Nadat een ondertoezichtstelling is geëindigd heeft een jeugdbeschermer zonder toestemming van de vader en dochter persoonlijke informatie over de dochter verstrekt aan een instelling

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A. Wilting, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.E. Blaauw – Glas, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[appellant], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: appellant, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[verweerster], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Appellant wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [vertrouwenspersoon], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellant bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift ontvangen op 26 februari 2018, met de bijlagen;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 11 april 2018, met de bijlagen;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 18.016T van 26 juni 2018;
– het door appellant ingediende pro forma beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 21 augustus 2018;
– de door appellant ingediende aanvulling op het (pro forma) beroepschrift ontvangen op 4 september 2018, met de bijlagen;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 29 oktober 2018.
– de door appellant tijdens de mondelinge behandeling van het beroep overlegde stukken, te weten: een schriftelijk openingswoord en een pleitnota.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen I, II, III, IV, VI, VII en VIII ongegrond en klachtonderdeel V gegrond verklaard. Het College van Toezicht heeft afgezien van het opleggen van een maatregel aan verweerster.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellant op 21 augustus 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 29 oktober 2018 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 november 2018 in aanwezigheid van appellant, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigden. Van de zijde van appellant is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep een kennis aanwezig geweest. Van de zijde van verweerster zijn tijdens de mondelinge behandeling van het beroep een collega en de teammanager aanwezig geweest.

1.6

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat in verband met de aankomende feestdagen het streven is dat de beslissing over vijf weken, op 20 december 2018, verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellant is de (juridische) vader van drie kinderen. Het gaat daarbij om de thans meerderjarige zoon, geboren in 1996, en (oudste) dochter, geboren in 2000. Deze zoon en dochter zijn geboren uit een eerder huwelijk van de moeder. Appellant is daarnaast nog de vader van een thans minderjarige dochter die in 2011 geboren is uit het huwelijk tussen appellant en de moeder. Dit huwelijk is op 17 april 2013 ontbonden.

2.2

Appellant is gezamenlijk met de moeder belast met het gezag over de jongste dochter. Tot aan de meerderjarigheid van de zoon en de oudste dochter heeft appellant eveneens gezamenlijk het gezag uitgeoefend over hen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder.

2.3

Naar aanleiding van een zorgmelding ingediend bij het toenmalige Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), thans Veilig Thuis, heeft de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: RvdK, een beschermingsonderzoek uitgevoerd. De RvdK heeft in het raadsrapport van 15 februari 2013 de kinderrechter verzocht om de kinderen onder toezicht te stellen.

2.4

De kinderrechter heeft bij beschikking van 28 februari 2013 de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd doch per 27 februari 2015 geëindigd. Voor de zoon was de ondertoezichtstelling reeds eerder, met het bereiken van zijn meerderjarigheid, geëindigd.

2.5

Op 6 november 2014 heeft er een Multi Disciplinair Overleg (MDO) plaatsvonden waarbij, naast appellant en verweerster, diverse betrokkenen aanwezig zijn geweest. Doel van dit gesprek was om onduidelijkheden te bespreken en mogelijk aanwezige zorgen van direct betrokkenen te horen. Door de betrokken instanties zijn tijdens dit gesprek geen zorgen genoemd die het handhaven van de ondertoezichtstelling, gericht op een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen, verder rechtvaardigden. De GI was van mening dat de problemen die er nog zijn, te herleiden zijn tot het niet bereiken van een vorm van constructieve communicatie en overleg over de kinderen. De GI adviseerde ouders in dat kader om op korte termijn te starten met ‘Ouderschap Blijft’.

2.6

Met het eindigen van de ondertoezichtstelling op 27 februari 2015 heeft verweerster appellant en de moeder aangemeld bij een instelling voor het traject ‘Ouderschap Blijft’. Met deze aanmelding is de zaak overgedragen aan het sociaal wijkteam van de gemeente.

2.7

Verweerster is sinds [datum] 2013 bij het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 tot op heden is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd. Vanaf het uitspreken van de ondertoezichtstelling tot [datum] 2015 – de beëindiging van de ondertoezichtstelling – is zij namens de GI belast geweest met de uitvoering hiervan.

2.8

In februari 2015 heeft appellant bij de Klachtencommissie Jeugdzorg, hierna te noemen: de Klachtencommissie, een klacht over verweerster ingediend. Bij beslissing van 6 juli 2015 heeft de Klachtencommissie de klacht deels gegrond verklaard.

3 Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van de klachtonderdelen I, II, III, IV, VI, VII en VIII die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard en klachtonderdeel V dat door het College van Toezicht gegrond is verklaard.

3.1.4

Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt, voor zover van toepassing, de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.1.5

Nu verweerster sinds [datum] 2013 als jeugdprofessional bij SKJ is geregistreerd, kan het College van Beroep enkel vanaf deze datum over het handelen van verweerster oordelen. Het College van Beroep gaat derhalve uit van een betrokkenheid, als geregistreerd jeugdprofessional, bij de onderhavige zaak tussen [datum] 2013 en [datum] 2015.

