De jeugdbeschermer had moeten bewerkstelligen dat de gezaghebbende ouder toestemming zou verlenen om voor een minderjarige onderwijs te regelen op een zorgboerderij. Alleen de toestemming van de jeugdbeschermer is hiervoor niet voldoende.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.E. Blaauw – Glas , lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[appellante], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[verweerster], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T. Kuijs.

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

 

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift, met bijlagen, ontvangen op 13 augustus 2018 en de aanvullingen op het klaagschrift, ontvangen op 25 augustus 2018 en 11 december 2018;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 10 oktober 2018 en de aanvulling op het verweerschrift, ontvangen op 30 november 2018;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 18.115T van 24 januari 2019;
– het door appellante ingediende beroepschrift tegen voornoemde beslissing, met bijlagen, ontvangen op 10 februari 2019 en de aanvulling op het beroepschrift, ontvangen op 23 maart 2019;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 1 april 2019 en de aanvulling op het verweerschrift, ontvangen op 8 april 2019.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klachtonderdelen I, III, IV, V en VI ongegrond verklaard en appellante niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen II en VII.

1.3 Tegen deze beslissing is door appellante op 10 februari 2019 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4 Door verweerster is op 1 april 2019 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 april 2019 in aanwezigheid van appellante, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.6 Na afloop van de mondelinge behandeling van het beroep heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verzonden.

 

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1 Appellante is de moeder van een zoon, geboren in 2008. Appellante is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de zoon.

2.2 Sinds 2016 is [SWV], Samenwerkingsverband Passend Onderwijs, hierna te noemen: SWV, betrokken bij het onderwijs aan de zoon.

2.3 De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 april 2016 de zoon (voorlopig) onder toezicht gesteld. Daarnaast is bij deze beschikking een machtiging uithuisplaatsing verleend om de zoon te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg zijn nadien verlengd. In eerste instantie was de gecertificeerde instelling [GI-2] belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Per 18 januari 2017 is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan de GI.

2.4 Sinds april 2016 verblijft de zoon in een pleeggezin. Vanaf mei 2016 is er begeleide omgang tussen appellante en de zoon.

2.5 Verweerster is sinds [datum] 2013 in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregistreerd. In de periode van [datum] 2013 t/m [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 tot op heden is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd. Verweerster is in de periode van 1 augustus 2017 tot 24 juni 2018 namens de GI met de uitvoering van de ondertoezichtstelling belast geweest.

2.6 De zoon is van 29 augustus 2017 tot 11 oktober 2017 bij het [ziekenhuis], hierna te noemen: [ziekenhuis], op de afdeling psychiatrie, onderzocht in verband met gedragsproblematiek. De zoon bezocht gedurende zijn verblijf de bij het [ziekenhuis] aangesloten school.

2.7 Op 13 november 2017 is de zoon geplaatst op [zorgboerderij], hierna te noemen: de zorgboerderij. De zorgboerderij biedt dagbesteding voor jongeren en volwassenen en een logeeropvang voor jeugdigen van vrijdag- tot zondagmiddag.

3     Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1 Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 24 januari 2019 van de klachtonderdelen I t/m VII, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

3.1.4 Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.1.5 Het College van Beroep wijst er nog op dat in een beroepsprocedure alleen grieven kunnen worden aangevoerd die zien op de beoordeling van de oorspronkelijke klachtonderdelen zoals geformuleerd bij het College van Toezicht. Voor zover appellante in het beroepschrift nieuwe klachtonderdelen heeft opgenomen zijn deze niet in deze beslissing opgenomen en kan het College van Beroep daar geen oordeel over geven.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “[Appellante] verwijt [verweerster] dat er tot op heden nog steeds geen nieuw plan van aanpak ligt.”.

3.2.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Voor het College [van Toezicht] staat vast dat [appellante] op 15 februari 2017 een Familiegroepsplan heeft gemaakt. Vast staat ook dat er door de GI een Gezinsplan is opgesteld. De stelling van [appellante] dat er geen plan van aanpak ligt, kan het College [van Toezicht] dan ook niet volgen. [Verweerster] heeft onweersproken gesteld dat het bestaande Gezinsplan tussentijds steeds is geactualiseerd en dat alle geactualiseerde versies aan [appellante] zijn toegestuurd. Dat [appellante] deze geactualiseerde versies niet ontvangen heeft, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft verklaard, acht het College [van Toezicht] niet waarschijnlijk. Gezien de betrouwbaarheid van de postbezorging mag in beginsel aangenomen worden dat een schrijven de geadresseerde zal bereiken. Het College [van Toezicht] overweegt voorts dat een Gezinsplan in principe samen met de ouder wordt opgesteld. [Verweerster] heeft echter onweersproken gesteld dat het niet eenvoudig was om met [appellante] in gesprek te gaan. Dat ziet het College [van Toezicht] ook terug in het dossier, onder bijlage 3 van het verweerschrift. Deze bijlage omvat diverse e-mailberichten waarin [verweerster] [appellante] uitnodigt voor gesprekken, als ook e-mailberichten waaruit blijkt dat [appellante] niet altijd op deze uitnodigingen is ingegaan. Deze gang van zaken volgt eveneens uit het genoemde Gezinsplan. Het College [van Toezicht] kan zich voorstellen dat het in deze situatie niet eenvoudig is om samen met [appellante] het Gezinsplan op te stellen en de voortgang te betrachten. Gelet op de taak die op [verweerster] rust en in het belang van de zoon heeft zij er daarom kennelijk voor gekozen het Gezinsplan zonder [appellante] te actualiseren. Het College [van Toezicht] acht de handelswijze van [verweerster] navolgbaar. Het College [van Toezicht] waardeert dat [verweerster] ter zitting heeft opgemerkt dat het beter was geweest na de kinderbeschermingsmaatregel een geheel nieuw plan neer te leggen in plaats van het bestaande Gezinsplan tussentijds aan te passen, zo ook dat zij heeft aangegeven dat zij meer haar best had kunnen doen om [appellante] te doen overwegen het Gezinsplan te ondertekenen. Desondanks ziet het College [van Toezicht] in de klacht onvoldoende grond om tot een tuchtrechtelijk verwijt te komen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van [verweerster] beter had gekund, maar of zij gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.”. Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.  

