De vader verwijt de jeugdbeschermer dat door haar onprofessionele en onkundige handelen de zoon onterecht uit huis is geplaatst, dat zij geen informatie heeft verstrekt en niets heeft gecommuniceerd over haar plotselinge afwezigheid.

21.009Ta Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 25 augustus 2021

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [plaats],

op 17 november 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI]: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde]. 

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS.

 

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 5 januari 2021;
  • het verweerschrift ontvangen op 18 maart 2021:
  • de uitspraak van de klachtencommissie van de GI van 4 juni 2021.

1.2 Op grond van artikel 9 van de ‘Tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona)’, versie 4 december 2020, heeft de voorzitter besloten tot een digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1.3 De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 14 juli 2021 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de gemachtigden. Vanuit SKJ was een junior secretaris als interne toehoorder aanwezig.

1.4 Na afloop van de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2008 en de zoon is geboren in 2013.

2.2 De vader en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, samen aan te duiden als: de ouders, zijn in 2017 gescheiden. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De kinderen wonen bij de moeder. De vader heeft met de kinderen een omgangsregeling gehad.

2.3 De kinderrechter heeft op 30 april 2019 de kinderen tot 1 september 2019 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd.

2.4 Op 27 januari 2020 is door de – op dat moment betrokken – jeugdbeschermer een verzoek gedaan tot versnelde behandeling van een machtiging uithuisplaatsing voor de dochter.

2.5 De jeugdprofessional is op 3 februari 2020 – naast de onder 2.4 genoemde jeugdbeschermer – belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.6 De kinderrechter heeft op 6 maart 2020 voor de dochter een machtiging uithuisplaatsing verleend in een netwerkpleeggezin tot 30 april 2020.

2.7 De kinderrechter heeft op 23 april 2020 een machtiging uithuisplaatsing verleend in een residentiële instelling of een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 23 april 2021.

2.8 De dochter is op 6 mei 2020 uit huis geplaatst.

2.9 Op 13 mei 2020 is de jeugdbeschermer, genoemd onder 2.4, niet langer bij de casus betrokken.

2.10 Op 27 mei 2020 heeft overleg plaatsgevonden met de ouders, de jeugdprofessional en een collega van de jeugdprofessional. Doel van het gesprek is afspraken te maken over de kinderen, uitleg te geven over de kinderbeschermingsmaatregelen en de verwachtingen te bespreken. Onder meer op 11 en 26 juni en 13 juli 2020 heeft er nogmaals overleg plaatsgevonden tussen de ouders en de jeugdprofessional.

2.11 Op 7 september 2020 heeft overleg plaatsgevonden tussen de ouders en de jeugdprofessional, in aanwezigheid van de schoonzus van de vader.

2.12 Op 18 september 2020 is het kernbesluit genomen tot het aanvragen van een machtiging uithuisplaatsing voor de zoon. Op 21 september 2020 is het verzoek naar de rechtbank gestuurd. Op 2 oktober 2020 heeft de kinderrechter deze machtiging uithuisplaatsing verleend.

2.13 Op 13 oktober 2020 is de jeugdprofessional door traumatische gezinsomstandigheden uitgevallen, en is haar bemoeienis met de zaak geëindigd.

2.14 De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De vijf in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij niet respectvol heeft gehandeld.

Toelichting:

De vader verwijst naar een e-mailbericht van 15 mei 2020 van de jeugdprofessional, waarin onder meer staat: “Hechting ontstaat al in het eerste levensjaar. Kan je nagaan hoeveel [dochter] bij jullie heeft meegemaakt”, en: “Houdt niet van aanraking. Ja waarschijnlijk omdat ze bij jullie geen veiligheid ervaart”. De opmerkingen zijn suggestief, beledigend en doen afbreuk aan het vertrouwen dat de vader heeft met betrekking tot de opvoeding van zijn kind. De vader verwijst naar een ander voorbeeld in een e-mailbericht van 6 oktober 2020, waarin staat: “De onderbouwing om de gegevens/informatie niet te delen, weerhoudt [dochter] van vervolghulp. Hoe erg is dit. Uw dochter heeft hulp nodig en daarvoor moet een soort verwijsbrief gemaakt worden […]” De opmerking “Hoe erg is dit” getuigt weer van respectloos handelen. Het suggereren dat er een soort verwijsbrief gemaakt moet worden, komt door de gekozen woorden ondeskundig over en klopt niet met de feiten, aangezien de dochter al voor het bedoelde onderzoek was aangemeld. De door de beklaagde verzonnen, zogenaamde verwijsbrief, was niet nodig. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (verder: de Beroepscode).

