De jeugdbeschermer heeft de moeder in contactjournaals op onrespectvolle wijze beschreven. Ook heeft hij in een verzoekschrift de feiten die van belang zijn niet volledig en naar waarheid aangevoerd. Tot slot heeft hij niet met de moeder en de zoon gecommuniceerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij AKJ.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. L. Neuschäfer-Greebe, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 19 september 2018;

– het verweerschrift met de bijlagen ontvangen op 16 november 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 14 januari 2019 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een vriendin aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klaagster is de moeder van een zoon geboren in 2008, hierna te noemen: de zoon. Zij oefent het gezag uit over de zoon.

2.2

Op 27 juni 2016 heeft de kinderrechter bij beschikking van de rechtbank de zoon voorlopig onder toezicht gesteld voor een periode van drie maanden. Op 26 september 2016 is de zoon van 27 september 2016 tot 26 september 2017 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat de ondertoezichtstelling inmiddels is beëindigd.

2.3

Beklaagde is sinds 27 september 2016 tot en met de zitting bij de rechtbank van 26 juni 2018 betrokken bij het gezin van klaagster als jeugdbeschermer van de zoon. Hij is sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ. In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 is hij geregistreerd als jeugdzorgwerker en met ingang van [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional.

2.4

Bij beschikking van 30 maart 2018 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om de zoon in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven van 30 maart 2018 tot en met 13 april 2018. Daarvoor woonde de zoon bij klaagster en ging hij de weekenden naar weekendpleegouders.
In het verzoekschrift heeft beklaagde het verloop van een weekend van de zoon bij de weekendpleegouders kort samengevat. Hij heeft geen contact met de weekendpleegouders gehad maar is telefonisch geïnformeerd door de pleegzorgwerker die op 30 maart 2018 bij de weekendpleegouders op huisbezoek is geweest. Nadat de weekendpleegouders en de pleegzorgwerker hiertegen bezwaar hebben geuit, heeft beklaagde het verslag op 9 april 2018 aangepast en naar de rechtbank gestuurd.

2.5

Op 12 april 2018 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om de zoon te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 13 april 2018 tot 29 juni 2018.

2.6

Ter zitting van 26 juni 2018 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp niet verlengd. De zoon is op 28 juni 2018 bij klaagster teruggeplaatst.

2.7

Klaagster heeft omstreeks 2 augustus 2018 inzage gevraagd in het dossier en heeft een uitdraai van contactjournaals ontvangen. In een aantal van deze contactjournaals heeft beklaagde opmerkingen gemaakt over klaagster. Op 27 augustus 2018 heeft beklaagde een excuusbrief naar de betrokken hulpverleners gestuurd. Op 3 september 2018 heeft hij op verzoek van klaagster een excuusbrief aan haar gestuurd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht heeft, kort samengevat en zakelijk weergegeven, betrekking op de wijze waarop beklaagde zich over klaagster heeft uitgelaten, zaken zwaarder heeft aangezet, de privacy heeft geschonden, de rechtsbescherming van klaagster heeft beperkt, klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over de zoon, geen of onvoldoende hulpverlening heeft ingezet en de informatie die hij heeft verzonden niet heeft gerectificeerd.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Vanwege hun samenhang zullen klachtonderdelen V en VII gezamenlijk worden behandeld. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat hij zich denigrerend en onprofessioneel over haar heeft uitgelaten en een negatieve stemmingmakerij heeft gecreëerd, dan wel daar actief aan heeft bijgedragen. Klaagster heeft om inzage gevraagd in het dossier van de zoon en heeft daarbij ook een uitdraai van de e-mailwisselingen via de contactjournaals gekregen. Klaagster is enorm geschrokken over de manier waarop beklaagde over haar spreekt. Zij heeft een aantal citaten uitgelicht. Zo schrijft beklaagde onder andere in een e-mail aan een jeugdhulpverlener op 26 maart 2018 : ´Maar moeder is ´bijzonder´… Denk aan iets borderline-achtigs, maar dan in viervoud.’ Daarnaast heeft beklaagde niet afkeurend gereageerd over de manier waarop anderen zich in e-mails aan beklaagde over klaagster hebben uitgelaten.