3.2.3 Appellante stelt dat er op 6 juni 2017 een uitspraak is geweest van de kinderrechter met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 15 juli 2018. Op grond van artikel 4.1.3 Jeugdwet dient er uiterlijk zes weken na de betreffende beschikking, uiterlijk 18 juli 2017, een plan van aanpak met de ouders, het netwerk en de GI overgelegd te worden. Dit is niet gebeurd. Het College van Toezicht stelt ten onrechte dat het maandelijks bijgewerkte dagboek van verweerster voldoet aan de eisen van een plan van aanpak. Een plan van aanpak dat aan de eisen voldoet is niet opgesteld. Hierdoor kan gesteld worden dat een plan van aanpak nooit is gemaakt of met appellante is besproken. Er zijn geen doelen gesteld om aan te werken en daarmee de ontwikkelingsbedreiging van de zoon op te heffen. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat een plan van aanpak door verweerster is toegestuurd aan appellante. Appellante stelt dat zij op voorhand heeft verzocht dit te doen zodat er over gesproken kon worden. Dit plan, en alle andere plannen, zijn echter rechtstreeks ingediend bij de rechtbank. Dit blijkt uit het feit dat de handtekening van appellante op alle stukken ontbreekt. Het enkel beweren van verzending zonder dat een bewijs daarvan terug te vinden is, kan niet als onweersproken worden gesteld. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft appellante voorts betwist dat zij is uitgenodigd voor verweerster om het plan van aanpak te bespreken.

3.2.4 Verweerster voert aan dat zij vanaf 1 augustus 2017 bij de casus betrokken is geraakt. Zij heeft het gezinsplan voor het eerst geactualiseerd op 25 augustus 2017. Het geactualiseerde gezinsplan heeft verweerster per post aan appellante gestuurd. Het familiegroepsplan van appellante is door de voorganger van verweerster geïntegreerd in het gezinsplan. Verweerster verwijst in dit verband naar pagina 4 van het gezinsplan. De laatste actualisering van het gezinsplan heeft verweerster in mei 2018 uitgevoerd. Naar het oordeel van verweerster waren de daarin vervatte doelstellingen nog steeds actueel. Anders dan appellante mogelijk denkt, wordt er niet telkens een nieuw plan opgesteld, maar wordt het bestaande gezinsplan – waar nodig – geactualiseerd. Aan de in het gezinsplan vermelde doelen is ook steeds gewerkt, voor zover mogelijk gezien de strijdende houding van appellante. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft verweerster kenbaar gemaakt dat bij de GI inmiddels anders wordt gedacht over het steeds actualiseren van een bestaand gezinsplan. Op dit moment wordt bij het verlengen van een kinderbeschermingsmaatregel een nieuw plan van aanpak/gezinsplan opgesteld. Voorts heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat zij – blijkens de overgelegde e-mailberichten – appellante heeft geprobeerd te betrekken bij het actualiseren van het plan van aanpak. Toen appellante niet verscheen op de afspraken, heeft verweerster besloten om het geactualiseerde plan van aanpak te maken en dit niet te laten ondertekenen. Verweerster voegt er nog aan toe dat het wel het document betreft vanuit waar is gewerkt met betrekking tot het uitvoeren van de kinderbeschermingsmaatregelen.

3.2.5 Ten aanzien van deze grief overweegt het College van Beroep als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de zoon bij beschikking van 15 april 2016 voorlopig onder toezicht is gesteld en er een machtiging uithuisplaatsing is verleend. Na het uitspreken van de (reguliere) ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij de beschikking van 6 juni 2017, bestaat er de verplichting om op grond van artikel 4.1.3 lid 5 van de Jeugdwet om binnen zes weken te komen tot een plan van aanpak. Deze verplichting uit de Jeugdwet hangt samen met het moment van aanvangen van de kinderbeschermingsmaatregel, niet met het moment waarop een jeugdprofessional bij een casus betrokken raakt of de datum van het verlengen van een kinderbeschermingsmaatregel. Verweerster heeft zowel in het verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling van het beroep inzichtelijk gemaakt hoe het actualiseren van het plan van aanpak tot stand is gekomen. Hoewel het College van Beroep het zorgvuldiger acht, en zoals volgens verweerster inmiddels ook beleid is bij de GI, om een nieuw plan van aanpak op te stellen in het geval van het verlengen van een kinderbeschermingsmaatregel, vloeit deze verplichting niet voort uit de Jeugdwet. Om die reden ziet het College van Beroep geen aanleiding voor een tuchtrechtelijk verwijt aan het adres van verweerster.

Voor zover de grief erop ziet dat het plan van aanpak dat verweerster heeft opgesteld niet rechtsgeldig zou zijn, overweegt het College van Beroep als volgt. In artikel 2.4.9 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht is opgenomen welke bescheiden overlegd dienen te worden bij het indienen van een verzoekschrift strekkende tot verlening van de ondertoezichtstelling (ex. artikel 1:260 BW). Een van deze vereisten is het overleggen van een plan van aanpak. Het is vervolgens aan de kinderrechter om te beoordelen of er sprake is van een rechtsgeldig verzoekschrift en of er gronden zijn om de ondertoezichtstelling te verlengen. Tussen partijen is niet in geschil dat de ondertoezichtstelling gedurende de betrokkenheid van verweerster meerdere malen is verlengd. Het is niet aan het College van Beroep om in de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het plan van aanpak te treden nu dit in zoverre aldus een taak is van de kinderrechter. Het College van Beroep zal appellante dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor zover de grief ziet op de rechtsgeldigheid van het plan van aanpak.

