Jeugdprofessional heeft niet tijdig ingezien dat zijn handelen schadelijk was voor het verloop van de ondertoezichtstelling. Het handelen is ernstig schadelijk geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
mevrouw mr. M.M. Brink, lid-jurist,
mevrouw J.E. Blaauw -Glas, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[appellant], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: appellant, wonende te [woonplaats],

ingediende beroepschrift tegen:

[verweerder], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerder, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Appellant wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

Verweerder wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellant bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 2 november 2017, en de aanvulling hierop ontvangen op 30 november 2017;
– het door verweerder bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2018;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 17.132T van 9 mei 2018;
– het door appellant ingestelde beroepschrift tegen voornoemde beslissing, ontvangen op 28 juni 2018;
– het door verweerder ingediende verweerschrift, ontvangen op 19 juli 2018.

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht voor een gedeelte gegrond en voor een gedeelte ongegrond verklaard en de maatregel van waarschuwing aan verweerder opgelegd.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellant op 28 juni 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerder is op 19 juli 2018 een verweerschrift tegen het beroep ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2018 in aanwezigheid van appellant, verweerder en de hiervoor genoemde gemachtigden. Van de zijde van appellant is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep als toehoorder een tweede vertrouwenspersoon van AKJ aanwezig geweest.

1.6

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 19 november 2018 verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellant is vader van een thans nog minderjarige zoon, geboren in 2013, hierna te noemen: de zoon.

2.2

Appellant en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, hierna te noemen: de moeder, zijn gescheiden. Appellant en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de zoon. De hoofdverblijfplaats van de zoon is bij de moeder.

2.3

Bij beschikking van de rechtbank van 9 oktober 2015 is de zoon onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. Doel van de ondertoezichtstelling is het realiseren van een veilige omgangsregeling voor de zoon met appellant en de ouders met elkaar te laten samenwerken op ouderniveau.

2.4

Verweerder is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI, en heeft de ondertoezichtstelling van 9 oktober 2015 tot 8 juni 2017 uitgevoerd. Op 3 maart 2017 is besloten dat een andere jeugdbeschermer de taken van verweerder over zou nemen. Uiteindelijk zijn deze taken op 8 juni 2017 overgedragen, omdat eerder geen andere jeugdbeschermer beschikbaar was.

2.5

Naar aanleiding van de e-mail van appellant van 13 december 2016, over de wijze van communiceren door verweerder, heeft op 16 februari 2017 een bemiddelingsgesprek plaats gevonden in aanwezigheid van appellant, verweerder, de leidinggevende van verweerder en een vertrouwenspersoon van appellant.

2.6

Op 26 januari 2017 heeft er over de aanmelding van de zoon bij [instelling] een gesprek met appellant en de moeder plaatsgevonden. De zoon is vervolgens op 23 februari 2017 aangemeld voor traumabegeleiding bij [instelling].

2.7

Appellant heeft op 11 mei 2017 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de GI. Op 13 juli 2017 is de klacht door de klachtencommissie gegrond verklaard.

2.8

Verweerder is sinds [datum] 2013 bij het Kwaliteitsregister Jeugd (hierna te noemen: SKJ) geregistreerd. In de periode van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker, sinds [datum] 2018 tot en met heden als jeugd- en gezinsprofessional.

3 De ontvankelijkheid

3.1

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat appellant deels niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingediende beroepschrift. Verweerder stelt dat appellant mede beroep heeft ingesteld tegen door het College van Toezicht gegrond bevonden klachtonderdelen, met het kennelijke oogmerk een zwaardere maatregel opgelegd te krijgen dan het College van Toezicht heeft opgelegd. In die mogelijkheid voorziet het Tuchtreglement echter niet en appellant dient naar de mening van verweerder niet-ontvankelijk te worden verklaard in de grieven 1, 2 en 5 als opgenomen in het beroepschrift. Verweerder is van mening dat de gegrondverklaring van klachtonderdeel 2 de gehele rapportage bevat, inbegrepen de rapportage omtrent de diagnose van appellant. Verweerder is van mening dat appellant hiermee al in het gelijk is gesteld door het College van Toezicht.