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De door de vader genoemde passages in de e-mail van 15 mei 2021 moeten worden gezien in de context van eerdere e-mailberichten. Hiermee heeft de jeugdprofessional getracht om vanuit het perspectief van de dochter de ernst van de situatie duidelijk te maken. Daar waar vanuit de vader wordt aangegeven “Ze weten totaal niet waar het gedrag van [dochter] vandaan komt” en “Houdt niet van aanraking knuffelen en moeten worden gezien noem maar op” heeft de jeugdprofessional bedoeld dat de dochter wel knuffelt bij haar gezinshuisouders en heeft zij hiermee getracht uitleg te geven over de hechtingsproblematiek. De jeugdprofessional kan zich goed voorstellen dat dit als confronterend is ervaren door de vader, maar zij had moeite om tot hem door te dringen. De uitspraken “De onderbouwing om de gegevens/informatie niet te delen weerhoudt [dochter] van vervolg hulp” en “Hoe erg is dit” refereren aan de ernst van de situatie en de noodzaak toestemming van onder meer de vader te krijgen om eerdere onderzoeken mee te sturen ten behoeve van de aanvraag van hulpverlening voor de dochter. De jeugdprofessional heeft dit duidelijk proberen te maken om het vragen van vervangende toestemming te voorkomen.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional verklaard dat de omstandigheden waarin zij met de vader verkeerde de toonzetting in genoemde e-mailberichten heeft bepaald. Het was de manier waarop zij en de vader met elkaar communiceerden. De jeugdprofessional heeft onweersproken gesteld dat zij contact heeft opgenomen met een broer en een schoonzus van de vader om te overleggen of het mogelijk zou zijn dit op een andere wijze te doen. Beiden hebben benadrukt dat een directe manier van communiceren met de vader het beste is. Desalniettemin heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verklaard dat het niet haar opzet is geweest de vader hiermee te kwetsen, en dat zij het een volgende keer mogelijk anders zal doen. Alles overziend, kan het College zich voorstellen dat de vader zich door de zeer directe toonzetting in de e-mailberichten gekwetst heeft gevoeld. Dat uit de verklaring van de jeugdprofessional echter blijkt dat zij hierover heeft nagedacht en contact heeft opgenomen met familieleden van de vader om na te gaan of het ook anders kon, betekent naar het oordeel van het College dat zij hierin een afweging heeft gemaakt. Ook heeft zij tijdens de behandeling van de klacht gereflecteerd op haar handelen. Het College is van oordeel dat het handelen van de jeugdprofessional in dit opzicht beter had gekund, maar dat wil niet zeggen dat zij buiten de grenzen van een redelijk handelend jeugdprofessional is getreden.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat haar onprofessioneel en onkundig handelen ertoe heeft geleid dat de zoon onterecht een uithuisplaatsing heeft opgelegd gekregen. Het vertrouwen van de vader in de jeugdzorg is tot een minimum gedaald.

Toelichting:

De jeugdprofessional is niet professioneel in haar handelen en wekt de indruk dat zij zich niet heeft verdiept in de bevindingen van de voorgaande hulpverlening. Daarnaast stelt zij zich niet onpartijdig op en trekt te snelle conclusies na een gesprek met de zoon. Een voorbeeld hiervan staat in het
e-mailbericht van 8 september 2020, waarin de jeugdprofessional verslag doet van het gesprek met de zoon, wat overigens tegen de afspraak in niet op neutraal terrein plaatsvond, en waarbij de moeder in de buurt was. Uit de derde zin blijkt het onprofessionele handelen. Daar staat tussen haakjes dat ze het werk volgens anderen niet zou mogen doen. Hier refereert de jeugdprofessional indirect aan een uitspraak van vader, welke hij vier maanden eerder bij een evaluatiegesprek heeft gedaan. De vader heeft haar gezegd dat ze ongeschikt is voor dit soort werk. Het komt bovendien niet vertrouwd over als zij de beoordeling van haar werk, gedaan door een zevenjarige, boven de beoordeling plaatst van iemand, die hierin wel kennis en inzicht heeft. Daarnaast kan aan de hand van de datum geconcludeerd worden, dat het belang van het kind niet heel hoog op haar agenda staat. Het gesprek heeft plaatsgevonden op 8 september 2020 en was het eerste gesprek tussen de jeugdprofessional en de zoon. Ze is dan al bijna een half jaar werkzaam als jeugdbeschermer. Wat echter nog zorgwekkender is, is het feit dat de jeugdprofessional dit gesprek als motivering heeft aangedragen voor een verzoek machtiging uithuisplaatsing (verder: MUHP). De motivering berust niet op gedegen onderzoek, maar op één enkel gesprek. Om tot een uithuisplaatsing te komen, dienen volgens de richtlijnen hiervoor, kernbeslissingen genomen te worden. Over dit proces is de vader niet geïnformeerd en is niks terug te vinden in het dossier. Toch gaat de jeugdprofessional naar de rechter toe, terwijl er andere opties aanwezig waren om een uithuisplaatsing te voorkomen. Over de uitspraak dat de zoon lelijke woorden van de vader leert, kan het volgende worden gezegd. Als de jeugdprofessional onderzoek had verricht en zich enigszins had verdiept in het dossier, had ze kunnen weten dat de zoon al eerder is blootgesteld aan het gebruik van lelijke woorden, namelijk tijdens één van de woede-uitbarstingen van de moeder. De jeugdprofessional heeft met dit handelen in strijd met artikel B (Bevordering deskundigheid), artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), artikel J (Vertrouwelijkheid), artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) en artikel Q (Toetsing beroepsmatig en functionerend handelen) van de Beroepscode gehandeld.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional wil benadrukken dat de kinderrechter de MUHP heeft getoetst en uitgesproken. Het is niet duidelijk waaruit blijkt dat de jeugdprofessional zich niet verdiept zou hebben in de bevindingen van eerdere hulpverlening. De jeugdprofessional weerspreekt te snelle conclusies te hebben getrokken na een gesprek met de zoon. De jeugdprofessional heeft in het door de vader bedoelde e-mailbericht slechts getracht een weergave te geven van het gesprek met de zoon. Zij leest hierin geen conclusie, afgezien van de kwalificatie van de uitspraken als “zorgelijk”. De afspraak dat een gesprek met de zoon op neutraal terrein zou plaatsvinden, is haar niet bekend. Overigens wijst zij erop dat deze zorgelijke uitspraken van de zoon ook eerder zijn gedaan bij de schoolmaatschappelijk werkster. Deze uitspraken zijn in de onderbouwing van het verzoek MUHP ook niet als zodanig genoemd. De uitspraak “volgens andere zou ik dit werk niet mogen doen” is gedaan door de zoon en verwijst naar wat de vader tegen de zoon zou hebben gezegd. Wat daar verder van zij, de uitspraken van de zoon zijn niet leidend geweest in het verzoek MUHP. De ernstige zorgen over de opvoedsituatie van de zoon bij de moeder en de falende inzet van hulpverlening waren voor de jeugdprofessional de reden voor het verzoek MUHP. Voorafgaand aan deze kernbeslissing vond op 7 september 2020 een zorgoverleg plaats met alle betrokkenen, inclusief de vader. Het verslag is gemaakt door de schoonzus van de vader.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:

Uit het dossier blijkt dat de jeugdprofessional vanaf het moment dat zij betrokken is geraakt met grote regelmaat evaluatiegesprekken heeft gevoerd met de ouders. Op 7 september 2020 heeft een evaluatiegesprek over de zoon plaatsgevonden met de ouders, in bijzijn van de schoonzus van de vader. Op 10 september 2020 schrijft de jeugdprofessional de vader dat zij, alhoewel hij haar
e-mailberichten niet meer leest, vanuit de GI een zeer belangrijke mededeling wil doen. Zij zet de schoonzus van de vader als zijn vertrouwenspersoon in de cc. Op 15 september 2020 mailt de jeugdprofessional dat, omdat de vader iedere vorm van communicatie weigert, zij hem als gezaghebbend ouder via de e-mail op de hoogte brengt van het besluit van de GI een verzoek MUHP in te dienen voor de zoon. Het College overweegt dat de zoon op 30 april 2019 onder toezicht is gesteld. Zowel uit het verzoek MUHP als ook uit de beschikking uithuisplaatsing van de kinderrechter van 2 oktober 2020 komt naar voren dat de ontwikkelingsbedreiging van de zoon is gelegen in het ontbreken van een stabiel en veilig opvoedklimaat. Daarbij wordt naar beide ouders gewezen. In de beschikking staat voorts dat de communicatie tussen de ouders problematisch verloopt, de moeder overbelast is en de vader weigert zijn vaderrol te pakken. Het College ziet deze ontwikkelingsbedreiging van de zoon als reden van de uithuisplaatsing, en niet dat onprofessioneel en onkundig handelen van de jeugdprofessional daartoe heeft geleid. Het College ziet ook niet dat de vader in dit proces niet is meegenomen. Evenmin is door de vader onderbouwd dat het verzoek MUHP is gedaan op basis van één enkel gesprek met de zoon. Dat in het verzoek MUHP onder ‘Motivering van het verzoek’ staat vermeld dat de jeugdprofessional de zoon alleen heeft gesproken, wil niet zeggen het verzoek uitsluitend is gedaan op basis van dit gesprek.

Tijdens de behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional bovendien onweersproken weerlegd dat zij de zoon pas na een half jaar voor het eerst heeft gesproken. Volgens de jeugdprofessional lag de nadruk in eerste instantie op de situatie rond de dochter. Daarna heeft corona contact bemoeilijkt, maar zij heeft de zoon voor september gesproken via beeldbellen en zij is twee keer bij de moeder thuis geweest. Het College ziet niet in dat de jeugdprofessional in dit verband een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij willekeur heeft gehanteerd.

Toelichting:

De jeugdprofessional koos partij voor de moeder. In het dossier zitten geen verslagen waaruit blijkt dat de vader thuis zijn verhaal heeft kunnen doen. De jeugdprofessional is nooit bij de vader thuis geweest, waarvoor zij de toen geldende coronamaatregelen als excuus gebruikte. De jeugdprofessional heeft niet kennisgenomen van de omgeving waar de zoon dus eventueel zou kunnen komen te wonen en minstens zo belangrijk, hoe het gedrag/houding van de vader in deze vertrouwde, spanningsloze omgeving zou zijn. De jeugdprofessional beschikte derhalve niet over de juiste informatie om de meest ingrijpende maatregel, een uithuisplaatsing, toe te passen. Er is sprake geweest van willekeur waarbij het handelen en de besluitvorming van de jeugdprofessional gebaseerd is geweest op het (eenzijdige) verhaal van de moeder. De jeugdprofessional heeft met haar handelen in strijd met artikel E (Respect) en artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp -en dienstverlening) van de Beroepscode gehandeld.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft getracht om onpartijdig te handelen, door te mailen naar ouders met elkaar in de cc en te communiceren via een gezamenlijke groepsapp. De jeugdprofessional is medio mei 2020 officieel betrokken. In die periode waren er ernstige zorgen over de opvoedsituatie van de zoon bij de moeder thuis. Logischerwijs heeft de jeugdprofessional zich daarom gericht op deze opvoedsituatie. Daarnaast zijn er in de periode vanaf mei tot en met september 2020 diverse gesprekken met beiden ouders gevoerd op een neutrale plek. Op 7 september 2020 is – na escalatie tussen de ouders – in overleg afgesproken het gesprek zonder de vader voort te zetten. Het is geen onwil geweest van de jeugdprofessional om niet bij de vader op huisbezoek te gaan, maar zoals hiervoor aangegeven, lagen de prioriteiten elders. Een plaatsing van de zoon bij de vader is door de jeugdprofessional niet verder onderzocht vanwege de ernstige zorgen over vaders gezondheid en psychisch functioneren, zoals eerder ook door hemzelf benoemd. Daarnaast verliep de samenwerking met de vader moeizaam, zoals bleek uit het niet constructieve gedrag van de vader, het uitblijven van contact en het niet aanvaarden van persoonlijke hulpverlening. Ook gaf de vader geen of nauwelijks informatie over eerder ontvangen hulp. De jeugdprofessional heeft getracht om Families First bij de ouders in te zetten, maar dit is door de zorgaanbieder afgewezen. De jeugdprofessional heeft in juli 2020 een aanvraag gedaan bij het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) ten behoeve van beslissingsdiagnostiek omtrent de opvoedsituatie en de pedagogische mogelijkheden van de ouders.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:
Het College kan niet vaststellen dat de jeugdprofessional willekeurig heeft gehandeld. De vader heeft in dat kader onvoldoende gesteld, noch is dat uit het overgelegde dossier gebleken. Nadat de jeugdprofessional als jeugdbeschermer van de kinderen betrokken is geraakt, zijn er diverse gesprekken gevoerd met de ouders. Tevens is alle correspondentie gericht aan beide ouders en met regelmaat stond ook de vertrouwenspersoon van de vader in de cc. Dat de jeugdprofessional zich in die periode voornamelijk heeft gericht op de opvoedsituatie bij de moeder, vindt het College voorstelbaar. De zoon woonde op dat moment bij de moeder en de opvoedsituatie bij de moeder was verre van eenvoudig. Bovendien is het College uit diverse e-mailcontacten in april en mei 2020 tussen de jeugdprofessional en de vader gebleken dat de vader zich in die periode – om voor hem moverende redenen als werk en spanningsklachten – afzijdig hield. De vader is door de jeugdprofessional ook een aantal keer aangespoord zijn vaderrol op te pakken. Het is het College dan ook niet gebleken dat de jeugdprofessional hierin willekeurig of onzorgvuldig heeft gehandeld.

4.3.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij geen medewerking heeft gegeven aan de informatieverstrekking richting de vader. Haar handelen was bewust gericht op het tegenwerken hiervan.

Toelichting:

Sinds mei 2020 probeert de vader inzage te krijgen in zijn dossier en in dat van zijn dochter en de zoon. De jeugdprofessional wilde de dochter geen inzage geven in haar dossier. De dochter heeft het gevraagd aan de vader en hij mag dan ook namens zijn dochter een verzoek indienen. De persoonlijke mening van de jeugdprofessional doet niet ter zake. In alle evaluatiegesprekken is dit steeds aan bod gekomen, maar wegens gebrekkige verslaglegging is dit niet altijd schriftelijk genoteerd en/of intern door de GI opgepakt. Uiteindelijk heeft de vader op 20 september 2020 – op verzoek van de jeugdprofessional zelf – via de e-mail opnieuw een aanvraag gedaan. De jeugdprofessional antwoordde dat dit moest worden besproken met de gebiedsmanager en de gedragsdeskundige. Vanwege de naderende zitting van de uithuisplaatsing van de zoon op 2 oktober 2020 hebben de vader en de familie daarna nog meerdere keren gevraagd of er nu echt spoed achter gezet kon worden. De jeugdprofessional snapte de urgentie en zou dit regelen, maar uiteindelijk reageerde zij vlak voor de zitting dat er opnieuw een formeel schriftelijk verzoek via brief/post moest worden gedaan en dat de vader binnen vier weken op kantoor inzage kon krijgen in zijn dossier. Vervolgens was het antwoord van het secretariaat dat zijn verzoek in goede orde was ontvangen, maar niet kon worden ingewilligd vanwege de corona-maatregelen. De vader wilde niet op kantoor langskomen, maar het dossier digitaal ontvangen. Bij de vader ontstaat inmiddels het vermoeden dat de dossiers niet mogen worden ingezien en dat de jeugdprofessional er alles aan doet deze aanvraag tegen te werken. De jeugdprofessional heeft met haar handelen in strijd met artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode gehandeld.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De door de vader bedoelde vraag van hem en de dochter is door de jeugdprofessional gehoord en besproken in een overleg op 13 juli 2020. De jeugdprofessional heeft er in een apart gesprek met de dochter, die overigens van de betreffende vraag geen weet bleek te hebben, ook aandacht voor gehad. Op 20 september 2020 was het voor de vader al bekend dat inzage in het dossier niet voor de zitting van 2 oktober 2020 geregeld kon worden. Dat heeft de jeugdprofessional ook nooit toegezegd. De jeugdprofessional heeft in het e-mailbericht van 29 september 2020 aangegeven op welke manier de vader zijn verzoek tot inzage kon indienen. De reactie van het secretariaat is buiten medeweten van de jeugdprofessional om gegaan. Het was dan ook niet haar intentie dat het dossier niet binnen vier weken ingezien kon worden. De jeugdprofessional heeft de procedure voor inzage in het dossier opgevraagd en heeft de vader hier binnen een redelijke termijn over geïnformeerd. De inzage heeft op 9 en 20 november 2020 op kantoor van de GI plaatsgevonden.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:

De klacht omtrent de inzage in het dossier van de dochter is door de vader onvoldoende onderbouwd. In het evaluatieverslag van 26 juni 2020 staat dat de vader via Whatsapp heeft verzocht de ‘[de dochter] en inzage dossier’ op de agenda van het volgende overleg te plaatsen. Uit het verslag van het volgende overleg op 13 juli 2020 blijkt dat dit onderwerp ter sprake is gekomen. Daar staat geschreven dat de vader wil dat de dochter weet dat zij recht heeft op inzage en dat haar stem geldt. Voorts staat vermeld dat als er een meerwaarde is de dochter haar (deel van het) dossier te laten lezen, zij daar zeker gelegenheid voor zal krijgen. De jeugdprofessional heeft onbetwist verklaard dat zij dit daarna met de dochter heeft besproken en hier wel degelijk aandacht voor heeft gehad. Voor het College is derhalve niet vast te stellen dat de jeugdprofessional de dochter geen inzage in haar deel van het dossier heeft willen geven.

Ten aanzien van de inzage in het eigen dossier van de vader merkt het College op dat hij niet heeft aangetoond dat hij hier al vanaf mei 2020 om verzoekt. In het overgelegde dossier zit een brief van de vader van 20 september 2020 waarin hij refereert aan mondelinge verzoeken in evaluatiegesprekken én aan zijn e-mailberichten van – onder meer – 20 september 2020 met verzoeken om inzage in het dossier. Bij e-mailbericht van 29 september 2020 heeft de jeugdprofessional de vader geschreven dat zij hem al eerder heeft aangegeven dat zijn verzoek is doorgegeven aan de gebiedsmanager. In hetzelfde e-mailbericht staat ook dat zij de juridische afdeling eerst heeft benaderd en geeft zij de vader aan hoe hij zijn verzoek formeel kan indienen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd benadrukt dat zij de vraag van de vader om inzage vanwege corona heeft doorgezet naar het management en naar de juridische afdeling, waarna een andere jeugdbeschermer het heeft opgepakt. De gemachtigde van de vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht ook bevestigd dat de vader na zijn drie e-mailberichten inzage heeft gekregen. Alles overziend, is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional geen informatie heeft willen verstrekken aan de vader, noch dat zij de vader hierin bewust heeft tegengewerkt.

4.4.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij niets heeft gecommuniceerd over haar plotselinge afwezigheid na de rechtszitting van 2 oktober 2020 en de vader in het ongewisse liet.

