Ambulant hulpverlener heeft de professionele relatie niet zorgvuldig beëindigd. Daarnaast is ten onrechte het SKJ registratienummer op verzoek niet verstrekt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
mevrouw A.T.E. van Dijk, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot.

over de door:

[Klaagster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klaagster,

ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], werkzaam als ambulant hulpverlener bij [instelling 1] te [locatie], hierna te noemen: beklaagde.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, [gemachtigde], een vertrouwenspersoon van Zorgbelang [locatie].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde, mevrouw mr. E. Klijn, advocaat te Tilburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 7 maart 2018, met de bijlagen;

– het verweerschrift ontvangen op 3 april 2018;

– de herziene versie van het verweerschrift ontvangen op 16 april 2018;

– de aanvullingen op het verweerschrift, met de bijlagen, ontvangen op 7 mei 2018 en 12 juli 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht haar partner aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 11 oktober 2018 verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van vijf zonen waarvan er thans nog twee minderjarig zijn. De oudste zoon is geboren in 2002 en de jongste zoon is geboren in 2008, de minderjarige zonen worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de kinderen.

2.2

Klaagster en de vader van de kinderen zijn niet meer bij elkaar. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De vijf zonen wonen bij de vader. Klaagster woont samen met haar huidige partner. Tussen de jongste zoon en klaagster is er een bezoekregeling.

2.3

Op 20 februari 2014 heeft de kinderrechter een ondertoezichtstelling uitgesproken over de kinderen van klaagster, welke nadien telkens is verlengd. [GI] is sinds het uitspreken van de ondertoezichtstelling belast met de uitvoering hiervan.

2.4

In het kader van de ondertoezichtstelling is er in september 2014 [ambulante hulpverlener] bij de vader thuis ingezet. Beklaagde is sinds [datum] 2013 als jeugdzorgwerker bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd en heeft sinds 11 september 2014 als [ambulante hulpverlener] hulp verleend in het gezinssysteem van klaagster.

2.5

Op 9 juni 2016 is de hulpverlening van beklaagde aan klaagster beëindigd. Beklaagde stuurt op die datum het volgende e-mailbericht aan klaagster: “Op uw verzoek wordt heden de samenwerking met mij als [ambulant hulpverlener] beëindigd. (Hiervoor verwijs ik naar uw klacht van 3 mei jl. gericht aan de klachtencommissie van [instelling 1], en de daaropvolgende hoorzitting van 3 juni jl.) Een beëindiging van de samenwerking houdt in dat er op geen enkele manier meer contact is, ook niet via e-mails of e-mails die CC worden verstuurd.” De hulpverlening aan de vader is voortgezet tot 20 oktober 2017.

2.6

Op 3 augustus 2016 heeft de onafhankelijk klachtencommissie [instelling 1] de klacht die daar door klaagster was ingediend, waarin zij beklaagde verweet partijdig en niet loyaal te zijn, ongegrond verklaard. Deze klachtencommissie heeft in de uitspraak wel de aanbeveling aan [instelling 1] gedaan een andere hulpverlener toe te wijzen gelet op de vertrouwensbreuk tussen klaagster en beklaagde.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster verwijt beklaagde, kort en zakelijk weergeven, dat zij:

– haar werk niet onpartijdig heeft uitgevoerd;

– geen waarheidsvinding heeft toegepast;

– buiten haar takenpakket is getreden;

– klaagster niet voldoende heeft geïnformeerd;

– haar rapportage en haar werkzaamheden onzorgvuldig en onvoldoende onderbouwd heeft uitgevoerd;

– heeft geweigerd haar SKJ registratienummer te verstrekken.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I en III

3.2.1

Gelet op de samenhang van de geformuleerde klachtonderdelen I en III in het klaagschrift, heeft het College tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt deze gezamenlijk te zullen behandelen en beoordelen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

3.2.2

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft haar werk niet onpartijdig uitgevoerd, is buiten haar takenpakket getreden en heeft klaagster niet betrokken.

