Klacht tegen jeugdbeschermer over onprofessioneel handelen en het niet serieus nemen en het negeren van de geloofsovertuiging van de klager.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager] hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde] hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], locatie: [plaatsnaam], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

[Gemachtigde] werkzaam bij AKJ, staat klager als gemachtigde in deze zaak bij.

De gemachtigde van beklaagde, mevrouw mr. S. Slabbers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, staat beklaagde in deze zaak bij.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 2 mei 2018, met de bijlagen;

– het verweerschrift ontvangen op 29 juni 2018, met de bijlagen;

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van klager is een collega van de gemachtigde van klager aanwezig geweest. Als toehoorder van beklaagde is de gebiedsmanager aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Klager is vader van drie kinderen, een minderjarige zoon, geboren in 2002, hierna te noemen: de oudste zoon, een minderjarige zoon die is geboren in 2003, hierna te noemen: de jongste zoon en een minderjarige dochter, geboren in 2004, hierna te noemen: de dochter. De drie kinderen worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de kinderen.

2.2 Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: de moeder, zijn sinds 2014 uit elkaar. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij moeder vastgesteld. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt sinds 9 januari 2017 gezamenlijk uitgeoefend door klager en moeder. Voorheen was moeder belast met het ouderlijk gezag.

2.3 De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 september 2016 van de rechtbank [arrondissement], locatie [zittingsplaats], de kinderen van 12 september 2016 tot 12 december 2016 voorlopig onder toezicht gesteld. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven voor de kinderen voor de duur van vier weken. De oudste zoon is op een groep geplaatst, de jongste zoon en de dochter verblijven elk in een ander pleeggezin. Bij beschikking van de rechtbank [arrondissement], locatie: [zittingsplaats], van 23 september 2016 heeft de kinderrechter het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing toegewezen tot 12 december 2016.
De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 8 december 2017. Voor de oudste zoon is de ondertoezichtstelling verlengd tot 8 december 2018. De machtiging uithuisplaatsing voor de oudste zoon is verlengd tot 12 juli 2017. De machtiging uithuisplaatsing van de jongste zoon en de dochter is verlengd tot 12 januari 2018.

2.4 De oudste zoon is in augustus 2017 bij moeder gaan wonen en woont inmiddels bij vader. De jongste zoon woont sinds 23 december 2017 bij moeder en daarna is de dochter bij moeder teruggeplaatst.

2.5 Beklaagde is, samen met een collega, [collega], tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend, werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en sinds april 2017 tot en met november 2017 bij de ondertoezichtstelling van de kinderen belast met de uitvoering hiervan.
Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds 28 juni 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

2.6 Klager heeft bij de klachtencommissie van de GI een klacht ingediend. De klachtencommissie heeft bij beslissing van 3 juli 2017 een klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. De Raad van Bestuur van de GI heeft zich aangesloten bij het oordeel van de klachtencommissie.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1 Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 De klacht houdt, kort samengevat en zakelijk weergegeven, in dat klager zich niet serieus genomen voelt in zijn juridische positie als vader met gezag.

3.1.4 Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Vanwege de onderlinge samenhang worden klachtonderdelen II en III gezamenlijk besproken.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1 Klager is van mening dat beklaagde hem in zijn juridische positie als ouder niet serieus heeft genomen door niet met hem in gesprek te gaan over zijn rol in de opvoeding en verzorging van de kinderen.

3.2.2 Beklaagde voert aan dat zij klager heeft betrokken bij en op de hoogte heeft gehouden van de situatie over de kinderen, bijvoorbeeld over de overplaatsing van de oudste zoon. De inzet van beklaagde en haar collega is geweest om samen te werken met klager. Beklaagde verwijst naar de contactjournaals.

3.2.3 Het College overweegt het volgende. Het handelen van beklaagde wordt getoetst vanaf haar betrokkenheid bij het gezin van klager, vanaf medio april 2017.
Beklaagde heeft zich naar het oordeel van het College voldoende ingespannen om klager te informeren over de mogelijkheden voor klager om betrokken te zijn bij de opvoeding en verzorging van de kinderen. Beklaagde heeft naar klager geluisterd en hem serieus genomen. Uit de door beklaagde overgelegde contactjournaals blijkt dat in de maanden mei tot en met november 2017 veelvuldig contact is geweest tussen beklaagde en klager over de kinderen.
Dat het contact, zoals door klager wordt gesteld, voornamelijk op zijn initiatief zou hebben plaatsgevonden, doet niet af aan het feit dat het contact er is geweest.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II en III

3.3.1 Beklaagde heeft volgens klager niet professioneel gehandeld door de oudste zoon dreigend aan te spreken. Zij heeft namelijk gedreigd met gesloten plaatsing. Zij heeft ook niet voorkomen dat de politie de oudste zoon geboeid in het zicht van zijn klasgenoten en zijn broer bij school heeft opgehaald en heeft teruggebracht naar de groep.

3.3.2 Beklaagde verweert zich door erop te wijzen dat zij met klager heeft afgesproken dat de oudste zoon alleen na school tot 19.00 uur en tijdens de meivakantie bij hem zou mogen verblijven en dat ook geobserveerd zou worden hoe dat zou gaan. Omdat de oudste zoon en klager zich niet aan deze afspraken hebben gehouden heeft beklaagde de oudste zoon verteld dat hij zich aan deze afspraken moest houden en terug moest naar zijn groep en dat anders gesloten plaatsing zou kunnen volgen.
De oudste zoon is op 10 mei 2017 als vermist opgegeven nadat hij was weggelopen uit de groep. Later bleek dat hij een nacht bij zijn vader had geslapen. Met klager was afgesproken dat hij de bereikbaarheidsdienst van de GI belt of contact opneemt met de politie wanneer de oudste zoon zich bij hem meldt. Dat heeft hij niet gedaan. Conform politieprotocol is de oudste zoon, toen hij de volgende dag weer op school was, door de politie geboeid meegenomen.

3.3.3 Het past bij de opdracht van een jeugdbeschermer om bij een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing positie in te nemen door de oudste zoon te wijzen op de consequenties, de mogelijkheid van een gesloten plaatsing, als hij de gemaakte afspraken niet nakomt. Mogelijk hebben de oudste zoon en klager de uitspraken van beklaagde als een dreiging opgevat. Wat hier ook van zij, de uitspraken van beklaagde kunnen niet tot de conclusie leiden dat beklaagde onprofessioneel heeft gehandeld.

De oudste zoon is weggelopen en heeft zich een dag erna bij klager gemeld. Beklaagde heeft bij de politie aangifte van vermissing gedaan. Met klager is afgesproken dat hij de bereikbaarheidsdienst van de GI belt of contact opneemt met de politie wanneer de oudste zoon zich bij hem meldt. Op het moment dat de oudste zoon ´s avonds bij klager kwam, heeft klager contact opgenomen met zijn advocaat die dezelfde avond beklaagde om 22.42 uur heeft gemaild dat de zoon terecht is. Op het moment dat beklaagde de e-mail las, de ochtend erna, had de politie al actie ondernomen. Beklaagde is hier niet bij betrokken geweest.

Klager stelt zich in verband hiermee op het standpunt dat beklaagde haar e-mail meteen had moeten lezen. Het College overweegt dat dit niet van beklaagde hoefde te worden verwacht nu met klager andere afspraken zijn gemaakt ingeval de oudste zoon zich bij hem zou melden. Nu klager noch de bereikbaarheidsdienst noch de politie heeft geïnformeerd, heeft de politie opgetreden. Dit kan beklaagde niet tuchtrechtelijk worden verweten.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1 Volgens klager heeft beklaagde de geloofsovertuiging van klager genegeerd en onvoldoende ingeschat hoe belangrijk dit is voor klager.

3.4.2 Beklaagde heeft hierover als volgt verklaard. Hoewel vader slechts terloops een opmerking heeft gemaakt over het rekening houden met zijn geloof, hebben beklaagde en haar collega dit serieus opgevat en besproken met de kinderen en de pleegouders. Hieruit bleek dat de kinderen nooit door de pleegouders verplicht zijn om rundvlees te eten of naar de kerk te gaan.

3.4.3 Het College oordeelt als volgt. Nu klager dit klachtonderdeel niet nader heeft onderbouwd en beklaagde gemotiveerd heeft betwist dat de geloofsovertuiging van klager is genegeerd, is het klachtonderdeel ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– Verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;

Aldus gedaan door het College en op 22 november 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter secretaris