Een bemiddelaar heeft in de gesprekken met de ouders onvoldoende structuur aangebracht, bespreekpunten geclusterd en is niet terugkomen op gemaakte afspraken.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer A.J.M. Heijster, lid-beroepsgenoot,
de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als bemiddelaar bij [instelling], (locatie: [plaatsnaam]), hierna te noemen: [instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 12 juli 2018;

– het verweerschrift met de bijlagen ontvangen op 28 november 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van een minderjarige zoon, geboren in 2010, hierna aan te duiden als: de zoon.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn uit elkaar. Klager en moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de zoon.

2.3

De kinderrechter heeft bij beschikking van de rechtbank d.d. 24 augustus 2016 bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de zoon bij moeder is. Klager heeft de rechtbank verzocht om een omgangsregeling tussen klager en de zoon vast te stellen. Ter zitting hebben klager en moeder zich bereid verklaard om zich aan te melden bij [instelling] om het traject “[traject]”, hierna te noemen: het traject, te volgen. Het traject is gespecialiseerd in het ondersteunen van ouders die na het beëindigen van hun relatie opnieuw vormgeven aan het invullen van hun ouderschap. De kinderrechter (de rechtbank) heeft de beslissing in deze zaak voor zes maanden aangehouden om de resultaten van het traject af te wachten. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken naar voren gebracht dat de rechtbank om uitstel is gevraagd voor het indienen van het eindverslag en dat klager en moeder hiermee hebben ingestemd.

2.4

Beklaagde is als bemiddelaar in het traject betrokken van 4 december 2016 tot half januari 2018. Beklaagde heeft naar aanleiding van het startgesprek op 16 december 2016 op dezelfde dag een plan ‘[plan]’, hierna te noemen: plan, opgesteld. Op 9 maart 2018 heeft beklaagde ter afsluiting van het traject een eindverslag opgesteld. Het eindverslag is naar de rechtbank gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager desgevraagd aangegeven dat hij momenteel een stabiele omgang heeft met de zoon.

2.5

Op 6 oktober 2017 heeft beklaagde klager en moeder in een e-mail bevestigd dat zij, in het gesprek dat dezelfde dag heeft plaatsgevonden, overeen zijn gekomen om te onderzoeken of het inzetten van parallel solo ouderschap gedurende twee maanden zal kunnen bijdragen aan rust en stabiliteit in het leven van de zoon en dat hiermee zijn ontwikkeling ondersteund wordt. Zowel klager als moeder hebben gekozen voor een model waarbij alle communicatie met school verloopt via moeder.

2.6

Beklaagde is sinds [registratiedatum] geregistreerd bij Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode van [registratiedatum] 2013 tot [registratiedatum] 2018 als jeugdzorgwerker en met ingang van [registratiedatum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen besproken en beoordeeld. De klachtonderdelen I en II zullen net als klachtonderdelen III en V vanwege hun samenhang gezamenlijk worden besproken. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I en II

3.2.1

Klager verwijt beklaagde dat hij vooraf aan het traject hierover onvoldoende, onduidelijke en onjuiste informatie heeft verschaft. De methodiek [methodiek] is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJI (Nederlands Jeugdinstituut). Het is klager vooraf niet duidelijk geweest dat het traject van beklaagde een geheel ander traject was.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij vanaf het eerste gesprek aan klager duidelijk heeft gemaakt wat zijn werkwijze is, welke keuzes klager en moeder kunnen maken in dit proces en vanuit welke visie het traject wordt begeleid. Beklaagde heeft geen signalen ontvangen van klager die wijzen op onduidelijkheid. De methodiek ´[methodiek]´ is een specifieke gespreksmethodiek. ´[methodiek]´ van [instelling] is de overkoepelende naam voor de ondersteuning die wordt geboden aan ouders en kinderen na het beëindigen van de relatie van ouders.

3.2.3

Het College volgt de redenering van beklaagde. De term ‘ [methodiek]’, waarnaar klager heeft verwezen, is een specifieke gespreksmethodiek terwijl de term ´[traject]´ bij [instelling] wordt gebruikt als overkoepelende naam voor de ondersteuning aan ouders en kinderen na een scheiding. Uit het dossier is voorts niet naar voren gekomen dat er bij klager verwarring was over deze begrippen, het traject of dat beklaagde hierover onvoldoende informatie heeft verstrekt. Wanneer de informatie voor klager onduidelijk was of naar zijn mening onvoldoende en onjuist, dan had het op de weg van klager gelegen om hierover contact op te nemen met beklaagde. Dat klager hiertoe niet is overgegaan, kan beklaagde niet tuchtrechtelijk worden verweten. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel III en V

3.3.1

Klager verwijt beklaagde dat hij door de bemiddelingsovereenkomst verplicht was zijn behandeling bij een hulpverlener te beëindigen. Hierdoor is er geen overeenkomst tot stand gekomen omdat er geen overeenstemming over was. Het zelfde geldt voor de doelen, acties en evaluatiemomenten.

3.3.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat klager hier waarschijnlijk doelt op de passage over geheimhouding uit de bemiddelingsovereenkomst. Blijkbaar heeft deze passage ertoe geleid dat klager heeft gevoeld dat hij niet verder in contact zou mogen zijn met zijn behandelaar. Beklaagde heeft nooit de intentie gehad om klager te verplichten zijn hulpverlening te stoppen. Beklaagde heeft tot aan het lezen van de klacht niet geweten dat deze misvatting bestond en heeft dit niet kunnen herstellen.

De bemiddelingsovereenkomst is niet door ouders ondertekend. Op een later moment is met klager en moeder een plan gedeeld welke zij hebben kunnen doorlezen. Zij hebben de mogelijkheid gehad om hierop te reageren. Dit hebben zij niet gedaan en daarmee is het plan vastgesteld. Het is voor beklaagde, tot aan het lezen van deze klacht, niet duidelijk geweest dat klager vragen had of onduidelijkheden waren. Het plan heeft niet altijd centraal gestaan door de hectiek en het proces dat zich afspeelde tussen klager en moeder maar er zijn acties en evaluatiemomenten geweest waar overeenstemming over was. Beklaagde is de doelen niet uit het oog verloren. Hij heeft steeds ingezet op goed contact tussen zoon, klager en moeder en op rust en stabiliteit in de afspraken.

3.3.3

Het College constateert dat bij klager kennelijk een misverstand is ontstaan. In het dossier en tijdens de mondelinge behandeling zijn geen aanknopingspunten te vinden waaruit blijkt dat klager van beklaagde de behandeling bij zijn hulpverlener heeft moeten staken. Ook heeft klager er zich toen niet over uitgesproken zodat beklaagde op dat moment geen gelegenheid heeft gehad om dit misverstand recht te zetten. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij het ingewikkeld vond om zijn akkoord te geven en dat hij daarom niet heeft gereageerd op het conceptplan. Naar zijn zeggen stond hij voor de keuze om het traject in te gaan of het contact met zijn zoon te verliezen. Door deze gevoelens niet met beklaagde te delen, was beklaagde hiervan niet op de hoogte zodat hij hier redelijkerwijs niet op heeft kunnen reageren.

Klager en moeder hebben tijdens het startgesprek op 16 december 2016 de doelen voor het traject aangegeven. Deze staan opgenomen in het plan dat door beklaagde is opgesteld (zie 2.4). Op hoofdlijnen houden deze doelen in dat de zoon contact heeft met zowel klager als moeder, een blijvend contact tussen klager en de zoon en een sterker vertrouwen van klager en moeder in elkaar. In het plan staat ook beschreven waar het hulpaanbod uit bestaat en is afgesproken om ongeveer eens per twee weken een gesprek te laten plaatsvinden. Het College kan op grond van de stukken en de mondelinge behandeling niet afleiden dat er geen overeenstemming was over de hulpverlening aan klager.

Volgens beklaagde zijn de acties en evaluatiepunten met klager besproken en was hierover overeenstemming met klager hetgeen zou blijken uit verschillende e-mails en mondelinge overleggen. Beklaagde heeft de stukken die hier betrekking op hebben echter niet in deze procedure overgelegd. Nu klager en beklaagde elkaar tegenspreken, kan het College niet vaststellen welke feiten en gronden aan dit gedeelte van de klacht ten grondslag liggen.
In het plan is verder benoemd dat de uitkomsten van het traject en de gezamenlijke afspraken worden vastgelegd in een eindverslag dat naar zowel klager als moeder wordt toegestuurd. Daarna hebben zij, conform de werkwijze van [instelling], twee weken de tijd om te reageren. Nu de doelen en de werkwijze in het plan staan opgenomen zijn deze bij klager bekend of hadden deze bekend moeten zijn. Het was beter geweest als beklaagde, ter voorkoming van onduidelijkheid, aan klager om expliciete instemming had gevraagd voor de inhoud van het plan of bijvoorbeeld een e-mail had gestuurd waarin hij klager had bericht dat het plan vast is komen te staan. Het gaat er echter niet om of het handelen beter had gekund. Naar het oordeel van het college is beklaagde met zijn handelen gebleven binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel IV

3.4.1

Klager verwijt beklaagde dat er bij gesprekken geen heldere agenda op papier was. Hierdoor konden cruciale zaken zoals het door de rechter opgelegde opstarten van een omgangsregeling en het opstellen van een ouderschapsplan langdurig en onnodig gefrustreerd worden. Afspraken waren bij een volgend gesprek nooit helder en er werd nooit op teruggekomen. Een onderwerp werd nooit afgerond omdat besproken onderwerpen en afspraken niet werden vastgelegd.

