De jeugd- en gezinscoach heeft subjectieve informatie gedeeld met de Raad voor de Kinderbescherming. Ondanks het gegeven dat er een herziene versie is nagestuurd, had de jeugd- en gezinscoach zich het belang van objectieve verslaglegging vooraf moeten realiseren.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N.J. Antonissen, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugd- en gezinscoach bij
[de instelling] te [vestigingsplaats], hierna te noemen: de instelling.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], vertrouwenspersoon.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. Th. Vegting, werkzaam als advocaat te Voorburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met bijlagen ontvangen op 11 januari 2018, en de aanvulling hierop van
6 en 22 maart en 19 juni 2018;

– het verweerschrift met bijlagen ontvangen op 16 mei 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 september 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen verteld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van wat tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van drie minderjarige kinderen, geboren op [geboortedatum] 2003, hierna te noemen: minderjarige 1, geboren op [geboortedatum] 2004, hierna te noemen: minderjarige 2 en geboren op [geboortedatum] 2012, hierna te noemen: minderjarige 3, gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en de moeder van de kinderen, hierna te noemen: de moeder, zijn sinds september 2014 uit elkaar. In december 2014 heeft de moeder het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank ingediend. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de moeder. Het hoofdverblijf van de kinderen is bij de moeder.

2.3

Nadat zij uit elkaar zijn gegaan, zijn klager en de moeder met een maatschappelijk werkster in gesprek gegaan over de ouderschapsregeling en andere praktische zaken. Omdat dit niet tot het gewenste resultaat leidde, is er verwezen naar mediaton. Dat is niet van de grond gekomen.

2.4

In die periode worden klager, de moeder en de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: het gezin, verwezen naar stichting Kinderen uit de Knel. Het gezin wordt dan ook overgedragen aan de instelling.

2.5

Beklaagde werkt als jeugd- en gezinscoach bij de instelling en heeft vanaf april 2015 het gezin bijgestaan.

2.6

Na enige tijd heeft beklaagde de casus voorgelegd aan het Jeugdbeschermingsplein, omdat hulp vanuit het vrijwillig kader naar zijn mening ontoereikend was.

2.7

Omdat klager en de moeder in het kader van het echtscheidingsverzoek in december 2014 beiden hebben verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem/haar te bepalen, onder gelijktijdige vaststelling van een zorgregeling met de andere ouder, heeft de rechtbank op
13 augustus 2015 de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, verzocht een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen over de hoofdverblijfplaats van, en de verdeling van de zorg- en opvoedtaken met betrekking tot de kinderen.

2.8

Op 9 oktober 2015 is de RvdK gestart met het onderzoek ‘gezag en omgang’. Op diezelfde datum is tijdens het multidisciplinair overleg besloten het raadsonderzoek uit te breiden naar een ‘beschermingsonderzoek’ vanwege de zorgen van beklaagde en van de school van minderjarige 2. In het kader van dat onderzoek zijn gesprekken gevoerd met klager, de moeder en met minderjarige 1 en 2, en zijn er verklaringen opgevraagd bij de onderwijzers van minderjarige 1 en 2, de mediator, de huisarts, stichting Kinderen uit de Knel en beklaagde.

2.9

De RvdK heeft op 29 januari 2016 advies uitgebracht aan de rechtbank. Bij beschikking van
2 maart 2016 heeft de rechtbank op basis van dat advies bepaald dat het hoofverblijf van de kinderen bij de moeder zal zijn en is er een regeling vastgesteld voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken.

2.10

Naar aanleiding van de rapportage van de RvdK heeft klager begin 2016 een klacht ingediend bij de instelling. De klacht is op 18 februari 2016 in het bijzijn van de manager van de instelling besproken. De conclusie was dat de weergave van bepaalde zaken in het verslag aan de RvdK subjectief is. Er is afgesproken dat er een herziene versie aan de RvdK zal worden gezonden. Ook is geconstateerd dat er door beklaagde onzorgvuldig is gehandeld met betrekking tot een foutief verzonden e-mail.

2.11

Na het gesprek op 18 februari 2016 heeft klager meerdere e-mails gestuurd aan de manager met het verzoek of de constatering ten aanzien van de foutief verstuurde e-mail in het herziene verslag aan de RvdK meegenomen zou kunnen worden. De manager heeft klager bij e-mail van 29 februari 2016 geïnformeerd dat niet te zullen doen, omdat hij van mening is dat de strekking van de informatie aan de RvdK moet berusten op de eerdere verstrekte informatie door beklaagde aan de RvdK.

2.12

In lijn met de conclusie van het gesprek heeft beklaagde de eerder door hem aan de RvdK verstrekte informatie ingetrokken en het herziene verslag verzonden.

2.13

De RvdK heeft naar aanleiding van het herziene verslag van beklaagde haar rapportage van
29 januari 2016 op 1 december 2017 aangepast. Het advies aan de rechtbank is ongewijzigd in stand gebleven.

