Klacht over het feit dat de jeugdbeschermer tijdens de ondertoezichtstelling van het doel om de strijd tussen de ouders te laten stoppen, het middel heeft gemaakt. Tevens klachten over rol als supervisor van een collega.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, ten tijde van de indiening van de klacht werkzaam als jeugdbeschermer bij [Gecertificeerde instelling], hierna te noemen: [GI].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. M.M. van Wijk, advocaat, werkzaam te Honselersdijk

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.J.I. Assink, advocaat, werkzaam als advocaat te Rijswijk.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met twee bijlagen ontvangen op 30 januari 2018, en de aanvullingen hierop ontvangen op 27 februari, 28 februari, 13 maart, 5 april, 18 mei en 6 juni 2018;

– het verweerschrift ontvangen op 3 mei 2018 met 37 bijlagen en het aanvullende verweer met zeven bijlagen ontvangen op 15 juni 2018;

– de pleitnotities van de gemachtigden.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde, beklaagde in de zaak 18.017Ta en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van dochter [naam], geboren in 2007, hierna aan te duiden als: de jeugdige.

2.2

Klager en de moeder van de jeugdige hebben gezamenlijk gezag. Zij hebben geen gezamenlijke huishouding gevoerd. Er is tot 1 februari 2018 een zorgregeling waarbij de jeugdige de ene helft van de week bij de moeder en de andere helft van de week bij klager verblijft.

2.3

De jeugdige is per 23 november 2016 onder voorlopig toezicht (VOTS) van [GI] gesteld. Per 22 februari 2017 is een onder toezichtstelling (OTS) voor de duur van een jaar uitgesproken.

2.4

Beklaagde heeft beklaagde in de zaak 18.017Ta, die als jeugdbeschermer optreedt vanaf 23 november 2016, tijdens diens vakanties vervangen en zij is vanaf 5 oktober 2017 tot 22 januari 2018 opgetreden als haar supervisor. Beklaagde heeft vanaf september 2017 mede de kernbeslissingen ondertekend.

2.5

Op 13 november 2017 heeft beklaagde met klager en een vriend van klager een gesprek gevoerd waarin beklaagde uiteen zet dat [GI] wil dat er tenminste een zakelijk contact van klager met de moeder over de jeugdige zal zijn; dat de jeugdige geen dagelijkse zaken meer mag missen door gebrek aan communicatie en dat er in de communicatie een significante verbetering moet zijn bereikt vóór de kerstvakantie. Dit wordt door beklaagde in de zaak 18.17Ta enkele dagen later schriftelijk aan klager bevestigd.

2.6

Op 28 november 2017 heeft beklaagde in de zaak 18.017Ta aan klager bericht dat [GI] voornemens is om klager een schriftelijke aanwijzing te geven. Klager wordt in de gelegenheid gesteld om vóór de daaropvolgende 5 december zijn mening mondeling of schriftelijk aan [GI] kenbaar te maken.

2.7

Op 5 december 2017 is door beklaagde in de zaak 18.17Ta aan klager een schriftelijke aanwijzing gegeven, mede ondertekend door beklaagde in de onderhavige zaak, inhoudende uitgangspunten aan klager voor de wijze waarop hij aan de zorg voor de jeugdige uitvoering dient te geven.

2.8

Op 8 januari 2018 is door beklaagde in de zaak 18.17Ta een schriftelijke aanwijzing aangekondigd, mede ondertekend door beklaagde in de onderhavige zaak, met een reactietermijn voor klager tot 15 januari 2018 onder gelijktijdige aankondiging dat de omgang van klager met de jeugdige per 10 januari 2018 wordt opgeschort.

2.9

Op 17 januari 2018 is door beklaagde in de zaak 18.17Ta de schriftelijk aanwijzing gegeven, mede ondertekend door beklaagde in de onderhavige zaak. De schriftelijke aanwijzing wordt opgelegd onder verwijzing naar de uitgangspunten opgelegd met de aanwijzing van 5 december 2017. [GI] stelt zich op het standpunt dat deze uitgangspunten door klager niet zijn nageleefd en dat er, omdat klager contact met [GI] afhoudt, geen zicht voor [GI] is op de veiligheidssituatie van de jeugdige wanneer zij bij klager verblijft.

