7.3

Het College is van oordeel dat beklaagde niet uit zichzelf op zoek is gegaan naar een ander pleeggezin. Hij heeft dit gedaan nadat de pleegouders van de dochter hem hebben bericht dat de dochter niet bij hen kon blijven wonen. Beklaagde kan hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 9 augustus 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                   mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                            secretaris