Anders dan het College van Toezicht oordeelt het College van Beroep dat de jeugdbeschermer niet verwijtbaar heeft gehandeld omdat voortzetting van haar rol als gezinsvoogd voldoende verdedigbaar was.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
de heer mr. A.P. van der Linden, lid-jurist,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw G.A. van der Veen, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Appellante], wonende te [woonplaats], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante,

ingediende beroepschrift tegen:

[Verweerster], ten tijde van het handelen werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI1], hierna te noemen: [GI1], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde].

Verweerster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam als advocaat bij SUEZ Advocaten te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift ontvangen op 20 januari 2017, met bijlagen;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 29 maart 2017, met bijlagen;
– de door appellante tijdens de mondelinge behandeling bij het College van Toezicht overlegde pleitnota;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.013T van 6 juli 2017;
– het door appellante ingestelde beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 30 augustus 2017, met bijlagen;
– het door verweerster ingediende verweerschrift tevens inhoudende incidenteel beroep, ontvangen op 17 november 2017;
– het door appellante ingediende verweerschrift tegen het incidenteel beroep, ontvangen op 15 december 2017, met bijlagen.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht appellante in klachtonderdeel I deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige het klachtonderdeel ongegrond verklaard. Voorts heeft het College van Toezicht klachtonderdeel II ongegrond en klachtonderdeel III gegrond verklaard. Het College van Toezicht is van oordeel dat verweerster in strijd heeft gehandeld met de artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) en O (beroepsuitoefening en samenwerking) uit de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker en heeft om die reden aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellante op 30 augustus 2017 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 17 november 2017 een verweerschrift tegen het beroep ingediend, tevens inhoudende incidenteel beroep.

1.5

Door appellante is op 15 december 2017 een verweerschrift tegen het incidenteel beroep ingediend.

1.6

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018 in aanwezigheid van appellante, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.7

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van het College van Beroep aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 11 april 2018 verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellante is moeder van tien kinderen. De onderhavige procedure heeft betrekking op de thans meerderjarige kinderen [meerderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1998, hierna te noemen: [meerderjarige 1], en [meerderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2000, hierna te noemen: [meerderjarige 2], hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Appellante en haar ex-partner, de vader van de kinderen, zijn sinds 2005 feitelijk uit elkaar en sinds september 2009 gescheiden. Appellante heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag over de kinderen.

2.3

Bij beschikking van de kinderrechter zijn de kinderen in 2006 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd doch in 2010 beëindigd. In 2013 is opnieuw bij de rechtbank een verzoek tot ondertoezichtstelling ingediend. Dit verzoek is door de kinderrechter afgewezen.

2.4

Op 10 oktober 2014 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) een melding ontvangen over [meerderjarige 2]. Bij het onderzoek van de RvdK is [meerderjarige 1] ook betrokken. Op 16 december 2014 heeft de RvdK een rapport uitgebracht waarin hij de kinderrechter verzoekt beide kinderen onder toezicht te stellen en een machtiging uithuisplaatsing te verlenen voor [meerderjarige 2].

2.5

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [plaatsnaam1], zittingsplaats [plaatsnaam2], van 13 januari 2015 zijn de kinderen onder toezicht gesteld voor de periode van één jaar. [Instelling1] (hierna te noemen: [instelling1] heeft de ondertoezichtstelling uitgevoerd. Op 1 januari 2016 heeft [instelling1] de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan [GI1] in verband met het samengaan van beide organisaties.

2.6

Verweerster heeft vanaf 13 januari 2015 in de rol van gezinsvoogd de ondertoezichtstelling namens [instelling1] en na 1 januari 2016 namens [GI1] uitgevoerd. Van april tot en met juni 2016 is verweerster enige tijd (deels) afwezig geweest vanwege een vakantie en ziekteverlof. Verweerster is als jeugdzorgwerker geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (hierna te noemen: SKJ) sinds [datum] 2013.

2.7

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [plaatsnaam1], zittingsplaats [plaatsnaam2], van 13 januari 2015, is een machtiging uithuisplaatsing verleend voor [meerderjarige 2] voor de duur van één jaar. De machtiging uithuisplaatsing is bij rechterlijke beschikking telkens verlengd, laatstelijk bekend tot 13 januari 2018. [Meerderjarige 2] is van mei 2015 tot 13 november 2015 bij [instelling1] in [plaatsnaam] ondergebracht. Van 13 november 2015 tot 8 februari 2017 verbleef zij bij [instelling2]. Sinds 8 februari 2017 verblijft [meerderjarige 2] bij [instelling3]. Vanaf de leeftijd van zestien jaar heeft [meerderjarige 2] gebruik gemaakt van het recht dat appellante niet langer over haar geïnformeerd dient te worden.