2.14

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met wat ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klager verwijt beklaagde dat hij onprofessioneel heeft gehandeld door subjectieve informatie te delen met de RvdK. Op grond van het eerste verslag van beklaagde heeft de RvdK haar advies opgesteld. Vervolgens heeft de rechtbank de omgang tussen klager en de kinderen beperkt.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Ten overvloede: het College geeft alleen een oordeel over wat in de klachtonderdelen door klager naar voren is gebracht.

3.2

Klachtonderdeel I en II

3.2.1

Klager verwijt beklaagde dat hij naar de RvdK toe bewust een negatief beeld heeft geschetst van klager en een positief beeld van de moeder. Voorts heeft hij de meningen van de moeder als feiten verkondigd. Desgevraagd heeft klager tijdens de hoorzitting verklaard dat hij verwacht dat beklaagde terecht wordt gewezen, ondanks dat de instelling de fouten van beklaagde heeft erkend, dat beklaagde de fouten heeft hersteld en zijn excuses heeft aangeboden. De onjuiste informatie die hij heeft gedeeld, heeft een enorme impact gehad op klager en zijn kinderen. Beklaagde heeft van alles met de RvdK besproken.

3.2.2

Beklaagde erkent dat in zijn eerste verslag aan de RvdK bepaalde formuleringen niet correct zijn geweest. Het eerste verslag aan de RvdK is ingetrokken en er is een herziend verslag aan de RvdK verzonden. Overigens zijn de conclusies van beklaagde ongewijzigd gebleven. Alleen de formulering is aangepast. Beklaagde is van mening dat hij in de klachtenprocedure zijn verslag van correcties heeft voorzien en dat er daarom thans geen sprake meer kan zijn van enig handelen in strijd met de geldende beroepsnormen. Klagers opmerking dat beklaagde van alles met de RvdK heeft besproken, is een aanname is van klager. Beklaagde heeft alleen feitelijke zaken met de RvdK besproken. Beklaagde heeft er voorts ter zitting tegen geageerd dat zijn integriteit in twijfel wordt getrokken.

3.2.3

Na afstemming tijdens de hoorzitting met klager en beklaagde, zal het College de klachtonderdelen I en II gezien hun onderlinge samenhang gezamenlijk behandelen. Voor het College staat vast dat het eerste verslag dat beklaagde ten behoeve van de RvdK heeft geschreven op bepaalde punten subjectief is geweest. Het blijkt uit het dossier en beklaagde heeft dat ook erkend en daarvoor excuses aangeboden. Naar aanleiding van een klacht van klager bij de instelling, heeft daar op 18 februari 2016 een klachtgesprek over plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig klager en zijn vertrouwenspersoon van AKJ, beklaagde, de manager en een notulist. In dat gesprek is onder andere afgesproken dat de verstrekte informatie aan de RvdK door beklaagde zal worden ingetrokken en dat hij een herziene versie van het verslag aan de RvdK zal sturen. Dat is gebeurd en daarmee heeft beklaagde zijn handelswijze gecorrigeerd. Desondanks is het College van oordeel dat beklaagde door het schrijven en versturen van het eerste verslag met subjectieve informatie aan de RvdK buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden. Beklaagde had zich het belang van een objectieve verslaglegging vooraf moeten realiseren. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde door zo te handelen artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

De stelling van klager dat beklaagde ‘bewust’ een negatief beeld van klager heeft willen schetsen, heeft het College niet kunnen vaststellen. Hoewel klager dit mogelijk zo heeft beleefd, heeft hij dit deel van de klacht onvoldoende onderbouwd. Het gegeven dat klager kennelijk niet helemaal tevreden was na het klachtgesprek bij de instelling, kan het College niet tuchtrechtelijk toetsen. Dat aspect is ter eventuele beoordeling van de instelling.

3.2.4

Klachtonderdeel I en II worden deels gegrond verklaard.

3.3

Klachtonderdeel III

3.3.1

Klager verwijt beklaagde dat hij de RvdK en daarmee ook de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd. De RvdK heeft op basis van het eerste verslag van beklaagde – als belangrijkste informant – zijn advies opgesteld. De rechtbank heeft op basis van dit advies van de RvdK de omgang van de kinderen met klager beperkt.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan. Er is aantoonbaar geen sprake van dat de RvdK op basis van het eerste verslag van beklaagde advies heeft opgesteld. Uit het rapport van de RvdK blijkt immers dat de RvdK eigen onderzoek heeft verricht door in gesprek te gaan met klager, de moeder en de kinderen. Verder zijn er verklaringen opgevraagd van de school van de kinderen, van de mediator, de huisarts en van [stichting]. De RvdK is tot zijn advies gekomen op basis van de genoemde informatiebronnen in samenhang genomen.