3.2.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij optimale transparantie naar klaagster heeft willen betrachten toen zij aangaf inzage te willen in de contactjournaals. Klaagster was van mening dat de GI het dossier dusdanig zou opschonen dat er niets meer in te vinden zou zijn. Beklaagde heeft deze indruk weg willen nemen door klaagster inzage te geven in de contactjournaals zoals deze aangelegd zijn.
Beklaagde betreurt het dat klaagster vanwege zijn wijze van rapporteren in de contactjournaals en handelswijze naar betrokken hulpverleners bij de zoon, gekwetst is. Beklaagde beseft dat hij op een aantal momenten anders had kunnen rapporteren en is samen met zijn teamleider en klaagster een gesprek aangegaan om te bezien of bemiddeling mogelijk was. De teamleider heeft nog een bemiddelingsgesprek gevoerd met klaagster in aanwezigheid van haar advocaat. Klaagster heeft op haar verzoek een excuusbrief gehad en op haar verzoek hebben de betrokken hulpverleners bij de zoon een excuusbrief ontvangen.

3.2.3

Het College overweegt dat in artikel E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker staat beschreven dat de jeugdzorgwerker de persoon van de ouder respecteert met zijn eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie, voor zover niet in strijd met wettelijke kaders. In de zin ´Maar moeder is ´bijzonder´… Denk aan iets borderline-achtigs, maar dan in viervoud´, dat is opgenomen in het contactjournaal van 29 maart 2018, heeft beklaagde een diagnostische term gebruikt. Het College is niet gebleken dat bij klaagster een dergelijke diagnose gesteld is. Daarnaast heeft hij met deze woordkeuze op een onrespectvolle wijze een beschrijving gegeven van klaagster. Het College volgt beklaagde dan ook niet in zijn stelling dat hij slechts gewezen heeft op gedragingen van klaagster. Ook de bewoordingen in andere contactjournaals zijn niet respectvol zoals bijvoorbeeld de door beklaagde geschreven e-mail van 27 maart 2018: “We doen het met zijn allen goed, gezien het gedrag van moeder (…) ik heb inmiddels drie mails van moeder (…) 4 mails… En nr. 5 komt er aan schat ik in”. En in de e-mail van 28 maart 2018: ´als ze het gevoel heeft dat er om haar heen wordt gewerkt, zijn de rapen gaar´. Tot slot in de e-mail van 28 maart 2018: ´als je goed tussen de regels doorleest, denk ik wel dat je enig zicht hebt op de mening van [de GI] t.a.v. [klaagster]”. Gelet op de teksten in de verschillende e-mail berichten heeft het College oog voor hetgeen klaagster tijdens de mondelinge behandeling van de klacht benoemd heeft, namelijk dat zij in de contactjournaals terug heeft gelezen wat zij heeft gevoeld; dat beklaagde haar heeft neergezet als een rare vrouw en zij zich niet als persoon gezien voelt.
Beklaagde heeft hierop gereageerd door zowel in zijn verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling toe te lichten dat het hem spijt en dat het nooit zijn bedoeling is geweest om klaagster in een kwaad daglicht te stellen. Hij heeft het zich aangetrokken dat klaagster gekrenkt is en heeft zowel aan klaagster als aan andere hulpverleners zijn excuses aangeboden. Hij heeft dit samen met zijn teamleider besloten en is hiertoe overgegaan omdat hij de situatie met klaagster wilde de-escaleren zodat hij weer met haar in gesprek kon gaan en van betekenis kon zijn voor de zoon. Hij heeft gezegd dat hij van deze zaak heeft geleerd en dat hij de formuleringen in de toekomst niet meer zal gebruiken. Hij heeft klaagster naar het oordeel van het College hierdoor gediskwalificeerd hetgeen, ondanks de gemaakte excuses, niet getuigt van een professionele opstelling. Hoewel het College de excuses en reflectie van beklaagde waardeert, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat beklaagde met zijn handelen artikel E (respect) en artikel T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker zijn geschonden. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde dat hij in een verzoek tot een spoedmachtiging uithuisplaatsing bewust zaken heeft aangedikt richting de kinderrechter en partnerorganisaties. Hij heeft tegen een pleegzorgwerker gezegd: “Ik vind dat het om details gaat en soms moet het wat zwaarder aangezet worden om een beschikking te krijgen”. Dit naar aanleiding van een bericht van de weekendpleegouders aan pleegzorg dat hun verhaal verkeerd is begrepen. Daarnaast heeft beklaagde aan een stichting gemeld dat klaagster bezwaar had gemaakt tegen de inzet van dramatherapie maar met haar is nooit over dramatherapie gesproken. Zij kan onmogelijk bezwaar gemaakt hebben tegen iets waarvan ze niet wist dat het mogelijk ingezet zou (kunnen) worden.