2.10

Bij beschikking van 1 februari 2018 is de OTS verlengd tot 22 februari 2019 en is de zorgregeling voor de duur van drie maanden aangepast naar verblijf van de jeugdige bij klager van één keer per twee weken gedurende het weekend.

2.11

Beklaagde is tot 29 maart 2018 werkzaam geweest bij [GI].

2.12

Beklaagde is als jeugd- en gezinsprofessional sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende.

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het College stelt in deze zaak vast dat de klacht van klager moeilijk is te duiden.
De klacht zoals ingediend door mevrouw [naam], schoonzuster van klager, en de klacht ingediend door klagers gemachtigde lopen inhoudelijk niet samen.

Ter zitting heeft het College vastgesteld dat klager op de klachtonderdelen veelal weer een andere invalshoek koos, waardoor de concrete klachten zich noch uit het dossier noch uit klagers mondelinge toelichting eenduidig lieten distilleren.
Zoals ter zitting besproken, zal het College slechts acht slaan op de klachten zoals deze op 28 februari 2018 zijn ingediend door de schoonzuster van klager. In de kern behelst klagers klacht dat beklaagde gedurende het gehele OTS-traject van het doel dat [GI] nastreeft, te weten dat de strijd tussen ouders moet stoppen, het middel heeft gemaakt.
Klager stelt zich op het standpunt dat, waar beklaagde in de zaak 18.017Ta verwijtbaar heeft gehandeld, beklaagde in de onderhavige zaak corrigerend had moeten optreden.

Het College overweegt dat een supervisor alleen maar tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan zijn voor eigen handelen.
Beklaagde kan in haar rol als supervisor derhalve alleen een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt indien zij in die rol aantoonbaar is tekortgeschoten. Het handelen moet dan ook nog zijn gelegen in de periode van 5 oktober 2017 tot 22 januari 2018, omdat zij slechts in die periode is opgetreden als supervisor van beklaagde in de zaak 18.017Ta. Daarnaast kan beklaagde tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor haar handelen als jeugdbeschermer in deze zaak.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen, in chronologische volgorde, een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de klacht en het verweer, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling, zakelijk en verkort weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

Klager verwijt beklaagde het volgende.

3.2.1

Het doel van beklaagde is dat de strijd tussen klager en de moeder van de jeugdige stopt omdat dit slecht is voor haar emotionele ontwikkeling. Van dit doel heeft beklaagde echter het middel gemaakt. Dit is ondeskundig handelen en derhalve in strijd met artikel B van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker (‘de Beroepscode’).

3.2.2

Beklaagde is van mening dat klager zijn verwijt onvoldoende heeft onderbouwd.
Zij bestrijdt dat zij ondeskundig heeft gehandeld. Zij is juist van mening dat zij, ondanks de forse weerstand, zorgvuldig heeft gehandeld. Als klager bedoelt te stellen dat andere, oneigenlijke, doelen worden nagestreefd, dan zal klager dit moeten onderbouwen.

3.2.3

Het College stelt vast dat klager geen feiten of omstandigheden in dit klachtonderdeel heeft aangevoerd die het College tot het oordeel moeten brengen dat beklaagde door het stoppen van de strijd tot doel te benoemen, ondeskundig heeft gehandeld. Aan het College zijn dergelijke feiten of omstandigheden evenmin uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is ingebracht, gebleken.

3.2.4

Het College beoordeelt het klachtonderdeel als ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

In mei 2017 is door beklaagde aan klager, die vanwege zijn beperking op een andere manier communiceert, geen duidelijkheid verschaft over het traject. Beklaagde heeft geen rekening gehouden met klagers handicap en klager daardoor geen gelijke kans gegeven en dusdoende in strijd met de artikelen C en N van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (‘de Beroepscode’) gehandeld.

