Een moeder heeft met tussenkomst van een professioneel gemachtigde een beroepschrift ingediend. Het beroepschrift bevat echter niet de gronden van het beroep. Het College van Beroep kan niet anders dan appellante niet-ontvankelijk verklaren in het beroep en komt daardoor niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellante], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerster], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster, ten tijde van het beklaagde handelen werkzaam als jeugdbeschermer bij [de instelling], hierna te noemen: de instelling.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Salhi, advocaat te Den Haag.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met de bijlagen, ontvangen op 24 mei 2018 en de aanvulling hierop van 1 oktober 2018;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 19 juli 2018, met de bijlagen;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 18.076Tb van 22 november 2018;
– het door appellante ingediende voorlopige beroepschrift ontvangen op 16 januari 2019 en het aanvullend beroepschrift ontvangen op 11 februari 2019, met bijlagen;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 25 februari 2019.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellante op 16 januari 2019 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 25 februari 2019 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 april 2019 in aanwezigheid van appellante, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van verweerster is tijdens de mondelinge behandeling van beroep een collega, tevens verweerster in zaaknummer 19.003Ba, van verweerster aanwezig geweest.

1.6

Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter medegedeeld dat de beslissing uiterlijk op 27 mei 2019 aan partijen zal worden verzonden.

1.7

Partijen zijn op 16 mei 2019 bericht dat de beslissing reeds op 20 mei 2019 wordt verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellante is de moeder van twee minderjarige zonen, hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De oudste zoon is geboren in 2007 en de jongste zoon is geboren in 2008.

2.2

Appellante en de vader van de kinderen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn gehuwd en oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de ouders.

2.3

De jongste zoon is na een incident op school op 25 april 2016 geschorst. Hij is hierna ruim twee jaar niet naar school gegaan.

2.4

De school van de jongste zoon heeft na het incident geconstateerd dat de school niet de (extra) ondersteuning kon bieden die de zoon nodig had. De school wilde daarom dat bij de jongste zoon een psychologisch onderzoek werd verricht voordat hij weer op school kon terugkeren. De ouders wilden niet aan dit onderzoek meewerken en wensten dat de ondersteuningsbehoefte werd onderzocht door middel van observatie in de klas. De school is hiermee niet akkoord gegaan en heeft vervolgens, in verband met het feit dat jongste zoon niet naar school ging, een melding gedaan bij Veilig Thuis. Op 13 oktober 2016 heeft vervolgens een overleg met de [beschermingstafel] plaatsgevonden. De [beschermingstafel] heeft geconcludeerd dat voor de kinderen in het vrijwillig kader preventieve jeugdbescherming wordt ingezet voor een periode van zes maanden. Daarnaast is afgesproken dat een terugmelding naar de [beschermingstafel] zal plaatsvinden als de afspraken aldaar gemaakt niet worden nagekomen of als de zorgen rondom de jongste zoon verergeren.

2.5

Verweerster is sinds [registratiedatum] 2013 als jeugdzorgwerker in het Kwaliteitsregister Jeugd geregistreerd. Zij is naar aanleiding van de [beschermingstafel] op 13 oktober 2016 aangesteld vanuit de instelling als preventief jeugdbeschermer. 2.6 Op 14 november 2016 besluit verweerster over te gaan tot terugmelding van de casus naar de [beschermingstafel].

2.7

Naar aanleiding van de terugmelding heeft de Raad voor Kinderbescherming, hierna te noemen: RvdK, onderzoek gedaan naar de noodzaak tot een kinderbeschermingsmaatregel en de kinderrechter geadviseerd een ondertoezichtstelling uit te spreken over de jongste zoon. Bij beschikking van 17 februari 2017 heeft de kinderrechter de jongste zoon onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, laatstelijk bekend tot 17 februari 2019.

2.8

Met het uitspreken van de ondertoezichtstelling is de betrokkenheid van verweerster bij de casus geëindigd. Een collega van verweerster, verweerster in zaaknummer 19.003Ba, is vervolgens belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

3 De ontvankelijkheid

3.1

Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft het College van Beroep allereerst de ontvankelijkheid behandeld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich over de ontvankelijkheid uit te laten. Na het behandelen van de ontvankelijkheid heeft het College van Beroep aan partijen kenbaar gemaakt dat het over de ontvankelijkheid na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep in de raadkamer zal oordelen. Het College van Beroep heeft vervolgens – zonder daarbij aldus vooruitlopend op een beslissing over de ontvankelijkheid – de klachtonderdelen inhoudelijk behandeld. Hierna zal het College van Beroep – voor zover relevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid – het verloop van de procedure schetsen. Voorts worden de standpunten van partijen ten aanzien van de ontvankelijkheid weergegeven, gevolgd door het oordeel hierover van het College van Beroep.

