Een jeugd- en gezinswerker heeft de rechtspositie van de moeder niet vastgelegd. Zij heeft het ‘drie huizen gesprek’ anders moeten vormgeven en heeft nagelaten de moeder hiervan een verslag te sturen. Tot slot heeft de jeugd-en gezinswerker het traject niet afgesloten en heeft zij een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of zij de hulpverlening kan uitvoeren.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw drs. C.P. Dijkstra, lid-beroepsgenoot,
de heer drs. M. Faas, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [plaatsnaam],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugd- en gezinswerker bij [het lokale team], hierna te noemen: het lokale team.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. van Acquooij, advocaat te Zaltbommel.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 28 augustus 2018 met de bijlagen en de aanvulling hierop d.d. 21 januari 2019;

– het verweerschrift ontvangen op 7 november 2018 met de bijlagen;

– de pleitnotitie die tijdens de mondelinge behandeling door de gemachtigde van klaagster is overgelegd.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest de directeur van het lokale team.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klaagster is moeder van een minderjarige zoon, hierna te noemen: de zoon, die in 2011 is geboren. Klaagster en haar ex-partner, hierna te noemen: vader, zijn uit elkaar. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de zoon.

2.2

De huisarts van klaagster heeft op 2 januari 2018 het gezin van klaagster aangemeld bij het lokale team omdat mogelijk huiselijk geweld heeft plaatsgevonden en vader problemen in de impulsbeheersing zou hebben. Klaagster heeft in 2018 twee keer aangifte van mishandeling gedaan. Vader heeft ontkend.

2.3

Beklaagde is opgeleid als orthopedagoog en is werkzaam als jeugd- en gezinswerker bij het lokale team. Zij is als orthopedagoog sinds [registratiedatum] geregistreerd bij Kwaliteitsregister Jeugd in de kamer van pedagogen, hierna te noemen: SKJ. Beklaagde is sinds het eerste gezamenlijke gesprek met klaagster en vader op 12 januari 2018 samen met een collega bij het gezin van klaagster betrokken.

2.4

Beklaagde heeft op 6 februari 2018 binnen de methodiek ‘Signs of Safety’ een zogeheten ´3 huizen´ gesprek met de zoon gevoerd bij de ouders van klaagster thuis.

2.5

De begeleide omgang tussen vader en de zoon heeft van 14 februari 2018 tot en met 2 mei 2018 op woensdagmiddagen plaatsgevonden. Na een incident met de zoon met blauwe plekken in mei 2018 heeft beklaagde een bespreking bij de Jeugdbeschermingstafel aangevraagd. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling op 24 januari 2019 naar voren gebracht dat de kinderrechter een voorlopige ondertoezichtstelling voor de zoon heeft uitgesproken en dat de omgang tussen vader en zoon is stopgezet. Op 10 september 2018 is de zoon gedurende twaalf maanden onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling.

2.6

Bij beschikking van de rechtbank van 22 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de zoon aan klaagster wordt toevertrouwd en is een begeleide omgangsregeling tussen vader en de zoon vastgesteld. De zoon verblijft een maal per week op de woensdagmiddag bij vader onder begeleiding van het lokale team en onder regie van de gecertificeerde instelling waarbij stapsgewijs wordt toegewerkt naar een onbegeleide weekendregeling met tussentijdse evaluatiemomenten.

2.7

Op 5 april 2018 heeft beklaagde klaagster per e-mail een Framework gestuurd. Hierin zijn de uitkomsten van de gesprekken van beklaagde met onder andere klaagster, vader, de zoon, de leerkracht van de zoon en de huisarts gebundeld en zijn de zorgen over en de krachten van het gezin van klaagster beschreven.

2.8

Klaagster heeft op 14 mei 2018 bij het lokale team een klacht ingediend over beklaagde en haar collega die door een coach en klachtenfunctionaris op 4 juni 2018 is beantwoord.