3.1.6

Appellant heeft in zijn beroepschrift ten aanzien van de bestreden klachtonderdelen gesteld – kort weergegeven – dat niet alle door hem genoemde voorbeelden tijdens de mondelinge behandeling van de klacht zijn behandeld, waardoor het College van Toezicht naar de mening van appellant heeft geoordeeld aan de hand van een feitelijk onjuist beeld. Om die reden wil appellant dat de door hem genoemde klachtonderdelen/voorbeelden (opnieuw) worden beoordeeld.

3.1.7

De voorzitter van het College van Beroep heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep kenbaar gemaakt dat, voor zover appellant op alle door hem genoemde voorbeelden, welke in beroep als grieven zijn geformuleerd, een inhoudelijke beoordeling wil, deze niet allen als zodanig behandeld zullen worden nu het voorbeelden betreffen ter ondersteuning van de door appellant eerder geformuleerde klachtonderdelen. Het College van Beroep zal deze grieven c.q. voorbeelden, voor zover relevant, in het kader van het (oorspronkelijke) klachtonderdeel in de beoordeling betrekken.

3.2 Klachtonderdeel I en II

3.2.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht zijn klachtonderdeel I en II samengevoegd en – kort en zakelijk weergeven – als volgt geformuleerd. Appellant verwijt verweerster dat zij uitspraken heeft gedaan die hebben gezorgd voor een onjuiste en negatieve beeldvorming over appellant. Verweerster heeft foutieve en tegenstrijdige informatie verstrekt aan de betrokken instanties. Appellant heeft ter onderbouwing van deze klachtonderdelen in zijn klaagschrift een aantal voorbeelden genoemd. Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen ongegrond verklaard.

3.2.2

Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft het College van Beroep reeds uitspraak gedaan over een omissie die naar het oordeel van het College van Beroep in de bestreden beslissing aanwezig is. In de bestreden beslissing is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“Het gebruik van het woord ‘resocialiseren’ acht het College [van Toezicht] zeer ongelukkig. [Verweerster] heeft deze term gebruikt in een brief aan de rechtbank van 19 augustus 2014 waarin zij heeft geadviseerd over de omgang van [appellant] met de jongste dochter. Het is voorts ongewenst dat het woord na de excuses van [verweerster] opnieuw is teruggekomen in rapportages van [verweerster]. [Verweerster] heeft tijdens de hoorzitting van 20 mei 2015 bij de Klachtencommissie erkend dat zij deze fout heeft gemaakt en heeft hiervoor haar verontschuldigingen aangeboden. Nu [verweerster] voor dit onderdeel van de klacht op 6 juli 2015 voor de Klachtencommissie verantwoording heeft afgelegd, dit onderdeel door de Klachtencommissie gegrond is verklaard en [verweerster] hiervoor meermalen haar excuses heeft aangeboden, zal het College [van Toezicht] dit gedeelte van de klacht ongegrond verklaren. Ten overvloede merkt het College [van Toezicht] op dat klager op 22 april 2014 aan [verweerster] een e-mail heeft gestuurd waarin hij zelf het woord ‘resocialiseren’ gebruikt.”.

Het College van Beroep is van oordeel dat, zoals appellant eveneens heeft gesteld in zijn beroepschrift, een verantwoording bij een klachtencommissie en het eventueel (meermalen) aanbieden van excuses, geen invloed kan hebben op het al dan niet gegrond verklaren van een klachtonderdeel in de onderhavige procedure. Een behandeling bij een klachtencommissie en eventuele excuses of reflectie doet immers niet af aan het feit dat een jeugdprofessional bij zijn handelen mogelijk niet gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het reflecterend vermogen of het aanbieden van excuses kan in een tuchtrechtelijke toetsing enkel in voorkomende gevallen meewegen in het al dan niet opleggen van een maatregel of de zwaarte hiervan. Gelet op het voorgaande verklaart het College van Beroep de klacht voor zover verweerster uitspraken heeft gedaan die hebben gezorgd voor een onjuiste en negatieve beeldvorming over appellant, gegrond. De grief van appellant ten aanzien hiervan slaagt aldus.

3.2.3

Ten aanzien van de grief c.q. het voorbeeld dat verweerster (ten onrechte) heeft vermeld dat er bij appellant sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis, stelt het College van Beroep vast dat het College van Toezicht in het oordeel uitsluitend is uitgegaan van stukken in het dossier die zijn opgemaakt voordat verweerster bij SKJ geregistreerd was. Zoals reeds overwogen onder 3.1.5 kan het College van Beroep echter enkel oordelen over het handelen van verweerster vanaf de registratiedatum, te weten 4 juni 2013. Gelet op het voorgaande en het feit dat er in het dossier geen stukken zijn aangetroffen van de hand van verweerster na de registratiedatum welke melding maken van een mogelijke borderline persoonlijkheidsstoornis bij appellant, komt het College van Beroep niet toe aan een oordeel aangaande het al dan niet ten onrechte vermelden van een aanwezige borderline persoonlijkheidsstoornis bij appellant. Het College van Beroep verklaart appellant niet-ontvankelijk in deze grief.