3.2.6 Het College van Beroep verwerpt de grief voor zover deze betrekking heeft op het niet tijdig opstellen/actualiseren van het plan van aanpak. Het College van Beroep verklaart appellante niet-ontvankelijk in de grief voor zover deze erop ziet dat het opgestelde plan van aanpak niet rechtsgeldig zou zijn. Het College van Beroep handhaaft aldus het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel I.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “ [Appellante] stelt dat de GI in strijd heeft gehandeld met artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.”.

3.3.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] stelt vast dat [appellante] in dit klachtonderdeel de GI verwijt de conclusie van het [ziekenhuis] genegeerd te hebben en vastgehouden te hebben aan het – in de ogen van [appellante] weerlegde – rapport van het NIFP. Derhalve richt [appellante] zich in dit klachtonderdeel tot de GI en niet tot [verweerster]. Het College [van Toezicht] is echter uitsluitend bevoegd het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional, in dit geval [verweerster], aan de algemene tuchtnorm te toetsen. Het College [van Toezicht] is niet bevoegd om klachten te toetsen, die gericht zijn tegen een instelling.”. Het College van Toezicht heeft appellante niet-ontvankelijk verklaard in dit klachtonderdeel.

3.3.3 Appellante voert tegen de beoordeling van dit klachtonderdeel als grief aan dat zij per ongeluk ‘de GI’ heeft geschreven in plaats van ‘verweerster’. Dit doet volgens appellante echter niets af aan het feit dat er gesprekken zonder haar aanwezigheid over de toekomst van de zoon hebben plaatsgevonden en het advies onjuist is uitgelegd door verweerster. Als gevolg hiervan heeft haar zoon twee jaar leerachterstand opgelopen hetgeen juist een bedreiging vormt voor zijn ontwikkeling. Het advies van het SWV is volledig genegeerd door verweerster. Er is op geen enkele wijze hierover overleg geweest. Verweerster was niet bevoegd om zonder de toestemming van appellante of de kinderrechter dit soort beslissingen te nemen met dermate ernstige en negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van de zoon. Het niet volgen van onderwijs zonder dat daar een reden of ontheffing voor is van de leerplicht, is naar de mening van appellante een schending van artikel A van de Beroepscode.

3.3.4. Verweerster refereert zich voor wat betreft de ontvankelijkheid aan het oordeel van het College van Toezicht. Voor zover het College van Beroep van oordeel is dat appellante ontvankelijk is in dit klachtonderdeel, verwijst verweerster naar haar verweer zoals gevoerd tijdens de procedure bij het College van Toezicht met het verzoek dit hier als herhaald en ingelast te beschouwen. Dit verweer is als volgt. Verweerster voert aan dat de zoon zes weken in het [ziekenhuis] heeft doorgebracht voor observatie en onderzoek. Tijdens dit verblijf heeft de zoon de school bezocht, welke verbonden is aan het [ziekenhuis] en aan [instelling 1] GGZ. Verweerster erkent dat de school inderdaad een school heeft geadviseerd die een zorg-onderwijsarrangement kan bieden. Dit advies is door de school neergelegd in het ontwikkelingsperspectiefplan. Op 11 oktober 2017 is verweerster op uitnodiging van de directeur van SWV mee geweest naar een gesprek met de directeur van de school. Tijdens dit gesprek is het advies gegeven voor de zoon een plek te vinden waar hij overdag kan verblijven en vanuit waar hij een paar momenten per dag, passend bij wat hij op dat moment aan kan, onderwijs kan volgen. Op basis daarvan is gekeken of er een mogelijkheid bestond om de zoon op korte termijn te plaatsen bij [instelling 2], die dergelijke voorzieningen biedt. [Instelling 2] had echter geen plek. Verweerster heeft vervolgens verder gezocht naar een beschikbare passende plek voor de zoon en contact opgenomen met de leerplichtambtenaar. De leerplichtambtenaar adviseerde de zorgboerderij. In overleg met de directeur van het SWV zou het onderwijs op die manier naar de zoon toe komen. Op 13 november 2017 is de zoon op een zorgboerderij geplaatst en in februari 2018 daar met onderwijs gestart.

3.3.5 Het College van Beroep acht het aannemelijk dat appellante in haar klaagschrift abusievelijk ‘de GI’ heeft geschreven in plaats van ‘verweerster’. Het College van Beroep leest in de formulering van het klachtonderdeel, een klacht die wel degelijk gericht is tegen het individuele handelen van verweerster. In zoverre slaagt de grief van appellante en verklaart het College van Beroep appellante ontvankelijk in dit klachtonderdeel. Het College van Beroep ziet voorts aanleiding om dit klachtonderdeel zelf inhoudelijk in beroep te beoordelen. Verweerster heeft inzicht gegeven in de gevolgde stappen omtrent het arrangeren van het onderwijs voor de zoon. Verweerster erkent hierbij het advies dat is gegeven, maar heeft ook gemotiveerd waarom er uiteindelijk toch voor een andere optie is gekozen. Het College van Beroep overweegt dan ook dat niet is gebleken dat verweerster (ten onrechte) het advies heeft genegeerd en er aldus een schending van artikel A van de Beroepscode zou zijn. Voor zover de grief van appellante ziet op het aanmelden van de zoon zonder overleg met appellante en/of toestemming van de kinderrechter, geeft het College van Beroep hierover een oordeel bij klachtonderdeel III.

