De jeugdbeschermer heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op meerdere normen van de professionele standaard. Tevens is onvoldoende gebleken dat de jeugdprofessional heeft gereflecteerd op zijn handelen, terwijl de ernst van de feiten groot is. Er is onvoldoende sprake geweest van hoor en wederhoor, adviezen van het lokaal team zijn niet opgevolgd, er is meerdere keren niet inhoudelijk op e-mailberichten van de vader gereageerd, afspraken naar aanleiding van klachtgesprekken zijn niet nagekomen en tot slot is er een verschil in benadering van de ouders door de jeugdprofessional.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 23 oktober 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdzorgwerker bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam gemachtigde], advocaat te [plaatsnaam].

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam gemachtigde], advocaat te [plaatsnaam].

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 12 november 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 28 januari 2020;
  • de aanvulling op het verweerschrift ontvangen op 21 februari 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 23 april 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 29 april 2020;
  • de tussenbeslissing van 3 augustus 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling (versie 1) van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 22 juni 2020. Tijdens de beraadslaging zijn er bij het College vragen gerezen, waarop het antwoord niet terug te vinden is in de overgelegde stukken. De beantwoording van deze vragen acht het College noodzakelijk alvorens het een beslissing kan nemen. Het College komt tot de tussenbeslissing om een mondelinge behandeling van de klacht te gelasten. Op 24 juni 2020 is de tussenbeslissing aan partijen verzonden.

1.4 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 23 september 2020 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Hierbij is een medewerker van SKJ aanwezig geweest.

1.5 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 4 november 2020 wordt verstuurd.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader is van maart 2009 tot en met december 2012 gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is in 2009 een dochter geboren. Aanvankelijk waren de ouders gezamenlijk belast met het gezag over de dochter.

2.2 Bij beschikking van de kinderrechter van 29 december 2014 is de dochter onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van 2 maart 2017 is een machtiging verleend om de dochter uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn nadien telkens verlengd, maar geëindigd op 23 april 2019.

2.3 De jeugdprofessional is namens de GI van 1 maart 2018 tot 23 april 2019 met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de dochter belast geweest.

2.4 Bij beschikking van de rechtbank van 23 april 2019 is het gezamenlijk gezag van de ouders over de dochter beëindigd en is de GI benoemd als voogd over de dochter. Aan deze gezagsbeëindiging ligt ten grondslag dat de dochter de wens heeft om weer thuis te wonen, maar om dit kunnen realiseren dienen de ontwikkelingsbedreigingen van de dochter – welke gelegen zijn in de complexe scheiding van ouders –  zoveel mogelijk te worden weggenomen. De rechtbank is met de GI van oordeel dat de constructie van beëindiging van het gezag van beide ouders en terugplaatsing van de dochter in het belang van de dochter is. De rechtbank acht beide ouders afzonderlijk in staat de verzorging en opvoeding voor de dochter op zich te nemen.

2.5 Met ingang van 23 april 2019 is de jeugdprofessional namens de GI belast met de voogdij over de dochter.

2.6 Na de uitspraak van de rechtbank van 23 april 2019 is de dochter in een 50/50 regeling weer bij de ouders gaan wonen. De dochter is sindsdien drie keer weggelopen op momenten dat ze bij de vader verbleef, laatstelijk op 9 oktober 2019. Sinds de laatste keer dat de dochter is weggelopen is er geen contact meer geweest tussen de dochter en de vader.

2.7 Per brief van 29 juli 2019 heeft een collega van de jeugdprofessional kenbaar gemaakt dat de GI zich zorgen maakt, onder andere op basis van gesprekken die met de dochter zijn gevoerd, over de (emotionele) veiligheid op het moment dat de dochter bij de vader verblijft. De GI heeft deze zorgen niet kunnen bespreken met de vader en hierdoor zijn de zorgen tot op heden niet afgenomen/weggenomen. Op het moment dat de situatie onveranderd blijft wordt de GI gedwongen een wijziging aan te brengen in het co-ouderschap. In de brief zijn bodemeisen geformuleerd om de noodzakelijke veranderingen voor de dochter teweeg te brengen. Per e-mail van 30 juli 2019 heeft de vader op de brief gereageerd waarin hij – kort weergegeven – stelt reeds aan de bodemeisen te voldoen. Hij vraagt aan de GI hoe hij dit kan bewijzen en hij vraagt de inzet van hulpverlening.

2.8 Bij beschikking van 10 oktober 2019 acht het hof zich op grond van de dan beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen over het (incidentele) beroep dat is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 23 april 2019. Het hof verzoekt in dat kader de Raad voor de Kinderbescherming, hierna: de RvdK, een (nader) onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren – onder meer – of co-ouderschap de meest aangewezen opvoedingsvorm voor de dochter is en, indien dat het geval is, of de gezagsbeëindiging moet worden gehandhaafd met de GI als voogd, of dat er kan worden volstaan met een lichtere kinderbeschermingsmaatregel waarbij één of beide ouders met het gezag worden belast. Het hof heeft in afwachting van het rapport van de RvdK de zaak pro forma aangehouden tot 9 april 2020.  De uitspraak wordt op 25 september 2020 verwacht.

2.9 Op 7 november 2019 heeft de wethouder sociaal domein van [de gemeente]   een brief geschreven naar de GI waarin zorgen worden geuit over de aanpak die de GI heeft gekozen. Zo is vastgesteld dat er een conflictsituatie is ontstaan tussen medewerkers van de GI en de vader. Er wordt gesteld dat ervaren is dat geen sprake meer is van een objectieve kijk en benadering door de medewerkers richting de vader. De wethouder verzoekt de GI met klem om de handelwijze binnen de GI onder de loep te noemen en te overwegen of het wellicht in de rede ligt de opdracht terug te leggen zodat een andere GI de taken kan overnemen.

2.10 Per brief van 8 november 2019 heeft de jeugdprofessional aan de vader kenbaar gemaakt dat de dochter, na de derde keer te zijn weggelopen, niet meer naar de vader toe wil. De jeugdprofessional stelt dat de GI een meisje zag dat in de put zat en geen uitweg meer zag. Op grond daarvan heeft de GI moeten besluiten de dochter voorlopig niet meer naar de vader toe te laten gaan. De jeugdprofessional stelt in de brief dat hij – met ondersteuning – heeft geprobeerd in gesprek te raken met de vader, maar dat dit niet is gelukt. De GI heeft het besluit genomen om voorlopig niet meer met de vader in gesprek te gaan omdat deze gesprekken geen enkele meerwaarde hebben voor de dochter. Na de brief zal de vader met enige regelmaat worden geïnformeerd over de ontwikkelingen van de dochter.

2.11 Per brief van 12 november 2019 heeft de vader op de brief van de jeugdprofessional gereageerd. Daarin stelt hij teleurgesteld te zijn over de eenzijdige opstelling vanuit de GI en dat er een beslissing is genomen op basis van één van kant van een verhaal. De vader stelt vele pogingen te hebben gedaan om in gesprek te komen met de jeugdprofessional, maar dat het van een samenwerking niet is gekomen. De vader is van mening dat de jeugdprofessional geen tegenspraak duldt en bevestiging zoekt van zijn eigen visie en beeld.

