Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet verstrekken van het SKJ registratienummer, misbruik van macht, schending van de privacy en discriminatie.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Klager heeft zijn partner, [partner], gemachtigd om hem in deze zaak bij te staan.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. M.J.I. Assink, werkzaam als advocaat te Rijswijk.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met de bijlage ontvangen op 29 augustus 2018 en de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 17 september 2018;

– het verweerschrift met de bijlagen ontvangen op 16 november 2018;

– de pleitnotitie die door de gemachtigde van beklaagde tijdens de mondelinge behandeling is overgelegd.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 14 januari 2019 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klager is vader van een minderjarige zoon, geboren in 2006, hierna aan te duiden als: de zoon.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen moeder, zijn uit elkaar. Klager en moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de zoon uit. Zij hebben volledig co-ouderschap waarbij de zoon de ene week bij moeder verblijft en de andere week bij klager is. Sinds november 2017 gaat de zoon niet meer naar klager en verblijft hij feitelijk bij moeder.

2.3

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 januari 2018 de zoon voor de duur van drie maanden onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 6 april 2018 heeft de kinderrechter de zoon van 6 april 2018 tot en met 6 april 2019 onder toezicht gesteld. Tot 5 september 2018 waren twee jeugdbeschermers namens de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Daarna is de ondertoezichtstelling uitgevoerd door één jeugdbeschermer.

2.4

Beklaagde heeft tijdens vakantie van een van de jeugdbeschermers als plaatsvervanger opgetreden. Hij heeft op 27 augustus 2018 samen met een collega en twee GGZ-psychologen en een kinderpsycholoog deelgenomen aan een netwerkberaad op het kantoor van de GI. De collega van beklaagde heeft in de uitnodiging die op 17 augustus 2018 per e-mail is verstuurd, vermeld dat klager en moeder iemand mee konden nemen ter ondersteuning. Moeder is samen met een psycholoog verschenen. Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de psycholoog. Hij heeft zijn advocaat gebeld en is niet met de aanwezigen in gesprek gegaan. De bespreking heeft zonder klager plaatsgevonden.

2.5

Klager en beklaagde hebben op 11 september 2018 met elkaar gesproken over de klachten van klager.

2.6

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2017 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde dat hij heeft geweigerd zijn SKJ registratienummer aan klager door te geven. Hij heeft het verzoek genegeerd, gaf aan dat hij een andere bespreking had en is weggelopen.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij het verzoek om zijn SKJ registratienummer af te geven niet heeft genegeerd. Hij heeft tegen klager gezegd dat hij het nummer niet bij de hand had en heeft met klager hierover in een nader gesprek willen spreken. Klager had de volgende dag al een klacht ingediend. Tijdens het klachtgesprek op 11 september 2018 is niet gesproken over het SKJ registratienummer.

3.2.3

Het College overweegt dat uit het dossier en de mondelinge behandeling niet is gebleken dat beklaagde het verzoek van klager om zijn SKJ registratienummer te verstrekken, heeft genegeerd. Klager heeft het SKJ registratienummer op het moment dat hij hierom vroeg, niet gekregen maar beklaagde heeft toegelicht dat hij het aan klager heeft willen geven, dat hij het op dat moment niet bij de hand had en dat hij het op een later moment zou verstrekken. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde dat hij zijn macht heeft misbruikt. Beklaagde was aanwezig en heeft beslissingen genomen zonder als jeugdbeschermer te zijn aangewezen. Tijdens een bespreking op 11 september 2018 heeft beklaagde gezegd dat hij aanwezig was bij het netwerkberaad als plaatsvervanger voor de jeugdbeschermer die de ondertoezichtstelling uitvoert en dat hij uit die hoofde beslissingen heeft genomen waaronder het door laten gaan van het netwerkberaad. De aanwezigheid van beklaagde tijdens het netwerkberaad is nooit formeel aan klager of anderen medegedeeld. Beklaagde heeft op eigen initiatief gehandeld zonder dat hij formeel was toegevoegd om beslissingen te nemen voor en tijdens het netwerkberaad.