3.3.6 De grief van appellante slaagt in zoverre dat het College van Beroep appellante ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel II. Voor het overige faalt de grief, het College van Beroep verklaart klachtonderdeel II ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel III als volgt geformuleerd: “[Appellante] stelt dat [verweerster] in strijd heeft gehandeld met de artikelen D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.”.

3.4.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel – voor zover relevant – als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt dat het eerste en het derde voorbeeld van [appellante] in dit klachtonderdeel in elkaars verlengde liggen en behandelt ze daarom in samenhang. [..] Ten aanzien van de klacht over de onrechtmatige plaatsing van de zoon op de zorgboerderij, overweegt het College [van Toezicht] als volgt. Vast staat dat de zoon, nadat de opname bij het [ziekenhuis] was gestopt, op 11 oktober 2017 terug is gegaan naar het pleeggezin zonder dat er sprake was van dagbesteding. Uit het verweer, als ook uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is het College [van Toezicht] gebleken dat de zoon regulier onderwijs niet aankon en dat ook speciaal onderwijs voor hem niet passend was. Het College [van Toezicht] overweegt dat [verweerster] vervolgens het nodige in het werk heeft gesteld om onderwijs te regelen, dat op dat moment het beste bij de zoon aansloot. Toen [instelling 2] geen plek kon bieden, is in overleg met de leerplichtambtenaar de zorgboerderij gevonden. Daar werd aan de zoon dagbesteding geboden met onderwijs op afroep voor een aantal uren per week. Het College [van Toezicht] overweegt dat nu er een machtiging uithuisplaatsing ligt, [verweerster] namens de GI als de uitvoerder van deze kinderbeschermingsmaatregel, mocht bepalen dat de zoon geplaatst wordt op de zorgboerderij. Toestemming van [appellante], ook al is zij ouder met gezag, is daarvoor niet noodzakelijk. Het College [van Toezicht] overweegt dat een ouder met gezag wel geïnformeerd moet worden. Nu [verweerster] op 3 november 2017 een e-mailbericht aan [appellante] heeft gestuurd met de mededeling dat er een goede plek voor de zoon is gevonden, heeft [verweerster] naar het oordeel van het College [van Toezicht] aan haar informatieplicht voldaan. Bovendien heeft [verweerster] onweersproken gesteld dat zij dit intern heeft afgestemd met de jurist van de GI. Dat [appellante] stelt dat plaatsing op de zorgboerderij haaks staat op het advies van de school, volgt het College [van Toezicht] niet. De school heeft aan zorg-onderwijsarrangement geadviseerd en daar heeft [verweerster] zoveel als mogelijk bij aangehaakt.”. Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.4.3 Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerster niet bevoegd is om zonder toestemming van de gezaghebbende ouder(s) of de kinderrechter een beslissing te nemen over het onderwijs. Hiervoor dient te allen tijde volgens wet- en regelgeving toestemming te worden verleend door genoemde personen. Dit is hier niet het geval geweest waardoor verweerster haar functie heeft misbruikt. Voor alle jeugdhulp is in beginsel toestemming van de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordigers vereist. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de ontwikkeling van de jeugdige. Appellante stelt dat het onderwijs extern is aangevlogen via de SWV. Appellante is tot slot van mening dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerster bij een uithuisplaatsing mocht bepalen dat de zoon geplaatst mocht worden op de zorgboerderij en dat dit de enige oplossing zou zijn. Dit is onjuist nu verweerster toestemming had moeten krijgen via appellante of de kinderrechter.

3.4.4 Verweerster is van mening dat, anders dan appellante stelt, het onderwijs niet extern is aangevlogen, hiertoe verwijst verweerster naar het verweerschrift in eerste aanleg en de producties. Verweerster stelt zich daarin onder meer op het standpunt dat zij geen toestemming van appellante nodig had om de zoon op de zorgboerderij te plaatsen.

3.4.5 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van appellante ten aanzien van dit klachtonderdeel slaagt en overweegt hiertoe als volgt. In beginsel is het uitgangspunt dat de gezaghebbende ouder(s) instemt met de aanmelding van een minderjarige op een onderwijsinstelling. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante geen toestemming heeft gegeven voor het arrangeren van onderwijs aan de zoon op de zorgboerderij. Op grond van artikel 1:265e BW kan de kinderrechter bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing, en ook nadat de machtiging is verleend, bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. In sub b van het voornoemde artikel is bepaald dat de kinderrechter dit gezag gedeeltelijk kan overdragen met betrekking tot de aanmelding van een minderjarige bij een onderwijsinstelling. Uit de overgelegde bepaling jeugdhulp van 13 november 2017 blijkt dat de GI heeft bepaald dat in het kader van de ondertoezichtstelling jeugdhulp op de zorgboerderij aangewezen is voor het bieden van een zorg- en dagbestedingsplek waar op termijn onderwijs geboden kan worden door een externe partij. Daarnaast blijkt uit het e-mailbericht van 22 december 2017 van de directeur van het samenwerkingsverband dat toestemming wordt gevraagd van zowel appellante als verweerster om [school] te benaderen om onderwijs te kunnen bieden op de zorgboerderij. Op 3 januari 2018 heeft verweerster hiervoor toestemming gegeven, maar de toestemming van appellante ontbreekt. Gelet hierop had verweerster naar het oordeel van het College van Beroep moeten bewerkstelligen dat appellante alsnog haar toestemming zou verlenen en indien dit niet mogelijk zou zijn, op grond van artikel 1:265e BW de kinderrechter te verzoeken ten behoeve van de aanmelding van de zoon op de onderwijsinstelling de GI het gezag gedeeltelijk uit te laten oefenen. Nu verweerster dit heeft nagelaten levert dit een schending op van de artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode op.

3.4.6 De grief van appellante slaagt. Het College van Beroep verklaart klachtonderdeel III gegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel IV als volgt geformuleerd: “[Appellante] verwijt [verweerster] dat zij niet in overeenstemming heeft gehandeld met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.”.