3.2

Appellant stelt dat het College van Toezicht zich in de beslissing van 9 mei 2018 ten onrechte niet heeft uitgelaten over de onder grief 1 en 2 geformuleerde klachten.

3.3

Het College van Beroep stelt vast dat de grieven 1 en 2 betrekking hebben op klachtonderdeel II, welke door het College van Toezicht deels gegrond is verklaard. Het College van Beroep wijst in dat kader op artikel 12.1 van het Tuchtreglement waaruit volgt dat er alleen beroep kan worden ingesteld voor zover een partij in de beslissing in het ongelijk is gesteld.

Het College van Beroep oordeelt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de grieven 1 en 2 als volgt. Met betrekking tot grief 1, de bronvermelding in het gezinsplan, is door het College van Toezicht geoordeeld dat deze onvoldoende is geweest, waarmee appellant in het gelijk is gesteld. Voor wat betreft grief 1 wordt appellant, gelet op artikel 12.1 van het Tuchtreglement, aldus niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Het College van Beroep stelt vast dat in de beslissing van 9 mei 2018 inderdaad geen oordeel is opgenomen met betrekking tot de onderbouwing van de uitspraken in het gezinsplan (grief 2, klachtonderdeel 2 sub c). Het College van Beroep is van oordeel dat gesteld kan worden dat appellant daarmee in ieder geval niet in het gelijk is gesteld, reden waarom appellant ontvankelijk is in het beroep als weergegeven in grief 2.

3.4

Met betrekking tot grief 5, waarin appellant verzoekt om als gevolg van het gegrond verklaarde klachtonderdeel IV een hogere maatregel aan verweerder op te leggen, volgt het College van Beroep het betoog van verweerder als weergegeven in overweging.

3.1

Het College van Beroep merkt hierbij op dat het niet mogelijk is om in beroep te gaan tegen de zwaarte van een opgelegde maatregel. Het opleggen van een maatregel, en de eventuele zwaarte daarvan, is een bevoegdheid die toekomt aan de tuchtcolleges van SKJ. Voor het overige betreft het een grief tegen een gegrond verklaard klachtonderdeel als gevolg waarvan appellant op grond van artikel 12.1 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk is in zijn grief tegen dit klachtonderdeel.

3.2

Gelet op het voorgaande oordeelt het College van Beroep dat appellant ontvankelijk is in zijn beroepschrift voor wat betreft de beroepsgronden 2, 3 en 4, welke betrekking hebben op de klachtonderdelen II en IV. Nu appellant (deels) ontvankelijk is in het beroep, zal het College van Beroep overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van voornoemde klachtonderdelen.

4 Het beroep, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Voor zover ontvankelijk richt het beroepschrift zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 9 mei 2018 van de klachtonderdelen II en IV, die door het College van Toezicht deels gegrond en deels ongegrond zijn verklaard.

4.1.4

Hierna worden de in het beroepschrift genoemde grieven 2, 3 en 4 een voor een besproken en beoordeeld. Per grief wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. De beslissing eindigt met een conclusie.

4.2

Klachtonderdeel II

4.2.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “[Appellant] is van mening dat [verweerder] op onzorgvuldige wijze gerapporteerd heeft in het gezinsplan. Dit blijkt uit de beschrijvende diagnose die over [appellant] is opgenomen [a], de handhaving van deze diagnose [b], de onderbouwing van uitspraken [c] en zonder toestemming van [appellant] zijn er passages over zijn verleden opgenomen [d].”

4.2.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “[Verweerder] heeft in zijn verweer gereflecteerd op zijn handelen en heeft daarbij erkend dat de bronvermelding bij het benoemen van de diagnose en de opgenomen passages beter had gekund en beter had gemoeten. Het College [van Toezicht] is van oordeel dat de bronvermelding in de rapportage onvoldoende is geweest. [Verweerder] heeft overigens erkend dat hij de opgenomen diagnose in de rapportage had moeten aanpassen. Met deze erkenning geeft [verweerder] achteraf blijk van een juist professioneel handelen. Het maakt echter het oordeel van het College [van Toezicht], dat [verweerder] hier onzorgvuldig heeft gehandeld, niet anders. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is gegrond.

