De jeugdbeschermer heeft zich voldoende ingespannen om de moeder te informeren over de genomen kernbeslissingen. Ook is de moeder voldoende ondersteund en geholpen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als [jeugdbeschermer] bij [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De gemachtigde van beklaagde, mevrouw mr. I.M.I. Apperloo, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, staat beklaagde in deze zaak bij.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 20 februari 2018, met de bijlagen en de aanvulling hierop van 21 maart 2018;

– het verweerschrift ontvangen op 22 mei 2018, met de bijlagen en de aanvullingen hierop van 25 juli 2018, 20 augustus 2018 en 10 september 2018;

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van wat tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van drie kinderen, een minderjarige zoon, geboren in 2012, hierna te noemen de zoon, een minderjarige dochter, geboren in 2014, hierna te noemen de oudste dochter en gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. Het derde kind, een minderjarige dochter, woont bij klaagster in ([Land]).

2.2

Klaagster en haar ex-partner die de vader is van de zoon, hierna te noemen: vader, zijn sinds 2013 uit elkaar. Bij beschikking van de rechtbank [arrondissement] van 17 november 2016 zijn klaagster en vader belast met het gezamenlijk gezag over de zoon. Klaagster oefent het ouderlijk gezag uit over de oudste dochter.

2.3

De kinderrechter heeft bij beschikking van de kinderrechter van 20 november 2014 de zoon onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 19 juli 2018.
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 april 2016 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de zoon. De machtiging is steeds verlengd.

2.4

De oudste dochter is bij beschikking van de kinderrechter van 20 april 2016 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 19 juli 2018. Bij beschikking van de kinderrechter van 20 april 2016 is een machtiging verleend om de dochter uit huis te plaatsen. De machtiging is steeds verlengd.

2.5

De kinderen wonen in een geheim pleeggezin. Zij wonen sinds 28 juli 2016 bij het huidige pleeggezin. Klaagster heeft tot 5 februari 2018 om de week contact gehad met de kinderen. Op 5 februari 2018 is de begeleide bezoekregeling met klaagster en de kinderen vastgesteld op eenmaal per vier weken gedurende 1,5 uur. De bezoeken worden begeleid door een pleegzorgwerker van pleegzorgorganisatie [instelling].

2.6

[instelling] heeft op 18 september 2017 geadviseerd dat de kinderen in de nabije toekomst niet opgroeien bij klaagster. [instelling] ziet nog mogelijkheden in de toekomst.

2.7

Bij beschikking van 10 oktober 2017 van de rechtbank [arrondissement], zittingsplaats [zittingsplaats], heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de zoon en de oudste dochter verlengd. De kinderrechter heeft verwezen naar de beschikking van 4 juli 2017: ´de kinderrechter heeft in voornoemde beschikking overwogen dat ondanks de uitdrukkelijke opdracht van de kinderrechter in de beschikking van 17 november 2016 om voortvarend aan de slag te gaan met het opstellen van de beoordelingsboog, daar destijds pas recentelijk een aanvang mee was gemaakt’. Er was een schriftelijke aanwijzing nodig geweest om [klaagster] te bewegen tot medewerking aan het starten van de beoordelingsboog. De kinderrechter oordeelde in de beschikking van 4 juli 2017 dat de aanvaardbare termijn voor [de zoon] en [de oudste dochter] ernstig in het gedrang komt en dat het tijdsverloop in de zaak en de vertragingen bij het opstellen van een beoordelingsboog niet in het belang zijn van [de zoon] en [de oudste dochter].

2.8

Op 9 januari 2018 heeft beklaagde met klaagster, de pleegzorgwerker van [instelling] en een medewerker van de gemeente [gemeente] een gesprek gevoerd over de zorgen over moeder en het standpunt van de GI over het perspectief van de kinderen.

2.9

De GI heeft de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen RvdK, op 22 maart 2018 verzocht om een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel van vader over de zoon en van klaagster over de zoon en de oudste dochter.

2.10

Beklaagde is werkzaam als [jeugdbeschermer] bij de GI. Zij heeft deze zaak van een collega overgenomen en is van augustus 2017 tot 26 februari 2018 betrokken bij het gezin van klaagster.
Zij is sinds [datum] 2013 als jeugdzorgwerker geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Gelet op de onderlinge samenhang behandelt het College klachtonderdelen I en XI, II en XIII, IV en VI en VII, IX en X gezamenlijk. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I en XI

3.2.1

Volgens klaagster informeert beklaagde haar niet over de kinderen. Volgens klaagster is beklaagde niet transparant in haar informatievoorziening.

3.2.2

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat zij klaagster heeft geïnformeerd.

