De jeugdbeschermer heeft de noodzakelijke geachte hulpverlening aan de moeder voldoende onderbouwd. Ook heeft de jeugdbeschermer toegelicht waarom een onderzoek naar de vermeende kindermishandeling niet heeft plaatsgevonden.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw dr. mr. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [vertrouwenspersoon].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. M.J.I. Assink, werkzaam bij Aantjes Zevenberg advocaten.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 16 januari 2018, met de bijlagen;

– het verweerschrift ontvangen op 19 april 2018, met de bijlagen;

– de aanvulling op het klaagschrift met bijlage ontvangen op 18 februari 2018;

– de door beklaagde tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotitie.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van een dochter, hierna te noemen: de dochter, die geboren is in 2010. Klaagster en haar ex-partner, hierna te noemen: vader zijn sinds 2014 uit elkaar. De relatie tussen hen is verstoord. Vader heeft de dochter erkend. Klaagster is belast met het gezag over de dochter.

2.2

Uit eerdere relaties van klaagster zijn een zoon en een dochter geboren. De zoon is meerderjarig. De dochter, hierna te noemen: de oudste dochter, is geboren in 2004. De drie kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij klaagster.

2.3

Bij beschikking van 23 december 2016 heeft de kinderrechter van de rechtbank [locatie], overeenkomstig de regeling die eerder in een kort geding procedure is bepaald, een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen vader en de dochter op straffe van een dwangsom voor iedere keer dat klaagster de omgangsregeling niet nakomt.
De kinderrechter heeft de Raad voor de Kinderbescherming hierna te noemen: RvdK, verzocht onderzoek te doen naar de meest wenselijke gezagsverhouding en de hoofdverblijfplaats van de dochter.

2.4

De RvdK heeft op 15 mei 2017 een rapport uitgebracht waarin een ondertoezichtstelling wordt geadviseerd. Ten aanzien van het gezag over en de hoofdverblijfplaats van de dochter heeft de RvdK geadviseerd om de beslissing voor een periode van zes maanden aan te houden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in een gedwongen kader.

2.5

De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 mei 2017 van de rechtbank [locatie] de dochter voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld.

2.6

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en is sinds 10 april 2017 betrokken bij de ondertoezichtstelling van de dochter en belast met de uitvoering hiervan. Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

2.7

Bij beschikking van 20 juni 2017 heeft de kinderrechter vastgesteld dat de omgangsregeling tussen vader en de dochter niet is nagekomen. De kinderrechter heeft een voorlopige omgangsregeling met opbouw vastgesteld en heeft de definitieve beslissing over de omgang aangehouden.
De kinderrechter heeft geoordeeld dat het wantrouwen van klaagster richting vader en het niet meewerken aan de omgang een ernstige bedreiging vormt voor de ontwikkeling van de dochter. De rechtbank heeft de beslissing over het gezag en de hoofdverblijfplaats van de dochter voor een periode van drie maanden aangehouden om klaagster en vader nog een kans te geven om met hulpverlening in het gedwongen kader hun verstandhouding te verbeteren en de omgang vorm te geven.

2.8

Nadat klaagster telefonisch contact heeft opgenomen met beklaagde en haar heeft gevraagd om steun en advies, heeft beklaagde op 26 juni 2017 klaagster bezocht. Vanwege de overbelasting van klaagster heeft beklaagde ambulante spoedhulp en de huisarts ingeschakeld. Tot 31 juli 2017 is ambulante spoedhulp ingezet. De dochters zijn tijdelijk vrijwillig uit huis geplaatst.

2.9

De RvdK heeft op 12 september 2017 een rapport uitgebracht en de kinderrechter geadviseerd de vraag rond het gezag en de hoofdverblijfplaats voor de duur van drie maanden aan te houden.

2.10

De GI heeft op 12 december 2017 per brief aan klaagster een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing verstuurd. Deze heeft onder meer als inhoud dat klaagster de dochter niet belast met een negatieve en destructieve overtuiging over vader.

2.11

Op 21 februari 2018 heeft de RvdK de kinderrechter geadviseerd om vader en klaagster te belasten met het gezamenlijk gezag over de dochter. Met betrekking tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats heeft de RvdK de kinderrechter verzocht om aanhouding voor de duur van drie maanden. Daarnaast heeft de RvdK een verzoek ingediend om de GI te machtigen de dochter uit huis te plaatsen bij vader voor de periode van zes maanden.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in de aanvulling op het klaagschrift genoemde klachtonderdelen besproken en beoordeeld. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd te kennen gegeven dat de voorzitter de klachtonderdelen juist en volledig heeft verwoord. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Klachtonderdelen I en II worden afzonderlijk behandeld. Vanwege de samenhang worden klachtonderdelen III en IV gezamenlijk besproken en beoordeeld.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster is van mening dat beklaagde alleen de hulpverlening eist die bij haar beeld past. Hierdoor heeft beklaagde een eigen waarheid gecreëerd die niet strookt met de werkelijkheid. Klaagster kan niet voldoen aan de eisen die aan haar worden gesteld. Beklaagde heeft klaagster door middel van de onder 2.10 genoemde vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing gedwongen om hulpverlening in te schakelen. Ook heeft beklaagde in de rapportage van de RvdK gesteld dat klaagster intensieve, psychologische hulpverlening nodig heeft.

3.2.2

Beklaagde voert aan dat het er niet om gaat dat beklaagde vindt dat de hulpverlening moet worden gevolgd die bij haar persoonlijke beeld past. De betrokkenen hulpverleners zijn met elkaar van oordeel dat de noodzakelijk geachte hulpverlening niet van de grond komt. De onderliggende persoonlijke problematiek van klaagster is van invloed op de echtscheidingsproblematiek met vader. Klaagster dient eerst intensieve therapie te volgen omdat de hulpverlening niet verder komt en daarmee niet het belang van de dochter is gediend. Deze intensieve behandeling heeft niet plaatsgevonden.