3.3.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat de vaste jeugdbeschermer op vakantie was en dat hij namens de GI als plaatsvervanger en ter ondersteuning van de andere jeugdbeschermer in deze zaak is opgetreden. De aanwezigheid van beklaagde is vooraf aan klager kenbaar gemaakt. De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een GI. Het toezicht berust daarmee bij de GI.
Binnen de GI is iedere jeugdbeschermer bevoegd om namens de GI noodzakelijk geachte uitvoeringshandelingen te verrichten en besluiten te nemen.

3.3.3

Het College oordeelt als volgt. Onweersproken is dat klager op de hoogte is gesteld van de tijdelijke betrokkenheid van beklaagde. Niet beklaagde maar de GI heeft besloten dat beklaagde tijdelijk bij het gezin van klager is betrokken. Beklaagde heeft namens de GI beslissingen mogen nemen die betrekking hebben op de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het besluit om het netwerkberaad door te laten gaan, valt hier ook onder.
Dat klager het niet eens is met de beslissing van beklaagde om het netwerkberaad zonder hem door te laten gaan, is duidelijk maar dit kan niet tot de conclusie leiden dat beklaagde zijn macht heeft misbruikt. Ook in het dossier heeft het College geen aanwijzingen gevonden die de stelling van klager ondersteunen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager verwijt beklaagde dat hij de privacy van zijn zoon heeft geschonden. Beklaagde heeft besloten om informatie over de zoon te bespreken in aanwezigheid van de psycholoog van moeder zonder toestemming van klager. Op verzoek van beklaagde hebben de twee GGZ-psychologen, persoonlijke medische informatie van de zoon besproken ondanks de waarschuwing van klager om zijn privacy niet te schenden.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat in de uitnodiging van 17 augustus 2018 is vermeld dat zowel klager als moeder een persoon uit hun netwerk konden meenemen. Het is aan de betrokkenen zelf om te bepalen wie zij meenemen. Nadat klager zijn bezwaar tegen de ondersteuning van moeder kenbaar heeft gemaakt, heeft beklaagde aan klager de werkwijze van de GI uitgelegd. Klager bleef weigeren om deel te nemen aan het netwerkberaad waarna beklaagde de ontstane situatie met moeder heeft besproken. Zij vond de meegebrachte psychologische ondersteuning noodzakelijk en de GGZ-psychologen hebben het netwerkberaad willen voortzetten omdat de veiligheid van de zoon in het geding was. Beklaagde is niet primair verantwoordelijk voor de informatie die de GGZ-psychologen zouden hebben meegedeeld. Hij heeft klager daarna opnieuw in de gelegenheid gesteld om bij het netwerkberaad aanwezig te zijn maar klager heeft hiervan afgezien.

Voor zover privacygevoelige informatie door beklaagde is verstrekt, geldt artikel 15 van het privacyreglement van Jeugdzorg Nederland. Hieruit volgt dat, omdat de zoon 12 jaar is, er geen toestemming nodig is van zowel klager als moeder om informatie te delen over de zoon.