3.2.3

Het College overweegt dat beklaagde nu zij sinds augustus 2017 bij de zaak van klaagster is betrokken en de kinderen in april 2016 uit huis zijn geplaatst ten tijde van de uithuisplaatsing niet was betrokken bij de communicatie over de geheime plaatsing van de kinderen. Beklaagde heeft bevestigd dat klaagster niet op de hoogte is van de school van de kinderen, van medische behandelingen en wanneer zij naar de kapper gaan. Klaagster ontvangt deze informatie niet omdat de kinderen op een geheim adres zijn ondergebracht. Niet beklaagde maar de voorganger van beklaagde heeft dit besluit genomen en hierover met klaagster gecommuniceerd.

Het College toetst alleen het handelen van beklaagde na augustus 2017, het moment waarop beklaagde bij het gezin van klaagster is betrokken. Het College kan zich voorstellen dat de uithuisplaatsing van de kinderen voor klaagster als moeder een zeer ingrijpende gebeurtenis is en dat het voor haar moeilijk is om niet alle informatie over de kinderen te ontvangen. Dit is echter een gevolg van de geheime uithuisplaatsing. Met klaagster is de afspraak gemaakt dat de medewerkster van [instelling] haar informeert over de kinderen nu de omgang via [instelling] verloopt en er vaste afspraken zijn gemaakt over het contact tussen klaagster en de kinderen.
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is het College van oordeel dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II en XIII

3.3.1

Klaagster is van mening dat zij geen (volledige) inzage krijgt in de contactjournaals of het dossier. Ook heeft beklaagde geweigerd inzage te geven in het dossier en heeft zij niet ingestemd met de correctie en vernietiging van onwaarheden. Ook is de herkomst van de gegevens niet kenbaar gemaakt.

3.3.2

Beklaagde voert aan dat klaagster op 13 oktober 2017 een kopie van het dossier heeft ontvangen. De hoeveelheid papier is beperkt omdat de stukken bijna allemaal digitaal verwerkt worden. Er bestaat geen achterliggende documentatie omdat gewerkt wordt met één gezinsplan dat steeds wordt geactualiseerd. Beklaagde heeft geen verzoek bereikt om bepaalde informatie uit het dossier te verwijderen. Klaagster is in de gelegenheid gesteld om feitelijke onjuistheden in verslagen van gesprekken kenbaar te maken.

3.3.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de GI niet werkt met contactjournaals maar met veiligheidsmetingen die de contactjournaals vervangen. Volgens beklaagde heeft klaagster deze ontvangen. Klaagster heeft dit weersproken.
Het had op de weg van beklaagde gelegen om de veiligheidsmetingen in deze procedure over te leggen. Nu partijen elkaar tegenspreken en ten aanzien van dit klachtonderdeel geen stukken zijn overgelegd, kan het College niet vaststellen welke stukken klaagster uit het dossier heeft ontvangen. Aan het woord van de één kan niet meer geloof worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste tuchtrechtspraak dat het verwijt van klaagster ongegrond is nu niet kan worden vastgesteld welke feiten aan de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid ten grondslag liggen. Klaagster heeft het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de correctie, verwijdering en de herkomst van gegevens niet nader onderbouwd met feiten en gronden.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Naar de mening van klaagster heeft beklaagde informatie niet vertrouwelijk behandeld door zonder toestemming van klaagster privé-gegevens aan vader en derden te verstrekken.

3.4.2

Beklaagde betwist dat zij privé informatie aan vader en derden heeft verstrekt.

3.4.3

Het College overweegt dat klaagster een aantal voorbeelden heeft genoemd die niet nader zijn onderbouwd met feiten. Daarbij komt dat beklaagde het door klaagster gestelde heeft betwist. Het College kan in deze omstandigheden niet vaststellen of en op welke wijze beklaagde informatie niet vertrouwelijk heeft behandeld.

Het College wijst er ten overvloede op dat in het geval van een kinderbeschermingsmaatregel op grond van artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker en artikel 7.3.11, vierde lid, van de Jeugdwet ook zonder toestemming van klaagster, informatieverstrekking kan plaatsvinden van gegevens over de onder toezicht gestelde minderjarige, diens wettelijke vertegenwoordiger of ouder wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV, VI en VII

3.5.1

Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde niet werkt aan een terugplaatsing van de kinderen terwijl [instelling] een ander advies heeft uitgebracht. Beklaagde heeft sinds juli 2017 toegewerkt naar de verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen zonder dat te motiveren. Ook heeft zij ten onrechte en zonder motivatie toegewerkt naar de ontheffing van het ouderlijk gezag van klaagster over de kinderen.