3 Toetsing aan de beroepscode NVO

De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het handelen van beklaagde wordt getoetst aan de beroepscode-NVO. De gemachtigde van beklaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat het handelen van beklaagde moet worden getoetst aan de beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Beklaagde is immers niet als pedagoog maar als jeugdzorgwerker bij deze zaak betrokken op basis van de norm van de verantwoorde werktoedeling hetgeen inhoudt dat werkgevers bij het toedelen van het werk rekening moeten houden met de specifieke kennis en vaardigheden van professionals. Daarnaast heeft klaagster de beroepscode voor de jeugdzorgwerkers aangehaald en is het verweer hierop ingericht.
Het College oordeelt als volgt. Voor de ontvankelijkheid van de tuchtklacht is het van belang dat beklaagde bij SKJ geregistreerd is. Er zijn drie kamers: een kamer voor jeugdzorgwerkers, een kamer voor orthopedagogen en een kamer voor psychologen.

Artikel 3.1 van het Tuchtreglement luidt:

‘De jeugdprofessional is onderworpen aan de algemene tuchtnorm. Deze kan worden omschreven als volgt:

a. enig handelen in strijd met de professionele standaard die in het jeugddomein geldt voor een behoorlijke uitoefening van het beroep waarvoor de jeugdprofessional is geregistreerd;

b. enig ander dan onder a. bedoeld handelen dat schadelijk is voor de kwaliteit van de hulpverlening in het jeugddomein in het algemeen of voor het aanzien van het beroep in het bijzonder.

Artikel 4.3 van het Tuchtreglement luidt: ‘Indien de aard van de klacht zich daartoe leent, kan de voorzitter in afwijking van artikel 4.1 en artikel 4.2, bepalen dat voor de behandeling van de klacht een kamer wordt samengesteld bestaande uit een voorzitter en twee leden uit de betrokken categorie beroepsgenoten waartoe de beklaagde behoort’.

Nu beklaagde is geregistreerd in de kamer voor orthopedagogen, brengt dit op grond van het voorgaande met zich mee dat het handelen van beklaagde wordt getoetst aan de beroepscode-NVO.

Het College merkt tot slot op dat het mogelijk is om over te stappen van de kamer van orthopedagogen naar de kamer voor Jeugd- en gezinsprofessionals, mits beklaagde aan de registratie-eisen voor de laatstgenoemde kamer voldoet.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College wijst allereerst op het volgende.

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Klaagster heeft de gevolgen van het handelen van beklaagde uitdrukkelijk benoemd. Een klacht kan echter alleen toezien op het beroepsmatig handelen van een jeugdprofessional en niet op de gevolgen van dat handelen.

4.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Vanwege de samenhang worden klachtonderdelen X en XI gezamenlijk besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.2 Klachtonderdeel I

4.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niets over de rechtspositie van klaagster heeft gemeld. Niet duidelijk is geweest wat voor hulpverlening het lokale team kon verlenen, mogelijkheden zijn nooit besproken en nooit is informatie gegeven over wie waar verantwoordelijk voor was. Er heeft nooit een evaluatie plaatsgevonden.

4.2.2

Beklaagde voert aan dat zij tijdens het eerste gesprek aan klaagster heeft uitgelegd dat zij samen met haar collega bij het gezin van klaagster is betrokken. Ook is uitleg gegeven over het lokale team en de werkwijze. Beklaagde heeft benoemd dat het gaat om vrijwillige hulpverlening en heeft met haar collega en de aanwezige jeugdbeschermer van een gecertificeerde instelling geprobeerd de kaders scherp neer te zetten. In het klachtgesprek is erkend dat het wenselijk was geweest als er na de eerste afspraak al een datum was geprikt voor een eerste evaluatie.

4.2.3

Het College overweegt dat beklaagde heeft toegelicht dat zij met klaagster heeft gesproken over de rechtspositie en de inhoud van de hulpverlening. Beklaagde heeft in deze procedure geen e-mails of andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde het gesprek met klaagster heeft vastgelegd. Voor het aangaan van een professionele relatie is het nodig dat de aard en het doel en de werkwijze wordt vastgelegd. Beklaagde heeft eveneens nagelaten om tijdens of na het eerste gesprek een datum voor een evaluatie vast te leggen. Artikel 18 (informatie aan de cliënt verstrekken over aard en doel van de professionele relatie) en artikel 31 (dossiervorming) van de NVO-beroepscode zijn geschonden. Het klachtonderdeel is gegrond.