Toelichting:

Nadat beklaagde de samenwerking met klaagster eenzijdig heeft stopgezet op 9 juni 2016, is zij wel bij de vader en kinderen blijven werken. Klaagster meent dat de hulp bij de opvoeding op beide ouders gericht hoort te zijn en niet, door het beëindigen van de samenwerking, alleen op de vader. Uit die periode heeft klaagster daarnaast geen verslag(en) en/of informatie ontvangen. Klaagster verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar een (deel van een) gezinsplan van [GI] waaruit naar haar mening blijkt dat beklaagde is gestopt als [ambulante hulpverlener] omdat zij niet meer onpartijdig kan werken vanwege de verstoorde verhouding die is ontstaan nadat klaagster klachten over beklaagde heeft ingediend. Klaagster meent dat beklaagde door aldus te handelen artikel B (bevordering deskundigheid), artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna: de Beroepscode, heeft geschonden.

3.2.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

Tijdens de hoorzitting van de onafhankelijke klachtencommissie van [instelling 1] op 3 juni 2016 hebben de leden van deze klachtencommissie gezegd dat beklaagde de samenwerking met klaagster moest stoppen. Een week later, op 9 juni 2016, heeft beklaagde een e-mail gestuurd waarin zij de samenwerking met klaagster heeft beëindigd. Zij meent hiermee te hebben voldaan aan het verzoek van klaagster, gelet op de door haar ingediende klachten. Zij stelt zich wel op het standpunt dat het niet de e-mail van 9 juni 2016 is die de samenwerking deed stoppen, maar de vertrouwensbreuk die is ontstaan toen klaagster in mei 2016 een klacht indiende over beklaagde. Beklaagde betwist voorts dat zij haar werk niet onpartijdig heeft uitgevoerd en verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar een brief van de Raad van Bestuur van [instelling 1] van 22 augustus 2016. Uit deze brief blijkt dat de Raad van Bestuur het oordeel van de klachtencommissie onderschrijft dat beklaagde zorgvuldig als hulpverlener heeft gehandeld. Desgevraagd heeft zij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangegeven dat het na het beëindigen van de samenwerking met klaagster een dilemma was of en hoe de samenwerking bij de vader voort te zetten. Zij stelt echter in die periode met vader een punt in de hulpverlening bereikt te hebben dat hij inzag dat zijn gedragingen (richting klaagster) niet in het belang van de kinderen waren. Daarnaast heeft beklaagde het als een belemmering ervaren dat de [jeugdbeschermer] gedurende het hulpverleningstraject een aantal keren is gewisseld. Zij is van mening dat als zij zich op dat moment ook nog teruggetrokken zou hebben, dit niet in het belang zou zijn geweest van de kinderen. Voorts heeft beklaagde met de vierde [jeugdbeschermer] in een ‘open gesprek’ uitgewisseld hoe de hulpverlening werkbaar kon blijven nu de samenwerking tussen klaagster en beklaagde was gestopt. Beklaagde stelt daartoe met de betreffende [jeugdbeschermer] een aantal oplossingen te hebben bedacht.

3.2.4

Het College stelt vast dat beklaagde de samenwerking met klaagster door het sturen van de e-mail op 9 juni 2016 eenzijdig heeft beëindigd. Partijen verschillen van visie op verzoek van wie de samenwerking is beëindigd. Het College overweegt dat op grond van artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode, beklaagde verantwoordelijk is voor het zorgvuldig afsluiten van de hulpverlening. Deze wijze van afsluiting staat los van de vraag op wiens verzoek de hulpverlening al dan niet is beëindigd. Onder zorgvuldige afsluiting van hulpverlening wordt onder meer verstaan dat een jeugdprofessional de beslissing verantwoordt tegenover de cliënt. Daarnaast begeleidt de jeugdprofessional eventueel bij een verwijzing en is hij/zij bereid tot nazorg. Het College is van oordeel dat de e-mail van 9 juni 2016 niet gezien kan worden als een zorgvuldige beëindiging van de professionele relatie. In dit oordeel neemt het College mee dat beklaagde in de e-mail voor wat betreft de afronding van de hulpverlening heeft volstaan met de mededeling dat een beëindiging van de samenwerking inhoudt dat er op geen enkele manier nog contact is, ook niet per e-mail. Door klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht onbetwist gesteld dat het haar later niet meer is gelukt om in contact te treden met beklaagde. Door deze wijze van afronding wist klaagster niet waar zij aan toe was en door wie ze vanaf dat moment geïnformeerd zou worden. Het College is van oordeel dat beklaagde klaagster niet (voldoende) heeft betrokken bij de (afronding van de) hulpverlening en dat de hulpverlening niet zorgvuldig door beklaagde is afgesloten. Door dit na te laten heeft beklaagde volgens het College niet in lijn gehandeld met artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode en wordt dit klachtonderdeel in zoverre gegrond verklaard.

Het College volgt klaagster echter niet in haar standpunt dat beklaagde niet onpartijdig heeft gewerkt en buiten haar takenpakket is getreden en overweegt hiertoe als volgt. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht inzicht gegeven in haar afwegingen om de hulpverlening bij vader voort te blijven zetten. Het College vindt deze redenen navolgbaar en is van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat beklaagde hierdoor partijdig heeft gehandeld en/of buiten haar takenpakket is getreden. Daarnaast is het College van oordeel dat van partijdigheid niet is gebleken en volgt daarin het oordeel van de onafhankelijke klachtencommissie [instelling 1] van 3 augustus 2016 en de daaropvolgende brief van de Raad van Bestuur van 22 augustus 2016. De weergave van een [jeugdbeschermer] in de rapportage van 13 december 2017 maakt het oordeel van het College niet anders nu niet blijkt waar deze stellingname van de [jeugdbeschermer] op is gebaseerd. Het College verklaart de klacht voor wat betreft de vermeende partijdigheid en het treden buiten het takenpakket dan ook ongegrond.

3.2.5

Het College verklaart de klachtonderdelen I en III deels gegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft geen waarheidsvinding toegepast.

Toelichting:

Klaagster is van mening dat beklaagde een eenzijdig rapport heeft geschreven waarbij niet is geverifieerd of de uitingen van vader en de kinderen correct zijn. Klaagster stelt in deze rapporten negatief beschreven te zijn. Beklaagde heeft vanuit haar professionaliteit de verantwoordelijkheid om stellingen op waarheid te controleren en het verhaal van klaagster had daarnaast aan de rapporten toegevoegd moeten worden. Klaagster meent dat beklaagde door aldus te handelen artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode heeft geschonden. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft klaagster de formulering van het klachtonderdeel in zoverre herzien dat zij klaagt over het feit dat haar visie door beklaagde niet werd meegenomen in de hulpverlening.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat het een interpretatie van klaagster is dat er sprake is van een eenzijdige rapportage. In de rapportage wordt beschreven wat de situatie van de kinderen in de gezinssituatie bij hun vader is. Het betreft hun beleving en een beschrijving van de ontwikkeling van de kinderen. Zij meent dat een hulpverlener – in dit geval een [ambulante hulpverlener] – zich richt op het (onder meer) ondersteunen, luisteren, verhelderen en aansturen van jeugdige cliënten en hun cliëntsysteem. Beklaagde stelt zich daarnaast op het standpunt dat zij aan het begin van elk gesprek klaagster de ruimte heeft gegeven om haar emoties te ventileren. Het was een lang proces van hulpverlening waarin klaagster veel tijd en ruimte is geboden. Desgevraagd geeft zij aan dat er geen verschil is geweest in het al dan niet beschrijven van de visie van de vader en klaagster, maar dat vooral de visie en mening van de kinderen is beschreven.

3.3.3

Het College begrijpt uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht naar voren is gekomen dat klaagster van mening is dat haar visie onvoldoende in de hulpverlening betrokken is en in de rapportage(s) tot uitdrukking is gekomen. Verder verwijt klaagster beklaagde dat zij niet bij klaagster heeft geverifieerd of de diverse uitingen van de vader en kinderen correct zijn. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt het College dat de hulpverleningsplannen uit het perspectief van de kinderen zijn geschreven, hetgeen passend is bij de taak die beklaagde had. Het College heeft hierin niet kunnen ontdekken dat een eventuele visie van de vader op andere wijze beschreven is dan die van klaagster. Voor zover klaagster stelt dat zij in de rapporten negatief is beschreven, merkt het College op dat onbetwist is gesteld dat het proces tot contactherstel een moeizaam proces is (geweest) en dat niet alle kinderen contact wilden met klaagster. Dat er mogelijk negatieve dingen over klaagster in de stukken staan, afkomstig van de kinderen, is beklaagde derhalve niet (tuchtrechtelijk) te verwijten nu zij zoveel mogelijk het perspectief van de kinderen heeft getracht te beschrijven. Het College neemt voorts in de beoordeling van dit klachtonderdeel mee dat gebleken is dat beklaagde klaagster in gesprekken de ruimte heeft gegeven om haar emoties te tonen. Gelet op de taak die beklaagde had in het gezinssysteem van klaagster, is het College van oordeel dat deze emoties terecht niet als zodanig beschreven zijn in de hulpverleningsplannen en/of rapportages.

3.3.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft klaagster niet geïnformeerd over de rapportage(s) en geen gelegenheid gegeven hierop te reageren.

Toelichting:

Beklaagde heeft na een vraag van de vijfde [jeugdbeschermer] hem de rapportage toegezonden nadat de samenwerking tussen beklaagde en de [GI] reeds was beëindigd. Volgens klaagster heeft beklaagde hierbij aan de [jeugdbeschermer] uitdrukkelijk verzocht dit rapport niet aan haar door te sturen. De [jeugdbeschermer] heeft dit rapport desondanks wel naar klaagster gestuurd. Klaagster stelt zich op het standpunt dat zij als gezaghebbende ouder te allen tijde recht heeft op rapportage(s). Klaagster meent dat beklaagde door aldus te handelen artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode heeft geschonden.

3.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

Beklaagde betwist dat klaagster niet op de hoogte is geweest van de rapportages. Tot aan het stopzetten van de samenwerking heeft klaagster alle informatie ontvangen waar zij recht op had. Beklaagde erkent echter wel dat de hulpverleningsplannen van de kinderen, tevens eindverslagen [ambulante hulpverlener], in het najaar van 2017 door/via de vijfde [jeugdbeschermer] zijn ontvangen. Door beklaagde wordt uitdrukkelijk betwist dat zij de [jeugdbeschermer] verzocht zou hebben deze hulpverleningsplannen niet door te sturen naar klaagster. Beklaagde biedt haar excuses aan voor de wijze waarop het verzenden van de hulpverleningsplannen is gegaan, zij meent dat ze dit zelf, al dan niet via het secretariaat van [instelling 1], had moeten doen en niet via de [jeugdbeschermer]. Voor het overige is beklaagde van mening dat in het algemeen de informatievoorziening, nadat de hulpverlening met klaagster was beëindigd, via de [jeugdbeschermer] moest lopen.

3.4.3

Het College stelt vast dat tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat het klachtonderdeel zich richt op de periode waarin beklaagde als hulpverlener niet meer bij klaagster betrokken was, maar nog wel hulpverlening aan de vader en de kinderen verleende. Het College volgt het standpunt van beklaagde dat indien er geen sprake meer is van een hulpverleningsrelatie tussen klaagster en beklaagde, de informatiestroom in het algemeen via de [jeugdbeschermer] dient te verlopen. Het was wel de taak van beklaagde, hetgeen zij ook niet betwist, dat zij de rapportage(s) van de door haar verleende hulpverlening naar klaagster, als gezaghebbende ouder, diende te verzenden, dan wel klaagster diende te informeren over de afronding van de hulpverlening aan de kinderen. Het College is van oordeel dat er sprake is van een schending van artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode nu beklaagde klaagster niet voldoende heeft geïnformeerd over de hulpverlening en niet uit zichzelf, maar pas op verzoek, de relevante informatie heeft verstrekt. Het College wil nog opmerken dat in het geval beklaagde er bewust voor gekozen zou hebben om deze informatie via de [jeugdbeschermer] te verzenden, voor klaagster helder diende te zijn via wie zij de informatie over de hulpverlening zou ontvangen. In dit kader wijst het College op het belang van het zorgvuldig afsluiten van de hulpverlening zoals door het College reeds is overwogen met betrekking tot klachtonderdeel I en III onder 3.2.4. Nu beklaagde dit niet (zorgvuldig) heeft gedaan kon er onduidelijkheid ontstaan van wie klaagster informatie en/of rapportage(s) zou ontvangen.

3.4.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.5 Klachtonderdeel V

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft haar rapportage en haar werkzaamheden als [ambulante hulpverlener] onzorgvuldig en onvoldoende onderbouwd uitgevoerd.

3.5.2

Het College heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aan klaagster kenbaar gemaakt dat het moeite had met het interpreteren van dit klachtonderdeel. Ook na de toelichting van klaagster op de inhoud van dit klachtonderdeel, is voor het College niet duidelijk wat klaagster, beklaagde specifiek verwijt. Nu de inhoud van dit klachtonderdeel niet duidelijk is en onvoldoende onderbouwd, verklaart het College klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel V.

3.6 Klachtonderdeel VI

3.6.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergeven het volgende:
Beklaagde weigert haar SKJ registratienummer te geven.

Toelichting:

Klaagster wilde een tuchtprocedure bij SKJ aanhangig maken en is om die reden op zoek gegaan naar het registratienummer van beklaagde. Voor klaagster was het na het beëindigen van de hulpverlening onmogelijk om direct, per e-mail of telefoon, met beklaagde in contact te komen. [Instelling 1] heeft het registratienummer niet aan klaagster willen geven. Uiteindelijk heeft klaagster het registratienummer gekregen door contact op te nemen met SKJ.

3.6.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergeven het volgende aan.
Beklaagde stelt zich op het standpunt dat klaagster op een onverwacht moment – via e-mails aan diverse secretariaten – heeft gevraagd om haar registratienummer. Voorts stelt beklaagde dat klaagster haar SKJ registratienummer niet heeft ontvangen, omdat zij dit niet persoonlijk aan haar heeft gevraagd. Nu het een persoonlijk nummer is, dient het persoonlijk aan haar te worden gevraagd. Desgevraagd heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt dat zij wel op de hoogte is gebracht dat klaagster (het secretariaat van) [instelling 1] om haar registratienummer heeft verzocht. Zij heeft intern verzocht haar registratienummer niet te verstrekken aan klaagster. Beklaagde heeft tot slot kenbaar gemaakt dat zij de indruk heeft dat klaagster een strijd voert tegen haar als persoon en om die reden oneigenlijk gebruik van de gevraagde gegevens vreest.

3.6.3

Het College stelt voorop dat het register van SKJ een openbaar register is waarin geregistreerde jeugdprofessionals voor eenieder op te zoeken zijn. Het doel van het register is om inzichtelijk te maken welke jeugdprofessionals bij SKJ zijn geregistreerd en derhalve aan bepaalde eisen van vakbekwaamheid voldoen. Het College volgt beklaagde dan ook niet dat het SKJ registratienummer een persoonlijk nummer is en dat het ter beoordeling van een jeugdprofessional is of deze al dan niet wordt afgegeven. Op grond van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode dient een jeugdprofessional informatie over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde Tuchtrecht te verstrekken. Beklaagde heeft niet conform dit artikel gehandeld door haar registratienummer op verzoek niet te (laten) verstrekken. Dat klaagster dit niet aan haar persoonlijk heeft verzocht doet daar niet aan af. Beklaagde was ervan op de hoogte dat klaagster haar registratienummer heeft opgevraagd en heeft, in plaats van dit te verstrekken, verzocht het registratienummer niet aan klaagster te verstrekken. Daarnaast heeft klaagster onbetwist gesteld dat het voor haar niet mogelijk was om na het beëindigen van de professionele relatie zoals beschreven onder klachtonderdeel I en III om direct, per e-mail of telefoon, met beklaagde in contact te komen. Om die reden kon naar het oordeel van het College niet van klaagster worden verwacht dat zij het registratienummer persoonlijk aan beklaagde zou vragen.

3.6.4

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.7 Conclusie

3.7.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot de klachtonderdelen I, III en VI een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dat er sprake is van een schending van de artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode. Beklaagde is dan ook volgens het College op meerdere punten verwijtbaar tekortgeschoten. Het College heeft voorts bij beklaagde weinig tot geen reflectie gezien in antwoord op de vragen die haar tijdens de mondelinge behandeling van de klacht door het College zijn gesteld. Bij het opleggen van de maatregel houdt het College echter ook rekening met de beperkte gevolgen voor klaagster als gevolg van het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen van beklaagde. Zo heeft klaagster ondanks het ontbreken van het registratienummer toch een tuchtklacht in kunnen dienen en heeft zij alsnog informatie/rapportages gekregen over de hulpverlening. Gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen, het onvoldoende reflectief vermogen van beklaagde, maar anderzijds de beperkte gevolgen van het handelen van beklaagde, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel V;

– verklaart klachtonderdeel II ongegrond;

– verklaart klachtonderdelen I, III en VI (deels) gegrond;

– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 11 oktober 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege,
voorzitter

mevrouw mr. T. Kuijs,
secretaris