2.12 Op 10 februari 2020 heeft de klachtencommissie van de GI uitspraak gedaan naar aanleiding van een klacht die de vader daar had ingediend. De klachtencommissie heeft de klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond verklaard en het klachtonderdeel 3 als geheel ongegrond. De bestuurder van de GI heeft per brief van 12 februari 2020 aan de vader kenbaar gemaakt dat zij het vervelend vindt dat de vader ontevreden is over de werkwijze van de jeugdprofessional en de wijze waarop hij de vader heeft benaderd, maar dat zij het eens is met de uitspraak van de klachtencommissie. De klachtencommissie heeft geconcludeerd dat de jeugdprofessional voldoende zorgvuldig te werk is gegaan en de rol van de vader voldoende serieus heeft genomen.

2.13 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat hij gedurende zijn betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.13 van deze beslissing. Gelet hierop wijst het College erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dienen te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4 De ontvankelijkheid

4.1 De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht nu deze klachten ook ter beoordeling aan de klachtencommissie en aan het gerechtshof zijn voorgelegd. Op 3 juli 2019 heeft de vader een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI. Op 21 oktober 2019 heeft de jeugdprofessional bericht gekregen van de klachtencommissie dat de vader niet tevreden was met de afhandeling van de klacht door de klachtencommissie en alsnog een hoorzitting wilde. Op 11 december 2019 heeft de hoorzitting bij de klachtencommissie plaatsgevonden. De klachten zoals ingediend bij de klachtencommissie zijn dezelfde zoals ingediend bij het College van Toezicht. In het verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen komen de klachten van de vader ook nog eens terug. Gelet hierop is de jeugdprofessional van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht.

4.2 De vader heeft op de door de jeugdprofessional aangevoerde niet-ontvankelijkheid met bovengenoemde grondslag niet gereageerd.

4.3 In de tussenbeslissing van 24 juni 2020 heeft het College over de ontvankelijkheid van de klacht van de vader bij SKJ het volgende overwogen. Een procedure bij de klachtencommissie van de GI dient een ander doel dan de onderhavige tuchtrechtelijke procedure. Waar het bij een klachtenprocedure van de GI gaat om een klacht gericht tegen (het handelen van) de GI, gaat het in het tuchtrecht om het handelen van de individuele jeugdprofessional. De kwaliteit van het handelen, het leren hiervan en het verbeteren van de individuele jeugdprofessional staat centraal. Een beslissing van het College van Toezicht dan wel het College van Beroep geldt alleen ten opzichte van de beklaagde jeugdprofessional en bovendien kan er bij een (deels) gegrond bevonden klacht een maatregel opgelegd worden, die gevolgen kan hebben voor de registratie van de jeugdprofessional. Dit karakter ontbreekt bij de eerder gevolgde klachtenprocedure bij de GI en de procedure rondom de provisionele voorzieningen in het kader van artikel 223 Rv bij het gerechtshof. Hoewel het College begrijpt dat het voor de jeugdprofessional belastend is om zich bij diverse instanties te verweren tegen (deels) dezelfde gebeurtenissen, doet dat niet af aan het feit dat deze procedures naast elkaar bestaan, een verschillend doel dienen en gepaard gaan met een verschillende beoordelingsbevoegdheid. Het College acht zich aldus bevoegd om een oordeel te geven over de klacht die de vader heeft ingediend, zodat het College de vader ontvankelijk zal verklaren in zijn klacht.

5 De klacht, het verweer, de conclusie van repliek, de conclusie van dupliek en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde zeven klachtonderdelen worden besproken en beoordeeld. Het is het College gebleken dat klachtonderdelen 2 en 4 samenhang en/of overlap hebben, beide klachtonderdelen gaan over het nalaten om hoor en wederhoor toe te passen. Deze klachtonderdelen zullen gezamenlijk beoordeeld worden onder 5.2 van deze beslissing. De overige klachtonderdelen worden afzonderlijk besproken en beoordeeld. De klachtonderdelen, het verweer, de conclusies van repliek en dupliek (indien daarin relevante informatie voor het klachtonderdeel is aangeleverd) worden samengevat en zakelijk weergegeven. Daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

5.1 Klachtonderdeel 1

5.1.1 De jeugdprofessional staat hulp bij de vader thuis niet toe ondanks het advies van de zorgprofessional, en de jeugdprofessional negeert alle signalen van de noodzaak of van derden.

Toelichting:
Sinds juni 2018 adviseert [lokaal team] opvoedondersteuning bij de vader in de thuissituatie. Eerst gaat dit niet van start omdat de moeder niet akkoord is met de rol van de dochter en de organisatie naar keuze van de vader. Dit geschil wordt beslecht bij de rechtbank waarna de moeder akkoord geeft. In de periode die hierop volgt, september 2018 tot en met april 2019, gaat de jeugdprofessional niet akkoord en werkt hij niet mee aan het vormgeven van hulp bij de vader thuis. De jeugdprofessional weigert het voorstel van de vader om zelf eerst een gesprek aan te gaan met de hulpverlener naar keuze van de vader. Vanaf het moment dat de voogdij over de dochter bij de GI ligt gaat de jeugdprofessional niet akkoord en kan de zeer noodzakelijke hulp bij de vader thuis niet worden gestart. Zo is de overgang van de dochter van het pleeggezin naar huis onbegeleid gebeurd. Inhoudelijke communicatiepogingen over dit onderwerp houdt de jeugdprofessional zowel met de vader als met andere professionals af. De visie van de vader dat er hulp moet komen om de hechtingsproblematiek het hoofd te bieden wordt ondersteund door meerdere professionals.

5.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional om voor het geestelijke en lichamelijke welzijn van de dochter te zorgen. De dochter kreeg hulp van [lokaal team]. De jeugdprofessional is van mening dat hulp aan de dochter bij de vader thuis niet de wijze is waarop hij zijn verantwoordelijkheid moet invullen, waarbij hij zich heeft laten adviseren door andere professionals binnen de GI en bovenal door te luisteren naar de dochter. Dat de vader hierover een andere mening is toegedaan maakt niet dat de jeugdprofessional in strijd met de tuchtnorm, Beroepscode of de wet heeft gehandeld. Dit geldt temeer nu de jeugdprofessional met alle zorgvuldigheid heeft getracht over de zorgen van de dochter met de vader in gesprek te raken.

5.1.3 De vader voert in de conclusie van repliek het volgende aan. De vader heeft dit klachtonderdeel onderbouwd door overlegging van twee hulpverleningsplannen van de instelling waarin hulpverlening aan de ouders wordt geadviseerd gelet op het discongruente gedrag van de dochter. De jeugdprofessional gaat inhoudelijk niet in op de vraag waarom hij dit advies van een onafhankelijke instantie naast zich neerlegt. De instantie heeft met beide ouders contact gehad en is goed ingevoerd in de casus. De jeugdprofessional laat zich alleen adviseren door zijn eigen gedragswetenschapper. De gedragswetenschapper heeft de dochter nooit gezien, laat staan de interactie tussen de vader en de dochter uit eigen waarneming ervaren. De gedragswetenschapper baseert haar standpunt uitsluitend op de informatie van de jeugdprofessional. Dit was ook nog een vervangende gedragswetenschapper die niet van de zaak op de hoogte was en niet eerder bij de casus betrokken was. In zijn verweer gaat de jeugdprofessional niet inhoudelijk in op het standpunt van de vader dat gebaseerd is op andere deskundigen.