4.3 Klachtonderdeel II

4.3.1

Klaagster verwijt beklaagde dat er geen overleg is geweest omdat zij niet naar klaagster heeft geluisterd.

4.3.2

Beklaagde voert aan dat zij tijdens het traject meerdere gesprekken heeft gevoerd met klaagster, de huisarts, met school en met vader.

4.3.3

Het College oordeelt dat het verweer van beklaagde navolgbaar is. Op grond van de stukken die in deze procedure zijn overgelegd, is het College ervan overtuigd dat er overleg tussen beklaagde en klaagster is geweest. Dat bij klaagster het gevoel is ontstaan dat er niet naar haar is geluisterd, is teleurstellend, maar beklaagde valt hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel III

4.4.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niets heeft gedaan met de zorgen van klaagster over de veiligheid van de zoon. Beklaagde heeft de aangifte die klaagster heeft gedaan niet gelezen en heeft niets gedaan met de zorgelijke uitspraken van de zoon.

4.4.2

Beklaagde voert aan dat klaagster melding heeft gemaakt van meerdere incidenten met vader met fysiek en verbaal geweld richting klaagster en de zoon. Vader heeft een andere visie weergegeven en heeft stellig ontkend dat hij klaagster of de zoon heeft mishandeld. De zorgen van klaagster zijn door beklaagde serieus genomen. Zij hebben een rol gespeeld bij de keuze om begeleide omgang tussen de zoon en vader op gang te brengen. Er was geen acute onveiligheid voor de zoon omdat vader niet meer thuis woonde. Beklaagde was op de hoogte van de aangiftes. Er stond geen nieuwe informatie in.

4.4.3

Het College constateert dat de collega van beklaagde op 17 januari 2018 een e-mail heeft gestuurd naar klaagster en vader. Hieruit blijkt dat naar aanleiding van een gesprek dat op 12 januari 2018 met klaagster en vader heeft plaatsgevonden, is afgesproken dat toegewerkt wordt naar begeleide omgang tussen vader en de zoon. Dat deze goed is verlopen blijkt uit de verslagen die beklaagde in deze procedure heeft overgelegd. Nadat klaagster heeft aangegeven zich achteraf niet goed te voelen bij deze afspraken heeft beklaagde samen met haar collega overlegd met een jeugdbeschermer van een gecertificeerde instelling. Deze heeft in een e-mail van 18 januari 2018 geadviseerd om de afspraken in stand te houden. Daarnaast zijn de zorgen met het lokale team besproken in een multidisciplinair overleg en heeft beklaagde naar haar zeggen de aangifte van klaagster gelezen. Beklaagde heeft zich op grond van het voorgaande dan ook voldoende ingespannen om de zorgen van klaagster serieus te nemen.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.5 Klachtonderdeel IV

4.5.1

Klaagster verwijt beklaagde dat het ‘3 huizen gesprek’ een aanfluiting was en meer weg had van een politieverhoor. De zoon is overstuur geweest van de vragen over vader en heeft zorgelijke opmerkingen gemaakt die door beklaagde zijn ontkend.

4.5.2

Beklaagde heeft spijt van de opzet van het gesprek dat zij met de zoon heeft gehad. Beklaagde heeft het gesprek met de zoon gevoerd bij zijn opa en oma buiten de aanwezigheid van klaagster zodat de zoon in de gelegenheid was om in alle vrijheid te spreken over hoe hij de situatie beleeft. Zij heeft de redenen hiervoor duidelijker met klaagster moeten bespreken. Klaagster heeft de deur opengehouden en heeft het gesprek opgevangen. Beklaagde heeft klaagster moeten zeggen dat de deur niet open mocht staan. Zij heeft de tijd genomen voor de zoon en heeft zich ingespannen om hem op zijn gemak te stellen. Het is voor de zoon een pittig gesprek geweest. Achteraf beschouwd, denkt beklaagde dat zij zich heeft laten opjagen door het proces en de vragen die er lagen.

Beklaagde heeft in het gesprek uitspraken van de zoon gehoord die haar zorgen baarden en die haar duidelijk maakten dat de zoon te lijden had onder de situatie.

Na het gesprek heeft beklaagde met klaagster willen spreken over de uitkomsten, maar dat heeft deze niet gewild. Ook heeft beklaagde over de inhoud gesproken binnen het multidisciplinair overleg en heeft zij een consulterend gesprek met een gecertificeerde instelling gevoerd.

4.5.3

Het College constateert dat de zoon in het gesprek zorgelijke signalen heeft geuit, maar dat de visie van klaagster en beklaagde over de opmerkingen van de zoon uiteen lopen. Hierdoor kan het College niet vaststellen dat het gesprek een aanfluiting was en leek op een politieverhoor. Nu de exacte inhoud van het gesprek niet vast is komen te staan, is dit gedeelte van het klachtonderdeel ongegrond.

Beklaagde heeft zowel in het verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij het ‘3 huizen gesprek’ anders had moeten vormgeven en dat het verstandiger was geweest als zij op school in aanwezigheid van de leerkracht met de zoon had gesproken. Zij heeft gezien dat de zoon het spannend vond en heeft de tijd voor hem genomen, maar zij denkt achteraf bezien dat zij zich heeft laten opjagen door het proces en de vragen die er lagen. Het College volgt beklaagde hierin en oordeelt dat zij heeft gereflecteerd op haar handelen.
De artikelen 18 (informatie aan de cliënt verstrekken over aard en doel van de professionele relatie) en 20 van de beroepscode-NVO (in vrijheid beslissen over het aangaan van de professionele relatie) zijn geschonden. Dit gedeelte van klachtonderdeel IV is gegrond.

4.6 Klachtonderdeel V

4.6.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij het Signs of Safety programma niet op de juiste manier heeft doorlopen. Tussentijds heeft geen verslaglegging plaatsgevonden. Zelfs op het verzoek van klaagster om een verslag van het ´3 huizen gesprek´, is een negatieve reactie ontvangen.

4.6.2

Beklaagde erkent dat de methodiek van Signs of Safety niet goed is doorlopen. Dit komt onder meer doordat zij en haar collega het proces nooit op de goede manier hebben kunnen voltooien omdat er nog stappen moesten worden gemaakt. Daarnaast heeft beklaagde de methodiek aangepast aan de situatie van dit gezin. Zij heeft maatwerk willen leveren waardoor stappen zijn overgeslagen.
Na elk gezamenlijk gesprek zijn de afspraken vastgelegd in een e-mail die aan klaagster en vader is gestuurd. Daarnaast heeft klaagster het Framework van Signs of Safety ontvangen evenals eerder gemaakte veiligheidsafspraken. Beklaagde heeft het verslag van het ‘3 huizen’ gesprek niet naar klaagster verzonden omdat klaagster het wilde gebruiken in een rechtszaak tegen vader. Terugkijkend hierop zou beklaagde hier anders mee omgaan.

4.6.3

Het College constateert dat beklaagde om haar moverende redenen heeft besloten dat zij van het Signs of Safety programma heeft afgeweken. Zij en haar collega hebben, vanwege de omstandigheden in deze casus, het proces nooit op de goede manier kunnen voltooien, omdat er nog stappen moesten worden gemaakt. Alhoewel het College overweegt dat het afwijken van een geprotocolleerd programma als Signs of Safety niet verstandig is, acht zij dit gedeelte van het klachtonderdeel ongegrond.

Ten aanzien van de verslaglegging overweegt het College dat klaagster en vader op 5 april 2018 een Framework hebben ontvangen. Beklaagde heeft het verslag van het ‘3 huizen gesprek’ niet overgelegd omdat klaagster het mogelijk in een juridische procedure zou gebruiken. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij in gesprek had moeten gaan met klaagster en vader en dat zij het verslag heeft moeten sturen. Nu klaagster formeel niet op de hoogte was gesteld van de inhoud van het verslag zijn artikelen 5 lid 2 (positie van de client) en 35 (recht op inzage en afschrift) van de beroepscode-NVO geschonden zodat het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond is.

4.7 Klachtonderdeel VI

4.7.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij geen gelijke bereidheid heeft om te helpen en dat geen vast aanspreekpunt aanwezig was. De collega van beklaagde heeft namens vader het woord gevoerd en beklaagde heeft hier niets tegen ingebracht. Het enkele doel is het afdwingen van een ruime omgangsregeling geweest.

4.7.2

Beklaagde voert aan dat noch haar collega noch beklaagde het woord heeft gedaan namens vader. Ook is zij niet partijdig geweest. Zij heeft geprobeerd klaagster en vader de gelegenheid te geven om hun mening en visie kenbaar te maken en daarnaar te luisteren. Het uitbreiden van de omgang en het toewerken naar een onbegeleide weekendregeling is onderwerp van gesprek geworden op het moment dat de rechter heeft opgedragen dat er toegewerkt moest worden naar een onbegeleide weekendregeling. Beklaagde heeft belang gehecht aan omgang tussen de zoon en vader.

4.7.3

Het College kan op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling niet vaststellen dat beklaagde geen gelijke bereidheid heeft of zou hebben om klaagster te helpen. Hoewel zij met haar collega de taken heeft verdeeld, zijn zij gezamenlijk in deze zaak opgetreden.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.8 Klachtonderdeel VII

4.8.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij vader niet heeft gevraagd om inzage in psychologische en/of psychiatrische rapporten.

4.8.2

Beklaagde voert aan dat haar collega uitgebreid met vader heeft gesproken over de uitkomsten van de psychologische rapporten. Hierin zijn geen aanwijzingen gevonden voor psychiatrische problematiek bij vader zodat geen hulp nodig was.

4.8.3

Het College constateert dat op grond van het dossier en de mondelinge behandeling niet vast is komen te staan dat beklaagde heeft nagelaten om aan vader inzage te vragen in de psychologische en/of psychiatrische rapporten. Daarnaast heeft beklaagde verklaard dat haar collega met vader heeft gesproken over de uitkomsten. In het kader van de privacy van vader is hierover niets opgenomen in het dossier zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.9 Klachtonderdeel VIII

4.9.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij geen enkele ervaring heeft met een soortgelijk traject. Zij heeft na de uitspraak van de rechter, de zaak van klaagster moeten opschalen naar de jeugdbeschermingstafel.

4.9.2

Beklaagde erkent dat zij niet dagelijks met dit soort hulpvragen te maken heeft, maar betwist dat zij geen enkele ervaring met dit soort trajecten heeft. Zolang de samenwerking met klaagster en vader in het vrijwillig kader voldoende is, ontbreekt de noodzaak om de casus op te schalen naar de jeugdbeschermingstafel.

4.9.3

Het College heeft geen redenen om te twijfelen aan de expertise van beklaagde. Zij staat geregistreerd als professional en voldoet derhalve aan de kwaliteitseisen die worden gesteld aan de opleiding en registratie. Het opschalen naar de jeugdbeschermingstafel wordt besproken bij klachtonderdeel XIV. Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.10 Klachtonderdeel IX

4.10.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij zonder toestemming de begeleide omgang tussen vader en de zoon heeft verlengd.

4.10.2

Beklaagde voert aan dat haar collega de begeleide omgang heeft uitgevoerd en dat zowel klaagster als vader met de verlenging hebben ingestemd.

4.10.3

Het College oordeelt als volgt. Klaagster heeft op 19 maart 2018 beklaagde en haar collega bericht dat zij zich ervan bewust is dat vader en de zoon recht hebben op omgang en dat zij instemt met de continuering van de omgang op dezelfde tijd en plaats. Ook uit de e-mail die de collega van beklaagde op 12 april 2018 aan klaagster en vader heeft gestuurd, blijkt dat is afgesproken dat gedurende de tijd dat de rechter nog geen beslissing heeft genomen, de afspraken over de begeleide omgang doorgang zouden vinden. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

4.11 Klachtonderdeel X en XI

4.11.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij zonder toestemming van klaagster diverse hulpverlenende instanties heeft benaderd en informatie heeft gedeeld met een psychologenpraktijk voor hulpverlening aan de zoon en een vertrouwensarts.

4.11.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij verschillende praktijken heeft benaderd in de zoektocht naar passende hulpverlening voor de zoon. Klaagster was hiervan op de hoogte. Beklaagde heeft anoniem en globaal de situatie van de zoon uitgelegd en heeft geen persoonlijke gegevens verstrekt. Zij heeft wel openlijk gesproken over de zoon en klaagster met een praktijkhouder van een psychologenpraktijk, op verzoek van klaagster en met toestemming van vader. De praktijkhouder heeft als voorwaarde gesteld voor de behandeling van de zoon dat klaagster en vader consensus hebben en die was er niet. Beklaagde heeft geprobeerd om de zoon aan te melden bij een psychologenpraktijk maar deze hulp is door de verschillende visies van klaagster en vader niet opgestart.

4.11.3

Het College oordeelt als volgt. De collega van beklaagde heeft klaagster en vader in een e-mail van 12 maart 2018 gevraagd of zij ervoor openstaan dat hij en beklaagde informeren bij verschillende psychologenpraktijken voor hulpverlening aan de zoon, mogelijk in de vorm van speltherapie zodat eventuele hulp niet langer dan nodig wordt uitgesteld.

Klaagster heeft op 19 maart 2018 geantwoord op deze e-mail. Het College leest hierin geen bezwaar van klaagster tegen het inwinnen van informatie door beklaagde. Klaagster heeft voorts in een e-mail op 21 maart 2018 de collega van beklaagde het volgende bericht: ‘jullie geven aan te kijken naar een psychologenpraktijk waarna jullie een doorverwijzing kunnen geven. Graag hoor ik van jullie bij welke praktijk(en) jullie willen gaan informeren, welke (hulp)vraag jullie bij de praktijk neerleggen en wat de mogelijkheden zijn. Wellicht kunnen [vader] en ik ons beiden vinden in de praktijk die jullie voordragen. Ik hoor dus graag van jullie’.

Het College is van oordeel dat beklaagde er redelijkerwijs vanuit heeft mogen gaan dat klaagster akkoord is gegaan met het voordragen van een praktijk door beklaagde.

Beklaagde heeft in een e-mail van 22 maart 2018 aan klaagster en vader gevraagd of zij instemmen met de hulpverlening bij een bepaalde psychologenpraktijk. Vervolgens heeft klaagster op 28 maart 2018 aan beklaagde laten weten dat zij het formulier voor een psychologenpraktijk niet zal ondertekenen en dat zij niet wenst dat beklaagde en haar collega de regie nemen waarna beklaagde de aanmelding bij die psychologenpraktijk heeft stopgezet. Het College acht het begrijpelijk dat beklaagde klaagster en vader heeft willen ondersteunen in de keuze voor een zorgaanbieder voor de zoon. Nadat klaagster hiertegen bezwaar heeft gemaakt op 23 maart 2018 heeft beklaagde de ondersteuning stopgezet. Tot slot is op grond van de overgelegde stukken niet vast komen te staan dat beklaagde informatie heeft gedeeld met een vertrouwensarts. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde gelet op deze omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

4.12 Klachtonderdeel XII

4.12.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij het letsel van de zoon, blauwe plekken, in de doofpot wil stoppen.

4.12.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij in de week dat dit speelde, afwezig was. Haar collega heeft zeer secuur gereageerd op de melding.

4.12.3

Het College constateert dat de collega van beklaagde op 18 mei 2018 overleg heeft gevoerd met de huisarts en de vertrouwensarts en dat zij een gezamenlijk standpunt hebben opgesteld waarin staat dat ´…er met betrekking tot de blauwe plekken objectief gezegd kan worden dat er blauwe plekken zijn geobserveerd door de huisarts, de blauwe plekken zich op een locatie op het lichaam bevinden die mogelijk verband kunnen houden met vastpakken, er is geobserveerd door een onafhankelijk begeleider dat er is gestoeid tussen vader en de zoon en de observatie is dat dit voor hen beiden op een prettige manier verliep.[ …] Verdere conclusies kunnen niet worden getrokken op basis van deze waarnemingen´. Zowel klaagster als vader zijn hierover geïnformeerd. Beklaagde heeft redelijkerwijs van dit gezamenlijke standpunt uit mogen gaan zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.13 Klachtonderdeel XIII

4.13.1

Klaagster verwijt beklaagde dat het traject niet is afgesloten.