3.5.2

Beklaagde, die vanaf augustus 2017 bij deze zaak betrokken was, stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter een zorgvuldige beslissing heeft genomen op basis van input van instellingen zoals [instelling]. Beklaagde heeft de motivering omschreven in het gezinsplan.

3.5.3

Het College oordeelt als volgt. Het is aan beklaagde om als regievoerder een beslissing te nemen in deze zaak. Dat [instelling] een ander advies heeft gegeven, zie 2.6, doet niet af aan deze bevoegdheid van beklaagde. Beklaagde heeft tijdens de onder 2.7 genoemde zitting bij de rechtbank op 10 oktober 2017 gecommuniceerd dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken. Voorts verwijst het College naar de in 2.7 geciteerde overwegingen van de rechtbank waaruit blijkt dat de kinderrechter, voordat beklaagde in deze casus was betrokken, in november 2016 heeft geoordeeld dat er duidelijkheid moest komen over het perspectief van de zoon en de oudste dochter en dat onder andere door toedoen van klaagster vertraging is ontstaan bij het opstellen van de beoordelingsboog door [instelling]. Van beklaagde mag als jeugdprofessional worden verwacht dat zij de genomen kernbeslissingen (zoals een verlenging van een uithuisplaatsing en de ontheffing van het ouderlijk gezag) herhaaldelijk aan klaagster uitlegt, haar van informatie blijft voorzien door middel van een e-mail, een telefoongesprek of het versturen van een brief en zich ervan gewist of klaagster de gegeven informatie heeft begrepen.

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij veel telefonische gesprekken met klaagster heeft gevoerd omdat klaagster in het buitenland woont en face-to-face gesprekken lastig zijn gezien de afstand. Klaagster heeft deze gang van zaken weersproken. Uit een door klaagster op 23 oktober 2017 verstuurde e-mail is het College gebleken dat in ieder geval de week ervoor telefonisch contact is geweest tussen klaagster en beklaagde.
Beklaagde heeft in de op 23 oktober 2017 verstuurde e-mail voorgesteld om een gezamenlijk gesprek in te plannen. Zowel klaagster als beklaagde hebben tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat zij elkaar ongeveer acht keer hebben gezien inclusief de procedures bij de klachtencommissie en de rechtbank. Vervolgens heeft beklaagde op 26 oktober 2017 in een e-mail aan klaagster vastgesteld dat er veelvuldig miscommunicatie is tussen klaagster en beklaagde. Zij heeft in deze e-mail toegelicht dat tijdens de zitting van 10 oktober 2017 is besproken dat het perspectief van de kinderen in het pleeggezin ligt en dat de kinderen niet meer bij klaagster worden teruggeplaatst. Beklaagde heeft ook geschreven dat de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd zal worden om onderzoek te doen naar een mogelijke beëindiging van het gezag van klaagster en vader en dat dit betekent dat geen hulp meer wordt ingezet om de kinderen bij klaagster te plaatsen. Tot slot hebben partijen het onder 2.8 genoemde gesprek met elkaar gevoerd.

Het College is van oordeel dat uit het bovenstaande blijkt dat er in deze casus voldoende contact is geweest tussen beklaagde en klaagster althans dat beklaagde zich voldoende heeft ingespannen om klaagster te informeren over de kernbeslissingen.

Desgevraagd heeft beklaagde toegelicht dat zij het gezinsplan vooraf met klaagster heeft besproken en dat zij klaagster vervolgens naar het gezinsplan heeft verwezen omdat de ervaring leerde dat klaagster vraag na vraag na vraag stelt.
Het College is van oordeel dat het uitsluitend verwijzen naar de inhoud van een gezinsplan, bij kernbeslissingen in zijn algemeenheid niet voldoende is.
Het is echter in dit geval begrijpelijk dat beklaagde het contact met klaagster heeft begrensd gelet op de hoeveelheid e-mails in verhouding tot de beschikbare tijd die een jeugdprofessional heeft. Bij ingrijpende kernbeslissingen, zoals een besluit om de kinderen niet meer bij klaagster terug te plaatsen, is het van belang dat hierbij de nodige zorgvuldigheid en duidelijkheid wordt betracht. Hoewel het beter was geweest als de voorwaarden voor de terugplaatsing van de kinderen bij klaagster concreet in het gezinsplan waren beschreven evenals een overzicht van de contactmomenten die hebben plaatsgevonden tussen klaagster en beklaagde, heeft beklaagde zich in de korte periode dat zij bij deze casus was betrokken (zes maanden) voldoende ingezet om de inhoud van de kernbeslissingen met klaagster te bespreken.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klaagster is van mening dat beklaagde geen hulp en ondersteuning biedt aan klaagster.