3.3.2

Beklaagde voert, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan.
Beklaagde was in mei 2017 niet betrokken bij de uitvoering van de OTS. Het niet onderbouwde verwijt dat zij klager zou hebben achtergesteld vanwege een handicap verwerpt zij. Ook het verwijt dat zij klager geen gelijke kansen zou hebben geboden, verwerpt zij.
Voor zover beklaagde was betrokken heeft zij altijd de bereidheid gehad om klager te helpen. Er is tussen [GI] en klager veelvuldig overleg geweest, er is een bemiddelingsgesprek gevoerd, er is uitgebreide emailcorrespondentie, er zijn gezinsplannen opgesteld, er is ruimte voor reactie gegeven, de plannen zijn besproken en er is veelvuldig telefonisch contact geweest. Klager is van alle stappen op de hoogte gebracht en gehouden. De schriftelijke aanwijzing is vooraf aangekondigd, klager is uitgenodigd zodat hij gehoord kon worden. De maatregel is direct in lijn met alle eerdere afspraken en uitkomsten van onderzoek, waardoor op die grond de inhoud van de maatregel al te verwachten was. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat de regie eenduidig is geweest.

3.3.3

Het College overweegt dat klager zijn verwijten in dit klachtonderdeel niet onderbouwt en dat beklaagde de verwijten gemotiveerd weerlegt door aan te voeren dat zij altijd de bereidheid heeft gehad om klager te helpen, dat er tussen [GI] en klager veelvuldig telefonisch contact en uitgebreid emailcontact is geweest, dat er gezinsplannen zijn opgesteld en dat er ruimte voor reactie is gegeven. Voorts dat klager van alle stappen op de hoogte is gebracht en gehouden, dat de schriftelijke aanwijzing, die in lijn was met alle eerdere afspraken en met uitkomsten van onderzoek, vooraf is aangekondigd en dat klager is uitgenodigd opdat hij gehoord kon worden.

3.3.4

Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Over het advies van een aanbieder van GGZ in oktober 2017, gebaseerd op een onderzoek dat bij de jeugdige is verricht in juli 2017, inhoudende dat de jeugdige een coach krijgt toegewezen, is door beklaagde geen overleg met klager gevoerd.
Het tweede gezinsplan wordt pas opgesteld als dit al wordt overschaduwd door de schriftelijke aanwijzing en de aangekondigde maatregel. Hoewel er door beklaagde steeds wordt beweerd dat zij in het belang van de jeugdige wil werken, blijkt klager hier niets van. Aldus handelend heeft beklaagde de artikelen A, D en N geschonden.

3.4.2

Beklaagde voert het volgende aan.
Over het voorstel van de GGZaanbieder om voor de jeugdige een coach aan te stellen, worden klager en de moeder op 18 oktober 2017 geïnformeerd. [GI] komt ook met een voorstel voor een coach. Op het voorstel is door klager niet inhoudelijk gereageerd. Klager heeft in reactie op de informatie ook geen voorstel voor een coach gedaan. Op 12 maart 2018 heeft klager [GI] bericht dat hij er nog mee bezig is. Uiteindelijk heeft de rechtbank een coach voor de jeugdige aangewezen.

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat klager voldoende in de gelegenheid is geweest om over een coach mee te praten. Klager heeft van de geboden gelegenheid echter onvoldoende gebruik gemaakt.
De tuchtrechtelijke relevantie van het tweede deel van klagers klacht in dit onderdeel is beklaagde niet duidelijk. Het tweede gezinsplan was noodzakelijk bij een verzoek verlenging van de OTS. De schriftelijke aanwijzing vond plaats in het kader van de lopende OTS. In zo’n situatie lopen trajecten naast elkaar.

Beklaagde verwerpt derhalve het verwijt dat eenduidige regie in de hulpverlening heeft ontbroken.

3.4.3

Het College overweegt dat beklaagde gemotiveerd verweer voert door aan te voeren dat klager op het voorstel van [GI] van 18 oktober 2017 voor een coach niet inhoudelijk heeft gereageerd en evenmin een voorstel heeft gedaan voor een te benoemen coach; dat klager op 18 maart 2018 aan [GI] heeft bericht nog bezig te zijn met het voorstel om voor de jeugdige een coach te benoemen; dat klager voldoende in de gelegenheid is gesteld om over een coach mee te praten maar dat klager van de geboden gelegenheid onvoldoende gebruik heeft gemaakt waardoor de rechtbank uiteindelijk een coach heeft benoemd. Gelet op dit verweer heeft klager zijn klacht onvoldoende met feiten en/of omstandigheden onderbouwd.
Het College overweegt voorts dat klager, voor zover hij bedoelt dat het gezinsplan d.d. 29 december 2017 werd overschaduwd door de aankondiging d.d. 5 december 2017 van een schriftelijke aanwijzing, nalaat te onderbouwen waarom en aan wie dit tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn.

3.4.4

Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

In juli 2017 werd de jeugdige onderzocht door [aanbieder van GGZ]. Informatie afkomstig van de moeder werd wel betrokken bij het onderzoek maar informatie van klager, inhoudende dat hij vermoedde dat de jeugdige geestelijk werd mishandeld, niet. Beklaagde in de zaak 18.017Ta heeft geen afstemmend overleg gevoerd met klager. Het onderzoek van [aanbieder van GGZ] is naar de mening van klager daardoor niet een adequate reactie op klagers vermoeden.

3.5.2

Het College stelt vast dat klager in dit klachtonderdeel beklaagde in de zaak 18.017Ta een verwijt maakt.

3.5.3

Het College overweegt dat beklaagde in dezen niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het handelen van beklaagde in de zaak 18.017Ta in juli 2017 omdat er toen nog geen sprake van supervisie was.

3.5.4

Het College oordeelt dat klager in het klachtonderdeel niet ontvankelijk is.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Beklaagde in de zaak 18.017Ta heeft geen gelijkwaardigheid bewerkstelligd in de wijze waarop zij de moeder van de jeugdige en klager begeleidt. In september 2017 heeft zij bij de moeder wél met de jeugdige alleen gesproken, bij klager niet. Over klager heeft zij in aanwezigheid van de jeugdige gezegd dat hij naar vreemde muziek luistert.

3.6.2

Het College stelt vast dat klager in dit klachtonderdeel beklaagde in de zaak 18.017Ta een verwijt maakt.

3.6.3

Het College overweegt dat beklaagde in dezen echter niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het handelen van beklaagde in de zaak 18.017Ta in september 2017 omdat er toen nog geen sprake van supervisie was.

3.6.4

Het College oordeelt dat klager in het klachtonderdeel niet ontvankelijk is.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Op 6 november 2017 is beklaagde niet verschenen voor een huisbezoek bij klager. Zij heeft dit verzuim niet goed gemaakt, want van een huisbezoek is het niet meer gekomen. In het gesprek dat op 13 november 2017 op het kantoor van [GI] plaatsvond, heeft beklaagde toegezegd dat er een overleg zou plaatsvinden waarin de zorgen van klager konden worden besproken. Een inhoudelijke reactie op de zorgen van klager is er echter nooit gekomen. Bovendien werd in het gesprek van
13 november 2017 ook al de schriftelijke aanwijzing aangekondigd. Door aldus te handelen heeft beklaagde artikel D van de Beroepscode geschonden.

3.7.2

Beklaagde voert het volgende aan.
Het klopt dat het met de afspraak van 6 november 2017 niet goed is gegaan. Beklaagde en klager zaten op elkaar te wachten, beklaagde op het kantoor van [GI] en klager thuis. Een nieuwe afspraak heeft een week later plaatsgevonden, klager bracht een vriend mee. Door deze laatste is een verslag gemaakt van het gesprek dat aan beklaagde nooit ter hand is gesteld waardoor zij niet de gelegenheid heeft gehad om op het verslag te reageren.
Klager heeft tijdens het gesprek de tijd gekregen om zijn zorgen neer te leggen. Klager beleeft gedragingen van de jeugdige als zorgelijk. De zorgen worden echter nooit concreet geformuleerd door klager. De zorgen worden door anderen niet objectief geconstateerd. Beklaagde heeft voorgesteld dat klager opvoedondersteuning zou vragen zodat er door de opvoedondersteuner zou kunnen worden meegekeken naar wat er gebeurt als de jeugdige bij klager is en de jeugdige het door klager als zorgelijk aangemerkte gedrag zou vertonen.