2.8

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [plaatsnaam 1], zittingsplaats [plaatsnaam 2], van 30 juli 2015, is een machtiging uithuisplaatsing verleend voor [meerderjarige 1] voor de duur van de ondertoezichtstelling. [meerderjarige 1] verbleef van 10 juli 2015 tot 27 november 2015 bij [instelling3]. Van 27 november 2015 tot 27 februari 2016 is [meerderjarige 1] bij [instelling4] ondergebracht. Sinds 27 februari 2016 woont [meerderjarige 1] bij appellante.

2.9

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [plaatsnaam 1], zittingsplaats [plaatsnaam 2], van 12 januari 2016, is de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [meerderjarige 1] verlengd tot aan zijn meerderjarigheid, te weten 13 juni 2016.

2.10

Bij beschikking van het gerechtshof [plaatsnaam 3] van 31 mei 2016 is de in 2.9 genoemde beschikking in zoverre bekrachtigd dat de machtiging uithuisplaatsing tot 27 februari 2016 is verleend. De beschikking is in zoverre vernietigd dat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [meerderjarige 1] vanaf 27 februari 2016 is ingetrokken. Reden hiervan was dat aan de machtiging uithuisplaatsing geen uitvoering meer werd gegeven, nu [meerderjarige 1] vanaf die datum niet langer in een instelling verbleef, maar weer woonachtig was bij appellante. De ondertoezichtstelling is met ingang van 31 mei 2016 beëindigd.

2.11

Op 28 juli 2015 heeft er een afstemmingsgesprek tussen appellante, ondersteund door een vertrouwenspersoon van Zorgbelang [plaatsnaam], en verweerster plaatsgevonden. Op 27 oktober 2015 heeft er een klachtgesprek met appellante, haar vertrouwenspersoon, verweerster en de teamleider van verweerster plaatsgevonden. Op 24 maart 2016 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden met appellante, de Nationale ombudsman, de teamleider en de gedragsdeskundige.

2.12

Op 12 januari 2017 heeft de RvdK onderzoek gedaan in hoeverre een gezagsbeëindigende maatregel voor [meerderjarige 2] noodzakelijk was. De RvdK verzoekt op basis van dit rapport de rechtbank om het gezag van klaagster over de dan nog minderjarige [meerderjarige 1] te beëindigen. Op 22 maart 2017 is het verzoek van de RvdK behandeld door de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling bij het College van Toezicht is door partijen bevestigd dat het ouderlijk gezag van appellante is beëindigd. Deze beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard en tijdens de procedure in beroep is er geen nadere informatie verstrekt.

3 Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 6 juli 2017 van de klachtonderdelen I en II. In klachtonderdeel I is appellante deels niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht, het klachtonderdeel is voor het overige ongegrond verklaard. Klachtonderdeel II is door het College van Toezicht ongegrond verklaard.

3.1.4

Het incidenteel beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 6 juli 2017 van klachtonderdeel III, dat door het College van Toezicht gegrond is verklaard, en als gevolg heeft gehad dat aan verweerster de maatregel van waarschuwing is opgelegd.

3.1.5

Hierna worden de in het beroepschrift en in het incidenteel beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in (incidenteel) beroep, evenals het verweer in (incidenteel) beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Deze beslissing eindigt met een conclusie ten aanzien van de beoordeling.

3.2 Klachtonderdeel I (principaal appel)

3.2.1

In de beslissing van het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “[Verweerster] heeft de kinderen in gevaar gebracht.”

3.2.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van klachtonderdeel I als volgt: “Uit de schriftelijke stukken en de mondelinge behandeling bij het College [van Toezicht] is niet gebleken dat [meerderjarige 1] op enig moment gevaar heeft gelopen in de tijd dat [verweerster] de gezinsvoogd is geweest.” Daarna is de klacht door het College van Toezicht opgesplitst in de volgende drie sub klachten welke hierna per sub klacht worden genoemd en behandeld:
– de kamertraining van [meerderjarige 1];
– de spoeduithuisplaatsing van [meerderjarige 1];
– de veiligheid van [meerderjarige 2].

De kamertraining van [meerderjarige 1]

3.2.3

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van deze sub klacht als volgt: “[meerderjarige 1] heeft op enig moment de wens uitgesproken dat hij op kamertraining alsook in een later stadium naar het buitenland wilde gaan en dat in beide gevallen, zo stelt het College [van Toezicht] vast, [verweerster] daar voldoende activiteiten heeft ontplooid om dat ook daadwerkelijk te laten plaatsvinden. Zo heeft [verweerster] de dag voor haar vakantie nog getracht voor [meerderjarige 1] een plek te reserveren bij de kamertraining. Het College [van Toezicht] oordeelt dat [verweerster] hierin alles in het werk heeft gesteld om toch die plek te krijgen. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.”