3.4.3

Het College overweegt het volgende. Klager heeft niet gereageerd op de e-mail die de collega van beklaagde heeft verstuurd op 17 augustus 2018 waarin staat vermeld dat zij een persoon uit hun netwerk mee mogen nemen ter ondersteuning. Klager heeft op de dag zelf in de wachtruimte zijn bezwaar tegen de aanwezigheid van de psycholoog aan beklaagde kenbaar gemaakt. Hij heeft, na herhaalde verzoeken van beklaagde, niet bij het netwerkberaad aanwezig willen zijn en heeft aangegeven dat hij niet wil dat de psycholoog van moeder informatie over de zoon zou ontvangen.
Beklaagde heeft nadat de GGZ-psychologen hebben benadrukt dat het netwerkberaad door moest gaan omdat over de veiligheid van de zoon moest worden gesproken, een bewuste afweging gemaakt om de afspraak door te laten gaan in het belang van de zoon. Hij heeft de veiligheid van de zoon hierbij vooropgesteld. Niet beklaagde maar de GGZ-psychologen zijn verantwoordelijk voor de informatie die zij over de zoon hebben gedeeld. Dit kan beklaagde niet worden verweten.
Beklaagde heeft ten aanzien van zijn handelen terecht een beroep gedaan op artikel 15 van het privacyreglement van Jeugdzorg Nederland zodat, gelet op de leeftijd van de zoon, geen toestemming van klager nodig is om informatie over de zoon te delen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager verwijt beklaagde dat hij discrimineert. Hij heeft toegelaten dat moeder aanwezig was bij het netwerkberaad terwijl klager is buitengesloten. In zijn afwezigheid had het netwerkberaad stopgezet moeten worden.

3.5.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij geen ongeoorloofd onderscheid maakt in de hulpverlening. Klager is net als moeder uitgenodigd maar hij heeft zelf gezegd dat hij hierbij niet aanwezig wilde zijn. Hij is niet buitengesloten.

3.5.3

Het College constateert dat beklaagde niet is ingegaan op het verzoek van klager om de psycholoog van moeder bij het netwerkberaad te weren. Klager is van mening dat hij niet gelijk aan moeder is behandeld. In februari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden met klager en moeder. Klager had toen zijn partner meegenomen die na een bezwaar van moeder niet bij het gesprek aanwezig mocht zijn. Nu is er een omgekeerde situatie en is klager van mening dat hij buiten spel is gezet. Hij voelt zich buitengesloten en meent dat er met twee maten is gemeten.
Het is begrijpelijk dat klager deze gevoelens heeft en dat dit pijnlijk voor hem is. Beklaagde is echter in februari 2018 niet betrokken geweest bij deze casus en heeft verklaard dat hij hiervan niet op de hoogte is geweest.

Hij heeft zowel aan moeder als aan de GGZ-psychologen gevraagd hoe hij met het bezwaar van klager om moest gaan. Voor moeder was het belangrijk dat haar psycholoog aanwezig was en de GGZ-psychologen wilden de veiligheid van de zoon borgen en stappen maken om het traject en de veiligheid te realiseren. Beklaagde heeft niet de intentie gehad om te discrimineren. Hij heeft gelet op de emotionele fragiele situatie van moeder toegestaan dat de psycholoog als ondersteuner bij het netwerkberaad aanwezig zou zijn.

Het College oordeelt dat beklaagde een bewuste afweging heeft gemaakt om in het belang van de veiligheid van de zoon, een jong kind met depressieve klachten, het netwerkberaad zonder klager door te laten gaan. Hij heeft klager de mogelijkheid geboden om hierbij aanwezig te zijn, om aan te sluiten hetgeen klager heeft geweigerd.

Hij heeft de keuze gemaakt om de regie te behouden en heeft dit belang terecht voorop gesteld maar de uitwerking hiervan is niet goed gegaan. Moeder heeft een grotere rol gekregen dan klager. Beklaagde heeft desgevraagd toegelicht dat hij niet gedacht heeft aan een alternatief, dat hij dit vervelend vindt en dat hij heeft nagedacht over hoe hij het anders had kunnen aanpakken.

Hoewel het beter was geweest als beklaagde andere mogelijkheden had overwogen door bijvoorbeeld klager en moeder in een afzonderlijk gesprek na elkaar te informeren, heeft hij gehandeld in het belang van de zoon. Daarnaast heeft hij op 11 september 2018 een gesprek gevoerd met klager. Hierdoor is hij met zijn handelen gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;

Aldus gedaan door het College en op 25 februari 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                                                            mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                                                        secretaris