3.3.2

Beklaagde betwist dat hij feiten heeft verdraaid en/of heeft gelogen. Hij heeft het telefoongesprek met de pleegzorgwerker kort samengevat. Toen bleek dat de pleegzorgwerker en de weekendpleegouders bezwaar maakten tegen de formulering en conclusie heeft beklaagde dit onmiddellijk gecorrigeerd en het aan alle betrokkenen en belanghebbenden inclusief de rechtbank schriftelijk laten weten.
Beklaagde is door de teamleider van de groep waar de zoon verbleef geïnformeerd dat klaagster bezwaar had tegen dramatherapie.

3.3.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij weinig tijd heeft gehad om het verzoekschrift op te stellen omdat hij bij de zoon in een cel op het politiebureau gezeten heeft. Beklaagde verwijst naar 2.4.
Beklaagde erkent dat hij in een e-mail aan de pleegzorgwerker het volgende heeft geschreven: ‘Ik vind dat het om details gaat en soms moet het wat zwaarder aangezet worden om een beschikking te krijgen’. Beklaagde ziet desgevraagd het ´zwaarder aanzetten´ van zaken niet als liegen.
In artikel 3.3 van de jeugdwet staat beschreven dat ´de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling verplicht zijn in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.’
Het College is van oordeel dat beklaagde de van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd. Hoewel beklaagde de formulering en conclusie heeft gerectificeerd, is zijn handelen zeer onzorgvuldig geweest en heeft hij het vertrouwen in de jeugdzorg niet bevorderd.

Met betrekking tot de dramatherapie is onweersproken dat beklaagde klaagster over de inzet hiervan niet heeft geïnformeerd. Hij is ervan uit gegaan dat de gesloten accommodatie klaagster op de hoogte heeft gebracht terwijl hij in zijn rol als regievoerder hiertoe een inspanningsverplichting heeft. Beklaagde heeft in strijd gehandeld met artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de Jeugdzorg), artikel F (informatievoorziening over de hulp en dienstverlening), artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en artikel N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdprofessional. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde dat hij haar privacy en die van de zoon heeft geschonden. Beklaagde heeft voor een intakegesprek bij een GGZ-instelling een medewerkster van school geïnformeerd en uitgenodigd. Dat is zonder overleg of instemming van klaagster gedaan. Hoewel beklaagde voordat het gesprek heeft plaatsgevonden de medewerker van school heeft afgezegd, is zij wel op de hoogte gebracht dat er een intakegesprek zou plaatsvinden en zou zij zonder de oplettendheid van klaagster hierbij aanwezig zijn geweest. Daarnaast heeft beklaagde zonder toestemming van of overleg met klaagster haar BSN-nummer doorgegeven aan het wijkteam.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij de privacy niet heeft geschonden. De GI steunde het standpunt van moeder dat een klinische behandeling voor de zoon een goede uitkomst zou zijn en zocht naar input om de GGZ-instelling te overtuigen hier achter te staan. Omdat de school getuige was van veel incidenten en er enige samenwerking was tussen klaagster en de medewerkster van school, heeft beklaagde aangenomen dat klaagster geen bezwaar zou maken. Toen klaagster toch bezwaar maakte, heeft beklaagde deze situatie onmiddellijk teruggedraaid.
Het is standaard bij de GI dat bij aanmelding aan het sociaal team het BSN nummer wordt overgedragen. Het sociaal team neemt geen verzoeken voor hulp in behandeling als deze gegevens niet overgedragen worden.

3.4.3

Het College constateert dat beklaagde, net als bij de beoordeling van klachtonderdeel II aan de orde is gekomen, heeft gehandeld zonder met klaagster af te stemmen en ook hier de aanname heeft gedaan dat klaagster akkoord zou gaan met het informeren van school over het intakegesprek. En net als bij klachtonderdeel I is dit ontstaan vanuit een crisisgevoel en hoge urgentie. Beklaagde handelt volgens een patroon. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij zich in zijn snelheid te veel heeft laten leiden door een crisisgevoel en dat hij klaagster had moeten informeren. Hoewel klaagster niet is geïnformeerd en het begrijpelijk is dat hierdoor haar gevoel is bevestigd dat zij door beklaagde buiten de besluitvorming is gehouden, is de privacy van klaagster niet geschonden. De medewerkster van school is uitgenodigd voor een intakegesprek maar op grond van de stukken is niet vast komen te staan dat beklaagde inhoudelijk met haar over klaagster en de zoon heeft gesproken of anderszins de privacy van klaagster heeft geschonden.

Ten aanzien van het overleggen van het BSN nummer overweegt het College dat klaagster in een e-mail van 13 april 2017 aan beklaagde heeft gevraagd om een oplossing voor het vervoer van de zoon. Zij vroeg hiermee beklaagde een en ander in gang te zetten om haar te ontlasten. Het is begrijpelijk dat beklaagde hier een toestemming in heeft gelezen om al hetgeen te doen wat nodig was om een oplossing voor het vervoersprobleem te vinden. Hierbij hoort, zo kwam ter zitting vast te staan, de standaard werkwijze, de afgifte van het BSN nummer van klaagster aan het sociaal team van de gemeente die verantwoordelijk is voor het leerlingenvervoer. Het was beter geweest als beklaagde klaagster hiervan op de hoogte had gesteld maar dit weegt niet zo zwaar dat beklaagde hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde dat hij haar rechtsbescherming heeft beperkt. Klaagster heeft via haar advocaat op 26 april 2018 expliciet aan beklaagde verzocht om het stopzetten van een IQ onderzoek van de zoon bij de GGZ-instelling in de vorm van een voor bezwaar vatbare beslissing (een schriftelijke aanwijzing) te geven. Klaagster heeft dat verzocht zodat ze toegang zou krijgen tot rechtsbescherming in de vorm van toetsing door de kinderrechter. Beklaagde heeft onterecht vertragende stappen ingezet omdat hij heeft aangegeven dat klaagster hierom nog een keer moet vragen. Een schriftelijke aanwijzing is niet afgegeven, noch is voor klaagster helder gemaakt of er intern overleg geweest is over het al dan niet afgeven van een schriftelijke aanwijzing. Daarnaast heeft beklaagde klaagster bewust niet ingelicht voorafgaand aan een zitting bij de rechtbank onder de aanname dat klaagster een verborgen agenda zou hebben. Zij is hierdoor onterecht op een achterstand gezet.

3.5.2

Beklaagde voert aan dat het juist is dat er geen schriftelijke aanwijzing is gegeven. Voor een schriftelijke aanwijzing is een kernbesluit noodzakelijk. Dit is dan ook de reden waarom klaagster is verteld dat indien zij een schriftelijke aanwijzing wil, zij daarom kan verzoeken. Vervolgens zal dan intern overleg plaatsvinden, gelet op het te nemen kernbesluit. Als besloten wordt dat er een schriftelijke aanwijzing dient te komen, dan zal deze opgesteld worden. Echter, voor zover beklaagde weet, heeft klaagster geen daartoe strekkend verzoek ingediend. Beklaagde heeft de advocaat van klaagster hiervan op de hoogte gesteld. Beklaagde heeft geen verweer gevoerd op het tweede verwijt in het klachtonderdeel.

3.5.3

Het College overweegt het volgende. Het behoort tot de eigen, zelfstandige bevoegdheid van de jeugdprofessional om namens de GI een schriftelijke aanwijzing te geven. Beklaagde heeft klaagster verteld dat zij kan vragen om een schriftelijke aanwijzing. Uit het dossier blijkt niet dat zij dit heeft gedaan. Beklaagde kan hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
In een e-mail van 10 april 2018 die beklaagde aan de gesloten accommodatie heeft verstuurd, schrijft beklaagde het volgende ‘moeder heeft mijns inziens een verborgen agenda, waarmee ze andere doelen probeert na te streven dan [de GI] in het belang van [de zoon] vindt’. En ‘dus nee ik ga het nu niet meer met haar communiceren het is voor aanstaande donderdag bij de zitting aan de orde’. Hoewel beklaagde deze e-mail zeer ongelukkig heeft geformuleerd, heeft klaagster onvoldoende duidelijk gemaakt waarover beklaagde haar bewust niet heeft ingelicht. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V en VII

3.6.1

Klaagster verwijt beklaagde dat hij zich onvoldoende heeft geïnformeerd over de actuele stand van zaken met betrekking tot de zoon. Beklaagde heeft hem zeer weinig bezocht toen hij gesloten geplaatst was. Ter zitting op 26 juni 2018 bleek dat beklaagde niet voldoende op de hoogte was van de actuele situatie van de zoon. Klaagster is door beklaagde onvoldoende geïnformeerd over de zoon in april, mei en juni 2018 toen hij gesloten was geplaatst. Zij heeft daar wel herhaaldelijk om gevraagd.

3.6.2

Beklaagde betwist het standpunt van klaagster. Het is juist dat hij de zoon niet heeft bezocht, maar hij heeft zich wel degelijk voldoende geïnformeerd over de actuele stand van zaken met betrekking tot de zoon. Beklaagde was zeer beperkt omdat klaagster niet meer met hem wilde samenwerken. Vanuit de GI was het beleid dat beklaagde tot aan de zitting de betrokken jeugdbeschermer zou blijven. Klaagster heeft vanaf de start van de ondertoezichtstelling groot bezwaar gemaakt tegen de benadering, door beklaagde, van de zoon. Dit heeft destijds meteen de samenwerking gefrustreerd. Beklaagde heeft niet opnieuw in deze situatie terecht willen komen, vooral omdat dit niet in het belang van de zoon is maar ook om de opvolger van beklaagde een kans te bieden om een start met de zoon te maken. Beklaagde heeft contact gehad met mentoren, twee teamleiders van de groepen waar de zoon verbleef en de systeemtherapeut. Dit omdat hij op die manier, weliswaar op afstand, toch geïnformeerd zou zijn over de zoon.
Beklaagde stelt dat de samenwerking en de contacten met klaagster moeizaam verliepen. De gesloten accommodatie heeft mede om die reden klaagster geïnformeerd over de zoon.

3.6.3

Het College oordeelt dat beklaagde verantwoordelijk is voor het welzijn van de zoon die op jonge leeftijd gesloten is geplaatst. Hij heeft mogen afgaan op de informatie van de medewerkers van de gesloten accommodatie maar hij had ook zelf met de zoon moeten praten en moeten controleren of hij veilig was. Beklaagde is niet één keer bij de zoon op bezoek geweest tijdens de gesloten plaatsing en heeft niet met hem gecommuniceerd. Beklaagde heeft evenmin met klaagster gecommuniceerd terwijl hij als regievoerder in deze zaak de spin in het web is. Hij verkeerde in de veronderstelling dat klaagster niet wilde communiceren. Klaagster heeft toegelicht dat zij niet meer met beklaagde om de tafel wilde zitten maar dat zij wel door hem wilde worden geïnformeerd over de zoon. Beklaagde had met de zoon moeten communiceren en de moeder moeten informeren. Het feit dat klaagster beperkt met hem wilde communiceren ontsloeg beklaagde niet van zijn verplichting klaagster, de gezaghebbende ouder, te informeren. Beklaagde heeft gedurende de gesloten plaatsing van de zoon in strijd gehandeld met artikel A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen),artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. De twee klachtonderdelen zijn gegrond.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klaagster verwijt beklaagde dat hij geen of onvoldoende hulpverlening heeft ingezet voor de zoon. In de voorlaatste zitting op 12 april 2018 is door de kinderrechter gezegd dat beklaagde een plan moet opstellen voor het perspectief van de zoon. Beklaagde heeft dit niet gedaan. De kinderrechter heeft de machtiging gesloten jeugdhulp niet verlengd, waardoor de zoon per 27 juni 2018 zonder overgangsperiode weer bij klaagster thuis woont zonder dat er een alternatief was. Vervolgens heeft beklaagde aan klaagster laten weten dat hij alsnog een IQ-test door de GGZ-instelling wilde laten afnemen terwijl hij eerder deze test heeft geblokkeerd, zoals in klachtonderdeel IV naar voren is gekomen.

3.7.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij zich intensief heeft ingespannen om de noodzakelijke hulp voor de zoon in te zetten. De gesloten accommodatie heeft laten weten dat hulpverlening tot de mogelijkheden behoorde en de hulpverlening van een GGZ-instelling was optioneel, hetgeen met klaagster is gecommuniceerd en tijdens de zitting is besproken.
Klaagster wenste dat de GGZ-instelling alsnog de IQ-test zou afnemen, ook na de gesloten plaatsing van de zoon. Voor een compleet psychologisch onderzoek was bij de GGZ-instelling geen ruimte op korte termijn. De gesloten accommodatie heeft bij de opname van de zoon aangegeven dat zij in staat zijn een psychologisch onderzoek af te nemen. Klaagster heeft echter een aantal keren bezwaar gemaakt tegen het Plan van Aanpak van de gesloten accommodatie en heeft deze niet ondertekend waardoor de uitvoering van het plan is beperkt. Vanuit de GI is gehoor gegeven aan de wens van klaagster om de zoon aan te melden bij een andere instelling maar de aanmelding is nooit effectief geworden, omdat klaagster geen mogelijkheden zag om vragenlijsten in te vullen en uitstel had gevraagd. De zoon is ook aangemeld bij kleinere psychologenpraktijken in de omgeving en bij een oud gedragswetenschapper maar er was geen mogelijkheid of plek en klaagster heeft de zoon niet bij een GGZ-instelling aan willen melden.

3.7.4

Het College oordeelt als volgt. Hoewel beklaagde ervan uit is gegaan dat de machtiging tot uithuisplaatsing in de gesloten accommodatie voor de zoon zou worden verlengd en het onder 2.5 genoemde besluit van de kinderrechter hem heeft verrast, heeft hij zich ingespannen om hulpverlening voor de zoon in te zetten. Beklaagde heeft gemotiveerd toegelicht dat er een Plan van Aanpak was van de gesloten accommodatie maar dat klaagster dit niet heeft ondertekend omdat er onjuiste informatie in stond. De GGZ-instelling die bekend is met de zoon kon ook het dossier openen als beklaagde hierom zou vragen. Beklaagde heeft tegemoet willen komen aan de wens van klaagster om de IQ-test bij de zoon af te nemen maar dit is door verschillende omstandigheden niet gelukt. In de overgelegde stukken zijn geen aanknopingspunten gevonden om tot de conclusie te komen dat beklaagde onvoldoende hulpverlening voor de zoon heeft ingezet. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.8 Klachtonderdeel VIII

3.8.1

Klaagster verwijt beklaagde dat hij niet gerectificeerde informatie aan de gesloten accommodatie heeft gezonden.

3.8.2

Beklaagde voert aan dat het hem niet verweten kan worden dat de gesloten accommodatie die op de hoogte was van de rectificatie, de niet-gerectificeerde brief in het plan heeft gevoegd.

3.8.3

Het College overweegt dat op basis van de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat beklaagde de gerectificeerde informatie heeft gestuurd naar de gesloten accommodatie. Partijen spreken elkaar op dit punt tegen. Aan het woord van de een kan niet meer waarde worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het verwijt van klaagster ongegrond omdat het College niet de feiten kan vaststellen die hieraan ten grondslag liggen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.9 Conclusie

3.9.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot vier klachtonderdelen (klachtonderdelen I, II, V en VII) een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Artikelen D (vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp en dienstverlening), G (overeenstemming/ instemming omtrent hulp- en dienstverlening), N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker zijn geschonden. Beklaagde heeft met de formuleringen in zijn e-mails op onrespectvolle wijze een beschrijving van klaagster gegeven, de van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid aangevoerd en in zijn rol als regievoerder niet gecommuniceerd met klaagster en de zoon. Aan de ene kant heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij spijt heeft, dat hij heeft geleerd van deze zaak en dat hij de gekozen bewoordingen in de toekomst niet meer zal gebruiken.

Aan de andere kant heeft beklaagde klaagster gediskwalificeerd door onder andere de volgende zin op te nemen in het contactjournaal: ´Maar moeder is ´bijzonder´… Denk aan iets borderline-achtigs, maar dan in viervoud’. Ook heeft hij in het verzoekschrift feiten aangevoerd die niet volledig en naar waarheid zijn. Hij heeft hierover in een e-mail aan de pleegzorgwerker het volgende geschreven: ‘Ik vind dat het om details gaat en soms moet het wat zwaarder aangezet worden om een beschikking te krijgen’. Het roept bij het College de vraag op of beklaagde daadwerkelijk hiervan heeft geleerd.
Daarnaast ziet het College een patroon in het contact van beklaagde met klaagster althans in zijn professionele optreden in deze casus. Hij heeft alleen contact gehad met de medewerkers van de gesloten accommodatie over het welzijn van de zoon en heeft de door hen gegeven informatie voor waar aangenomen zonder met de zoon te spreken gedurende de drie maanden dat hij daar was geplaatst. Ook heeft hij nagelaten om in zijn rol als regievoerder met klaagster en de zoon te communiceren en heeft hij klaagster niet geïnformeerd over het welzijn van de zoon. Het wekt bij het College de indruk dat beklaagde zich achter anderen verschuilt en dit gedrag probeert te rechtvaardigen door zich te beroepen op het spoedeisend karakter van de situatie. Echter, ook in tijden dat er geen spoed is, heeft hij noch met klaagster noch met de zoon contact gezocht. Door zijn handelen is beklaagde verwijtbaar te kort geschoten. Het College concludeert dat het handelen van beklaagde schadelijk is geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening en het aanzien van de beroepsgroep. Alhoewel beklaagde heeft gereflecteerd op zijn handelen en excuses heeft aangeboden, acht het College het op grond van bovengenoemde omstandigheden passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen III, IV, VI en VIII ongegrond;

– verklaart klachtonderdelen I, II, V en VII gegrond;

– legt aan beklaagde op de maatregel van berisping.

Aldus gedaan door het College en op 25 februari 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                                                            mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                                                        secretaris