Het College [van Toezicht] is over de eventuele toestemming voor het opnemen van passages over het verleden van [appellant] in de rapportage, van oordeel dat hier geen expliciete toestemming van [appellant] voor vereist was. [Verweerder] heeft het recht over omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van [de zoon] op te nemen in de rapportage. Volgens het College [van Toezicht] was het zorgvuldiger geweest indien dit door [verweerder] met [appellant] was besproken maar valt hem geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.” Het College van Toezicht verklaart de klacht deels gegrond en deels ongegrond.”

4.2.3

Appellant voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan, dat onderdeel c van klachtonderdeel 2 ten onrechte niet inhoudelijk is beoordeeld en sub d ten onrechte ongegrond is verklaard.

Klachtonderdeel 2 sub c: onderbouwing van het gezinsplan
In sub c van klachtonderdeel 2 stelt appellant zich op het standpunt dat de uitspraken welke in het gezinsplan door verweerder zijn opgenomen niet goed zijn onderbouwd. Het betreft onder andere het benoemen van de ontwikkelingsbedreiging voor de zoon van appellant, grensoverschrijdend gedrag door appellant en het niet geven van openheid over zijn gesteldheid. Nadat appellant hierover een opmerking maakte, zijn deze punten gewijzigd of verwijderd uit het gezinsplan. Appellant begrijpt dat deze opmerkingen niet zomaar uit het gezinsplan zijn verwijderd en dat hier intern overleg over is geweest. Het verwijtbare handelen betreft volgens appellant echter de onzorgvuldigheid waarmee de informatie in eerste instantie zomaar in het rapport is opgenomen, zonder hiervan een concept versie aan hem toe te sturen. Het gezinsplan lag al bij de rechtbank toen appellant zijn opmerkingen per e-mail kenbaar maakte aan verweerder. Hoewel appellant aangeeft blij te zijn dat er aanpassingen zijn gedaan, benadrukt hij dat de mogelijkheid heeft bestaan dat de rechtbank zou zijn uitgegaan van het oorspronkelijke gezinsplan als appellant geen vraagtekens had gesteld bij hetgeen was opgenomen in het gezinsplan. Appellant stelt zich op het standpunt dat dit geen verslaglegging is conform de beroepsstandaard.

Klachtonderdeel 2 sub d: toestemming voor opnemen van informatie
In sub d van klachtonderdeel 2 oordeelde het College van Toezicht dat geen expliciete toestemming van appellant was vereist voor het opnemen van passages over het verleden van appellant in het gezinsplan. Appellant is van mening dat er een verschil zit tussen het opnemen van informatie die van belang is voor het uitvoeren van de ondertoezichtstelling en het opnemen van een heel gespreksverslag in het gezinsplan. In het bestreden gespreksverslag wordt beschreven wat appellant in het verleden heeft ervaren met zijn ouders, welke informatie naar de mening van appellant niet noodzakelijk is voor een gezinsplan. Er had volstaan kunnen worden met een korte samenvatting of een opmerking over de zorgen/krachten-tabel dat appellant een belaste jeugd heeft gehad en geen contact meer heeft met zijn ouders.

4.2.4

Verweerder is in het verweerschrift alleen ingegaan op de grief met betrekking tot het opnemen van bepaalde passages zonder toestemming van appellant (sub d). Verweerder meent dat het College van Toezicht terecht heeft overwogen dat geen expliciete toestemming van appellant vereist was voor het in het gezinsplan opnemen van, naar verweerders oordeel relevante, passages uit het verleden van appellant. Verweerder geeft wel aan dat het zorgvuldiger was geweest dit wel met appellant te bespreken, maar stelt zich op het standpunt dat het er niet om gaat of het handelen beter had gekund, maar of dit voldeed aan de minimumstandaard. Tijdens de mondelinge behandeling bij het College van Beroep is verweerder nog in gegaan op de verwijten in klachtonderdeel 2 sub c. Verweerder beaamt dat het gehele gezinsplan niet in concept naar appellant is gestuurd, maar stelt dat de motivering van de kernbeslissing om de ondertoezichtstelling te verlengen wel in collegiaal overleg tot stand is gekomen.

4.2.5

Het College van Beroep is van oordeel dat het opnemen in het gezinsplan van de niet onderbouwde uitspraken over appellant onzorgvuldig is geweest en komt tot deze conclusie op grond van het volgende. In artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (hierna te noemen: de Beroepscode) is opgenomen dat de jeugdzorgwerker overlegt met de jeugdige cliënt en/of met diens ouders/opvoeders om tot overeenstemming/instemming te komen over de hulp- en dienstverlening of andere (wettelijk opgelegde) taken. Door het gezinsplan direct op te sturen naar de rechtbank, zonder appellant de mogelijkheid te geven vooraf hier zijn opmerkingen bij te plaatsen, heeft verweerder niet voldoende overleg gevoerd met appellant en daarmee in strijd gehandeld met artikel G van de Beroepscode. Dit volgt ook uit artikel 4.1.3 lid 2 van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat er gewerkt moet worden op basis van een plan waarover is overlegd met de jeugdige en de ouders en dat is afgestemd op de behoeften van de jeugdige. Nu verweerder geen overleg heeft gevoerd met appellant met betrekking tot hetgeen opgenomen werd in het gezinsplan, heeft verweerder niet gehandeld conform artikel 4.1.3 lid 2 van de Jeugdwet.
Verweerder heeft zich tijdens de mondelinge behandeling van het beroep verweerd door aan te voeren dat hij overleg heeft gehad met collega’s en de bestreden uitspraken daarna heeft verwijderd uit het gezinsplan. Het College van Beroep volgt appellant in de stelling dat de herstelactie zoals verweerder die heeft toegepast, niet afdoet aan het feit dat het onzorgvuldig is geweest de opmerkingen in het gezinsplan op te nemen. Niet alleen is het opnemen van de opmerkingen onzorgvuldig geweest, ook had verweerder naar het oordeel van het College van Beroep het concept gezinsplan moeten overleggen aan appellant, alvorens dit naar de rechtbank werd gestuurd. De grief slaagt. Klachtonderdeel (2 sub c) wordt door het College van Beroep gegrond verklaard.

4.2.6

Met betrekking tot klachtonderdeel 2 sub d overweegt het College van Beroep het volgende. Het College van Toezicht heeft deze klacht ongegrond verklaard, met als overweging dat er geen expliciete toestemming van appellant vereist zou zijn om de informatie over het verleden van appellant op te nemen in het gezinsplan. Het College van Toezicht heeft zich hiermee gebaseerd op artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode, waarin is opgenomen dat er geen toestemming noodzakelijk is om vertrouwelijke informatie uit te wisselen in het geval van een (voorbereiding of uitvoering van een) kinderbeschermingsmaatregel. Deze uitzonderingsgrond is volgens het College van Beroep onder meer nader uitgewerkt in de toelichting op artikel 15 lid 1 van het Privacyreglement gecertificeerde instelling (hierna te noemen: het Privacyreglement): “Indien de gecertificeerde instelling een wettelijke plicht of bevoegdheid heeft om inlichtingen aan een derde te verstrekken, is voor die informatieverstrekking geen toestemming van de cliënt vereist. […] Zo heeft de gecertificeerde instelling in het kader van de ondertoezichtstelling de plicht om het plan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter te sturen (artikel 1:265k, tweede lid BW). Hiervoor is dus geen nadere toestemming van de cliënt vereist.” Naar het oordeel van het College van Beroep is het dus een juiste opvatting dat de GI de wettelijke plicht heeft om het gezinsplan toe te sturen aan de kinderrechter. In de toelichting behorend bij artikel 15 lid 1, 2 en 3 van het Privacyreglement is echter ook opgenomen dat moet worden voldaan aan de algemene voorwaarden voor gegevensverwerking: er is een grens aan de soort, de hoeveelheid, en met welk doel de gegevens worden verwerkt. Hierin leest het College van Beroep dat het enkele feit dat er sprake is van een ondertoezichtstelling, nog niet rechtvaardigt dat alle beschikbare informatie zonder toestemming van de cliënt mag worden opgenomen in het gezinsplan. De gegevens mogen alleen zonder toestemming van de cliënt worden gedeeld wanneer het noodzakelijk wordt geacht in het kader van de ondertoezichtstelling, waarbij tevens van belang is dat alleen relevante gegevens worden verstrekt.

Het College van Beroep stelt zich op het standpunt dat het acceptabel is om enkele korte relevante feiten te benoemen in het kader van de ondertoezichtstelling, maar concludeert dat verweerder in deze casus onvoldoende heeft stilgestaan bij de relevantie en omvang van de tekst die is opgenomen in het gezinsplan. Het College van Beroep is aldus van oordeel dat verweerder in deze casus toestemming had moeten vragen aan appellant voor het opnemen van de informatie over het verleden van appellant. Het College van Beroep komt tot de slotsom dat de uitzonderingsgrond van artikel J van de Beroepscode niet betekent dat alle beschikbare (persoonlijke) informatie in rapportages mag worden opgenomen en gedeeld zonder dat daaraan een beoordeling vooraf gaat of de informatie noodzakelijk en relevant is voor de onderbouwing voor het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.
De grief van appellant slaagt. Het College van Beroep verklaart klachtonderdeel 2 sub d gegrond en stelt vast dat verweerder hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en artikel 15 lid 1 van het Privacyreglement.

4.3

Klachtonderdeel IV

4.3.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel IV als volgt geformuleerd: “[Appellant] heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat [verweerder] [de zoon] te laat heeft aangemeld bij [instelling] en hierover niet transparant is geweest. In december 2016 heeft [appellant] te horen gekregen dat [de zoon] met de urgentie ‘hoog’ zou worden aangemeld. Uiteindelijk heeft de aanmelding pas op 23 februari 2017 plaatsgevonden.”

4.3.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] is van oordeel dat de wijze van communiceren door [verweerder] over de aanmelding van [de zoon] bij [instelling] niet transparant is geweest. [Verweerder] heeft ter zitting nogmaals gereflecteerd op zijn handelen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij op een bepaald moment niet toe durfde te geven dat de aanmelding nog niet had plaatsgevonden. Het College [van Toezicht] acht dit handelen van [verweerder] niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de jeugdzorg, en wijze waarop de informatievoorziening richting [appellant] had moeten plaatsvinden. Op grond van het voorgaande komt het College [van Toezicht] dan ook tot de slotsom dat [verweerder] met betrekking tot dit gedeelte van het klachtonderdeel een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Voor wat betreft het deel van de klacht dat toeziet op de lange duur voordat de aanmelding bij [instelling] overweegt het College [van Toezicht] het volgende. Nadat het aanmelden in december even is blijven liggen bij [verweerder], bleek vervolgens dat er bepaalde stappen gezet moesten worden voordat de aanmelding daadwerkelijk plaats kon vinden. Na het gesprek van eind januari 2017 is er een periode van ongeveer drie weken verstreken tot de daadwerkelijke aanmelding bij [instelling]. De periode tussen de mededeling dat [de zoon] bij [instelling] zou worden aangemeld en de daadwerkelijke aanmelding medio februari 2017 acht het College [van Toezicht] niet tuchtrechtelijk verwijtbaar lang. Het was beter geweest als [verweerder] reeds in december stappen met betrekking tot de aanmelding had genomen, zodat hij eerder had geweten, èn gelijk had kunnen communiceren met [appellant], wat er allemaal voor de aanmelding moest gebeuren. Nu het bij de tuchtrechtelijke toetsing er niet om gaat of het professioneel handelen beter had gekund, maar of het binnen de grenzen is gebleven van een redelijk bekwame beroepsuitoefening valt [verweerder] geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.” Het College van Toezicht verklaart de klacht deels gegrond en deels ongegrond.

4.3.3

Appellant voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat de termijn waarbinnen de zoon van appellant werd aangemeld bij [instelling], niet tuchtrechtelijk verwijtbaar lang is geweest. In december 2016 zou de zoon al worden aangemeld bij [instelling] en het College van Toezicht benoemt ook in de beslissing dat het beter was geweest als in december 2016 al stappen waren gezet zodat eerder bekend was geweest wat er allemaal voor de aanmelding moest gebeuren. Appellant benadrukt nogmaals dat zijn zoon zou worden aangemeld met de status ‘urgent’. Juist omdat de aanmelding volgens verweerder pas op 26 januari 2017 gedaan had kunnen worden, onder andere omdat de hulpvraag nog op schrift moest worden gesteld, acht appellant het wel degelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar dat dit vervolgens, wegens drukte zoals verweerder heeft aangegeven, pas op 23 februari 2017 is gebeurd.

4.3.4

Verweerder is van mening dat de periode van drie weken tussen het gesprek van 26 januari 2017 en de aanmelding bij [instelling] niet tuchtrechtelijk verwijtbaar lang kan worden geacht. Ook hier geldt dat het beter was geweest om al eerder stappen te nemen, maar bepalend is of verweerder hier een ondergrens is overschreden en dat is niet het geval, zo stelt verweerder.

4.3.5

Het College van Beroep staat allereerst stil bij het feit dat de zoon van appellant met urgentie “hoog” zou worden aangemeld. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft het College van Beroep beide partijen bevraagd wat de urgentie “hoog” feitelijk zou moeten betekenen. Verweerder gaf hierop aan dat urgentie betekent dat iets binnen een week, of maximaal twee weken, zou moeten gebeuren. Appellant heeft dit tijdens de mondelinge behandeling van het beroep beaamd.

Het College van Beroep stelt vervolgens vast dat het College van Toezicht dit klachtonderdeel heeft beoordeeld door vast te stellen dat de aanmelding van de zoon vanaf 26 januari 2017 kon worden gedaan en dat het daarna drie weken heeft geduurd voordat de zoon daadwerkelijk werd aangemeld bij [instelling]. Deze periode van drie weken acht het College van Toezicht niet tuchtrechtelijk verwijtbaar lang.

Niet alleen op dit punt is het College van Beroep een ander oordeel toegedaan, maar ook wat betreft de datum vanaf wanneer verweerder actie had kunnen en moeten ondernemen, wijkt het College van Beroep af van het oordeel van het College van Toezicht.

In december 2016 is ter sprake gekomen dat de zoon moest worden aangemeld bij [instelling]. Het College van Beroep is van oordeel dat vanaf dat moment verweerder de aanmelding in gang had moeten zetten. Dat er daarna een periode van feestdagen aan zou vangen, er een hoge werkdruk was en dat verweerder niet goed op de hoogte was dat er een hulpvraag moest worden geformuleerd, doet niet af aan het feit dat wanneer er juist en adequaat zou zijn gehandeld, de aanmeldingsprocedure bij [instelling] al in december 2016 opgestart had kunnen worden. Het College van Beroep is van oordeel dat de aanmelding bij [instelling] te laat is gedaan door verweerder en dat hem hierin een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Bovendien is verweerder, ten aanzien van de termijn waarop de uiteindelijke aanmelding heeft plaatsgevonden, niet transparant geweest tegenover appellant.

De grief van appellant slaagt. Het College van Beroep verklaart klachtonderdeel IV gegrond. Het College van Beroep acht dit handelen c.q. nalaten een schending van artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en artikel N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

4.4

Conclusie

4.4.1

Het College van Beroep komt tot de conclusie dat de grieven 2, 3 en 4 van appellant slagen, waardoor nu in totaal de klachtonderdelen I (deels), II, III en IV gegrond zijn verklaard. Het College van Toezicht heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het College van Beroep stelt vast dat in beroep de klacht op meerdere (en in totaal bijna alle) klachtonderdelen gegrond is verklaard.

4.4.2

Het College van Beroep is van oordeel dat de gegrond verklaarde klachtonderdelen van essentieel belang zijn in deze casus, en dat hiermee een zeer ernstige inbreuk op meerdere normen uit de professionele standaard is gemaakt. Zo heeft verweerder onvoldoende de regie genomen (klachtonderdeel I), is de bronvermelding onvoldoende geweest (klachtonderdeel II sub a), heeft hij een concept gezinsplan naar de rechtbank gestuurd zonder dit vooraf aan appellant toe te sturen (klachtonderdeel II sub c), heeft verweerder hier persoonlijke informatie in opgenomen zonder toestemming te vragen aan appellant (klachtonderdeel II sub d), heeft verweerder een onjuiste aanname gedaan zonder deze te controleren (klachtonderdeel III), en tenslotte heeft verweerder te lang gewacht met het aanmelden bij [instelling] en is hierover niet transparant geweest tegen appellant (klachtonderdeel IV).

4.4.3

Op grond van de beoordeling van alle klachtonderdelen concludeert het College van Beroep dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (overeenstemming omtrent hulpverlening), J (vertrouwelijkheid), N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode en dat hij zich tevens niet heeft gehouden aan de regels als opgenomen in artikel 4.3.1 Jeugdwet en artikel 15 lid 1 van het Privacyreglement.

4.4.4

Het College van Beroep stelt zich op het standpunt dat dit handelen ernstig schadelijk is geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening (artikel D van de Beroepscode) en dat dit tevens aanmerkelijk nadeel heeft opgeleverd ten opzichte van appellant en mogelijk zijn zoon. Dit valt verweerder ernstig te verwijten, met name dat hij over belangrijke kwesties niet transparant is geweest naar appellant en dat hij zowel intern als extern onvoldoende de samenwerking heeft gezocht.
Het College van Beroep waardeert het dat verweerder tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft gereflecteerd op zijn handelen en zelf aangegeven heeft dat zijn handelen ver onder de maat was. Het College van Beroep ziet echter ook een jeugdbeschermer die ten tijde van zijn handelen de regie is kwijtgeraakt, daar onvoldoende tijdig en adequaat op heeft gereageerd en ook tijdens de uitvoering van de ondertoezichtstelling onvoldoende gereflecteerd heeft op zijn handelen en dit handelen onvoldoende getoetst heeft bij collega’s. Het College van Beroep neemt daarbij in overweging dat verweerder niet tijdig heeft ingezien dat zijn handelen schadelijk is geweest voor het verloop van de ondertoezichtstelling.

4.4.5

Verweerder heeft in de ogen van het College van Beroep onder de maat gepresteerd en het College van Beroep acht het niet verantwoord wanneer verweerder op deze zelfde manier door blijft werken. Verweerder heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aangegeven op welke punten hij zelf al aan de slag is gegaan om zijn handelen te verbeteren: zo volgt hij een cursus time-management en krijgt hij mentorbegeleiding vanuit de GI. Het College van Beroep ziet daarin wel de bereidheid van verweerder om zich verder te bekwamen, maar in de onderhavige ondertoezichtstelling heeft verweerder de uitwerking van zijn handelen onvoldoende overzien. Het enkele feit dat verweerder met de kennis van nu erkent dat hij bepaalde zaken op verkeerde wijze heeft uitgevoerd doet hier niet aan af: ook is van belang dat een jeugdprofessional inziet op welke manier wel gehandeld had moeten worden. Die inzichten heeft het College van Beroep bij verweerder gemist.

4.4.6

Het College van Beroep heeft vastgesteld dat verweerder enkele fouten heeft erkend, maar acht het noodzakelijk dat verweerder zijn beroepsnormen ontwikkelt door intensievere begeleiding te krijgen, die behulpzaam wordt geacht in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het College van Beroep stelt vast dat verweerder deze stappen dient te zetten door middel van een supervisietraject. Daarbij acht het College van Beroep van belang dat geborgd wordt dat verweerder dit traject daadwerkelijk en met goed gevolg aflegt. Om deze reden legt het College van Beroep de maatregel van voorwaardelijke schorsing aan verweerder op.
Ter voorkoming van een schorsing dient verweerder een gecertificeerd supervisietraject te volgen bij de Landelijke Vereniging Supervisie en Coaching (LVSC) met de onderwerpen ‘reflectief handelen’, ‘omgaan met cliënten’ en ’tijdig signaleren van knelpunten’. De schorsing treedt in werking wanneer verweerder nalaat om aan het bestuur van SKJ binnen een jaar nadat deze beslissing is verstuurd een LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname aan het supervisietraject te overleggen.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel II sub c en sub d en klachtonderdeel IV alsnog gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 9 mei 2018;
– legt aan verweerder, onder intrekking van de maatregel van waarschuwing, de maatregel van voorwaardelijke schorsing op.

Deze schorsing treedt in werking en duurt één jaar als verweerder nalaat om binnen een jaar na de datum van deze beslissing een door een LVSC-geregistreerde supervisor ondertekende supervisieverklaring te overleggen aan het bestuur van SKJ, als bewijs van deelname aan het supervisietraject.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 19 november 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen,
voorzitter

mevrouw mr. R.A.E. Thijssen,
secretaris