3.2.4

Voor zover relevant is voorts in de bestreden beslissing het volgende opgenomen: “Het is het College [van Toezicht] gebleken dat [appellant] op 18 november 2014 een zorgmelding heeft gedaan bij Veilig Thuis waarin hij zijn zorgen heeft geuit over de kinderen en de opvoedsituatie bij moeder. Deze melding is op 7 januari 2015 door Veilig Thuis overgedragen aan [verweerster]. [Verweerster] heeft vervolgens met [appellant] gesproken over zijn zorgen en heeft contact opgenomen met de betrokken instanties om deze zorgen te verifiëren. Zij heeft een gezamenlijk gesprek met betrokken instanties gevoerd.
[Verweerster] heeft de zorgen van [appellant] onderzocht en serieus genomen. Mogelijk had [appellant] graag een andere uitkomst gezien. Wat hier ook van zij, [verweerster] kan tuchtrechtelijk geen verwijt worden gemaakt.”

3.2.5

Appellant stelt ten aanzien van deze overweging van het College van Toezicht dat nergens uit blijkt dat verweerster na de overdracht op 7 januari 2015 de melding(en) met zowel appellant als betrokken instanties heeft besproken. Zowel zijn advocaat als de klachtencommissie heeft gesteld dat de zorgen bij verweerster bekend moesten zijn. Geen van deze meldingen zijn echter terug te vinden in de door verweerster opgestelde stukken. Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerster in strijd handelde met haar verplichtingen door de meldingen niet met appellant te bespreken. Daarnaast heeft verweerster nagelaten om in al de door haar opgestelde stukken de feiten volledig en naar waarheid aan te leveren. Het College van Toezicht heeft hiermee in de beoordeling geen rekening gehouden.

3.2.6

Verweerster stelt dat het College van Toezicht lijkt te hebben overwogen dat het voeren van gesprekken met betrokken instanties na de overdracht van Veilig Thuis is gebeurd, terwijl deze medio november 2014 hebben plaatsgevonden. Voor zover de grief ziet op het volledig en naar waarheid opnemen van feiten, wil verweerster opmerken hiermee bekend te zijn en dit ook te doen. Zij wil daarbij wel de kanttekening maken dat een jeugdprofessional niet op dezelfde manier aan waarheidsvinding doet als in het strafrecht. Voor een jeugdprofessional is het van belang om de feiten zo volledig en objectief mogelijk weer te geven. Verweerster stelt zich op het standpunt dat te hebben gedaan.

3.2.7

Het College van Beroep stelt vast dat uit het klaagschrift van appellant blijkt dat de bij hem aanwezige zorgen op 18 november 2014 zijn vastgelegd in een zorgmelding bij Veilig Thuis. Deze zorgmelding is vervolgens op 7 januari 2015 overgedragen aan verweerster. Uit het dossier en hetgeen heeft plaatsgevonden tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is gebleken dat de zorgen die appellant had bekend waren bij verweerster. Er is voldoende aannemelijk gemaakt dat verweerster voor 7 januari 2015 reeds bekend was met de zorgen die appellant had en dat deze door haar zijn onderzocht. Er is echter ook gebleken dat de zorgen die appellant had niet werden gedeeld door de betrokken instanties. In zoverre sluit het College van Beroep dan ook aan bij het oordeel van het College van Toezicht dat, voor zover appellant een andere uitkomst had willen zien, dit verweerster niet tuchtrechtelijk te verwijten valt.

3.2.8

Het College van Beroep verklaart het klachtonderdeel voor zover dit ziet op het doen van uitspraken die hebben gezorgd voor een onjuiste of negatieve beeldvorming over appellant, gegrond. Voor het overige verklaart het College van Beroep het klachtonderdeel niet-ontvankelijk, c.q ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel III en IV

3.3.1

De klachtonderdelen III en IV zijn door het College van Toezicht als afzonderlijke klachten beschouwd en als zodanig beoordeeld. Appellant heeft tegen deze klachtonderdelen tezamen beroep ingesteld. Het College van Beroep zal voor zover relevant hieronder bij de beoordeling op de afzonderlijke klachtonderdelen ingaan.

3.3.2

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel III – kort en zakelijk weergegeven – als volgt geformuleerd. Verweerster heeft onvoldoende met appellant samengewerkt om de ontwikkelingsdreiging bij de kinderen weg te nemen. Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel noemt appellant een aantal voorbeelden, zoals het meermalen zijn zorgen uiten over de kinderen aan verweerster. Voorts heeft verweerster een gedane zorgmelding door de politie genegeerd.