5.1.4 Het College overweegt als volgt.
In het evaluatieverslag van [lokaal team] van 26 juni 2018 waar de vader in dit klachtonderdeel naar verwijst, staat onder het kopje ‘6. Afspraken’ het volgende opgenomen: “Voor de vervolghulpverlening is aan beide ouders gevraagd om te overwegen vanuit welke organisatie ze de specialistische begeleiding voor [de dochter] en de begeleiding in de thuissituatie willen ontvangen”. Onder kopje ‘5.2. Omgangshuis vader’ staat het volgende: “Vader zou hulpverlening in willen zetten om het gedrag van [de dochter] meer te kunnen duiden (waar komt het gedrag vandaan) om daardoor gerichter steun aan haar te bieden en haar ontwikkeling maximaal te kunnen stimuleren.” In het evaluatieverslag van [lokaal team] van 7 december 2018 leest het College dat de vader de opvoedondersteuning heeft aangevraagd en de moeder hier toestemming voor heeft gegeven, mits er geen apart traject voor de dochter wordt gestart omdat zij al veel hulpverlening heeft gehad en nu psychomotorische therapie (PMT) krijgt. Tevens leest het College dat [lokaal team] blijvende ondersteuning voor de ouders adviseert, om vanuit de uitgangspunten van het solo-ouderschap goed vorm te kunnen geven aan het ouderschap.

Voorts blijkt dat de jeugdprofessional tijdens het bemiddelingsgesprek van 19 augustus 2019 heeft aangegeven “het lastig te vinden, maar het verzoek voor hulpverlening bij [de vader] thuis in overweging te nemen.” Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is de jeugdprofessional gevraagd wat heeft gemaakt dat hij het lastig vindt om hulpverlening bij de vader thuis in te zetten. De jeugdprofessional heeft toen aangegeven dat de vader graag hulpverlening voor de dochter bij hem thuis wilde inzetten, hetgeen de jeugdprofessional niet in het belang van de dochter vond omdat zij op dat moment al in een hulpverleningstraject zat. Verder gaf de jeugdprofessional aan dat het de vader vrij staat om hulpverlening voor zichzelf in te zetten. Het is het College echter niet gebleken dat de jeugdprofessional de vader heeft ondersteund bij het vinden van deze passende hulpverlening, dan wel dat hij de vader heeft ondersteund bij zijn hulpvraag. Hiermee heeft de jeugdprofessional in strijd gehandeld met artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode. Verder is artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode geschonden, nu de jeugdprofessional onvoldoende bereid is geweest zijn professionele oordelen ter discussie te stellen. Hij bleef volharden in zijn standpunt voor wat betreft de hulpverlening bij de vader thuis, terwijl [lokaal team] juist aangaf dat blijvende ondersteuning in de thuissituatie voor de ouders noodzakelijk was. Voorts heeft de jeugdprofessional voor wat betreft dit punt ook niet in lijn met de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming gehandeld. In de voornoemde Richtlijn en de daarbij behorende werkkaarten wordt aangeraden om het inzetten van een andere begeleiding, behandeling of interventie te overwegen. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional dit heeft gedaan.

5.1.5 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

5.2 Klachtonderdelen 2 en 4

5.2.1 De jeugdprofessional neemt klachten over van de moeder en de dochter, zonder wederhoor toe te passen (klachtonderdeel 2). De jeugdprofessional houdt geen rekening met de discongruentie van de dochter, controleert uitspraken niet en legt adviezen die hieromtrent gegeven zijn terzijde (klachtonderdeel 4).

Toelichting:
Ten aanzien klachtonderdeel 2 heeft de vader het volgende toegelicht. In een brief aan de rechtbank van 25 maart 2019 schrijft de jeugdprofessional: “Praktisch gezien is de [GI] als zij belast gaan worden met de voogdij in staat te schuiven met de 50/50 verdeling mocht een van de ouders de strijd naar de voorgrond blijven halen en daardoor de belasting op [de dochter] weer zal gaan toenemen met de al eerder genoemde risico’s van dien. Maar de [GI] wil geloven dat ouders hun best zullen blijven doen om binnen hun mogelijkheden voor [de dochter] te blijven zorgen.” Sinds eind april 2019 heeft de vader zorgwekkend gedrag bij de dochter gesignaleerd en dit aan de jeugdprofessional doorgegeven. De vader vraagt de jeugdprofessional of hij weet wat er speelt, maar hij krijgt hierop geen antwoord. Pas bij de zitting van 29 augustus wordt het de vader duidelijk dat de moeder aan ‘een case’ heeft gebouwd om een wijziging van de omgang aan te vragen. Hierin staan vele nare verhalen over de vader, die allen weerlegd zijn. De vader verwijst naar de brief die hij op 29 juli 2019 van de jeugdprofessional ontvangen heeft, waarin hij verslag heeft gedaan van de zaken die dochter over de vader heeft gemeld en de reactie hierop van de vader van 30 juli 2019. De jeugdprofessional neemt de klachten van de moeder een op een over zonder wederhoor. De vader stelt dat zijn dochter sterk beïnvloedbaar is en het gedrag van haar moeder kopieert en de verhalen van de moeder als waarheid aanneemt. Dit doet zij onder bepaalde druk/dreiging die de vader opmaakt uit uitspraken van de dochter zoals ‘Jij wilt mij bij mama weghalen’, terwijl dit geenszins het geval is. De focus van de vader ligt volledig op het solo-ouderschap met een 50/50 omgangsregeling en hulp bij de vader thuis, dit conform het gelopen traject bij [lokaal team] tot april 2019 en hun advies aan de ouders en de jeugdprofessional. Door de verhalen/citaten uit gesprekken met de dochter als waarheid aan te nemen en tegelijkertijd gesprekken over de hulpvraag van de vader uit te blijven stellen, ontstaat een verkeerd beeld van de realiteit.

Voor wat betreft klachtonderdeel 4 heeft de vader het volgende toegelicht. In de verschillende huizen laat de dochter verschillend gedrag zien en vertelt zij verschillende verhalen. De dochter is niet congruent en de jeugdprofessional neemt deze problematiek onvoldoende in ogenschouw. De jeugdprofessional gaat ervan uit dat hij kan zien wat echt en niet echt is bij de dochter. Het [lokaal team] schreef hier al eerder over: ‘Rekening houdend met het discongruente gedrag van [de dochter] is het van belang om dit soort uitspraken, goed na te kunnen gaan en openlijk te bespreken om begeleiding erop uit te kunnen zetten.’ [De instelling] heeft in januari 2016 gevraagd om een persoonlijkheidsonderzoek van de moeder. De jeugdprofessional weet dat dit onderzoek er niet gekomen is en vraagt in welke rapportage hij dit terug kan vinden. Richting de rechtbank en RvdK communiceert de GI dat het persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder is afgerond, waar de vader hem op wijst. Desondanks baseert de jeugdprofessional zijn visie op informatie verkregen van de moeder.

5.2.2 De jeugdprofessional betwist dat hij klachten van de moeder en de dochter overneemt. Daarnaast betwist hij – voor zover daartoe gehouden – dat hij geen wederhoor zou toepassen. De jeugdprofessional duidt het gedrag van de dochter vanuit zijn deskundigheid als jeugdprofessional anders dan de vader. De vader wil niet praten over de zorgen van de dochter waaraan hij ten onrechte de conclusie verbindt dat de jeugdprofessional de klachten van de moeder en de dochter overneemt. De jeugdprofessional betwist voorts hetgeen de vader heeft aangevoerd ten aanzien van klachtonderdeel 4 en verwijst naar zijn verweer bij klachtonderdeel 3 voor zover dit ziet op de zorgen over de dochter en de wijze waarop de vader daarmee omgaat, dat wil zeggen dat het gesprek daarover niet mogelijk is. Als gevolg daarvan kan ook niet besproken worden hoe het komt dat de dochter zich bij anderen anders gedraagt dan bij de vader. Daardoor kan er ook niet gewerkt worden aan inzicht bij de vader van hetgeen hij kan doen om het gedrag van de dochter te duiden en andere interventies plegen dan hij tot nu toe heeft gedaan.

5.2.3 De vader voert in zijn conclusie van repliek aan dat hij klachtonderdeel 2 met bewijsstukken heeft onderbouwd en gelet op deze bewijsvoering kan de jeugdprofessional niet volstaan met een simpele betwisting zonder inhoudelijk op de bewijsstukken in te gaan. De jeugdprofessional is van mening dat de verhalen van de dochter juist zijn, immers zij herhaalt deze verhalen op verschillende plaatsen. De jeugdprofessional neemt daarin echter niet mee dat ook deze personen het verhaal van de vader niet kennen. Ook hier gooit de jeugdprofessional met zijn handelen olie op het vuur. De jeugdprofessional heeft nooit de moeite genomen om de interactie tussen de vader en de dochter zelf te observeren. De jeugdprofessional baseert zich uitsluitend op verhalen van de dochter. Blijkens het rapport van de RvdK van 30 maart 2020 wordt de dochter hierin beïnvloed door de angst van de moeder en haar negatieve beeld van de vader. De jeugdprofessional heeft in zijn handelen niet laten blijken hier alert op te zijn geweest. De jeugdprofessional controleert de verwijten van de moeder aan het adres van de vader niet bij derden en vraagt niet door over hetgeen feitelijk gebeurd zou zijn. De vader verwijst naar een e-mail van 20 juni 2017 waarin door de vorige voogd melding wordt gemaakt van het zorgelijke signaal dat de dochter dingen over de vader heeft verteld die niet waar blijken te zijn. De jeugdprofessional verklaart niet waarom hij dit duidelijke signaal niet meeneemt. Het is niet de vader die niet wil praten over de zorgen van de dochter, maar het is de jeugdprofessional die niet wil zien dat de signalen van de dochter ook heel anders geduid kunnen worden en mogelijk totaal niet waar zouden kunnen zijn. Naar de mening van de vader is dit opnieuw een voorbeeld waarin de jeugdprofessional de oordelen van andere deskundigen, in dit geval de eerdere jeugdprofessional, naast zich neerlegt. Ten aanzien van klachtonderdeel 4 volstaat de jeugdprofessional wederom met een simpele betwisting. Ook ten aanzien van dit klachtonderdeel verwijst de vader naar de e-mail van de voormalige voogd die het discongruente gedrag reeds bij de dochter heeft geconstateerd. De jeugdprofessional negeert de informatie en ervaringen van eerdere voogden als deze informatie hem niet welgevallig is. De vader vraagt zich af waarom de dochter tegen de jeugdprofessional alleen de waarheid zou vertellen, als zij in eerdere en vergelijkbare situaties verwijten aan het adres van de vader heeft geuit die volledig verzonnen bleken te zijn.

5.2.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan. De vader beroept zich in zijn conclusie van repliek op een rapport van de RvdK van 30 maart 2020 dat niet is overgelegd in deze procedure. Een enkele alinea daaruit kan en mag dan ook geen rol spelen. Voorts zegt het niets over of het al dan niet handelen van de jeugdprofessional in strijd met de algemene tuchtnorm is, nog afgezien van het feit dat nog moet blijken of de rechter het advies ofwel de visie van de RvdK gaat volgen.

5.2.5 Het College overweegt als volgt. In de brief van 29 juli 2019 waar de vader in de toelichting op klachtonderdeel 2 naar verwijst staat het volgende: “[De GI] heeft twee keer (d.d. 16 mei 2019 en d.d.27 juni 2019) met [de dochter] gesproken. Tijdens deze gesprekken maakte [de dochter] een eerlijk en oprechte indruk waarbij zij authentiek over kwam op [de GI]. [De GI] maakt zich mede op basis van deze gesprekken zorgen over de (emotionele) veiligheid op het moment dat [de dochter] bij jou is. [De GI] heeft herhaaldelijk getracht om deze zorgen met jou als vader van [de dochter] te bespreken. Hierbij blijf je aangeven dit niet te willen horen (redenen die je hiervoor hebt aangegeven waren o.a. dat er sprake is van beïnvloeding vanuit moeder en haar netwerk en zou [de GI] onvoldoende gekwalificeerd zijn). Doordat [de GI] deze zorgen niet heeft kunnen bespreken met jou als vader, zijn de zorgen bij [de GI] tot op heden niet afgenomen/weggenomen. [De GI] kan deze zorgen niet langer laten voortduren. Op het moment dat de huidige situatie onveranderd blijft voor [de dochter] (blijkens wat [de dochter] daarover aangeeft op vraag van [de GI] en vanuit haar eigen initiatief), wordt [de GI] gedwongen om een wijziging aan te brengen in het co-ouderschap. Alvorens [de GI] hierop over zal gaan, willen we jou de mogelijkheid bieden om de noodzakelijke verandering teweeg te brengen voor [de dochter] op basis van haar belevingen. […] Concreet wordt onderstaande van jou verwacht: […] [De dochter] wordt ten alle tijden naar het toneel gebracht op het moment dat zij bij jou is. [De dochter] is geen getuige van alcoholgebruik waardoor jij in de ogen van [de dochter] sneller boos wordt. [De dochter] gaat niet mee naar de kroeg. [De dochter] is niet voortdurend oor/oog getuige van ruzies tussen jou en [stiefmoeder]. [De dochter] is geen getuige van negatieve uitlatingen van jou over moeder, partner en het netwerk.” Het College merkt op dat een aantal van deze punten ook in het verweerschrift van de moeder van 25 juli 2019 staan. In het e-mailbericht van 30 juli 2019 geeft de vader aan reeds aan de bovenstaande verwachtingen te voldoen, en vraagt hij hoe hij dit kan bewijzen omdat de verwachtingen van de GI gebaseerd zijn op de gedane uitspraken van de dochter. De jeugdprofessional heeft nagelaten om stukken te overleggen, waaruit blijkt dat hij de gedane uitspraken van de dochter bij de vader heeft geverifieerd, bijvoorbeeld contactjournaals of e-mailcorrespondentie. Het College stelt derhalve vast dat geen sprake is geweest van hoor en wederhoor, voor wat betreft de brief van 29 juli 2019. Deze handelswijze van de jeugdprofessional bevreemdt het College temeer, omdat zowel het [lokaal team] als de vorige jeugdbeschermer hebben geconstateerd dat de dochter discongruent is in haar uitspraken en hier zorgen over hebben geuit. Gelet hierop oordeelt het College dat van de jeugdprofessional mag worden verwacht dat hij zich inzet om gedane uitspraken van de dochter te controleren. De jeugdprofessional heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en artikel E (Respect) van de Beroepscode. Voorts heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd aangegeven de gesprekken met de dochter te voeren bij de moeder thuis, soms in aanwezigheid van de moeder. Op de vraag of de jeugdprofessional ook gesprekken met de dochter bij de vader thuis heeft gevoerd, heeft de jeugdprofessional ontkennend geantwoord. De jeugdprofessional gaf aan dat hij spanningen ervaart in de communicatie/contact met de vader. Dit is de reden dat hij ervoor heeft gekozen geen gesprekken met de dochter bij de vader thuis te voeren, omdat deze spanningen dan mogelijk worden overgebracht op de dochter. Deze keuze van de jeugdprofessional bevreemdt het College, nu  niet is gebleken dat de jeugdprofessional dit met de vader heeft besproken. De jeugdprofessional is gevraagd hoe het voorgaande zich verhoudt met de meerzijdige partijdigheid die van een jeugdprofessional wordt verwacht. De jeugdprofessional gaf aan zich maximaal te hebben ingezet om de communicatie met de vader open te krijgen en deze zaak ook in zijn intervisie groep te hebben besproken. De interventies en tips die hij mee kreeg heeft hij vervolgens ingezet, maar ook dit heeft niet mogen baten in de samenwerkingsrelatie met de vader.

In de ‘Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ staat onder kopje 4.2 ‘omgaan met jeugdigen’ het volgende: “De hulpverlener moet in staat zijn te denken aan de jeugdige, aan zijn ene én zijn andere ouder, en aan hun loyaliteiten. Er wordt meerzijdige betrokkenheid verlangd: de jeugdprofessional moet afwisselend de verschillende partijen erkennen en zich kunnen inleven in ieders positie en inspanningen om zo de communicatie tussen de partijen in gang te zetten. […] In de praktijk betekent meerzijdige betrokkenheid het handhaven van een zekere balans in de contacten met de ouders en jeugdige, hen gelijkelijk de kans geven te spreken en gelijkelijk aandacht te geven”. De jeugdprofessional heeft niet conform voornoemde richtlijn gehandeld. De vader heeft in de gesprekken met de dochter geen gelijke kans gekregen van de jeugdprofessional, nu vaststaat dat de dochter alleen bij de moeder (soms in haar aanwezigheid) is gesproken. Een minderjarige durft in het bijzijn van zijn/haar ouder(s) niet altijd vrijuit te spreken (uit angst of loyaliteit). In een conflictsituatie zoals in onderhavige casus geldt dit temeer. Juist in deze situatie had ook met de dochter bij de vader gesproken moeten worden, omdat de dochter daar kennelijk problemen ondervond. De vader heeft naar het oordeel van het College in een afhankelijkheidspositie ten opzichte van de jeugdprofessional gezeten. Hij was voor zijn positie in het hulpverleningstraject en voor wat betreft de co-ouderschapsregeling onder meer afhankelijk van hetgeen de dochter aan de jeugdprofessional heeft verteld, wat vervolgens niet door de jeugdprofessional bij de vader is gecontroleerd. Het College concludeert dat met deze handelswijze artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode is geschonden. Voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional adviezen omtrent de discongruentie van de dochter ter zijde legt, oordeelt het College als volgt. In het e-mailbericht van 20 juni 2017 van de vorige jeugdbeschermer staat het volgende: “Zoals je weet had [de dochter] vorige week aangegeven jou de afgelopen weken bij het zwembad te hebben gezien. Gisteren heeft [de dochter] aan [naam] verteld dat het niet waar is wat ze gezegd heeft. Ze heeft jou niet gezien. Dit opnieuw is dit een zorgelijk signaal wat [de dochter] afgeeft en we zullen moeten kijken naar wenselijke individuele hulpverlening aan [de dochter]. [De vader], ik weet dat jij dit al vaker hebt aangegeven en ik neem aan dat je ook ideeën hebt over wat jij goed voor [de dochter] zou vinden. Zowel bij [[lokaal team]] als bij [de GI] zullen we daar natuurlijk ook over nadenken.” Voorts blijkt uit beide evaluatieverslagen van het [lokaal team] dat er zorgen zijn over het discongruente gedrag van de dochter en daar staat aangegeven dat hiervoor langdurige en intensivering van de hulpverlening nodig is. In zijn verweerschrift betwist de jeugdprofessional het verwijt van de vader door te stellen het niet mogelijk is om met de vader in gesprek te gaan, waardoor het ook niet mogelijk is om te bespreken hoe het komt dat de dochter zich bij anderen anders gedraagt dan bij de vader. De jeugdprofessional heeft echter nagelaten om gemotiveerd aan te tonen welke hulpverlening hij heeft ingezet voor wat betreft de geuite zorgen door het [lokaal team] en de vorige jeugdbeschermer. Voor dit gedeelte van de klacht oordeelt het College dat artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode is geschonden.

5.2.6 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 2 en klachtonderdeel 4 gegrond zijn.

5.3 Klachtonderdeel 3

5.3.1 De jeugdprofessional is niet bereikbaar, reageert niet op het wegelopen van de dochter, en de zorgen en vragen van de vader worden niet serieus genomen.

Toelichting:
Sinds april 2019 is de dochter drie keer weggelopen, wanneer zij bij de vader thuis is. Na de eerste keer eind april 2019 heeft de vader alle noodzakelijke hulp bij hem thuis gevraagd. Omdat de jeugdprofessional niet reageert heeft de vader op 29 mei 2019 een melding bij Veilig Thuis gedaan, die wordt doorgezet naar de jeugdprofessional. Ook hier reageert de jeugdprofessional niet op. Daarnaast heeft de vader de jeugdprofessional op 28 augustus 2019 schriftelijk gevraagd om afspraken te maken over hoe te handelen en hoe te communiceren tussen de ouders bij weglopen. Pas na een gesprek met de klachtenfunctionaris komt er een reactie. Daarnaast is de dochter op 9 oktober 2019 weggelopen bij de vader thuis. Hierop heeft de jeugdprofessional besloten dat de dochter tot en met maandag 14 oktober 2019 bij de moeder blijft. De jeugdprofessional heeft de dochter op 10 oktober 2019 gesproken, de vader heeft hij niet gesproken. De vader vraagt al maanden om hulp en daar reageert de jeugdprofessional niet op, en nu de dochter wegloopt kan de jeugdprofessional wel direct handelen. Het gesprek met de vader na het besluit om de dochter bij de moeder te laten stelt de jeugdprofessional uit. Uiteindelijk vindt er op 25 oktober 2019 een gesprek plaats met de jeugdprofessional, een vervangend gedragswetenschapper, [lokaal team 1] en de gemachtigde van de vader. Volgens de vader is dit een niet constructief gesprek waarbij de jeugdprofessional en de gedragswetenschapper vragen onbeantwoord laten, en weglopen uit het gesprek.

5.3.2 De jeugdprofessional verwijst in zijn verweer naar zijn e-mail van 19 september 2019 waaruit het tegendeel blijkt. De jeugdprofessional betwist dat hij niet bereikbaar zou zijn voor de vader, niet zo reageren op het weglopen van de dochter en de zorgen van klager niet serieus zou nemen. Het is juist dat de jeugdprofessional en de vader van mening verschillen over de oorzaak van het weglopen van de dochter. Volgens de jeugdprofessional kan daarover niet met de vader gesproken worden, zodat het ook niet mogelijk is om naar een oplossing daarvoor te zoeken. Als jeugdprofessional, in casu voogdijwerker, ligt zijn focus op het geestelijk en lichamelijk welzijn van de dochter, en niet op de zorgen en vragen van de vader.

5.3.3 De vader stelt in zijn conclusie van repliek dat hij op 22 september 2019 op de e-mail van de jeugdprofessional van 19 september 2019 heeft gereageerd en aan heeft gegeven op welke punten de jeugdprofessional heeft verzaakt. Op deze e-mail heeft de jeugdprofessional niet meer gereageerd. De vader is van mening dat de jeugdprofessional zich laat inpakken door de moeder en dat de jeugdprofessional niet in staat is adequaat te reageren op de (negatieve) informatie die hij van de moeder en de dochter over de vader krijgt. Alle informatie die deze informatie zouden kunnen ontkrachten, wordt door de jeugdprofessional genegeerd. Het feit dat de situatie volledig is geëscaleerd in de periode dat de jeugdprofessional het voor het zeggen had, geeft al aan dat er niet adequaat is gereageerd.

5.3.4 Het College stelt vast dat de vader drie keer bij de jeugdprofessional heeft aangegeven zorgen te hebben over het (mogelijke) weglopen van de dochter en gevraagd hoe hierin te handelen. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional op deze e-mailberichten van de vader heeft gereageerd. In het e-mailbericht waar de jeugdprofessional in zijn verweerschrift naar verwijst staat het volgende: “De laatste keer dat [de dochter] is weggelopen heeft vader volgens moeder geen sms gestuurd – ondanks zijn beweringen hierover. Wel is [stiefmoeder] naar het huis van moeder gekomen uit zorg. Toen is er informatie uitgewisseld en hebben zij telefoonnummers met elkaar gedeeld – en is [de dochter] uiteindelijk naar haar vader teruggegaan. Door het uitwisselen van de telefoonnummer zouden zij in dergelijke (ingrijpende) situatie gebruikt kunnen worden. Met vader bellen gaat op zulke momenten niet omdat hij alleen maar ruzie maakt. [De stiefmoeder] maakt geen ruzie en met haar is goed te overleggen welke acties er dan voor [de dochter] het beste uitgezet kunnen worden aldus moeder.” Naar het oordeel van het College is dit geen reactie van de jeugdprofessional op de zorgen/vragen van de vader, maar heeft de jeugdprofessional het standpunt/beleving van de moeder overgenomen. Voorts geeft de jeugdprofessional in zijn verweerschrift aan dat het niet mogelijk is om met de vader in gesprek te gaan over het weglopen van de dochter, waardoor het ook niet mogelijk is om naar een oplossing daarvoor te zoeken. Tevens geeft hij aan dat gelet op zijn positie als voogdijwerker zijn focus op het geestelijk en lichamelijk welzijn van de dochter ligt en niet op de zorgen en vragen van de vader. Het College acht het derhalve invoelbaar dat de vader zich niet serieus genomen voelt. Hij heeft immers meerder e-mailberichten omtrent dit onderwerp aan de jeugdprofessional gestuurd. Het College acht het zorgelijk dat een tienjarig meisje meerdere keren is weglopen. Het had op de weg van de jeugdprofessional gelegen om hierover met beide ouders in contact te treden. Door dit niet te doen heeft de jeugdprofessional in strijd gehandeld met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode. Dat de vader niet open zou staan voor het gesprek hieromtrent is het College uit de overgelegde stukken niet gebleken.
Op grond van artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode dient de jeugdprofessional met de sociale omgeving van de dochter samen te werken om te bevorderen dat zij in haar ontwikkeling en opvoeding tot haar recht komt. Door het niet reageren op e-mailberichten van de vader, het overnemen van het standpunt van de moeder en zijn stellingname dat de focus niet ligt op het beantwoorden van vragen van de vader heeft de jeugdprofessional naar het oordeel onvoldoende de samenwerking met de sociale omgeving van de dochter gezocht voor wat betreft haar wegloopgedrag. De jeugdprofessional heeft hierdoor eveneens gehandeld in strijd met voornoemd artikel uit de Beroepscode.

5.3.5 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

5.4 Klachtonderdeel 5

5.4.1 De jeugdprofessional heeft te weinig tijd en meldt regelmatig dat hij zijn vrije tijd gebruikt om te reageren.

Toelichting:
Vanaf het begin van de samenwerking geeft de jeugdprofessional aan dat hij te weinig tijd heeft  voor deze zaak. Op vragen reageert de jeugdprofessional niet of te laat. Meestal houdt de jeugdprofessional inhoudelijke communicatie af. Op regelmatige basis meldt de jeugdprofessional dat hij er later op terug zal komen, wat vervolgens niet gebeurt of niet binnen de hem gestelde termijn. Daarnaast begint de jeugdprofessional zijn e-mail vaak met de opmerking dat hij in zijn vrije tijd reageert. Het is duidelijk dat de jeugdprofessional geen tijd heeft voor de casus maar hij adresseert dit aan de verkeerde persoon.

5.4.2 De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat hij altijd op de vragen van de vader heeft gereageerd, zelfs als hij dat (nog) niet zou hoeven doen omdat het zijn vrije dag of vakantie was. Hieruit volgt volgens de jeugdprofessional niet dat de jeugdprofessional geen tijd zou hebben voor de zaak. Het tegendeel is waar. Ter onderbouwing verwijst de jeugdprofessional naar de e-mailcorrespondentie die vader bij de klacht heeft overlegd, waaruit blijkt hoe snel er is gereageerd. Waar dat op enig moment niet heel snel is gebeurd, waren daar redenen voor waarvan de vader op de hoogte is gesteld.

5.4.3 De vader stelt in zijn conclusie van repliek dat de jeugdprofessional tijdens het gesprek op 25 oktober 2019 begon met de mededeling dat hij daar aanwezig was in zijn vrije uren. Het doel en nut van deze opmerking is voor de vader onduidelijk, maar het is voor de vader wel opvallend dat deze opmerking regelmatig voorbij komt. De jeugdprofessional reageert wederom niet inhoudelijk op de bewijsstukken die de vader bij de klacht heeft ingediend, waarin hij steeds melding maakt van te weinig tijd.

5.4.4 Het College overweegt als volgt. Het enkele feit dat de jeugdprofessional heeft aangegeven in zijn vrije tijd op e-mailberichten van de vader te reageren of afspraken met de vader in te plannen, brengt naar het oordeel van het College nog niet met zich mee dat de jeugdprofessional te weinig tijd had voor deze casus. Wat betreft dit klachtonderdeel valt de jeugdprofessional derhalve geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.4.5 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.5 Klachtonderdeel 6

5.5.1 De jeugdprofessional komt afspraken naar aanleiding van klachtgesprekken niet na.

Toelichting:
Op 26 juni 2019 vindt een klachtgesprek plaats tussen de leidinggevende, de jeugdprofessional en de vader. De leidinggevende merkt op dat de jeugdprofessional en de vader in dit gesprek op elkaar ‘schieten’. De leidinggevende heeft het gesprek na 20 minuten beëindigd en aan beiden de opdracht gegeven om met een voorstel te komen over de wijze waarop dan wel met elkaar in gesprek kan worden gegaan. Op 19 augustus 2019 volgt een gesprek met een klachtfunctionaris, de vader en de jeugdprofessional. Op 23 augustus 2019 volgt een e-mail met gemaakte afspraken. De jeugdprofessional reageert op deze e-mail, maar niet inhoudelijk zoals was afgesproken tijdens het gesprek. Ondanks de inzet van de vader is er geen constructief gesprek ontstaan en zijn afspraken niet nagekomen.

5.5.2 De jeugdprofessional betwist dat hij de afspraken naar aanleiding van klachtgesprekken niet na zou zijn gekomen. Per e-mail van 19 september 2019 heeft de jeugdprofessional uitvoerig verslag gedaan van de acties die hij heeft uitgezet naar aanleiding van de klachtbespreking. Zoals uit de reactie van de vader van 22 september 2019 blijkt is het niet zo dat afspraken niet zijn nagekomen, maar meent hij dat er iets anders moet gebeuren dan de jeugdprofessional heeft gedaan. De jeugdprofessional verwijst hiervoor naar bijlage 15.

5.5.3 In zijn conclusie van repliek stelt de vader dat de jeugdprofessional verwijst naar bijlage 15, maar vermeldt daarbij niet dat de vader hierop heeft gereageerd per e-mail van 22 september 2019, waar vervolgens geen reactie van de jeugdprofessional op komt.

5.5.4 Het College stelt vast dat in het e-mailbericht van 23 augustus 2019 een zevental punten staan opgenomen. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd toegelicht dat hij de opdracht heeft gekregen om op dit e-mailbericht te reageren, hetgeen hij op 19 september 2019 heeft gedaan. Het College is het met de vader eens dat de reactie van de jeugdprofessional weinig inhoudelijke antwoorden geeft op de gemaakte afspraken. Echter, uit het e-mailbericht van de klachtenfunctionaris van 23 augustus 2019 blijkt niet dat dit ook daadwerkelijk was afgesproken. Het was naar het oordeel van het College beter geweest indien de jeugdprofessional er wel voor had gekozen om inhoudelijk te reageren op de gemaakte afspraken, nu het College het gesprek met de klachtenfunctionaris en de daaruit voortvloeiende gemaakte afspraken ziet als mogelijk kantelpunt in de samenwerkingsrelatie tussen de vader en de jeugdprofessional. Een van de gemaakte afspraken was dat er op korte termijn een afspraak zou worden gepland over de contactmomenten tussen de GI en de vader en over afspraken betreffende de dochter. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangegeven dat het er niet van is gekomen om een bepaalde contactfrequentie met de vader af te spreken. Het College betreurt dit, eens te meer omdat de communicatie met de vader juist het onderdeel is waarvan de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat hij dit lastig vindt. Dat de jeugdprofessional vervolgens niet reageert op de reactie van de vader van 22 september 2019 acht het College nalatig van de jeugdprofessional. Onder de geschetste omstandigheden had het op de weg van de jeugdprofessional gelegen om hier wel op te reageren, nu er naar aanleiding van het bemiddelingsgesprek met de klachtenfunctionaris een opening leek te zijn ontstaan in de samenwerkingsrelatie. Op de vraag van het College waarom de jeugdprofessional niet heeft gereageerd op voornoemd e-mailbericht, heeft hij toegelicht dat hij op een gegeven moment heeft besloten om geen antwoord meer te geven op reeds eerder verzonden e-mailberichten, waardoor hij mogelijk sommige vragen heeft gemist. Indien de jeugdprofessional vond dat de vader te vaak vragen per e-mail stelde, dan had het op de weg van de jeugdprofessional gelegen om hierover duidelijke afspraken te maken door bijvoorbeeld een contactfrequentie met de vader af te spreken. Dit was juist een van de gemaakte afspraken tijdens het bemiddelingsgesprek. Het College acht het handelen van de jeugdprofessional in strijd met artikel C (Bereid om iedere cliënt te helpen), artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en artikel E (Respect) van de Beroepscode.

5.5.5 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

5.6 Klachtonderdeel 7

5.6.1 De jeugdprofessional verwijst met willekeur naar het ouderschapsplan en maakt verschil in benadering van de ouders.

Toelichting:
Ten aanzien van afspraken over de overdracht tijdens vakanties verwijst de jeugdprofessional naar het ouderschapsplan, terwijl deze afspraken er niet in staan. Voor het maken van afspraken over het weglopen van de dochter verwijst de jeugdprofessional daarentegen niet naar ouderschapsplan, terwijl hier wel afspraken over in staan. Het lukt de vader niet om met de jeugdprofessional in gesprek te raken. Tijdens de zitting van 29 augustus 2019 laat de moeder weten dat zij op regelmatige basis afspreekt met de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft ook de dochter al regelmatig gesproken. Deze gesprekken vinden alleen plaats als de dochter bij de moeder verblijft. Het verschil in benadering tussen de ouders is ook de wethouder van de sociale zaken van de gemeente Nuenen niet onopgemerkt gebleven, die hierover een brief heeft opgesteld.

5.6.2 De jeugdprofessional betwist dat hij op basis van willekeur verwijst naar het ouderschapsplan. Wat hij wel doet is zoeken naar waar de ouders het wel over eens werden en nog zijn, en die afspraken in stand laten, omdat het in het belang van de dochter is dat haar ouders zo min mogelijk strijd met elkaar hebben.

5.6.3 De vader stelt in zijn conclusie van repliek dat de RvdK heeft aangegeven dat zij van de jeugdprofessional een meer sturende houding had verwacht. In het ouderschapsplan staat een duidelijke afspraak over de zorgverdeling waaraan de moeder zich niet houdt. De jeugdprofessional laat na om de moeder op dit gedrag aan te spreken ondanks herhaaldelijk verzoek van de vader daartoe. Een voorbeeld daarvan is het feit dat de moeder de dochter niet bij de deur afzet, maar een paar huizen verderop. De vader heeft hier melding van gemaakt in zijn e-mail van 22 september 2019.

5.6.4 De jeugdprofessional voert in zijn conclusie van dupliek het volgende aan. De vader beroept zich in zijn conclusie van repliek op een rapport van de RvdK van 30 maart 2020. Dit rapport is niet in de onderhavige procedure overgelegd. Een enkele alinea daaruit kan en mag dan ook geen rol spelen, en dat zegt niets over het al dan niet handelen van de jeugdprofessional in strijd met de algemene tuchtnorm, nog afgezien van het feit dat nog moet blijken of de rechter het advies ofwel de visie van de RvdK gaat volgen.

5.6.5 Het College overweegt ten aanzien van het eerste gedeelte van de klacht als volgt. In het ouderschapsplan staat uitgebreid beschreven dat het wisselmoment van de dochter naar de andere ouder plaatsvindt op de woensdag. Voor wat betreft vakanties en feest- en verjaardagen zijn hier aparte afspraken over gemaakt. Het College acht het navolgbaar dat de jeugdprofessional voor wat betreft de overdracht van de dochter naar het ouderschapsplan heeft verwezen. Het College kan de vader niet volgen in zijn stelling dat er aanknopingspunten in het ouderschapsplan te vinden zijn over het maken van afspraken omtrent het weglopen van de dochter. Het College heeft deze aanknopingspunten niet in het ouderschapsplan teruggelezen. De vader heeft nagelaten om deze aanknopingspunten te concretiseren. Het College oordeelt derhalve dat de jeugdprofessional voor wat betreft dit gedeelte van de klacht geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Voor wat betreft het tweede gedeelte van de klacht, het verschil in benadering van de ouders, overweegt het College als volgt. Het is veelzeggend dat de wethouder sociaal domein de brief heeft geschreven. Ook het College vindt in het dossier aanknopingspunten waaruit blijkt dat de vader niet objectief is benaderd door de jeugdprofessional. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de jeugdprofessional heeft erkend geen gesprekken (met de dochter) bij de vader thuis te voeren gelet op de spanningen die hij hierin ondervindt. Dit blijkt ook uit het feit dat de jeugdprofessional geen wederhoor heeft gepleegd ten aanzien van de uitspraken van de dochter (die ook overeenkomen met het verweerschrift van de moeder). Tenslotte blijkt dit ook uit het gegeven dat de jeugdprofessional heeft verwezen naar wat de moeder hem heeft verteld, over het weglopen van de dochter. Het College kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de jeugdprofessional verschil maakt in de benadering van de ouders. Met dit handelen heeft de jeugdprofessional artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen) en artikel E (Respect) van de Beroepscode geschonden.

5.6.6 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is, voor zover dit toeziet op het verschil in benadering van de ouders.

5.7 Conclusie

5.7.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen 1, 2, 3, 4, 6 en 7 (gedeeltelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft nagelaten om de vader te ondersteunen in zijn verzoek om hulp bij hem thuis in te zetten en heeft aangegeven om het lastig te vinden aan het verzoek van de vader te voldoen. Voorts heeft de jeugdprofessional geen blijk gegeven van het toepassen van hoor- en wederhoor, terwijl de vorige jeugdbeschermer en het [lokaal team] hebben geconstateerd dat de dochter discongruent is in haar uitspraken. Bovendien acht het College hoor en wederhoor in een conflictsituatie als in onderhavige casus noodzakelijk. Daarnaast heeft de jeugdprofessional nagelaten om te reageren op de zorgen die de vader heeft omtrent het weglopen van de dochter, evenmin heeft hij hier duidelijke afspraken over gemaakt. Ook is de jeugdprofessional de gemaakte afspraken naar aanleiding van het bemiddelingsgesprek onvoldoende nagekomen. Tot slot heeft het College voldoende aanknopingspunten gezien waaruit blijkt dat de jeugdprofessional verschil heeft gemaakt in de benadering van de ouders. De jeugdprofessional heeft in strijd met de volgende artikelen gehandeld: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), C (Bereid iedere cliënt te helpen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), E (Respect), H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode. Tevens heeft de jeugdprofessional niet gehandeld conform de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

5.7.2 Het College legt aan de jeugdprofessional de maatregel van voorwaardelijke schorsing op en overweegt hiertoe als volgt. Allereerst hecht het College waarde aan de wijze waarop een jeugdprofessional reflecteert op zijn/haar handelen. In zijn verweerschrift noch tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional er blijk van gegeven in te zien dat hij met zijn handelen in deze casus, op meerdere punten, ernstig tekortgeschoten is. Door zijn handelen heeft de jeugdprofessional een inbreuk gemaakt op meerdere normen van de professionele standaard. De ernst van de feiten is groot, immers de vader heeft zijn dochter al een jaar niet gezien. Voorts neemt het College in overweging dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld dat hij de dochter moet ‘beschermen’ tegen de vader. Desgevraagd heeft de jeugdprofessional aangegeven dat zijn zorgen richting de vader niet van dien aard waren dat er een melding bij Veilig Thuis is overwogen. Deze zorgen van de jeugdprofessional staan niet expliciet in het dossier beschreven, anders dan de aangehaalde zorgen vanuit moeder en/of dochter. Ondanks het feit dat de vader geen gezag heeft is het aan de jeugdprofessional  om binnen de wettelijke kaders te zoeken naar mogelijkheden om de ouderrol van de vader vorm te geven, hetgeen de jeugdprofessional onvoldoende heeft gedaan. Onder deze omstandigheden en gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van alle klachtonderdelen acht het College het passend en geboden dat de jeugdprofessional een supervisietraject volgt. Het College acht het aangewezen dat de jeugdprofessional middels gerichte sturing en begeleiding kan werken aan de bewustwording en het toepassen van de beroepsnormen die behulpzaam worden geacht in de verdere uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarbij acht het College het van belang dat gemonitord kan worden of de jeugdprofessional dit traject met goed gevolg aflegt. De jeugdprofessional kan de schorsing voorkomen door het volgen en het goed afleggen van een gecertificeerd supervisietraject van 10 bijeenkomsten van 1 tot 2,5 uur bij de Landelijke Vereniging Supervisie en Coaching (LVSC) met in ieder geval de volgende onderwerpen: ‘positie en positioneren als jeugdprofessional in het gedwongen kader’, ‘samenwerking met en tussen cliënten bestendigen’ en ‘meerzijdige partijdigheid’. De schorsing treedt in werking wanneer beklaagde niet binnen een jaar nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan het bestuur van SKJ een LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname aan het supervisietraject overlegt.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1, 2, 3, 4, 6 en 7 (gedeeltelijk) gegrond;
  • verklaart voor het overige klachtonderdelen 5 en 7 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van voorwaardelijke schorsing.

Deze schorsing treedt in werking en duurt één jaar indien de jeugdprofessional nalaat een supervisietraject te volgen en nalaat om binnen een jaar na het onherroepelijk worden van deze beslissing een LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname te overleggen aan het bestuur van SKJ.

Aldus gedaan door het College en op 4 november 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                       mevrouw mr. M.R. Veerman

voorzitter                                                                                    secretaris