Toelichting:

Na de rechtszitting van 2 oktober 2020, waar de uithuisplaatsing van de zoon is uitgesproken, heeft de jeugdprofessional niets meer van zich laten horen. Op grond van artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode is de jeugdprofessional zelf verantwoordelijk voor het zorgvuldig afsluiten van de hulpverlening. Daaronder wordt onder meer verstaan dat een jeugdprofessional de beslissing verantwoordt tegenover de cliënt. De vader had naar aanleiding van de aankomende uithuisplaatsing zeer urgente vragen, welke al die tijd onbeantwoord bleven. Na drie weken bijna dagelijks contact gezocht te hebben met de jeugdprofessional/de GI, werd er eindelijk antwoord gegeven en kwam de vader erachter dat de jeugdprofessional langdurig afwezig/ziek was geworden en nog veel erger, dat de uithuisplaatsing van de zoon al had plaatsgevonden en zijn verblijfplaats geheimgehouden moest worden. Het geheimhouden gebeurt alleen bij hoge uitzondering en de jeugdprofessional heeft dit, zonder een gegronde reden, toch gedaan. Juist op het moment dat de vader de jeugdprofessional heel erg nodig had, liet de jeugdprofessional de vader in het ongewisse over de uithuisplaatsing van de zoon. Daarnaast is wederom (bij de uithuisplaatsing van de dochter is dit ook gebeurd) de vader niet betrokken bij het gesprek voorafgaande aan de uithuisplaatsing, waarbij hij de zoon graag had willen ondersteunen. Evenzo is ook de omgangsregeling – zonder uitspraak van de rechter – gewijzigd, wat op geen enkele wijze gecommuniceerd is aan de vader. Dat de vader dus weer niet betrokken en geïnformeerd is, en moeder wel van de meeste zaken op de hoogte was gebracht, laat duidelijk zien voor welke partij de jeugdprofessional heeft gekozen. De jeugdprofessional  heeft met haar handelen in strijd met artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen), artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), artikel F (Informatievoorziening over de hulp -en dienstverlening) en artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode gehandeld.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Op 13 oktober 2020 is de jeugdprofessional plotseling uitgevallen door een traumatische gebeurtenis in de privésfeer. Hierdoor was het voor haar onmogelijk de hulpverlening zelf zorgvuldig af te sluiten.

Op 20 oktober 2020 is de zoon door een collega uit huis geplaatst en is het niet gelukt om telefonisch contact te hebben. Op 5 november 2020 is een nieuwe jeugdbeschermer aangesteld.

Hiervoor, in reactie op klachtonderdeel 2, heeft de jeugdprofessional beschreven op welke manier betrokkenen, waaronder de vader, zijn meegenomen in het proces voorafgaand aan de uithuisplaatsing. De jeugdprofessional kon vanwege haar uitvallen op 13 oktober 2020 niet ingaan op de klacht ten aanzien van het uitblijven van contact, de steun en de omgang(sregeling). Dat geldt ook voor de geheimhouding van het adres. Zij begrijpt dat dit bij de vader vragen heeft opgeroepen.

4.5.3 Het College overweegt als volgt:

In de Beroepscode is in artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) vastgelegd dat de jeugdprofessional verantwoordelijk is voor een zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening als de jeugdprofessional niet (meer) kan voldoen aan de hulpvraag. Onder zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening wordt onder meer verstaan dat de jeugdprofessional de beslissing om de hulpverlening af te sluiten, verantwoordt tegenover de cliënt. Het College stelt echter vast dat in de onderhavige zaak de jeugdprofessional op 13 oktober 2020 plotseling is uitgevallen vanwege een traumatische gebeurtenis in haar privésfeer. Gezien deze bijzondere omstandigheid kon van de jeugdprofessional op dat moment niet meer verwacht worden dat zij de professionele relatie met de vader zorgvuldig zou afsluiten. Omdat deze situatie speelde rond de uithuisplaatsing van de zoon, kan het College zich goed voorstellen dat dit voor de vader onaangenaam moet zijn geweest. Ook de jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift geschreven dat zij begrijpt dat dit vragen bij de vader heeft opgeroepen. Bij alles wat na 13 oktober 2020 heeft plaatsgevonden, is de jeugdprofessional niet meer betrokken geweest. Het College ziet in deze klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt en is van oordeel dat de jeugdprofessional met haar handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Ten overvloede merkt het College op dat de GI hier voortvarende in had kunnen optreden.

4.5.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 25 augustus 2021 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris