De raadsonderzoeker hoefde na het inschakelen van een bemiddelaar niet met klager in gesprek te gaan. Ook heeft zij een beschrijving van klager gegeven die aansloot bij haar beleving. De eer en goede naam van klager is niet aangetast.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw I. de Jongh- Stols, lid beroepsgenoot,
de heer M. Tiessen, lid beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming (locatie: [plaatsnaam]), hierna te noemen: RvdK .

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A. Veerman.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. H.M.Th. de Pont, werkzaam als advocaat te Tilburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 9 juli 2018;

– het verweerschrift ontvangen op 17 september 2018

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 4 december 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is adviseur van de stichting [stichting] (…) en is namens zijn cliënt (hierna te noemen: vader) opgetreden als gemachtigde in gesprekken van vader met beklaagde en haar collega tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend, hierna te noemen: beklaagde in zaak 18.095Ta. Vader heeft twee minderjarige kinderen, hierna te noemen: de kinderen.

2.2

Beklaagde is werkzaam als raadsonderzoeker bij RvdK. Zij is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

2.3

Beklaagde is op 19 december 2017 samen met beklaagde in zaak 18.095Ta een raadsonderzoek gestart naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel en ten behoeve van een advies over de hoofdverblijfplaats en een zorgregeling van de twee minderjarige kinderen, hierna te noemen: de kinderen.

2.4

Op 11 januari 2018 heeft in het kader van het raadsonderzoek een onderzoeksgesprek plaatsgevonden tussen vader, klager, beklaagde en beklaagde in zaak 18.095Ta. Op 6 februari 2018 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden.

2.5

Op 8 februari 2018 heeft de RvdK een raadsrapport uitgebracht met daarin opgenomen het verzoek om de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen voor de periode van drie maanden. In het raadsrapport heeft de RvdK de houding van klager tijdens het gesprek op 6 februari 2018 beschreven. Beklaagde heeft deze houding betrokken bij haar argumentatie om een maatregel te bepleiten.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht heeft, kort samengevat en zakelijk weergegeven, betrekking op het feit dat beklaagde haar ongenoegen niet met klager heeft besproken, het verstrekken van misleidende informatie, het niet beantwoorden van de vragen van klager, de schending van het behoorlijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, de aantasting van de eer en goede naam van klager en de opstelling van beklaagde.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. De klachtonderdelen I, IV en V, zullen net als klachtonderdelen II, III, VI en VII, vanwege hun samenhang gezamenlijk worden besproken. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer (met uitzondering van klachtonderdeel VI), zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I en IV

3.2.1

Klager is van mening dat beklaagde niet zelf de regie heeft genomen door haar ongenoegen over de interventies van klager in het gesprek van 6 februari 2018 niet rechtstreeks met hem te bespreken en op te lossen. Het voorstel van klager van 12 maart 2018 om de kwestie in een persoonlijk gesprek uit de wereld te helpen, is via haar leidinggevende afgewezen.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij, samen beklaagde in zaak 18.095Ta, diverse keren heeft geprobeerd om klager in het gesprek van 6 februari 2018 te begrenzen. Klager was niet ontvankelijk voor de verzoeken daartoe. Beklaagde heeft met beklaagde in zaak 18.095Ta de regie gevoerd maar klager bleef interveniëren met opmerkingen en uitweidingen over het proces zoals dat in de optiek van klager zou moeten plaatsvinden. Door deze opstelling van klager en diens interventies hebben beklaagde en beklaagde in zaak 18.095Ta over de inhoud van de zaak niet in contact kunnen komen met vader.
Na dit gesprek hebben beklaagde en beklaagde in zaak 18.095Ta klager en vader binnen 24 uur uitgenodigd voor een gesprek om het advies dat zij zouden gaan uitbrengen inhoudelijk te bespreken. Van die uitnodiging hebben klager en vader geen gebruik gemaakt. Nadien heeft beklaagde laten weten geen behoefte te hebben aan nader contact met klager, omdat de rapportage was opgesteld en het advies was uitgebracht. Overigens is klager doorverwezen naar een klachtbehandelaar van PCMO (Prettig Contact Met de Overheid), zoals gebruikelijk is binnen de RvdK maar van die mogelijkheid heeft klager geen gebruik gemaakt.

3.2.3

Het College overweegt het volgende. In het gesprek van 6 februari 2018 is beklaagde als woordvoerder opgetreden. Klager heeft op begripsniveau interventies gepleegd die door beklaagde en beklaagde in zaak 18.095Ta niet als constructief zijn ervaren. Ook heeft hij het gesprek meerdere malen onderbroken en heeft hij benoemd dat hij klachtprocedures en een tuchtprocedure zou starten. Op beklaagde is dat bedreigend overgekomen. Beklaagde heeft betwist dat het ontstane ongenoegen niet met klager is besproken tijdens het gesprek op 6 februari 2018. Zij heeft tijdens het gesprek geprobeerd de houding van klager te benoemen door hem te wijzen op het onprettige verloop van het gesprek en hem aan te spreken op zijn gedrag. Ook is tijdens het gesprek voorgesteld om een bemiddelaar aanwezig te laten zijn. Zowel klager als vader hebben dit niet gewenst. Het College concludeert uit het voorgaande dat beklaagde tijdens het gesprek voldoende regie heeft genomen.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het College heeft beklaagde toegelicht dat het bij de RvdK doorgaans gebruikelijk is om in het geval een gesprek onprettig verloopt via de afdeling PMCO (Prettig Contact Met de Overheid). Deze afdeling hanteert een methode waarbij wordt bemiddeld om een gesprek aan te gaan. Het College is van oordeel dat beklaagde, nu het niet lukte om met klager in gesprek te komen, op deze wijze te werk mocht gaan. Zij heeft gezocht naar een oplossing door een bemiddelaar in te schakelen die vervolgens met klager op 6 februari 2018 telefonisch contact heeft opgenomen met het aanbod om tot een gesprek te komen op 7 februari 2018. Het aanbod is vervolgens door klager om hem moverende redenen afgewezen.

Dat beklaagde vervolgens, vanwege de procedure bij PMCO, niet is ingegaan op het voorstel van klager van 12 maart 2018 om met hem in gesprek te gaan en haar leidinggevende dit aan klager heeft gecommuniceerd, is te billijken.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II en III

3.3.1

Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde haar leidinggevende en de rechtbank misleidend heeft geinformeerd met het verzinsel dat klager het gesprek op inhoud ernstig heeft bemoeilijkt. Beklaagde heeft haar leidinggevende en de rechtbank met niet onderbouwde, negatieve oordelen over het gedrag van klager in het gesprek van 6 februari 2018, willens en wetens onjuist geïnformeerd. Zij heeft daarmee artikel 3.3. van de Jeugdwet overtreden en heeft klager beschadigd.

3.3.2

Beklaagde is van mening dat zij waarheidsgetrouw in haar rapportage heeft beschreven op welke wijze klager zich in het gesprek van 6 februari 2018 heeft gemanifesteerd. Zij heeft zich dus niet schuldig gemaakt aan misleiding.

3.3.3

Het College oordeelt als volgt. Hoewel gedragingen van klager op meerdere manieren zijn te interpreteren, weinig concreet zijn en gemakkelijk een verkeerd beeld kunnen oproepen, heeft beklaagde gemotiveerd toegelicht dat de beschrijving over klager heeft aangesloten bij haar beleving. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het essentieel was dat de houding van klager in het gesprek verhinderde dat beklaagde en beklaagde in zaak 18.095Ta met de vader in gesprek raakten. Daardoor bleven belangrijke vragen omtrent de veiligheid van de kinderen onbeantwoord. Uitsluitend daarom is de houding van klager betrokken in het advies aan de rechter.

Zij heeft niet de bedoeling gehad om een negatief beeld neer te zetten maar heeft uitsluitend willen weergeven dat door de interventies van klager het gesprek met vader is belemmerd. Zij heeft hierdoor de bestaande zorgen over vader en de wijze waarop hij met de kinderen is omgegaan, niet kunnen bespreken. Dit laatste is ook de reden waarom de houding van klager een rol speelde bij het bepleiten van een kinderbeschermingsmaatregel, niet de houding van vader als zodanig. De handelswijze van beklaagde is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel V

3.4.1

Volgens klager heeft beklaagde zijn vragen van 4 april 2018, ondanks de toezegging van haar leidinggevende op 19 april 2018, nimmer beantwoord.

3.4.2

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat het beantwoorden van vragen aan klager hetzelfde lot treft als de uitnodiging voor een persoonlijk gesprek.

3.4.3

Het College overweegt het volgende. Het is alleszins redelijk dat beklaagde, conform de interne procedure bij de RvdK, de email van klager heeft doorgestuurd naar haar leidinggevende. Het was beter geweest als beklaagde klager hierover persoonlijk had bericht door een ontvangstbevestiging te sturen en hem te laten weten dat zij de email zou doorsturen naar haar leidinggevende. Het nalaten van beklaagde is echter niet van die aard dat een beroepsnorm is overschreden.
Dat de leidinggevende van beklaagde de brief van klager niet inhoudelijk heeft beantwoord, is onzorgvuldig maar kan gezien het bovenstaande niet worden toegerekend aan beklaagde.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel VI

3.5.1

Klager is van mening dat beklaagde het behoorlijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel waaraan beklaagde bij haar beroepsuitoefening is gebonden, ernstig heeft geschonden.

3.5.2

Het College oordeelt als volgt. Bij de mondelinge behandeling heeft klager desgevraagd verklaard dat hij met dit klachtonderdeel heeft willen benadrukken dat beklaagde zowel het behoorlijkheidsbeginsel als het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden bij haar handelen die in de overige klachtonderdelen zijn beschreven en dat dit klachtonderdeel eerder moet worden opgevat als een conclusie. Klager heeft er ter zitting mee ingestemd dit niet te behandelen als een zelfstandig klachtonderdeel. Naar het oordeel van het College is dit passend, omdat deze algemene beginselen ook zijn geïncorporeerd in de normstelling van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel VII

3.6.1

Klager stelt zich op het standpunt dat zijn eer en goede naam willens en wetens is aangetast.

3.6.2

Beklaagde is van mening dat de eer en goede naam van klager niet is aangetast omdat hiervoor nodig is dat onwaarheid over een persoon wordt gesproken waaraan vervolgens ruime publiciteit wordt gegeven, hetgeen niet het geval is.

3.6.3

Het College oordeelt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen dat in ieder geval vader, klager, beklaagde en de rechtbank in het bezit zijn van het raadsrapport. Het College volgt beklaagde in het verweer dat voor een aantasting van de eer en goede naam van klager nodig is dat het raadsrapport is verspreid.

Ondanks het feit dat het risico op verspreiding aanwezig is, is dat in deze casus niet aangetoond.
Hoewel de in het raadsrapport genoemde kwalificaties van beklaagde over klager niet positief waren, hadden deze de strekking om aan te duiden dat het handelen van klager een belemmering was voor het tot stand komen van afspraken met vader over de omgang met zijn kinderen. In dat licht bezien heeft beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VIII

3.7.1

Klager verwijt beklaagde dat zij de regel van het SKJ heeft overtreden om desgevraagd het registratienummer op te geven.

3.7.2

Beklaagde stelt dat zij geen SKJ-regel heeft overtreden.

3.7.3

Het College overweegt dat klager dit klachtonderdeel tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken. Beklaagde heeft zich er niet tegen verzet om het klachtonderdeel buiten beschouwing te laten. Het klachtonderdeel blijft derhalve buiten behandeling.

3.8 Klachtonderdeel IX

3.8.1

Klager verwijt dat beklaagde dat zij zich escalerend in plaats van de-escalerend heeft opgesteld.

3.8.2

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat zij een feitelijk verslag heeft gemaakt van de inhoud van het gevoerde gesprek met klager en vader en van de wijze waarop beiden zich in het gesprek hebben opgesteld. Klager actief, vader passief en lijdzaam. Kennelijk is klager het niet eens met die beschrijving. Daar heeft hij volgens beklaagde het recht toe. Beklaagde heeft verder ten opzichte van klager geen actie ondernomen en heeft zich in deze kwestie dus niet escalerend opgesteld.

3.8.3

Het College overweegt dat klager tijdens de mondelinge behandeling ermee heeft ingestemd dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op klachtonderdelen I en IV en dat het niet als zelfstandige klacht hoeft te worden behandeld. Het klachtonderdeel blijft derhalve buiten behandeling.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I en IV, II en III, V, VI en VII ongegrond;

– laat klachtonderdelen VIII en IX buiten behandeling.

Aldus gedaan door het College en op 15 januari 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel

voorzitter

mevrouw mr. A. Veerman

secretaris