3.6.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hulp en ondersteuning geboden wordt aan de kinderen. Klaagster heeft een eigen hulpverleningscircuit in [land].

3.6.3

Het College overweegt dat klaagster in [land] woont en dat zij niet is ingeschreven in de gemeente [gemeente] waardoor zij geen aanspraak kan maken op de hulpverlening van die gemeente. Dit is aan de orde gekomen in het onder 2.8 genoemde gesprek.
Uit een door beklaagde verstuurde e-mail van 23 oktober 2017 aan klaagster en de pleegzorgwerkster, maakt het College op dat beklaagde een gesprek heeft willen plannen om de vragen die bij klaagster leven over de hulpverlening aan haar kinderen te beantwoorden. Beklaagde heeft hierin benoemd dat het beantwoorden van vragen via de e-mail of telefoon onvoldoende duidelijkheid geeft aan klaagster omdat zij dezelfde vragen blijft stellen.
Daarnaast heeft beklaagde op 24 oktober 2017 aan klaagster bericht dat zij de hulpvraag van klaagster zal bespreken in het team en dat zij een overleg, zie 2.8, zal plannen met [instelling] en de gemeente.

Het College is van oordeel dat beklaagde zich voldoende heeft ingespannen om hulp en ondersteuning aan klaagster te bieden. Nu de kinderen uit huis zijn geplaatst en hun terugkeer naar klaagster niet aan de orde was, is het begrijpelijk dat om deze reden geen hulpverlening bij klaagster thuis is ingezet.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Naar de mening van klaagster heeft beklaagde toegelaten dat vader met pleegmoeder negatief spreekt over klaagster.

3.9.2

Beklaagde stelt dat zij niet over mogelijk negatieve opmerkingen van vader over klaagster gaat. Deze komen voor rekening van vader. Beklaagde heeft met vader besproken dat hij niet negatief over klaagster mag spreken.

3.9.3

Het College overweegt dat in het dossier en tijdens de mondelinge behandeling geen aanknopingspunten zijn te vinden die leiden tot de conclusie dat beklaagde heeft toegestaan dat vader negatief praat over klaagster. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.10 Klachtonderdeel IX en X

3.10.1

Volgens klaagster heeft beklaagde ten onrechte benoemd dat klaagster strijd voert met vader en dat klaagster emotioneel niet beschikbaar is voor de kinderen.

3.10.2

Beklaagde voert aan dat klaagster en vader een juridische strijd over het gezag voeren die onverminderd voortduurt. Dat klaagster emotioneel niet beschikbaar is voor de kinderen is een standpunt van de GI en niet specifiek van beklaagde.

3.10.3

Het College overweegt dat beklaagde gemotiveerd heeft toegelicht dat zij met het woord ‘strijd’ bedoelt dat klaagster en vader juridische procedures voeren over het ouderlijk gezag en dat klaagster daarnaast andere procedures voert. Ook heeft beklaagde de zorgen over klaagster toegelicht.

Hoewel het begrijpelijk is dat het voor klaagster pijnlijk is om te vernemen dat zij emotioneel niet beschikbaar is voor de kinderen, heeft beklaagde samen met [instelling] de bestaande zorgen besproken tijdens het onder 2.8 genoemde gesprek. Dat klaagster het niet eens is met dit standpunt en een andere visie heeft, is duidelijk maar beklaagde valt hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.13 Klachtonderdeel XII

3.13.1

Klaagster is van mening dat beklaagde zich partijdig heeft opgesteld.

3.13.2

Beklaagde herkent zich niet in het verwijt.

3.13.3

Het College overweegt dat in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden waaruit kan worden geconcludeerd dat beklaagde zich partijdig heeft opgesteld. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling genoemd dat vader een andere omgangsregeling heeft met de kinderen dan dat zij heeft. Beklaagde heeft klaagster op 19 december 2017 bericht dat de rechter de omgang van vader heeft vastgelegd in een beschikking en dat beklaagde toen niet bij de zaak betrokken was. Naar aanleiding van de zorgen over klaagster op het moment dat de kinderen uit huis zijn geplaatst, is een omgangsregeling voor klaagster vastgesteld.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.14 Klachtonderdeel XIV

3.14.1

Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde niet gehandeld heeft in het belang van de minderjarigen.

3.14.2

Beklaagde is van mening dat dit verwijt onterecht is gemaakt.

3.14.3

Het College heeft uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling niet kunnen opmaken dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met het belang van de kinderen zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;

Aldus gedaan door het College en op 12 november 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                  mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                              secretaris