3.5.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel – voor zover relevant –  als volgt: “Het College [van Toezicht] heeft de stelling van [appellante] dat er geen overleg is geweest om te komen tot instemming of overeenstemming over de hulp- en dienstverlening niet kunnen vaststellen. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [verweerster] zich bevoegdheden heeft toegeëigend waardoor [appellante] buiten spel is gezet en er geen passende onderwijssetting voor de zoon is geregeld. Het College [van Toezicht] overweegt dat [appellante] geen stukken heeft overgelegd waaruit haar stellingen blijken. [Verweerster] heeft in haar verweer zelf invulling gegeven aan de (korte) klacht van [appellante]. Nu echter het klachtonderdeel door [appellante] niet is onderbouwd, acht het College [van Toezicht] zich genoodzaakt om de klacht buiten beschouwing te laten. […]”.
Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.5.3 Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerster tijdens de procedure bij het College van Toezicht heeft verklaard dat er in overleg met het team binnen de GI is beslist dat de plaatsing bij de zorgboerderij geheim moest blijven. Uit deze verklaring blijkt aldus dat verweerster geen verzoek had ingediend bij de rechtbank tot een geheime plaatsing op ernstige gronden.

3.5.4 Verweerster kan zich vinden in het oordeel van het College van Toezicht en verzoekt het College van Beroep deze over te nemen. In haar ijver zich te verweren tegen de klachtonderdelen van appellante heeft zij zelf invulling gegeven aan dit klachtonderdeel dat met geen enkel feit door appellante is onderbouwd. De beroepsgrond van appellante heeft slechts betrekking op de inhoud van het verweer in eerste aanleg, dat bij nader inzien ten onrechte is gevoerd. Het klachtonderdeel mist iedere feitelijke onderbouwing en is op grond daarvan terecht door het College van Toezicht buiten beschouwing gelaten.

3.5.5 Het College van Beroep volgt verweerster in haar standpunt dat de beroepsgrond enkel een reactie is op hetgeen verweerster heeft aangevoerd tijdens de procedure bij het College van Toezicht. Nu appellante in haar grief niet kenbaar maakt met welke overweging van het College van Toezicht zij het niet eens is, en om welke reden niet, is het College van Beroep van oordeel dat appellante niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in deze grief.

3.5.6 Het College van Beroep verklaart appellante niet-ontvankelijk in de grief gericht tegen klachtonderdeel IV.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel V als volgt geformuleerd: “[Appellante] stelt dat [verweerster] in strijd heeft gehandeld met artikel K (Vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.”

3.6.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt. “Het College [van Toezicht] heeft niet, zoals door [appellante] gesteld, kunnen vaststellen dat [verweerster] niet gehandeld heeft conform artikel K, dat gaat over een vermoeden van kindermishandeling. Niet is gebleken dat [verweerster] uit naam van haar functie de omgang tussen [appellante] en haar zoon gesaboteerd zou hebben, dan wel medische behandelingen geweigerd heeft. Voor het College [van Toezicht] blijkt uit de overgelegde stukken ten aanzien van de medische behandelingen juist het tegenovergestelde. Er is breed ingezet op medische behandeling van de zoon, waar juist [appellante] niet altijd toestemming voor heeft willen geven. Daarnaast is het College [van Toezicht] uit het eindverslag van [instelling 3] geenszins gebleken dat [verweerster] en het pleeggezin gezamenlijk de zoon inzetten in de strijd die [verweerster] – in de ogen van [appellante] – met [appellante] voert. [Appellante] heeft deze stellingen niet onderbouwd en het College [van Toezicht] veronderstelt dat [appellante] hier een andere beleving heeft. Dat de zoon vanuit het pleeggezin en jeugdzorg een verbod opgelegd heeft gekregen om te praten over zijn huidige leven, betreft geen conclusie van [instelling 3], maar is een reactie van [appellante], opgetekend op pagina 8 van het eindverslag van [instelling 3] en is ter zitting door [verweerster] nadrukkelijk betwist. Tot slot is ook het laatste voorbeeld van [appellante] dat het de zoon ontbreekt aan basisbehoeften bij het pleeggezin niet komen vast te staan.

Ten aanzien van de opmerking van [appellante] dat de melding van Veilig Thuis is gebruikt tijdens een zitting tegen [appellante] merkt het College [van Toezicht] het volgende op. Uit het Gezinsplan, als ook uit een e-mailbericht van [verweerster] aan [appellante] van 21 maart 2018 blijkt dat er een melding bij Veilig Thuis is gedaan door een betrokken kinderarts. Echter, niet is komen vast te staan dat deze melding tijdens een zitting gebruikt zou zijn tegen [appellante]. Wel is het College [van Toezicht] gebleken dat [verweerster] [appellante] heeft uitgenodigd om over deze melding in gesprek te gaan. Voorts zijn er op 13 juli 2017 meldingen van een aantal particulieren binnengekomen bij twee vestigingen van Veilig Thuis. Na de triage zijn deze meldingen door Veilig Thuis niet passend bevonden, omdat het klachten betrof tegen het handelen van de GI en om die reden zijn de meldingen door Veilig Thuis overgedragen aan de GI. Ook ten aanzien van deze meldingen is het College [van Toezicht] niet gebleken dat deze gebruikt zijn tegen [appellante]. Bovendien waren deze meldingen van 13 juli 2017 en derhalve van voor de periode dat [verweerster] bij de casus betrokken was. Vast staat dat de voorgangster van [verweerster] [appellante] heeft uitgenodigd voor een gesprek hierover, waaraan [appellante] geen gehoor heeft gegeven. Het College [van Toezicht] ziet in de klacht dan ook onvoldoende grond om tot een tuchtrechtelijk verwijt te komen.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel ongegrond verklaard.