3.2

Appellante is op 16 januari 2019 door middel van een voorlopig beroepschrift in beroep gekomen tegen de beslissing van het College van Toezicht van 22 november 2018 in zaaknummer 18.076Ta. Nu in het beroepschrift naar het oordeel van het College van Beroep de gronden van het beroep niet waren opgenomen, is appellante per e-mailbericht van 28 januari 2019 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 11 februari 2019 het beroepschrift aan te vullen. In het betreffende e-mailbericht is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“Op dit moment zijn de gronden van uw beroepschrift niet duidelijk voor het College van Beroep. Dit betekent dat u precies moet aangeven met welke punten van de beslissing van het College van Toezicht u het niet eens bent, en om welke reden niet. U kunt hierbij verwijzen naar de nummering in de beslissing van het College van Toezicht, of naar de genoemde klachtonderdelen in die beslissing. Wij wijzen u er volledigheidshalve op dat het niet mogelijk is om in beroep nieuwe klachtonderdelen toe te voegen. [..]
Indien wij de aanvulling niet (tijdig) ontvangen of deze aanvulling niet voldoet aan het Tuchtreglement, kan het College van Beroep op grond van artikel 12.10 van het Tuchtreglement besluit u niet-ontvankelijk te verklaren in het beroep. Het beroep wordt dan verder niet in behandeling genomen.”

3.3

Op 11 februari 2019 heeft appellante een aanvullend beroepschrift ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft het College van Beroep verweerster op 19 februari 2019 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 2 april 2019 een verweerschrift in te dienen. Verweerster heeft op 25 februari 2019 een verweerschrift ingediend waarin zij zich – kort en zakelijk weergegeven – primair op het standpunt stelt dat appellante niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar beroep nu appellante in essentie hetzelfde aanvoert als in eerste aanleg, zonder dat daarbij duidelijk is in welk opzicht en om welke reden zij het met de uitspraken van het College van Toezicht niet eens is. Voor zover het College van Beroep van oordeel is dat appellante wel ontvankelijk is in haar beroep, verzoekt verweerster subsidiair het beroep ongegrond te verklaren en de uitspraak van het College van Toezicht te handhaven.

3.4

Met betrekking tot de ontvankelijkheid heeft appellante zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in het beroep. Ten grondslag aan dit standpunt ligt dat er tijdens de mondelinge behandeling van de klacht bij het College van Toezicht veel is besproken, maar dat dit niet terug te lezen is in de bestreden beslissing. Appellante heeft aldus getracht in haar beroepschrift kenbaar te maken dat de beoordeling van de klachtonderdelen door het College van Toezicht niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden en dat het aan het College van Beroep is om een (beter) oordeel over de klachtonderdelen te vormen. Appellante erkent dat de klachtonderdelen gelijk zijn zoals ingediend bij het College van Toezicht, weliswaar wat nader gemotiveerd, maar dat dit niet maakt dat appellante niet-ontvankelijk is in het beroep. Verweerster heeft op haar beurt tijdens de mondelinge behandeling van het beroep erkent dat er tijdens de mondelinge behandeling van de klacht veel is gezegd, maar dat dit naar haar mening wel terug is te lezen in de bestreden beslissing. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat appellante zowel tijdens de mondelinge behandeling van het beroep als in het beroepschrift niet nader heeft onderbouwd op welke onderdelen het College van Toezicht de klachtonderdelen niet juist zou hebben beoordeeld.

3.5

Het College van Beroep is van oordeel dat appellante niet-ontvankelijk is in haar beroep en overweegt hiertoe als volgt. Op grond van artikel 12.3 sub c van het Tuchtreglement (versie 1.2) dient een beroepschrift in ieder geval de gronden van het beroep te bevatten. Onder de gronden van het beroep wordt verstaan dat een appellant in zijn beroepschrift in ieder geval aangeeft op welke punten hij het niet eens is met het oordeel van het College van Toezicht en om welke reden niet. In de onderhavige situatie is appellante per e-mailbericht van 28 januari 2019 erop gewezen waar het beroepschrift (in ieder geval) aan diende te voldoen en zijn handvatten gegeven voor de wijze waarop het beroepschrift gestructureerd kon worden. Ook is in dit e-mailbericht erop gewezen dat indien het aanvullend beroepschrift niet aan de genoemde eisen voldoet, het College van Beroep appellante niet-ontvankelijk kan verklaren in het beroep. Het College van Beroep overweegt dat ook uit het aanvullende beroepschrift niet blijkt welke informatie die naar voren is gekomen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht bij het College van Toezicht, niet is opgenomen in de bestreden beslissing. Ook anderszins is niet gebleken op welke punten appellante het niet eens is met de beslissing van het College van Toezicht en om welke reden niet. De gronden van het beroep ontbreken naar het oordeel van het College van Beroep. Het College van Beroep wil op deze nog opmerken dat zij het betreurt dat appellante, alhoewel zij is vertegenwoordigd door een professioneel gemachtigde, het beroepschrift heeft ingediend, dat desondanks het beroepschrift niet conform de eisen van het Tuchtreglement is ingediend. Hierdoor komt het College van Beroep niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen maar kan niet anders dan het ingestelde beroep en daarmee appellante niet-ontvankelijk verklaren.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart appellante niet-ontvankelijk in het beroep.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 20 mei 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter
mevrouw mr. T. Kuijs, secretaris