3.3.3

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van klachtonderdeel III als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt dat in de onder 2.5 genoemde beschikking de rechter heeft geoordeeld over de zorgen van [appellant] over de veiligheid van de kinderen bij moeder. Voorts heeft [verweerster] op 28 maart 2014 de zorgen van [appellant] in een brief aan hem benoemd. Zij heeft geschreven dat zij vanuit de betrokken instanties geen bevestiging heeft gekregen van de zorgen die [appellant] heeft. Op 2 oktober 2014 zijn tijdens een gesprek met onder meer de RvdK en [verweerster] de zorgen van [appellant] met hem besproken. Uit een brief van 28 oktober 2014 van [verweerster] aan [appellant] is gebleken dat de informatie die [appellant] ontvangt, niet overeen lijkt te komen met de informatie die [verweerster] van hen krijgt. Dit heeft geleid tot verschillende beelden op de ontwikkeling van de kinderen en de opvoedsituatie bij de moeder. Om deze beelden zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming te brengen heeft de GI bij alle betrokken instanties navraag gedaan om te bezien in hoeverre de zorgen van [appellant] bevestigd konden worden, hetgeen niet het geval was.
[..]
Het College [van Toezicht] is van oordeel dat [verweerster] de zorgen van [appellant] serieus heeft genomen en dat zij zich heeft ingespannen om zijn zorgen te onderzoeken en met hem de verschillende beelden te bespreken. Dat de zorgen van [appellant] niet zijn weggenomen en dat hij een andere visie heeft dan [verweerster] is zonneklaar maar valt [verweerster] niet tuchtrechtelijk te verwijten. Zij heeft zorgvuldig gehandeld.” Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

3.3.4

Appellant stelt ten aanzien van deze klachtonderdelen dat het College van Toezicht met een aantal feiten geen rekening heeft gehouden. Voorafgaand aan het gesprek van 2 oktober 2014 ontving verweerster een compilatie van zorgen die appellant bekend waren omdat deze door instanties met hem waren besproken en verzocht hij om een reactie. Verweerster ontkende bekend te zijn met de zorgen die appellant aandroeg. Hieruit alleen al valt af te leiden dat verweerster deze meldingen en/of zorgen nooit met appellant heeft besproken noch dat verweerster dit meegenomen kan hebben in de door haar opgestelde stukken. De advocaat van verweerster kwam na het toetsen aan de zoekcriteria tot de conclusie dat deze zorgen wel bij verweerster bekend moesten zijn en dat de klachtencommissie oordeelde dat verweerster geen hiaten in haar dossier had. Het College van Toezicht stelt voorts in de beoordeling dat verweerster bij alle betrokken instanties navraag heeft gedaan. Bij het MDO dat was georganiseerd om de ‘hiaten te dichten’ waren echter geen afgevaardigden van de politie, GGD of de leerplichtambtenaar uitgenodigd.

3.3.5

Verweerster stelt zich op het standpunt dat de klachtencommissie heeft geoordeeld dat appellant volledig als ‘alles’ definieert en de GI volledig als ‘afdoende om de opdracht van de kinderrechter uit te kunnen voeren’ en oordeelde vervolgens dat de GI over voldoende documentatie beschikte om de opdracht uit te voeren en appellant er niet voor heeft gekozen de specifieke documenten die naar zijn mening ontbraken, te overhandigen. Voor zover er bij het beroep brieven van melders zijn overgelegd die stellen nooit iets van de GI te hebben gehoord, stelt verweerster het volgende. De zorgmelding die is gedaan medio januari 2014 is bij verweerster niet bekend. [contact1] heeft verweerster op 7 november 2014 telefonisch gesproken. [contact2] bij verschillende gesprekken met appellant en verweerster aanwezig geweest.

3.3.6

Het College van Beroep stelt vast dat er op 2 oktober 2014 een gezamenlijk gesprek heeft plaatsgevonden waarin de vermeende zorgen zijn besproken. Naar aanleiding van dit gesprek is er voor gekozen op 6 november 2014 een MDO te beleggen met als doel onduidelijkheden uit de wereld te helpen en de eventuele zorgen van de betrokken instanties te horen. Uit het contactjournaal van die dag, met een samenvatting van het MDO, blijkt dat de aanwezige betrokken instanties de zorgen die appellant had niet deelden, hetgeen ook is teruggekoppeld in de brief van verweerster van 21 november 2014. Het is het College van Beroep dan ook voldoende aannemelijk geworden dat verweerster wel degelijk op de hoogte was van de zorgen die appellant had, maar dat zowel zij als die betrokken instanties deze zorgen niet deelden. Nu tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is gebleken dat later, bij een nieuw uitgesproken ondertoezichtstelling over de oudste dochter onder verantwoordelijkheid van een andere GI, wel gebleken is dat er zorgen zijn en daarvoor hulpverlening is ingezet, heeft het College van Beroep oog voor de emoties van appellant hieromtrent. Het College van Beroep is echter van oordeel dat het enkele feit dat in een later stadium wel is gebleken dat er zorgen zijn, niet maakt dat verweerster (tuchtrechtelijk) verwijtbaar tekort is geschoten. Er staat immers niet zonder meer vast dat deze zorgen ten tijde van de betrokkenheid van verweerster reeds aanwezig waren. Voor zover de grief zich richt tegen het feit dat tijdens het MDO een aantal betrokken instanties niet aanwezig waren, oordeelt het College van Beroep dat dit een gebruikelijke gang van zaken kan zijn. Het is bijvoorbeeld niet ongebruikelijk dat een school(maatschappelijk werker) voorafgaand aan het MDO overleg heeft met de leerplichtambtenaar om zo ook diens standpunt en/of zorgen mee te kunnen nemen tijdens een MDO. Daarnaast heeft verweerster tijdens de mondelinge behandeling van het beroep kenbaar gemaakt dat zij de politie heeft gebeld om te verifiëren of er meldingen bekend waren. Er waren op dat moment wel meldingen bekend, maar geen meldingen van dusdanige aard die aanleiding gaven om de ondertoezichtstelling te verlengen. Concluderend is het College van Beroep van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster onvoldoende met appellant heeft samengewerkt om de ontwikkelingsdreiging bij de kinderen weg te nemen.