3.6.3 Door appellante wordt in het verslag van [instelling 3] het volgende citaat aangehaald: “er met [de zoon] besproken dat hij niet met zijn moeder over zijn dagbesteding mag praten”. Dit is geschreven door de gedragswetenschapper en het is geen reactie van appellante, zoals het College van Toezicht stelt. De conclusie van de gedragswetenschapper is aldus niet in behandeling genomen. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat er door het College van Toezicht meldingen door elkaar worden gehaald. Enerzijds was er sprake van een melding door de kinderarts bij Veilig Thuis en anderzijds was er het besluit van Veilig Thuis van 11 juli 2017. Het College van Toezicht vermeld dat Veilig Thuis concludeert dat de melding onder de GI valt en dat de voorganger van verweerster hierover een gesprek heeft willen aangaan. De advocaat van appellante heeft echter per e-mail aangegeven waarom het nut niet werd ingezien om over de Veilig Thuis melding van de kinderarts in gesprek te gaan. Appellante is niet verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken en deze melding had juridisch gezien alleen betrekking kunnen hebben op de pleegouders. De conclusie van de melding over het pleeggezin was namelijk dat zij de zoon ernstig bedreigen in zijn ontwikkeling nu hij geplaatst is in een multi-problematisch gezin. Deze melding is eind juli 2017 doorgestuurd en valt aldus onder de verantwoordelijkheid van verweerster en niet onder haar voorganger zoals het College van Toezicht ten onrechte stelt.

3.6.4 Verweerster handhaaft ten aanzien van dit klachtonderdeel haar verweer zoals gevoerd in eerste aanleg. Dit verweer is – verkort weergegeven – als volgt. Verweerster herkent zich niet in de geschetste voorbeelden en betwist deze dan ook nadrukkelijk. Voor de uitgevoerde medische behandelingen verwijst verweerster naar het gezinsplan. Voor wat betreft het tweede voorbeeld, dat verweerster samen met het pleeggezin de zoon in heeft gezet in de strijd die verweerster voert tegen appellante, betwist verweerster dat dit het geval is. Dit is dan ook niet terug te vinden in het verslag van [instelling 3]. Met betrekking tot het laatste voorbeeld is verweerster niets bekend van een onderzoek van Veilig Thuis naar de veiligheid van het pleeggezin en de conclusie dat het gezin schadelijk zou zijn. Het document dat appellante bij het klaagschrift heeft gevoegd, betreft een melding bij Veilig Thuis die door Veilig Thuis als niet passend is gekwalificeerd. Veilig Thuis heeft de melding vervolgens doorgestuurd naar de GI. Deze meldingen dateren van 11 juli 2017, derhalve van voordat verweerster bij deze casus betrokken raakte. Ten overvloede wijst verweerster erop dat blijkens het gezinsplan haar voorganger appellante naar aanleidingen van de meldingen bij Veilig Thuis heeft uitgenodigd voor een gesprek. Appellante heeft toen te kennen gegeven niet over deze meldingen in gesprek te willen gaan en is niet verschenen. In aanvulling op haar verweer zoals gevoerd in eerste aanleg brengt zij het volgende naar voren. Anders dan appellante stelt is het door haar aangehaalde citaat wel degelijk (ook) een beschrijving van wat is opgetekend uit de mond van appellante. Het betreft hier geen conclusie van de gedragswetenschapper. De overweging van het College van Toezicht berust aldus op een juist uitgangspunt.

3.6.5 Het College van Beroep overweegt ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt. Voor wat betreft het citaat uit het verslag van [instelling 3] volgt het College van Beroep het standpunt van verweerster dat dit citaat wel degelijk (ook) een beschrijving is wat is opgetekend uit de mond van appellante. Dit leidt het College van Beroep af uit het feit dat de betreffende alinea, waarin het citaat is opgenomen, begint met “Tijdens het nabespreken geeft moeder aan dat zij…”. Het College van Beroep leest dit dan ook, anders dan appellante, niet als een conclusie van de gedragswetenschapper, maar als een analyse van hetgeen appellante tijdens het onderzoek van [instelling 3] naar voren heeft gebracht. In zoverre faalt aldus de grief van appellante. Ook voor het overige is niet gebleken dat verweerster niet conform artikel K (vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode heeft gehandeld. Zo heeft het College van Beroep uit de overgelegde stukken niet op kunnen maken dat er een melding van de kinderarts bij Veilig Thuis is geweest en dat er aldus niet vastgesteld kan worden dat het College van Toezicht meldingen heeft verward. Daarnaast is het College van Beroep niet gebleken, zoals verweerster ook stelt, dat er naar aanleiding van een onderzoek van Veilig Thuis de conclusie is getrokken dat het pleeggezin schadelijk zou zijn voor de zoon. Gelet op het voorgaande is het College van Beroep van oordeel dat de grief van appellante niet kan slagen.

3.6.6 Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel V.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VI als volgt geformuleerd: “ [Appellante] verwijt [verweerster] dat zij niet in overeenstemming heeft gehandeld met artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.”.

3.7.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] heeft niet kunnen vaststellen, zoals [appellante] stelt, dat [verweerster] haar eigen belang en machtsspel boven het belang van de zoon heeft gesteld, dat zij haar beroep niet zorgvuldig heeft uitgeoefend en dat zij de rechtbank onjuist en onvolledig heeft voorgelicht. [Appellante] heeft deze klachten onvoldoende onderbouwd. Voor zover er stukken zijn bijgevoegd door [appellante], bieden zij ontoereikend bewijs. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat [verweerster] juist steeds heeft getracht het belang van de zoon voorop te zetten. Ten aanzien van de omgang tussen [appellante] en haar zoon overweegt het College [van Toezicht] dat door [appellante] onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de omgangsregeling niet is nageleefd. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is door [verweerster] onweersproken naar voren gebracht dat er één omgangsmoment tussen [appellante] en de zoon geen doorgang heeft gevonden. Daaraan lag ten grondslag dat een medewerker van de pleegzorginstelling, die de omgang begeleid, verhinderd was. Het College [van Toezicht] ziet in de klacht onvoldoende grond om tot een tuchtrechtelijk verwijt te komen.”.

3.7.3 Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerster tijdens een hoorzitting heeft verklaard dat zij na een advies van het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming (LET-JB) niet meer heeft gezocht naar samenwerking met appellante. Dit verklaart naar de mening van appellante waarom zij geen informatie heeft gehad of is betrokken bij beslismomenten over de zoon. Er is niet bewezen geacht uit de mondelinge verklaring van verweerster dat er niet op deze uitnodiging is ingegaan noch dat deze afgewezen zou zijn. Het is echter noodzakelijk om op de hoogte te zijn van de inhoud van een gesprek. Door verweerster werd vaak aangegeven dat appellante dit zou horen op het gesprek zelf. Appellante is van mening dat zij, als ouder, vooraf mag weten waar een gesprek over gaat zodat zij zich hierop kan voorbereiden. De meeste gesprekken hebben echter tot niets geleid omdat verweerster op het advies van het LET-JB niet heeft gezocht naar samenwerking. De gevoerde gesprekken zijn nimmer positief geweest. Verweerster stelde zich autoritair en hard op waardoor er nooit een plan of samenwerking is ontstaan. De mening/inbreng van appellante werd genegeerd waardoor er uiteindelijk is besloten om niet meer op alle uitnodigingen in te gaan. Tot slot wordt er door het College van Toezicht ten onrechte gesteld dat er maar één omgangsmoment niet is doorgegaan. Dit is echter onjuist nu er een overzicht is ingediend waaruit blijkt dat de omgang vaak niet is doorgegaan.

3.7.4 Verweerster handhaaft ten aanzien van dit klachtonderdeel haar verweer zoals gevoerd tijdens de procedure bij het College van Toezicht. Dit verweer is als volgt. Met appellante is verweerster van mening dat de jeugdbeschermer met de gezagsdragende ouder moet samenwerken in het belang van het onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste kind. Helaas is gebleken dat, noch een eerdere GI, noch de voorganger van verweerster, ondanks vele inspanningen, in staat is gebleken tot een constructieve samenwerking te komen met appellante. Dit leidde tot vertraging in het hulpverleningstraject van de zoon. De instelling heeft er toen voor gekozen de casus voor te leggen aan het LET-JB. Het LET-JB heeft geadviseerd om te stoppen met het zoeken naar samenwerking met appellante. Niettemin heeft verweerster wel degelijk getracht om appellante inhoudelijk voortdurend te betrekken bij en te informeren over alle voor de zoon belangrijke beslissingen. Appellante is daarbij veelvuldig uitgenodigd voor gesprekken op kantoor bij verweerster, al dan niet in het bijzijn van haar vertrouwenspersonen of advocaat. Van deze uitnodigingen heeft appellante minimaal gebruik gemaakt. Niet zelden heeft verweerster tot haar spijt over moeten gaan tot het vooraankondigen en daadwerkelijk geven van schriftelijke aanwijzingen. Verweerster herkent zich voor wat betreft het overige niet in de aantijgingen van appellante. Dat de omgang vaak niet zou worden uitgevoerd, betwist zij met nadruk. Op 13 augustus 2017 is de omgang een keer niet doorgegaan. De reden hiervoor was dat de omgang begeleid moet  plaatsvinden en dat er op die datum geen begeleiding beschikbaar was. Dit omgangsmoment is later ingehaald.

3.7.5 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief gericht tegen dit klachtonderdeel faalt en overweegt hiertoe als volgt. Appellante heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat verweerster tijdens een hoorzitting heeft verklaard niet meer te hebben gezocht naar de samenwerking met appellante. Het College van Beroep acht dit standpunt voorts niet aannemelijk gelet op de diverse e-mailberichten die zijn overgelegd waaruit blijkt dat verweerster met appellante in contact heeft proberen te treden en haar uit te nodigen voor gesprekken. Ook maakt het College van Beroep hieruit op dat verweerster in de e-mailberichten meermaals puntsgewijs heeft aangegeven welke onderwerpen er tijdens de voorgenomen afspraak besproken zouden gaan worden. Het College van Beroep volgt appellante dan ook niet in haar standpunt dat verweerster kenbaar heeft gemaakt dat appellante de inhoud van de gesprekken op het moment zelf zou horen. Het College van Beroep heeft althans voor dit standpunt in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten gevonden. Voor zover appellante zich beroept op een overzicht van de omgangsmomenten die geen doorgang gevonden hebben, merkt het College van Beroep op dat de bron van dit document niet bekend is. Nu het niet doorgaan van deze omgangsmomenten door verweerster gemotiveerd wordt betwist, kan het College van Beroep het aantal omgangsmomenten dat niet is doorgegaan niet vaststellen.

3.7.6 Het College van Beroep verwerpt de grief en handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel VI.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel VII als volgt geformuleerd: ”[Appellante] stelt dat [verweerster] in strijd heeft gehandeld met artikel T (Schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.”.

3.8.2 Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt dat [appellante] bij dit klachtonderdeel klaagt over collega’s van [verweerster]. Het College [van Toezicht] toetst louter en alleen het beroepsmatig handelen van [verweerster]. Het College [van Toezicht] is in deze procedure niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen te toetsen.”. Het College van Toezicht heeft appellante niet-ontvankelijk verklaard in dit klachtonderdeel.