3.4.2

Beklaagde erkent dat het in het traject inderdaad heel lastig is gebleken om een heldere, rechte lijn rondom afspraken te vinden. Hij heeft geprobeerd een agenda aan te houden maar het lukte vaak niet om hieraan vast te houden. Het is ook niet altijd gelukt om afspraken concreet te maken en hierop terug te komen door de hevige dynamiek tussen klager en moeder. Beklaagde heeft altijd gehandeld vanuit de gedachte om de zoon meer te verbinden aan klager. Hij is niet uit het oog verloren dat overeenstemming bereikt diende te worden over een andere omgangsregeling en dat dit door middel van een ouderschapsplan moest worden afgestemd.

3.4.3

Het College overweegt dat beklaagde heeft toegelicht dat hij herhaaldelijk van de agenda is afgeweken omdat de inbreng van moeder ruimte nodig had.

Van beklaagde mag in zijn rol van bemiddelaar worden verwacht dat hij in deze casus waar ouders niet of moeizaam met elkaar communiceren in de gesprekken structuur aanbrengt, bespreekpunten clustert en terugkomt op gemaakte afspraken. Voor klager is onvoldoende duidelijk geweest waar hij aan toe was doordat beklaagde onvoldoende overeenstemming of instemming met klager heeft bereikt. Helderheid over de werkwijze van beklaagde had hieraan bij kunnen dragen. Het College is ervan overtuigd dat de intenties van beklaagde goed zijn geweest maar hij heeft zich laten meeslepen in de dynamiek tussen klager en moeder en heeft nagelaten om zelf een lijn in de hulpverlening uit te zetten. Beklaagde was op de hoogte van een klachtgesprek tussen klager en de teammanager en heeft desondanks geen andere aanpak gehanteerd. Hij heeft gereflecteerd op zijn handelen door tijdens de mondelinge behandeling te benoemen dat hij begrijpt dat klager het traject niet als vrijwillig heeft ervaren en dat hij de druk van de rechter heeft gevoeld. Beklaagde heeft hiervan geleerd. Beklaagde ziet het aanbrengen van structuur in de gesprekken eveneens als een leerpunt. Artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional is geschonden.

Het klachtonderdeel is gegrond.

3.5 Klachtonderdeel VI

3.5.1

Klager verwijt beklaagde dat hij geen neutrale rol heeft ingenomen in het traject en derhalve partijdig was. Beklaagde heeft de school van de zoon en klager verboden om contact met elkaar te hebben. Dit op een moment dat er problemen ontstonden over het gedrag van de zoon op school. Het verbod van beklaagde heeft de hulpverlening die de zoon nodig had, langdurig en onnodig gefrustreerd.

3.5.2

Beklaagde voert aan dat hij zeer bewust en na duidelijke afstemming (en toestemming) van beide ouders een andere positie ten opzichte van hen heeft ingenomen omdat het traject dreigde vast te lopen. Klager en moeder hebben de keuze gemaakt om een ‘proefperiode’ van parallel solo ouderschap aan te gaan. Een van de afspraken die klager en moeder hebben gemaakt is dat klager in deze periode geen contact met school zou aangaan.

3.5.3

Het College oordeelt als volgt. Toen het traject dreigde vast te lopen, heeft beklaagde na afstemming met het team het model ‘parallel solo ouderschap’ voorgesteld. In een e-mailbericht van 2 oktober 2017 heeft hij klager en moeder uitleg gegeven over dit model. Hij heeft hen gevraagd een keuze te maken. Zij hebben ervoor gekozen dat moeder alleen naar de afspraken met instanties en school zou gaan. Beklaagde heeft deze keuze vervolgens per e-mailbericht aan klager en moeder bevestigd op 6 oktober 2017. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat beklaagde het contact tussen klager en school heeft verboden.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6 Conclusie

3.6.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdeel IV een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft geen structuur aangebracht in de gesprekken, heeft bespreekpunten niet geclusterd en heeft nagelaten terug te komen op gemaakte afspraken. Hij heeft geen overeenstemming of instemming met klager gezocht. Artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional is geschonden. Het College heeft begrip voor de complexe situatie waarin beklaagde verkeerde. Hij heeft als bemiddelaar opgetreden in een langdurig traject met hevige dynamiek tussen klager en beklaagde. Beklaagde heeft het belang van het contact tussen klager en de zoon voorop willen stellen en heeft zich hiervoor ingespannen. Hij heeft gereflecteerd op zijn handelen. Ook heeft hij over deze zaak meerdere malen met collega´s overlegd. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I en II, III en V, VI ongegrond;

– verklaart klachtonderdeel IV gegrond;

– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 7 maart 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                                                             mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                                                                      secretaris