4.13.2

Beklaagde voert het volgende aan. Doordat de kinderrechter de zoon voorlopig onder toezicht heeft gesteld op het moment dat beklaagde in afwachting was van een afspraak bij de Jeugdbeschermingstafel is het einde van het traject niet verlopen zoals dat normaal gesproken gaat. Klaagster wilde niet meer met beklaagde in gesprek gaan.

4.13.3

Het College oordeelt dat beklaagde op grond van artikel 27 Beroepscode-NVO (evaluatie bij de afsluiting van de professionele relatie) verplicht is om de hulpverlening af te sluiten. Uit het dossier blijkt niet dat beklaagde heeft geprobeerd om met beklaagde hierover in contact te komen.
Nu het eerder genoemde artikel is geschonden, is het klachtonderdeel gegrond.

4.14 Klachtonderdeel XIV

4.14.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij heeft aangedrongen met het lokale team door te gaan. Toen klaagster een klacht indiende, is het traject afgesloten.

4.14.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij met de gecertificeerde instelling heeft afgewogen of de Jeugdbeschermingstafel moest worden benaderd voor een drangtraject. Dit was nog niet opportuun omdat klaagster en vader nog steeds meewerkend waren en bereid waren samen in gesprek te gaan. Beklaagde heeft de vraag of de hulpverlening kon worden voortgezet met haar collega en haar lokale team besproken. Zij hebben gewacht totdat er genoeg gronden waren om een Jeugdbeschermingstafel aan te vragen.

4.14.3

Het College overweegt dat beklaagde na de beschikking van de rechtbank van 22 maart 2018 over de hulpverlening contact heeft gehad met de gecertificeerde instelling over het opschalen van de hulpverlening naar het dwangkader. In betreffende beschikking heeft de rechter een begeleide zorgregeling vastgesteld, onder begeleiding van het lokale team en regie van Jeugdbescherming. Omdat echter geen sprake was van een ondertoezichtstelling heeft de gecertificeerde instelling de zaak niet aangenomen. Hoewel beklaagde heeft overlegd met haar collega en het lokale team heeft zij ten onrechte nagelaten om op dat moment te zeggen dat zij de hulp aan het gezin niet meer kon verlenen. Deze samenwerking in vrijwillig kader kwam des te meer onder druk te staan na de beschikking van de rechtbank en omdat beklaagde en haar collega’s het wenselijk vonden dat jeugdbescherming het proces over zou nemen. Het College is van oordeel dat op beklaagde, gelet op haar deskundigheid en bekwaamheid, een eigen verantwoordelijkheid rust om te beoordelen en aan te geven of zij de hulpverlening kan uitvoeren. Artikel 9 lid 5 van beroepscode-NVO is geschonden. Het klachtonderdeel is gegrond.

4.15 Conclusie

4.15.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen I, IV, XIII, XIV en gedeeltelijk met betrekking tot klachtonderdelen IV en V een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Zij heeft de aard en het doel van de professionele relatie niet vastgelegd, het ´3 huizengesprek´ anders moeten vormgeven en het verslag naar klaagster moeten sturen, de hulpverlening aan klaagster moeten afsluiten en zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen voor de beoordeling of zij de hulpverlening nog kon uitvoeren. Nu beklaagde in deze complexe casus heeft overlegd met collega´s, zij zowel in het verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling heeft gereflecteerd op haar handelen en zij zich leerbaar heeft opgesteld, acht het College gelet op deze omstandigheden de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I, XIII en XIV gegrond;

– verklaart klachtonderdelen IV en V deels gegrond;

– verklaart klachtonderdelen II, III, VI, VII, VIII, IX, X, XI, XII ongegrond;

– legt aan beklaagde op een maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 7 maart 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder

voorzitter

mevrouw mr. A.C. Veerman

secretaris