3.2.4

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat het onjuist is dat verweerster een dag voor haar vakantie nog heeft getracht om voor [meerderjarige 1] een plek te reserveren voor een kamertraining. Dit was geen kamertrainingsplek, maar een crisisplek om achter de hand te houden. De beloofde kamertraining heeft nooit plaatsgevonden.

3.2.5

Verweerster geeft met betrekking tot de kamertraining aan dat het klopt dat de situatie die zich vlak voor haar vakantie afspeelde ging over het regelen van een crisisplek en niet over het reserveren van een plek voor een kamertraining. Verweerster stelt zich echter op het standpunt dat dit niets afdoet aan de conclusie van het College van Toezicht dat niet is gebleken dat [meerderjarige 1] gedurende de bemoeienis van verweerster op enig moment gevaar heeft gelopen. En dat verweerster alles in het werk heeft gesteld om voor [meerderjarige 1] een goede (vervolg)plek te vinden.

3.2.6

Het College van Beroep overweegt dat tijdens de behandeling van het beroep partijen overeenstemming hebben bereikt over het feit dat er sprake was van een crisisplek. Het aanvankelijke verschil van inzicht over de aard van deze plek heeft er volgens het College van Beroep niet toe geleid dat [meerderjarige 1] op enig moment gevaar heeft gelopen. Nu de klacht inhield dat [meerderjarige 1] gevaar zou hebben gelopen als gevolg van het handelen van verweerster, kan het College van Beroep niet anders concluderen dan dat van zodanig handelen geen sprake is geweest. Vast is komen te staan dat verweerster een crisisplek voor [meerderjarige 1] heeft geregeld op het moment dat zij met vakantie ging. Op het moment dat er wel sprake zou zijn geweest van gevaar, was er voor [meerderjarige 1] in ieder geval een crisisplek beschikbaar. Het College van Beroep volgt voor wat betreft dit gedeelte van klachtonderdeel I het oordeel van het College van Toezicht, waardoor de grief in beroep op dit punt faalt.

De spoeduithuisplaatsing van [meerderjarige 1]

3.2.7

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van deze sub klacht als volgt: “Voor het gedeelte van het klachtonderdeel waarvan sprake is van een spoed uithuisplaatsing van [meerderjarige 1] blijkt uit de schriftelijke stukken en de mondelinge behandeling bij het College [van Toezicht] dat dit zich heeft afgespeeld tijdens de vakantie van [verweerster] en is uitgevoerd door haar collega’s. Het College oordeelt dat [appellante] niet-ontvankelijk is nu dit gedeelte van het klachtonderdeel ziet op het handelen van de collega’s van [verweerster]. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is niet-ontvankelijk.”

3.2.8

Appellante stelt dat het een taak van verweerster is om voor een goede (schriftelijke) overdracht te zorgen. De vier collega’s die appellante telefonisch heeft gesproken, gaven aan dat er nauwelijks tot geen overdracht te vinden was. In het verweer en ter zitting bij het College van Toezicht is door verweerster naar voren gebracht dat er wel degelijk een overdracht was. Niet is echter gebleken hoe deze overdracht eruitzag. Appellante acht dit punt onvoldoende belicht en onderzocht door het College van Toezicht.

3.2.9

Verweerster betwist dat zij geen overdracht voor haar collega’s heeft gemaakt. Haar collega’s waren op de hoogte van de actuele stand van zaken op het moment dat verweerster met vakantie ging. Verweerster had, voor het geval [meerderjarige 1] niet tijdelijk binnen het netwerk kon worden opgevangen, een crisisplek geregeld bij [GI1] in [plaatsnaam] en daarbij ook vermeld wie daar de contactpersoon is. [Meerderjarige 1] heeft gedurende de vakantie van verweerster ervoor gekozen om op vrijwillige basis naar [instelling3] te gaan en heeft daar om opvang verzocht. Door middel van het verzoek tot een spoedmachtiging uithuisplaatsing hebben de collega’s van verweerster gewaarborgd dat de plek bij [instelling3] gecontinueerd kon worden. Verweerster is hier niet bij betrokken geweest en zij stelt dat het College van Toezicht terecht heeft geoordeeld dat dit klachtonderdeel om die reden niet-ontvankelijk is.

3.2.10

Het College van Beroep stelt vast dat er een schriftelijke overdracht is verstuurd op 25 juni 2015 (bijlage 8, verweerschrift bij het College van Toezicht). Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft appellante aangegeven dat deze overdracht veel te summier is. In reactie daarop heeft verweerster verklaard dat zij naast deze schriftelijke overdracht ook een mondelinge overdracht heeft gedaan aan de gedragswetenschapper. Door aldus te handelen is [meerderjarige 1] naar het oordeel van het College van Beroep niet in gevaar gekomen. De gebeurtenissen die zich vervolgens tijdens de afwezigheid van verweerster hebben afgespeeld kunnen niet aan verweerster worden toegerekend en zullen daarom niet door het College van Beroep worden beoordeeld. Het College van Beroep volgt hierin het oordeel van het College van Toezicht. De grief van appellante ten aanzien van deze sub klacht faalt aldus.

De veiligheid van [meerderjarige 2]

3.2.11

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van deze sub klacht als volgt: “[meerderjarige 2] is op enig moment naar [plaatsnaam] gegaan met toestemming van [instelling1] waar ze toen verbleef. Vervolgens is zij in [plaatsnaam] mishandeld. Niet [verweerster] maar [instelling1] heeft toestemming gegeven voor de reis van [meerderjarige 2] naar [plaatsnaam]. Nu [appellante] eerst na het incident op de hoogte is gebracht van deze beslissing en de gevolgen hiervan, kan haar geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. [Verweerster] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College [van Toezicht] naar voren gebracht dat zij na het incident in gesprek is gegaan met [de instelling] waarna de afspraak is gemaakt dat [meerderjarige 2] voortaan slechts onder begeleiding naar [plaatsnaam] zou gaan.
Hoewel het begrijpelijk is dat [appellante] zich, gezien de incidenten, zorgen maakt over de veiligheid van [meerderjarige 2] kan het College [van Toezicht] niet vaststellen of [verweerster] hierin zodanig heeft gehandeld dat een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.”

3.2.12

Appellante stelt dat zij verweerster vanaf de start van de ondertoezichtstelling op de hoogte heeft gebracht van de risico’s in [plaatsnaam]. Zij heeft verweerster hierover feitelijk geïnformeerd en zich herhaaldelijk uitgesproken over de omstandigheid dat er nog steeds sprake was van een onveilige situatie. Zij heeft ook aan verweerster gevraagd haar te helpen om verbetering te brengen in het onveilige netwerk van [meerderjarige 2]. Appellante stelt voorts dat zij aan verweerster heeft aangegeven dat het voor [meerderjarige 2] onveilig is in [plaatsnaam], omdat zij om deze reden immers op de crisisplek [instelling1] te [plaatsnaam] was geplaatst. Nadien heeft appellante verweerster nog gemaild over de houding van [instelling1] en kreeg zij een negatieve reactie op dit ‘verzet’. Aansluitend wilde [meerderjarige 2] plotseling ook naar huis.

3.2.13

Verweerster is van mening dat appellante de suggestie wekt dat [meerderjarige 2] gedurende de ondertoezichtstelling bij [instelling1] is geplaatst vanwege de onveilige situatie voor haar in [plaatsnaam]. Dat is echter niet juist. Op het moment dat de ondertoezichtstelling werd uitgesproken, verbleef [meerderjarige 2] al enige tijd bij [instelling1] te [plaatsnaam]. Dat appellante de situatie in [plaatsnaam] onveilig vond was zowel bij verweerster als [instelling1] bekend. Een van de oorzaken van de problemen tussen appellante en [meerderjarige 2] was dat appellante veel situaties als onveilig voor haar kinderen beschouwde en dat zij om die reden in het verleden ook al verschillende malen een woonplek van [meerderjarige 2] had beëindigd. Tevens heeft zij een sterke behoefte om controle over het handelen van haar kinderen te houden. Appellante lijkt de verwachting te hebben dat de hulpverlening een situatie zoals waar [meerderjarige 2] in terecht was gekomen kan voorkomen. Echter, de plaatsing bij [instelling1] was geen gesloten plaatsing en gezien de leeftijd van [meerderjarige 2] was het passend dat zij de ruimte kreeg om zelfstandig te worden en ook alleen op pad te gaan. Verder bepaalde [instelling1] de huisregels. Verweerster heeft van [instelling1] vernomen dat [meerderjarige 2] op eigen initiatief op pad was gegaan en hiervoor geen toestemming had gevraagd. Zij heeft in eerste instantie ook niets over de mishandeling aan [instelling1] verteld. Nadat verweerster kennis had genomen van de mishandeling, heeft zij actie ondernomen en een melding gedaan bij de politie en heeft zij bij [meerderjarige 2] aangedrongen ook zelf aangifte te doen.
Ten aanzien van de opmerking van appellante dat [meerderjarige 2] plotseling naar huis wilde, merkt verweerster op dat [meerderjarige 2] op enig moment naar het huis van appellante wilde om daar spullen van zichzelf op te halen. Zij was bang dat haar moeder de spullen anders zou weggooien. Het was niet de intentie van [meerderjarige 2] om weer bij haar moeder te gaan wonen. Verweerster stelt zich op het standpunt dat ook dit klachtonderdeel terecht en op goede grond door het College van Toezicht ongegrond is verklaard.

3.2.14

Het College van Beroep overweegt als volgt. Verweerster heeft onweersproken gesteld dat [meerderjarige 2] op eigen initiatief en zonder toestemming te vragen naar [plaatsnaam] is gegaan. Appellante stelt in beroep dat zij verweerster al vanaf de start van de ondertoezichtstelling op de hoogte heeft gebracht van de risico’s die zij voor [meerderjarige 2] zag in [plaatsnaam]. Dit punt is echter tussen partijen niet in geschil. Verweerster bevestigt in beroep dat zowel zij als [instelling1] ervan op de hoogte waren dat appellante deze gevaren zag. Ondanks dat partijen op de hoogte waren van het standpunt van appellante konden zij, gezien het vrijwillige karakter van [meerderjarige 2] verblijf in Villa Achterstraat, niet voorkomen dat [meerderjarige 2] op enig moment en zonder toestemming van [instelling1] is weggelopen naar [plaatsnaam]. Appellante heeft met name niet kunnen onderbouwen, in welk opzicht verweerster hiervan in de gegeven situatie een verwijt kon worden gemaakt.
Deze grief faalt.

3.2.15

Concluderend oordeelt het College van Beroep ten aanzien van dit klachtonderdeel dat de grieven falen.

3.3 Klacht II (principaal appel)

3.3.1

In de beslissing van het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “[Verweerster] heeft niet goed met klaagster gecommuniceerd.”

3.3.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van deze klacht als volgt: “[Appellante] stelt dat [verweerster] gesproken heeft met het netwerk en hier teveel naar heeft geluisterd. Uit het dossier en de mondelinge behandeling bij het College [van Toezicht] is echter niet gebleken dat [verweerster] doelbewust (delen van) informatie uit het netwerk heeft gehaald om dit vervolgens ten nadele van [appellante] te gebruiken. Nu het College [van Toezicht] niet kan vaststellen dat [verweerster] te veel of selectief zou hebben geluisterd naar het netwerk van [appellante] of [meerderjarige 2], zal dit klachtonderdeel ongegrond worden verklaard. […] Uit de stukken is gebleken dat [verweerster] aan [appellante] in oktober 2015 stukken heeft gestuurd die betrekking hebben op [meerderjarige 2] en welke in het multidisciplinair overleg zouden worden besproken. [Appellante] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stukken die betrekking hebben op de verlening van de [ondertoezichtstelling]. Op 3 november 2015 zijn de concepten van de plannen van aanpak naar [appellante] gestuurd en is haar gevraagd om commentaar, aanvulling en een reactie op de evaluatie. [Appellante] heeft bij e-mail van 9 november 2015 gereageerd op deze plannen en bericht dat zij haar reactie op de evaluatie pas bij de rechter kenbaar zou maken.
Overigens heeft het College [van Toezicht] in de stukken noch tijdens de mondelinge behandeling aanknopingspunten gevonden dat het aan [verweerster] heeft gelegen wanneer er sprake is van miscommunicatie. Het klachtonderdeel is ongegrond.“

3.3.3

Appellante merkt bij de beoordeling van deze klacht op, dat in het klachtgesprek van oktober 2015 door de gezinsvoogd en de teamleider is gesteld dat de plannen van aanpak vooraf samen zouden worden besproken. In het gesprekverslag staat letterlijk: “Het streven van de gezinsvoogd is om moeder nauw te betrekken bij het uitzetten van een hulpverleningsplan met betrekking tot [meerderjarige 1] en [meerderjarige 2].” Dit is niet nagekomen door verweerster. Daaropvolgend is er op 24 maart 2016 met de Kinderombudsman en de Nationale Ombudsman, de teamleider van het Leger des Heils en de gedragsdeskundige van het Leger des Heils een bemiddelingsgesprek geweest. Tijdens dit gesprek zijn wederom concrete afspraken gemaakt welke opnieuw niet zijn nagekomen door verweerster. Appellante geeft aan dat de afspraak is dat het gespreksverslag hiervan niet inhoudelijk mag worden gedeeld, waardoor zij het bewijs hiervan niet kan overleggen.

3.3.4

Verweerster stelt dat zij op 23 en 26 oktober 2015 de plannen van aanpak aan appellante heeft toegestuurd. De volgende dag heeft het genoemde klachtgesprek met appellante plaatsgevonden, waarin de suggestie is gedaan dat waar mogelijk de conceptrapportages vooraf met appellante worden besproken voordat de rapportages met de kinderen worden besproken. Verweerster heeft op 3 november 2014 de concept plannen van aanpak aan appellante toegestuurd met een verzoek aan appellante daarbij opmerkingen te plaatsen. Deze rapportages waren op dat moment nog niet aan de kinderen zelf toegestuurd, zodat appellante als eerste de rapportages kon lezen en haar reactie hierop kon geven.
Ten aanzien van de verwijten van appellante over de periode na het bemiddelingsgesprek met de Nationale Ombudsman, merkt verweerster op dat zij niet bij dit gesprek aanwezig was en dat zij in deze periode enige tijd afwezig is geweest wegens gezondheidsredenen. Appellante was van haar afwezigheid op de hoogte en de taak van verweerster werd gedurende haar afwezigheid waargenomen door een collega. Voorts onderbouwt appellante niet welke afspraken er zouden zijn gemaakt die niet door verweerster zijn nagekomen.

3.3.5

Het College van Beroep overweegt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van het beroep dat de communicatie tussen partijen tijdens het verloop van de ondertoezichtstelling sterk op de proef is gesteld, en ook in beroep nog steeds niet probleemloos verloopt. De oorzaak hiervan lijkt te zijn dat partijen ieder een eigen beeld hebben van de situatie, waarbij zij niet gemakkelijk nader tot elkaar komen. In het licht daarvan acht het College van Beroep het wel begrijpelijk dat verweerster plannen van aanpak per e-mail naar appellante heeft gestuurd met de vraag daarbij opmerkingen te plaatsen, voordat die plannen naar de kinderen zouden worden gestuurd. Appellante heeft daarop gereageerd dat zij haar opmerkingen wel ter zitting bij de kinderrechter zou geven. Naar het oordeel van het College van Beroep kan verweerster in deze kwestie geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt, hoewel het College wel van mening is dat face-to-face gesprekken over dergelijke plannen de voorkeur verdienen.

Klachtonderdeel II ziet voorts op een gesprek van appellante met de Nationale Ombudsman en de afspraken die daaruit voort zouden zijn gevloeid. Het College van Beroep volgt hierin het oordeel van het College van Toezicht, dat nu verweerster op dat moment niet als gezinsvoogd daarbij betrokken was, zij niet aangesproken kan worden op mogelijke acties als vervolg op dit gesprek. Appellante wordt om die reden in dit onderdeel van de klacht door het College van Beroep niet-ontvankelijk verklaard. De grief met betrekking tot dit klachtonderdeel faalt daardoor in zijn geheel.

3.4 Klachtonderdeel III (incidenteel appel)

3.4.1

In de beslissing van het College van Toezicht is klachtonderdeel III als volgt geformuleerd: “[Appellante] heeft geen vertrouwen gehad in het handelen van [verweerster].”

3.4.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van deze klacht als volgt: “Zowel [appellante] als [verweerster] hebben, ook ter gelegenheid van de zitting, besproken dat [appellante] eind 2015 en begin 2016 het vertrouwen in [verweerster] heeft verloren. [Verweerster] heeft zich in een complexe situatie bevonden door de belangen van de kinderen te behartigen met inachtneming van de positie van [appellante]. De belangen van de kinderen en [appellante] kwamen hierin niet overeen. [Verweerster] heeft de spanning gevoeld in haar gesprekken met [appellante] en heeft de situatie besproken binnen haar eigen organisatie maar kreeg te horen dat het in het belang van [meerderjarige 2] was om geen andere gezinsvoogd aan te stellen nu er langzaam eindelijk een vertrouwensband begon te ontstaan tussen [meerderjarige 2] en [verweerster]. [Verweerster] heeft gereflecteerd op haar handelen door tijdens de mondelinge behandeling te benoemen dat zij een supervisietraject is ingegaan, met collega’s heeft gereflecteerd en dat zij, terugkijkend op deze situatie, van mening is dat aan [appellante] te kort is gedaan. Ondanks de onvrede van [appellante] heeft [verweerster] toentertijd besloten door te gaan met deze casus, omdat het belang van [meerderjarige 2] voor haar voorop stond. Het College [van Toezicht] neemt het [verweerster] echter kwalijk dat zij onder deze omstandigheid, waarbij [appellante] geen vertrouwen meer had in [verweerster], en laatstgenoemde dit wantrouwen ook zo heeft ervaren, zonder begeleiding of zonder ondersteuning toch verder is gegaan in deze casus.
Het is het College [van Toezicht] gebleken dat [verweerster] zich in een complexe situatie bevond en dat zij naar eer en geweten heeft gehandeld. Het is voorts begrijpelijk dat [verweerster] het belang van [meerderjarige 2] boven het belang van [appellante] heeft gesteld. Hoewel het begrijpelijk is dat [verweerster] vanuit de wens van [GI1] heeft gehandeld en mogelijkerwijs druk vanuit de organisatie heeft gevoeld, behoort het tot de autonomie van [verweerster] om als jeugdprofessional grenzen te trekken. Het is [verweerster] zelf die de keuze heeft gemaakt om door te gaan met deze casus hoewel zij wist dat de vertrouwensbasis tussen [appellante] en haarzelf niet – meer – aanwezig was. Dat recentelijk een contactpersoon voor [appellante] is benoemd, doet aan het voorgaande niets af. Nu [appellante] geen vertrouwen meer had in [verweerster], en laatstgenoemde dat ook zo heeft ervaren, en dit sinds eind 2015 speelt, had [verweerster] niet zonder nadere begeleiding of ondersteuning verder moeten gaan met deze zaak. Op basis van het voorgaande is het College [van Toezicht] van oordeel dat [verweerster] een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Het klachtonderdeel is gegrond.”

3.4.3

Verweerster stelt zich in incidenteel appel op het standpunt dat het College van Toezicht geen dan wel onvoldoende blijk heeft gegeven van het kader waarin zij werkt, te weten dat er sprake is van een ondertoezichtstelling. Hoewel ook binnen een ondertoezichtstelling altijd wordt gestreefd naar een samenwerkingsrelatie met de ouders, is dit helaas niet altijd mogelijk vanwege de weerstand die een ouder voelt tegen de opgelegde maatregel. Verweerster geeft aan dat het voor haar duidelijk was dat appellante in ieder geval vanaf enig moment niet tevreden was over het handelen van verweerster en zij zich onvoldoende gehoord heeft gevoeld.
Hoewel het College van Toezicht verweerster verwijt dat zij zonder nadere begeleiding of ondersteuning is verder gegaan, heeft verweerster wel degelijk begeleiding en ondersteuning gezocht, te weten bij haar collega’s middels intervisie en daarnaast door middel van een supervisietraject. Daarnaast heeft verweerster veelvuldig overleg gehad met haar collega’s over de koers en de te nemen beslissingen. In de beslissing van het College van Toezicht wordt de suggestie gewekt dat verweerster in het supervisietraject zou hebben geconcludeerd dat appellante tekort is gedaan, hetgeen niet klopt. Verweerster heeft met haar collega’s geconcludeerd dat het opbouwen van een betere samenwerking met appellante moeilijk is.
Ter zitting bij het College van Toezicht heeft verweerster inderdaad iets gezegd in de trant van dat aan appellante tekort is gedaan, maar zij heeft daarbij niet bedoelen te zeggen dat door verweerster aan appellante tekort is gedaan. Waar verweerster op doelde is dat zij zich kan voorstellen dat appellante zich zo voelt omdat de visies van appellante en die van [GI1] over wat in het belang van met name [meerderjarige 2] is, niet met elkaar overeenkomen. Verweerster heeft intern ook gesproken over een wisseling van gezinsvoogd, maar geconcludeerd is dat een wisseling niet goed zou zijn voor het traject van [meerderjarige 2] nu [meerderjarige 2] wel vertrouwen in verweerster heeft.
Dat verweerster is doorgegaan ondanks het feit dat zij niet meer het vertrouwen had van appellante, heeft niet te maken met de druk vanuit de organisatie, maar omdat verweerster dit in het belang van [meerderjarige 2] en de voortgang van de hulpverlening noodzakelijk heeft geacht.

3.4.4

In reactie op het incidenteel appel stelt appellante dat verweerster tijdens de zitting bij het College van Toezicht heeft aangegeven dat zij sinds eind 2015 het gevoel kreeg de regie te verliezen. Hieruit blijkt naar de mening van appellante duidelijk dat verweerster haar rol als professional niet meer goed kon uitvoeren. Voorts geeft verweerster volgens appellante niet goed aan waarom een wisseling van gezinsvoogd niet goed zou zijn voor het traject van [meerderjarige 2], en wordt verondersteld dat [meerderjarige 2] wel vertrouwen heeft in verweerster. Vooropgesteld dient te worden dat het contact met verweerster een tijdelijk contact in het leven van een kind is. Juist om deze reden is de inzet op contactherstel tussen ouder en kind van groot belang. Doordat de gezinsvoogd in haar functie is doorgegaan terwijl zij wist dat de vertrouwensbasis niet meer aanwezig was, is zij ‘in de strijd’ gaan zitten en onderdeel van de strijd geworden, wat het contactherstel in de weg heeft gestaan. Daarbij verwijst appellante naar de wettelijke taak van de gezinsvoogd in relatie met de ouder en de ouder met gezag als opgenomen in artikel 1:262 eerste en derde lid van het Burgerlijk Wetboek. Naar de mening van appellante heeft verweerster in deze wettelijke taak verzaakt.
Ten slotte stelt verweerster dat er door het toevoegen van een contactpersoon voldoende oog is geweest voor het gegeven dat appellante geen vertrouwen meer had, waardoor hierin zorgvuldig is gehandeld. Verweerster gaat hier voorbij aan het punt dat het College van Toezicht heeft opgenomen in de beslissing dat het recentelijk aanstellen van een contactpersoon hier niets aan af doet.

3.4.5

Het College van Beroep oordeelt als volgt. Bij de behandeling door het College van Toezicht is vastgesteld dat er geen onderling vertrouwen meer was tussen partijen. In beroep kan hetzelfde worden geconstateerd. Verweerster is ondanks deze onvrede doorgegaan met de ondertoezichtstelling, waarbij opgemerkt moet worden dat het contact met de onder toezicht staande [meerderjarige 2] alleszins redelijk was. Onderdeel van het oordeel van het College van Toezicht is dat verweerster zonder begeleiding en ondersteuning verder is gegaan in deze zaak. Nu verweerster onweersproken heeft gesteld dat zij een supervisietraject heeft gevolgd en overleg heeft gevoerd met haar collega’s over de te volgen koers, volgt het College van Beroep het College van Toezicht niet in dit oordeel. Het verdient overigens voor de procespositie van verweerster aanbeveling om voortaan in soortgelijke procedures bewijsstukken te overleggen met betrekking tot de door haar gestelde begeleiding en supervisie alsmede betreffende het interne beraad. Het College van Beroep heeft echter onvoldoende redenen om te twijfelen aan het woord van verweerster en te concluderen dat de supervisie en het overleg niet zouden hebben plaats gevonden.

3.4.6

Waar het College van Toezicht van oordeel is dat verweerster op basis van haar eigen autonomie een grens had moeten trekken, oordeelt het College van Beroep dat verweerster in de onderhavige zaak voor dit dilemma voldoende oog heeft gehad. Immers, zij heeft de situatie besproken binnen haar organisatie waarna zij de opdracht kreeg toch verder te gaan met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College van Beroep vindt het bepaald te ver gaan om in een situatie als de onderhavige te concluderen, dat verweerster tegenover haar werkgever had moeten weigeren om nog verder te gaan met haar rol als gezinsvoogd in deze casus. In die overwegingen dient immers ook het bestaande contact tussen gezinsvoogd en de minderjarige [meerderjarige 2] betrokken te worden. Het kan niet zo zijn dat het rekening houden met de opstelling van een ouder zo ver gaat dat daardoor de rechten van de jongere worden geschonden. Met inachtneming van de rechten van de moeder staan de rechten van [meerderjarige 2] centraal en die dienen leidend te zijn bij het nemen van beslissingen binnen de ondertoezichtstelling. Hierbij neemt het College van Beroep ook in aanmerking dat het in het tuchtrecht niet gaat om de vraag of het doen of nalaten van een jeugdprofessional beter had gekund, maar om de vraag of de professional in redelijkheid tot zijn of haar oordeel heeft mogen komen. Het antwoord op die vraag luidt in de onderhavige situatie dat voortzetting van haar rol als gezinsvoogd in de visie van het College van Beroep voldoende verdedigbaar was.

3.4.7

Nu vast is komen te staan dat verweerster een voldoende zorgvuldige afweging heeft gemaakt en daarbij het vereiste overleg heeft gevoerd alsmede ten behoeve van de kwaliteit van de uitvoering van de ondertoezichtstelling nog een supervisietraject heeft gevolgd, oordeelt het College van Beroep dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, waardoor de klacht ongegrond moet worden verklaard. Het incidenteel beroep slaagt aldus.

3.5 Conclusie ten aanzien van alle klachtonderdelen

Het College van Beroep komt tot de conclusie dat de grieven in principaal beroep falen, en de grief in incidenteel beroep slaagt. Nu alle klachtonderdelen alsnog ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard ziet het College van Beroep aanleiding om de maatregel van waarschuwing in te trekken.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel III alsnog ongegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 6 juli 2017;
– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende klachtonderdeel I en II;
– trekt in de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 11 april 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen
voorzitter

mevrouw mr. R.A.E. Thijssen
secretaris