3.2.3

Het College overweegt het volgende.
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat beklaagde in het gedwongen kader heeft samengewerkt met hulpverleners. De RvdK heeft een onafhankelijk onderzoek verricht en beklaagde heeft gesproken met onder meer de Crisisdienst, [lokaal team], hierna te noemen: [lokaal team], de ambulant hulpverlener en de behandelaar van moeder. Zij hebben hetzelfde standpunt ingenomen over de vorm van hulpverlening aan klaagster. Daarnaast heeft beklaagde op 24 november 2017 door middel van de ARIJ (Actuarieel Risicotaxatie Instrument voor Jeugdbescherming) een risicotaxatie ingevuld. De uitkomst hiervan is geweest dat de kans op toekomstige onveiligheid hoog is.

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het tot haar taak behoort om het belang van de dochter te behartigen. Klaagster mag een ervaring en een overtuiging hebben over vader maar zij belast hiermee de dochter.

In het overgelegde gezinsplan van 28 maart 2018 staat voorts beschreven dat klager en beklaagde in een gesprek op 11 september 2017 een gezamenlijk doel voor de hulpverlening hebben gesteld. In het gezinsplan is als doel geformuleerd dat klaagster de door haar als destructieve ervaren relatie met vader heeft verwerkt, zodat zij samen met hem de dochter kan opvoeden en begeleiden en hierdoor op een gepaste emotionele manier beschikbaar is voor de dochter.
Beklaagde heeft gemotiveerd toegelicht dat het aanpakken van deze problematiek prioriteit heeft zodat de dochter vanuit een stabiele opvoedomgeving onbelaste omgang kan hebben met zowel klaagster als vader, waarna andere hulp kan worden ingezet. In het gezinsplan is als bodemeis gesteld dat zowel klaagster als vader zich aanmeldt voor psychische hulp om de andere ouder te accepteren en het leren om met elkaar om te gaan.

Op grond van het voorgaande en de in 2.7 genoemde beschikking van de kinderrechter is het College van oordeel dat beklaagde tot een onderbouwd oordeel is gekomen over de noodzakelijke geachte hulpverlening aan klaagster.
Het College kan zich voorstellen dat een aankondiging van een schriftelijke aanwijzing met de vermelding dat de dochter niet meer bij klaagster kan wonen als de situatie niet verandert, voor klaagster ingrijpend is geweest. Beklaagde heeft in haar verweerschrift te kennen gegeven dat zij zich hiervan bewust is geweest. Maar zij heeft geen andere mogelijkheid gezien omdat het er niet naar uit zag dat de hulpverlening voor klaagster van de grond zou komen. Volgens klaagster zijn in de aankondiging uitspraken van klaagster geciteerd die onwaar zijn. Daarbij heeft zij verwezen naar een e-mail van de contactpersoon van het [lokaal team]. Nu deze e-mail niet in deze procedure is overgelegd en het College in het dossier voorts geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden die de stelling van klaagster ondersteunen, is het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Beklaagde is tijdens netwerkberaden naar de mening van klaagster zeer amicaal omgegaan met vader.

3.3.2

Beklaagde herkent zich niet in het beeld dat wordt geschetst door de verklaring van twee vrienden van klaagster. Beklaagde heeft in alle opzichten getracht geen partij te kiezen, ook met betrekking tot de moeizame afwikkeling van de echtscheiding. Dat beklaagde een zeer negatieve houding tegenover klager zou hebben, is niet waar en is niet gebleken.

3.3.3

Het College oordeelt als volgt. Klager en beklaagde spreken elkaar tegen. Het College kan onder deze omstandigheden niet vaststellen of beklaagde zeer amicaal met vader is omgegaan omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste tuchtrechtspraak dat het verwijt van klager ongegrond is omdat niet vastgesteld kan worden welke feiten hieraan ten grondslag liggen. Ook heeft het College geen aanknopingspunten kunnen vinden in het dossier die tot de conclusie leiden dat beklaagde zeer amicaal met vader is omgegaan.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III en IV

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niets heeft gedaan met een melding van kindermishandeling van haar oudste dochter door vader. Op 27 juli 2017 heeft de oudste dochter aan beklaagde verteld dat zij en haar zus door vader zijn geslagen. De vermoedens van klaagster over de verwaarlozing en kindermishandeling van haar dochters door vader zijn niet door beklaagde onderzocht. Zij heeft beslissingen genomen die niet gebaseerd zijn op feiten en die niet in het belang van de kinderen zijn geweest.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij beide kanten van het verhaal heeft bekeken. Verder onderzoek is echter niet van de grond gekomen doordat klaagster bij een gesprek met de oudste dochter aanwezig wilde zijn en niet toe heeft gestaan dat beklaagde alleen met de oudste dochter kon spreken. In een dergelijke setting kan geen objectief onderzoek plaatsvinden. Verder waren geen aanwijzingen aanwezig die het uitgesproken vermoeden ondersteunden.

3.4.3

Het College overweegt dat beklaagde in haar verweer heeft toegelicht waarom een onderzoek naar de vermeende kindermishandeling niet heeft plaatsgevonden. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is het College niet gebleken dat de door beklaagde geschetste gang van zaken anders is geweest of onjuist is.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– Verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;

Aldus gedaan door het College en op 28 juni 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw dr. mr. L.C. Mulder mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter secretaris