3.3.7

Het College van Beroep verwerpt aldus de grief die betrekking heeft op klachtonderdeel III.

3.3.8

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel IV – kort en zakelijk weergegeven – als volgt geformuleerd. Verweerster heeft onvoldoende transparantie in haar werkwijze betracht. Tijdens de uitoefening van de ondertoezichtstelling heeft zij appellant onvoldoende geïnformeerd over de contacten die zij heeft gehad met instanties die betrokken waren bij de kinderen. Het College van Toezicht heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.3.9

Het College van Beroep stelt vast dat, hoewel appellant in zijn beroepschrift kenbaar heeft gemaakt, beroep in te stellen tegen zowel klachtonderdeel III als IV, hij heeft nagelaten om specifiek te onderbouwen met welk deel van de beoordeling ten aanzien van klachtonderdeel IV hij het niet eens is. Het College van Beroep is van oordeel dat de door appellant aangevoerde beroepsgronden zien op klachtonderdeel III en niet op klachtonderdeel IV. Nu de beroepsgronden ten aanzien van dit klachtonderdeel niet voldoende duidelijk zijn gemotiveerd dient appellant niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn grief gericht tegen klachtonderdeel IV.

3.3.10

Het College van Beroep verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn grief gericht tegen klachtonderdeel IV.

3.5 Klachtonderdeel V

3.5.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel V als volgt geformuleerd: “[Appellant] verwijt [verweerster] dat zij na de verlenging van de ondertoezichtstelling in februari 2014 niet tijdig en zonder overleg met hem het Plan van Aanpak heeft vastgesteld.” Het College van Toezicht heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard.

3.5.2

Het College van Beroep stelt vast dat dit klachtonderdeel in zijn geheel door het College van Toezicht gegrond is verklaard. Op grond van artikel 12.1 van het Tuchtreglement kan enkel beroep in worden gesteld voor zover een klager c.q. beklaagde in een beslissing in het ongelijk is gesteld. Nu appellant ten aanzien van dit klachtonderdeel in zijn gelijk is gesteld, is het niet mogelijk om tegen dit deel van de beslissing beroep in te stellen. Dat er naar de mening van appellant ten aanzien van dit klachtonderdeel discrepanties zijn ontstaan doet aan het voorgaande niet af. Voor zover appellant door middel van de grief tegen dit klachtonderdeel beoogt te appelleren tegen het feit dat er door het College van Toezicht geen maatregel is opgelegd aan verweerster, oordeelt het College van Beroep dat het opleggen van een maatregel c.q. de zwaarte daarvan een bevoegdheid is die uitsluitend toekomt aan de tuchtcolleges van SKJ en dat daartegen geen beroep kan worden ingesteld.

3.5.3

Het College van Beroep verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn grief gericht tegen klachtonderdeel V.

3.6 Klachtonderdeel VI

3.6.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VI als volgt geformuleerd: “Naar de mening van [appellant] heeft [verweerster] zijn recht op inzage en een afschrift van het dossier beperkt. De contactjournaals waren niet aan [appellant] verstrekt. De uiteindelijk overhandigde contactjournaals waren niet volledig omdat alle informatie van derden over de kinderen voor hem is afgeschermd. “

3.6.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt het volgende. Vast is komen te staan dat [appellant] een kopie van de stukken uit het dossier heeft ontvangen op 29 april 2014. Een kopie van het digitale dossier is op 19 december 2014 verstuurd naar de advocaat van [appellant]. Op 1 september 2015 heeft [appellant] het gehele dossier van de oudste dochter en [jongste] dochter ontvangen. [Appellant] heeft hiervoor getekend.