3.3.3

Voor het College staat vast dat beklaagde aan de RvdK op een aantal punten een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven door in zijn verslag een subjectief beeld te schetsen. Dat is reeds onder klachtonderdeel I en II aan de orde geweest en daar heeft het College een oordeel over gegeven. Tevens constateert het College op basis van het oude en herziene verslag dat beklaagde in beide verslagen tot de gelijkluidende conclusie komt, dat gezien de al jaren durende strijd tussen klager en de moeder, hulpverlening in het vrijwillige kader geen verandering in de situatie blijkt te kunnen brengen en beklaagde daarom heeft geadviseerd om een raadsonderzoek in te stellen. Beklaagde heeft echter niet ook de rechtbank geadviseerd. De rechtbank wordt geadviseerd door de RvdK. Op 13 augustus 2015 heeft de rechtbank aan de RvdK verzocht een onderzoek in te stellen en te adviseren over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Vast staat dat de RvdK in deze casus een onafhankelijk onderzoek heeft verricht, waarbij meerdere informanten zijn gehoord en waarbij op basis van alle informatie de door de rechtbank gestelde onderzoeksvragen zijn beantwoord. De RvdK heeft in zijn advies een eigen afweging gemaakt. Het College ziet in het raadsrapport terug dat er gesproken is met klager en de moeder, met de kinderen, met de intern begeleidster van de school en de onderwijsassistent, met de mediator, met [stichting] en met beklaagde. Daarnaast is klager door de RvdK in de gelegenheid gesteld om in zijn reactie op het raadsrapport zijn mening te geven. De onderzoeksresultaten en het advies zijn ook daadwerkelijk met hem op 19 januari 2016 besproken. Het College kan klager dan ook niet volgen in zijn stelling dat de RvdK louter en alleen op basis van het eerste verslag van beklaagde zijn advies heeft gebaseerd.

3.3.4

Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

3.5

Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager verwijt de RvdK dat het herziene verslag van beklaagde niet in het raadsrapport is verwerkt. Een eenmaal uitgebracht raadsrapport kan achteraf niet gewijzigd worden.

3.5.2

Beklaagde voert aan dat hier aantoonbaar geen sprake van is. De RvdK heeft zijn rapport immers op 1 december 2017 aangepast. Het herziene verslag van beklaagde is voor de RvdK echter geen aanleiding geweest om het advies aan de rechtbank te wijzigen. Het advies van de RvdK is ongewijzigd in stand gebleven.

3.5.3

Het College overweegt dat klager hier een verwijt maakt aan de RvdK en niet aan beklaagde. Echter het College toetst alleen het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van een instelling te toetsen.

3.5.4

Het College oordeelt dat klager niet-ontvankelijk is in dit deel van zijn klacht.

3.6

Klachtonderdeel V

3.6.1

Klager verwijt beklaagde dat de RvdK de door klager in zijn verslag benoemde onjuiste informatie op 16 december 2016 aan het gerechtshof gepresenteerd heeft als zijnde geconstateerde feiten.

3.6.2

Beklaagde heeft geen verweer gevoerd tegen dit klachtonderdeel.

3.6.3

Het College overweegt dat klager hier, net als bij klachtonderdeel IV een verwijt maakt aan de RvdK en niet aan beklaagde. Het College verwijst naar haar overweging en oordeel bij klachtonderdeel IV.

3.6.4

Het College oordeelt dat klager niet-ontvankelijk is in dit deel van zijn klacht.

3.7

De conclusie
Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de klachtonderdelen I en II deels gegrond zijn. Beklaagde heeft subjectieve informatie over klager opgenomen in een verslag dat aan de RvdK is gestuurd. Daardoor is artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden. Dat beklaagde dit bewust zou hebben gedaan, is
niet onderbouwd en ook niet vastgesteld door het College. Beklaagde heeft in het klachtgesprek bij de instelling, in zijn verweer en ook ter zitting erkend dat de verslaglegging op punten niet correct is geweest en hier zijn excuses voor aangeboden. Daarmee heeft beklaagde gereflecteerd op zijn eigen handelen. Het verslag is na het klachtgesprek herzien en het herziene verslag is direct aan de RvdK gestuurd. Beklaagde heeft zich aldus ingespannen om mogelijk te ontstaan nadeel te keren. Het College acht dit handelen van beklaagde daarom verminderd verwijtbaar, temeer omdat het gaat om een eenmalige misstap. Het College legt daarom geen maatregel op.
Voor het overige komt het College tot de slotsom dat klachtonderdeel III ongegrond is en dat de klager niet-ontvankelijk is in de door hem ingediende klachtonderdelen IV en V.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klachtonderdelen I en II deels gegrond;

– verklaart klachtonderdeel III ongegrond;

– verklaart klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen IV en V;

– legt aan beklaagde geen maatregel op.

Aldus gedaan door het College en op 24 oktober 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, mevrouw mr. E.C. Abbing,
voorzitter secretaris