3.8.3 Appellante is van mening dat het College van Toezicht er bij de beoordeling van dit klachtonderdeel aan voorbij gaat dat appellante hier benadrukt dat het handelen en de opdrachten van verweerster hebben geleid tot het handelen van haar collega’s. Daarnaast is de bewering van verweerster dat zij op vakantie was niet bewezen geacht. De klacht gericht tegen de collega van verweerster is gegrond verklaard ondanks het feit dat hij de opdracht had ontvangen van verweerster. Voor appellante is het onbegrijpelijk dat de opdrachtgever, verweerster, hierop niet is aangesproken.

3.8.4 De uitspraak van het College van Toezicht over haar collega is bij verweerster niet bekend. Aldus kan verweerster niet verifiëren of de klacht tegen de collega gegrond is verklaard. Voor zover dit al het geval is wordt door verweerster expliciet verwezen naar haar verweer zoals gevoerd in eerste aanleg. Dit verweer is als volgt. Verweerster is van mening dat dit klachtonderdeel niet feitelijk is onderbouwd en om die reden afgewezen dient te worden. Ten overvloede merkt verweerster op dat zij op 5 september 2017 op vakantie was. Zij heeft haar collega derhalve geen opdracht gegeven, noch heeft zij opdracht gegeven om het e-mailbericht van 5 september 2017 aan appellante te versturen. Haar collega nam waar tijdens haar vakantie en heeft aan een andere collega gevraagd de zoon te begeleiden tijdens de vaccinatie. Voor zover appellante in dit klachtonderdeel klaagt over het handelen of nalaten van de opvolger van verweerster dient appellante niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.8.5 Het College van Beroep stelt vast dat appellante in haar oorspronkelijke klaagschrift ten aanzien van dit klachtonderdeel het volgende heeft opgenomen: “[Verweerster] heeft [beklaagde in zaaknummer 18.010T] de opdracht gegeven om te handelen zoals hij heeft gedaan. [Collega] heeft in opdracht van [verweerster] de mail van 5 sept verzonden (bijlage 15).” Het College van Beroep leest in formulering van dit klachtonderdeel, anders dan het College van Toezicht, dat appellante klaagt over het opdracht geven aan haar collega’s en niet als zodanig over het handelen van de collega’s van verweerster. In zoverre is het College van Beroep dan ook van oordeel dat de grief van appellante slaagt en dat zij ontvankelijk dient te worden in dit klachtonderdeel. Het College van Beroep is echter wel van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond dient te worden verklaard en overweegt hiertoe als volgt. Appellante heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel e-mailberichten overgelegd waaruit blijkt dat een collega van verweerster appellante heeft geïnformeerd over de gang van zaken rondom de vaccinatie van de zoon. Uit deze e-mailberichten blijkt echter niet dat deze collega, de waarneemster van verweerster tijdens haar vakantie, van verweerster de opdracht heeft gekregen om de e-mail van 5 september 2017 te versturen noch is gebleken dat de beklaagde in zaaknummer 18.010T in opdracht van verweerster als zodanig heeft gehandeld.

3.8.6 De grief faalt. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van klachtonderdeel VII.

3.9 Conclusie

Het College van Beroep komt tot de slotsom dat verweerster ten aanzien van klachtonderdeel III een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Door aldus te handelen omtrent het aanmelden van de zoon bij een onderwijsinstelling heeft verweerster niet conform de artikelen D en G van de Beroepscode gehandeld. Het College van Beroep dient zich aldus te buigen over de op te leggen tuchtrechtelijke maatregel. Hierbij neemt het College van Beroep in overweging dat verweerster heeft moeten handelen in een complexe casus waarbij zij steeds heeft getracht het belang van de zoon voorop te zetten. Het is het College van Beroep uit de stukken en de mondelinge behandeling van het beroep gebleken dat er sprake is geweest van geen, doch een zeer moeizame samenwerking tussen appellante en verweerster. Het College van Beroep heeft de stellige overtuiging dat verweerster desondanks heeft geprobeerd in contact te komen met appellante over beslissingen ten aanzien van de zoon. Het College van Beroep neemt hierbij ook in overweging dat appellante zich ten aanzien van verweerster niet altijd meewerkend heeft opgesteld, dit maakt het College van Beroep onder andere op uit de diverse schriftelijke aanwijzingen die verweerster gedurende haar betrokkenheid heeft moeten geven. Het College van Beroep betrekt echter bij het opleggen van de tuchtrechtelijke maatregel ook dat verweerster met het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen ten aanzien van klachtonderdeel III niet alleen heeft gehandeld in strijd met de artikelen D en G van de Beroepscode, maar ook in strijd met dwingend recht (artikel 1:265e BW). Het College van Beroep wil daarnaast opmerken dat, ook gelet op de indruk die tijdens de mondelinge behandeling van het beroep naar voren is gekomen, verweerster zich in de onderhavige situatie wellicht sterker had kunnen positioneren, door onder meer duidelijk aan appellante kenbaar te maken welke afwegingen er in het kader van de hulpverlening werden gemaakt en waarom. Het College van Beroep is van mening dat ook tijdens de mondelinge behandeling verweerster onvoldoende in staat bleek dat ook aan het College van Beroep uit te leggen. Al het voorgaande in acht genomen legt het College van Beroep aan verweerster de maatregel van waarschuwing op.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel III alsnog gegrond en klachtonderdeel II ongegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 24 januari 2019 in zaaknummer 18.115T;
  • verklaart appellante (deels) niet-ontvankelijk in de grief gericht tegen de klachtonderdelen I en IV;
  • handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende de klachtonderdelen I, IV, V, VI en VII, zij het met aanvulling van gronden;
  • legt aan verweerster op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 27 mei 2019 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. M.M. Brink                                                               mevrouw mr. T. Kuijs

voorzitter                                                                                             secretaris