Het College [van Toezicht] is van oordeel dat [appellant] in verband met de privacy van moeder geen recht heeft op informatie die moeder persoonlijk betreft. Voorts heeft [verweerster] onweersproken te kennen gegeven dat de oudste dochter haar heeft laten weten dat zij niet wenst dat [appellant] contactjournaals over haar te zien krijgt. Dat deze stukken niet aan [appellant] zijn overgelegd, is in dit licht zorgvuldig geweest.” Het College van Toezicht verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6.3

Appellant stelt zich op het standpunt dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerster juist heeft gehandeld door stukken, met name de contactjournaals, te overleggen waarbij alle informatie over de oudste dochter niet zichtbaar was. Appellant baseert zich hierbij op informatie van de Rijksoverheid over wie het dossier met betrekking tot jeugdhulp mag inzien. Het handelen van verweerster is strijdig met de wet- en regelgeving nu de oudste dochter veertien jaar was toen zijn advocaat de contactjournaals heeft ontvangen. Voorts stelt appellant dat niet alleen informatie over de oudste dochter onzichtbaar was, maar ook alle gegevens van de jongste dochter en het grootste gedeelte van zijn eigen gegevens.

3.6.4

Verweerster stelt zich op het standpunt dat appellant alle stukken heeft ontvangen waar hij recht op had. De GI heeft ook kenbaar gemaakt in de brief van 2 juni 2017 dat bepaalde informatie die appellant verzoekt geen onderdeel van het dossier uitmaakt. Appellant heeft in beginsel als ouder met gezag recht op inzage in het dossier van zijn kinderen jonger dan 16 jaar oud.
Artikel 7.3.11 lid 3 van de Jeugdwet houdt echter de mogelijkheid in dat een hulpverlener inzage kan weigeren als hij vindt dat dit de hulpverlening schaadt.
De oudste dochter had verzocht geen contactjournaals te overleggen omdat zij bang was dat appellant dit tegen haar zou gebruiken. De GI heeft afgewogen dat het verstrekken van de contactjournaals de hulpverlening aan de oudste dochter zou schaden. Op 19 december 2014 zijn de contactjournaals vanaf de aanvang van de ondertoezichtstelling tot 18 december 2014 aan de advocaat van appellant toegezonden. Door appellant wordt voorts niet nader onderbouwd dat er informatie over de jongste dochter niet zou zijn gegeven. c.q. welke informatie dan niet zou zijn gegeven.

3.6.5

Het College van Beroep stelt dat vast dat een beroep op het recht op inzage en afschrift van het dossier waarin het in het klaagschrift om gaat heeft plaatsgevonden in april 2014 en het verstrekken van de contactjournaals aan de advocaat van appellant in december 2014. Op dat moment was de Jeugdwet echter nog niet in werking getreden en derhalve de Wet op de Jeugdzorg nog van toepassing. Het recht op inzage in of afschrift van het dossier van wettelijk vertegenwoordigers was in artikel 50 lid 2 van de voornoemde wet geregeld. In dit artikel is het volgende opgenomen: “Indien de cliënt jonger is dan zestien jaren, of de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen dan wel inzage of afschrift van de bescheiden verstrekt, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet.” Ten tijde van het verzoek tot afgifte van het dossier aan appellant was de oudste dochter dertien jaar. In beginsel diende op grond van voorgaand artikel desgevraagd inlichtingen aan de wettelijk vertegenwoordiger, in casu appellant, te worden verstrekt. Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is onweersproken gesteld dat de oudste dochter geen toestemming wilde geven voor afgifte van het dossier aan appellant. Dat appellant in deze beroepsprocedure een e-mail brengt die afkomstig lijkt te zijn van de oudste dochter, waarin zij aangeeft dat zij door verweerster niet is gevraagd haar toestemming te geven voor de afgifte van het dossier aan appellant, maakt dit niet anders. Appellant heeft zijn oudste dochter ruim vier jaar na het verstrekken van het dossier gevraagd of zij al dan niet toestemming heeft gegeven voor afgifte van het dossier. Het College van Beroep acht het niet onaannemelijk dat deze kwestie door verweerster destijds wel met haar besproken is. Door het verstrijken van de tijd, en gezien haar relatief jonge leeftijd op dat moment, kan de dochter zich dit mogelijk niet meer herinneren. Het strekt overigens wel tot de aanbeveling dat een jeugdprofessional van een dergelijk contactmoment een aantekening maakt in het dossier. Het College van Beroep vindt het, zelfs in het geval er geen toestemming zou zijn gevraagd, in de onderhavige situatie niet onaannemelijk dat verweerster dan wel de GI de afweging heeft of hebben gemaakt dat het verstrekken van informatie over de dochter de hulpverlening zou kunnen schaden.
Alles overwegende is het College van Beroep van oordeel dat verweerster medio april 2014 terecht en op goede gronden heeft mogen besluiten dat het belang van de oudste dochter zich zou verzetten tegen het ter inzage geven in of afschrift geven van de informatie over haar. Tot slot heeft het College van Beroep in het dossier geen aanknopingspunten gevonden ter onderbouwing van de stelling van appellant dat niet alleen de gegevens van de oudste dochter onzichtbaar waren, maar ook die van de jongste dochter en zijn eigen gegevens.

3.6.6

Het College van Beroep verwerpt de grief.

3.7 Klachtonderdeel VII

3.7.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VII als volgt geformuleerd: “[Appellant] stelt zich op het standpunt dat [verweerster] de rapportage voor de beëindiging van de ondertoezichtstelling heeft verzonden aan de RvdK zonder hem hierover te informeren.”

3.7.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt dat de rapportage over de beëindiging van de ondertoezichtstelling te laat naar [appellant] is opgestuurd. Nu [verweerster] op 3 maart 2015 per e-mail op de hoogte is gebracht van de beëindiging van de ondertoezichtstelling en dat door een interne verhuizing van het secretariaat van de GI de stukken later naar hem zijn verstuurd, kan [verweerster] hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.” Het College van Toezicht verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.7.3

In het oordeel van het College van Toezicht dat appellant door een verhuizing van het secretariaat de stukken te laat heeft ontvangen, houdt het volgens appellant geen rekening met de kern van de klacht van appellant. Deze ziet er namelijk op dat hij bij de evaluaties van het Plan van Aanpak en de risicoveiligheidslijsten niet betrokken is geweest.

3.7.4

Verweerster leest niet in het klaagschrift van appellant dat de kern van zijn klacht is dat hij niet bij de evaluaties van het Plan van Aanpak en veiligheidslijsten betrokken is geweest. De klacht is ook niet als zodanig bij de klachtencommissie begrepen.

3.7.5

Het College van Beroep stelt vast dat appellant in de beroepsprocedure zijn klacht heeft uitgebreid c.q. geherformuleerd met de grief dat hij niet bij de evaluaties van het Plan van Aanpak en de risicoveiligheidslijsten betrokken is geweest. Deze klacht en/of heeft niet als zodanig onderdeel uitgemaakt van klachtonderdeel VII zoals door appellant geformuleerd bij het College van Toezicht. Deze klacht kan niet pas voor het eerst in een beroepsprocedure aanhangig worden gemaakt als gevolg waarvan appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn grief.

3.7.6

Het College van Beroep verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn grief gericht tegen klachtonderdeel VII.

3.8 Klachtonderdeel VIII

3.8.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VIII als volgt geformuleerd: “[Appellant] verwijt [verweerster] dat zij de instelling heeft geïnformeerd over de beëindiging van de ondertoezichtstelling. Na de beëindiging van de ondertoezichtstelling heeft [verweerster] zonder toestemming van [appellant] informatie over de oudste dochter verstrekt aan de instelling. Ook heeft [verweerster] zonder [appellant] te informeren telefonisch contact opgenomen met Veilig Thuis.”

3.8.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] oordeelt als volgt. [Verweerster] heeft [appellant] en moeder geadviseerd om te starten met ‘Ouderschap Blijft’. Zij heeft op 13 november 2014 namens de GI een indicatiebesluit opgesteld. Het is begrijpelijk dat [verweerster] in dit licht voor de inzet van ‘Ouderschap Blijft’ aan de instelling informatie heeft verstrekt. Zij heeft dit op 18 februari 2015 vanuit het gedwongen kader gedaan zodat de toestemming van [appellant] niet was vereist. Uit de overlegde stukken heeft het College [van Toezicht] niet kunnen opmaken dat informatie over de oudste dochter is verstrekt.

Voorts heeft het College [van Toezicht] uit het dossier niet kunnen opmaken dat [verweerster] na de ondertoezichtstelling informatie heeft verstrekt aan Veilig Thuis. Op 17 april 2015 heeft Veilig Thuis een zorgmelding ontvangen. Uit het overgelegde dossier is gebleken dat Veilig Thuis op 7 mei 2015 heeft geprobeerd [verweerster] terug te bellen en dat de voicemail van [verweerster] is ingesproken. Nu het hier gaat om de periode nadat de ondertoezichtstelling was geëindigd en [verweerster] niet meer bij het gezin van [appellant] was betrokken, heeft [verweerster] er terecht vanuit mogen gaan dat Veilig Thuis [appellant] over dit contact zou informeren.” Het College van Toezicht verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

3.8.3

Volgens appellant heeft verweerster met het afgeven van een indicatiebesluit de zaak overgedragen aan [de instelling] ten behoeve van ‘Ouderschap Blijft’. Dat verweerster op 18 februari 2015, terwijl de ondertoezichtstelling nog niet was beëindigd, informatie in algemene zin heeft verstrekt is niet de klacht van appellant. De klacht van appellant is dat verweerster na het beëindigen van de ondertoezichtstelling, op 5 maart 2015, nog informatie heeft verstrekt over de oudste dochter, terwijl zij niet was aangemeld voor ‘Ouderschap Blijft’.

3.8.4

Verweerster is van mening dat dit klachtonderdeel terecht ongegrond is verklaard door het College van Toezicht. Voor zover de klacht zich richt tegen het afgegeven indicatiebesluit, merkt verweerster op dat de term resocialisatie hier niet in voorkomt. Het is juist dat er een telefonische overdracht is geweest op 5 maart 2015. Dit contact heeft plaatsgevonden in verband met het beëindigen van de ondertoezichtstelling. Het indicatiebesluit ‘Ouderschap Blijft’ is geschreven ten aanzien van de jongste dochter, maar het is gebruikelijk dat ook de andere kinderen in het gezinssysteem worden meegenomen in het traject.