3.7.3

Het College stelt vast dat beklaagde gemotiveerd verweer voert door aan te voeren dat beklaagde tijdens het gesprek van 13 november 2017 de tijd heeft gekregen om zijn zorgen neer te leggen; dat klager gedragingen van de jeugdige als zorgelijk beleeft maar dat de zorgen nooit concreet worden geformuleerd door klager en door anderen niet objectief worden geconstateerd; en dat beklaagde heeft voorgesteld dat klager opvoedondersteuning zou vragen zodat er door de opvoedondersteuner zou kunnen worden meegekeken naar wat er gebeurt als de jeugdige bij klager is en de jeugdige het door klager als zorgelijk aangemerkte gedrag zou vertonen. Gelet op dit gemotiveerde verweer heeft klager zijn klacht onvoldoende met feiten en/of omstandigheden onderbouwd.

Het College stelt voorts vast dat in het kennelijke misverstand over de locatie van het gesprek dat op 6 november 2017 zou plaatsvinden aan beklaagde geen verwijt valt te maken.

3.7.4

Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1

Op 19 december 2017 heeft beklaagde in de zaak 18.017Ta klager niet toegestaan om met zijn rechtshulpverlener door haar gehoord te worden. Het had op de weg van beklaagde in de onderhavige zaak gelegen om hier corrigerend op te treden.

3.8.2

Beklaagde heeft in haar schriftelijke verweer het volgende aangevoerd. Ter zitting heeft beklaagde in de zaak 18.017Ta bevestigd dat dit een juiste weergave is van de gang van zaken op dit punt.
De rechtbank stelde voor dat klager en de moeder, ieder met een vertrouwenspersoon, en beklaagde in de zaak 18.017Ta een gezamenlijk gesprek zouden voeren. Klager wilde zijn advocaat meenemen. Beklaagde in de zaak 18.017Ta vond dat er dan een ongelijkwaardige situatie voor de moeder zou zijn. Daarom heeft beklaagde in de zaak 18.017Ta aan klager voorgesteld dat klager met een andere ondersteuner aan het gesprek zou deelnemen. Klager heeft vervolgens geen gebruik gemaakt van het voorstel om het gezamenlijke gesprek te voeren.

3.8.3

Het College stelt vast dat beklaagde gemotiveerd verweer voert door aan te voeren dat beklaagde in de zaak 18.017Ta aan klager heeft voorgesteld dat klager met een andere ondersteuner aan het gesprek zou deelnemen en dat klager vervolgens geen gebruik heeft gemaakt van het voorstel om het gezamenlijke gesprek te voeren. Het College stelt vast dat beklaagde in de zaak 18.017Ta heeft verklaard dat dit een juiste weergave van haar handelen is.
Het College overweegt dat de beklaagde in de zaak 18.017T a in redelijkheid aan klager kon voorstellen om een andere ondersteuner dan zijn advocaat mee te brengen naar het gezamenlijke gesprek. Het College overweegt dat beklaagde in de onderhavige zaak geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden nu het College in het handelen van beklaagde in de zaak 18.017Ta op dit punt geen verwijtbaarheid vindt.

3.8.4

Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Beklaagde heeft in december 2017, in het verzoekschrift aan de rechter voor de verlenging van de OTS, van klager geëist dat hij onderzoek zou ondergaan, anders zou hij de jeugdige niet meer mogen zien. Klager heeft, onder meer doordat hij begeleiding ontving van een coach, wel degelijk meegewerkt aan het behalen van doelen, maar beklaagde heeft die medewerking ten onrechte niet meegewogen.

3.9.2

Beklaagde voert het volgende aan.
Beklaagde in de onderhavige zaak noch beklaagde in de zaak 18.017Ta hebben zoiets geëist. De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) schrijft in de rapportage van 16 februari 2017 dat gespecialiseerde forensische GGZ voor klager helpend kan zijn. In diezelfde rapportage geeft de RvdK weer dat klager in het adviesgesprek dat de RvdK met klager, de moeder en beklaagde in de zaak 18.017Ta op 15 februari 2017 voerde, verklaart zich te zullen aanmelden voor onderzoek bij [instelling voor forensische GGZ].

In het gezinsplan is het advies van de RvdK en het voornemen van klager opgenomen. Ook is in het gezinsplan opgenomen dat klager niet akkoord is en hulp heeft gezocht bij [instelling voor maatschappelijke ondersteuning]. [Instelling voor maatschappelijke ondersteuning] heeft klager verwezen naar een coach.

Klager legt ten onrechte een verband tussen het onderzoek bij [de instelling voor forensische GGZ] en de maatregel van [GI] in de voorgenomen schriftelijke aanwijzing. Het doel van de schriftelijke aanwijzing is gelegen in het stimuleren van klager om de samenwerking met de moeder te zoeken.
Met de oplegging van een maatregel gebruikt beklaagde haar ‘macht’ zoals het bedoeld is. Zij gebruikt deze in overeenstemming met de OTS en in overeenstemming met de heldere en consistente lijn in de uitspraak van de kinderrechter.

3.9.3

Het College stelt vast dat beklaagde gemotiveerd verweer voert door aan te voeren dat noch zij, noch beklaagde in de zaak 18.017Ta van klager hebben geëist dat hij onderzoek zou ondergaan en dat, wanneer hij dit niet zou doen, klager zijn dochter niet meer zou mogen zien.
Het College stelt voorts vast dat beklaagde aanvoert dat met de schriftelijke aanwijzing werd beoogd dat klager samenwerking met de moeder zou zoeken en dat oplegging van de maatregel is gebruikt in overeenstemming met de OTS en met de consistente lijn in de uitspraak van de kinderrechter.
Het College overweegt dat beklaagde, aldus handelend, heeft gehandeld als een redelijk handelend jeugdbeschermer.

3.9.4

Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.10 Klachtonderdeel IX

3.10.1

Beklaagde heeft gedurende het gehele OTS traject de signalen van klager over manipulatief gedrag van de moeder genegeerd. Door aldus te handelen heeft beklaagde artikel A van de Beroepscode geschonden.

3.10.2

Beklaagde voert het volgende aan.
Veilig Thuis heeft blijkens hun brief van 17 november 2016 uitgebreid onderzoek gedaan naar aanleiding van de zorgmelding van klager op 9 mei 2016. De zorgen van klager en van de moeder zijn onderzocht door onder meer betrokken instanties zoals de huisarts, school, een gedragswetenschapper en [instelling voor psychodiagnostisch onderzoek en behandeling] te horen. Dezen zien geen signalen dat de jeugdige zich niet goed ontwikkelt. Veilig Thuis concludeert dat klager niet vanuit het belang van de jeugdige denkt. Over de opvoeding en de verzorging van de jeugdige is geen communicatie. Er is strijd over de opvoeding en de verzorging. De ontwikkeling en de opvoeding van de jeugdige staan niet centraal.

De RvdK heeft ook uitgebreid onderzoek gedaan. De RvdK is op de hoogte van de zorgen en de visie van klager. De RvdK heeft met betrokkenen zelf gesproken en met velen in de omgeving van de jeugdige. De RvdK komt tot vergelijkbare conclusies als Veilig Thuis. De rechtbank neemt kennis van alle onderzoeken en oordeelt dat er geen aanleiding is om nogmaals een onderzoek in te stellen. [GI] stelt voor om naar de gestelde bedreigde ontwikkeling onderzoek door [een aanbieder van GGZ] bij de jeugdige onderzoek te laten doen. Omdat klager niet meewerkt wordt door de rechter vervangende toestemming gegeven voor het aanvragen van een paspoort voor de jeugdige. Dit paspoort is nodig voor inschrijving bij de aanbieder van GGZ. Aan klager wordt door [GI] meegedeeld dat de uitkomst van het psychodiagnostisch onderzoek mede zal bepalen of systeemonderzoek moet worden ingezet, zoals klager bepleit. De aanbieder van GGZ verricht een psychodiagnostisch onderzoek bij de jeugdige. De uitkomst – de moeder vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de jeugdige; de jeugdige lijdt onder de strijd tussen haar ouders – vormt voor [GI] geen aanleiding om systeemonderzoek in te zetten.

De signalen van klager zijn niet genegeerd. Zijn zorgen zijn serieus genomen maar niet bevestigd door de onderzoeken.

3.10.3

Het College stelt vast dat beklaagde gemotiveerd verweer voert door aan te voeren dat de signalen van klager niet zijn genegeerd en dat zijn zorgen serieus zijn genomen maar niet zijn bevestigd door de onderzoeken. Gelet op dit verweer heeft klager zijn klacht onvoldoende met feiten en/of omstandigheden onderbouwd.

3.10.4

Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.11 Klachtonderdeel X

3.11.1

Beklaagde heeft klager verweten niet te willen meewerken aan communicatie met de moeder terwijl beklaagde had moeten doorzien dat de moeder niet oprecht communiceert. Beklaagde heeft eisen gesteld aan de communicatie door klager terwijl zij mediation vaardigheden mist of niet heeft willen inzetten ten behoeve van de communicatie tussen klager en de moeder. Door aldus te handelen heeft beklaagde in strijd met artikel B van de Beroepscode gehandeld.

3.11.2

Beklaagde voert het volgende aan.
Zijn stelling dat beklaagde het gedrag van de moeder niet doorziet, onderbouwt klager niet.
Klager reageert op de voorstellen en de informatie van de moeder niet op een wijze die in het belang van de jeugdige is. Als klager niet meewerkt aan communicatie over basale zaken, terwijl meewerken in het belang van de jeugdige is, dan is het terecht dat beklaagde aangeeft dat klager aldus onvoldoende meewerkt.

Klager onderbouwt niet waarom het beklaagde is te verwijten dat zij mediation vaardigheden mist en waarom zij er voor had moeten zorgen dat mediation werd ingezet.

3.11.3

Het College stelt vast dat beklaagde gemotiveerd verweer voert door aan te voeren dat klager niet op de voorstellen en de informatie van de moeder reageert op een wijze die in het belang van de jeugdige is en dat, als klager niet meewerkt aan communicatie over basale zaken, terwijl meewerken in het belang van de jeugdige is, het dan terecht is dat beklaagde aangeeft dat klager aldus onvoldoende meewerkt. Gelet op dit verweer heeft klager zijn klacht onvoldoende met feiten en/of omstandigheden onderbouwd.
Het College stelt vast dat klager het verwijt dat beklaagde mediation vaardigheden mist en dat zij er voor had moeten zorgen dat mediation werd ingezet, niet onderbouwt.

3.11.4

Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.12 Klachtonderdeel XI

3.12.1

Beklaagde in de zaak 18.017Ta heeft haar macht misbruikt door aan de moeder toe te staan dat deze onredelijke eisen stelde aan klager over de telefoonmomenten van de jeugdige met klager tijdens het verblijf bij de moeder.

3.12.2

Beklaagde voert het volgende aan.
Aan beide ouders is verzocht om een voorstel te doen over belmomenten. De moeder heeft een voorstel gedaan, klager niet.
Dat de moeder de begeleiding doet bij de telefoongesprekken van de jeugdige met klager, is een keuze gebaseerd op veiligheidsoverwegingen. De jeugdige lijkt meer en meer door klager te worden betrokken bij zijn strijd met de moeder. Dit is schadelijk voor haar ontwikkeling. Het motief voor deze keuze is niet machtsmisbruik maar het belang van de jeugdige.

3.12.3

Het College stelt vast dat beklaagde gemotiveerd verweer voert door aan te voeren dat de keuze om de moeder de belmomenten van de jeugdige met klager te laten begeleiden, is genomen op basis van veiligheidsoverwegingen omdat klager de jeugdige volgens beklaagde meer en meer leek te betrekken bij zijn strijd met de moeder. Het College is van oordeel dat deze keuze voldoende gemotiveerd is. Gelet op dit gemotiveerde verweer heeft klager zijn klacht onvoldoende met feiten en/of omstandigheden onderbouwd.

3.12.4

Het College oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.13

Conclusie

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde op geen van de klachtonderdelen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klachtonderdelen I, II, III en VI tot en met XI ongegrond;

– verklaart klager in de klachtonderdelen IV en V niet ontvankelijk.

Aldus gedaan door het College op 11 oktober 2018 en aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege
voorzitter

mevrouw mr. N. Jacobs
secretaris