3.8.5

Het College van Beroep stelt vast dat in het contactjournaal van 5 maart 2015 – voor zover relevant – het volgende is opgenomen: “Overdracht voogd [verweerster] [..]Indicatie is door [verweerster] gesteld dec 2014.
[Oudste dochter], 14 jaar, maakt eigen keuzes wat betreft het zien van haar stiefvader. Vader heeft haar beschuldigd van seksueel misbruik, waardoor zij hevig ontdaan is. Vader doet alsof er niets aan de hand is. Hij mag haar wel zien, maar dat moet ze dan zelf ook willen. [Oudste dochter] is erg stellig in het feit hem niet meer te willen zien, terwijl ze altijd wel goed contact met hem had.”
De ondertoezichtstelling betreffende de oudste en jongste dochter is op 27 februari 2015 beëindigd. Op het moment dat verweerster de informatie over de oudste dochter heeft verstrekt, op 5 maart 2015, was er geen sprake meer van een kinderbeschermingsmaatregel. De informatie zoals hierboven weergeven gaat verder dan informatie in algemene zin over het gezinssysteem waartoe de jongste dochter, waar het traject ‘Ouderschap Blijft’ op was gericht, behoort. Op grond van artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode dient een jeugdzorgwerker informatie over de jeugdige cliënt, diens ouders en/of opvoeders en hun omstandigheden vertrouwelijk te behandelen. Hieruit vloeit voort dat de jeugdzorgwerker toestemming aan de cliënt en/of aan zijn wettelijk vertegenwoordiger vraagt als de jeugdzorgwerker meent dat het noodzakelijk is om met derden vertrouwelijke informatie uit te wisselen. Gelet op de inhoud van de informatie die verweerster heeft gedeeld over de oudste dochter, is het College van Beroep van oordeel dat hiervoor toestemming gevraagd had moeten worden. Daarnaast wijst het College van Beroep in dit kader op het Privacyreglement gecertificeerde instelling 1.0 2015, waarin in artikel 15.1 – onder andere – het volgende is opgenomen:
“Artikel 15. Derdenverstrekking
1. De medewerker van de gecertificeerde instelling verstrekt alleen met toestemming van de cliënt inlichtingen over de cliënt, dan wel afschrift van de bescheiden, aan anderen dan de cliënt, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald. Verstrekking mag verder alleen plaatsvinden voor zover daarbij de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad.[..]”
Tussen partijen is niet in geschil dat het traject ‘Ouderschap Blijft’ geen betrekking had op de oudste dochter. Hoewel het College van Beroep zich kan voorstellen dat in algemene zin informatie verstrekt wordt in het kader van een dergelijk traject, is bij de door verweerster verstrekte informatie geen sprake van informatie in algemene zin. Het betreft persoonlijke informatie over de oudste dochter en appellant waarvoor toestemming had moeten worden gevraagd voordat deze werd verstrekt. Ook is de vraag in hoeverre het verstrekken van deze informatie noodzakelijk en proportioneel was in verhouding tot het ingezette traject. Daarnaast is het voor het College van Beroep onvoldoende gebleken of verweerster (voldoende) heeft stilgestaan of het verstrekken van deze gegevens de persoonlijke levenssfeer van de oudste dochter zou kunnen schaden. Het College van Beroep is van oordeel dat verweerster door het verstrekken van de informatie over de oudste dochter op 5 maart 2015 in strijd heeft gehandeld met artikel J van de Beroepscode.

3.8.6

De grief slaagt. Het College van Beroep verklaart klachtonderdeel VIII gegrond.

3.9 Conclusie

Het College van Beroep komt tot de slotsom dat appellant (deels) niet-ontvankelijk is in zijn grieven gericht tegen de klachtonderdelen I, II, IV, V en VII.
Het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van de klachtonderdelen II, III en VI wordt gehandhaafd, zo nodig onder aanvulling van gronden.
De klachtonderdelen I en VIII worden alsnog gegrond verklaard in aanvulling op klachtonderdeel V welke door het College van Toezicht reeds gegrond is verklaard.
Het College van Beroep dient zich nog te buigen over het al dan niet opleggen van een maatregel aan verweerster. Het College van Beroep stelt voorop dat, gelet op de drie gegrond verklaarde klachtonderdelen, verweerster op meerdere punten verwijtbaar tekortgeschoten is en daarbij artikel J van de Beroepscode heeft geschonden. Het College van Beroep neemt bij het opleggen van een maatregel echter ook in overweging dat de zaak zich relatief lang geleden heeft afgespeeld en dat verweerster aantoonbaar excuses heeft gemaakt ten aanzien van klachtonderdeel I. Al het voorgaande in overweging genomen acht het College van Beroep het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart appellant niet-ontvankelijk in de grieven gericht tegen de klachtonderdelen IV, V en VII;
– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel I en VIII alsnog gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 28 juni 2018 in zaaknummer 18.016T;
– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende klachtonderdelen II, III en VI, zij het met aanvulling van gronden;
– legt aan verweerster op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 20 december 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris