De raadsonderzoeker heeft een eenzijdig en onvolledig raadsonderzoek opgesteld, ten onrechte een bericht van de vader doorgestuurd naar de moeder, en de schijn van partijdigheid opgewekt.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
de heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot,
mevrouw I. de Jongh-Stols, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, (locatie: [vestigingsplaats]), hierna te noemen: de Raad.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer Sardjoe, werkzaam bij Wigman Sardjoe & Van Weegberg Advocaten te Den Haag.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam bij Suez Advocaten te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift binnengekomen op 17 april 2017, met de bijlagen en de aanvulling(en) hierop van
1 juni 2017 en 13 juni 2017;
– het verweerschrift binnengekomen op 25 juli 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 22 september 2017. Klager is apart van beklaagde, in aanwezigheid van zijn gemachtigde en de gemachtigde van beklaagde, gehoord. Beklaagde is vervolgens, in aanwezigheid van haar gemachtigde en de gemachtigde van klager, gehoord. Bij de mondelinge behandeling van klager waren als toehoorders aan de zijde van klager aanwezig zijn vertrouwenspersoon van AKJ, mevrouw [vertrouwenspersoon], en zijn reclasseringsmedewerker, [reclasseringsmedewerker]. Bij de mondelinge behandeling van beklaagde was als toehoorder aan de zijde van beklaagde aanwezig haar teamleider, [teamleider].

1.3

Aan partijen is aan het begin van beide hoorzittingen door de voorzitter medegedeeld dat zij tot en met 2 oktober 2017 schriftelijk mogen reageren op inhoudelijke punten die tijdens de mondelinge behandeling met de andere partij hebben plaats gevonden, indien daar na overleg met de betreffende cliënt aanleiding voor bestaat. Gemachtigden hebben aan het einde van de hoorzitting van de andere partij kort de gelegenheid gekregen om te reageren. Aan het einde van de hoorzittingen heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige kinderen: [jeugdige1] ([geboortedatum]) en [jeugdige2] ([geboortedatum]), hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en ex-partner, de moeder van de kinderen, zijn sinds december 2014 uit elkaar. Moeder is belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij moeder.

2.3

In het (door partijen ondertekende) proces-verbaal van de rechtbank [vestigingsplaats] van 15 september 2015 is een afspraak tussen partijen over een omgangsregeling opgenomen voor klager met de kinderen. Ook is opgenomen dat partijen, klager en moeder, op geen enkele wijze over en weer contact met elkaar zullen opnemen behoudens voor zover noodzakelijk is in het belang van de omgangsregeling.

2.4

Bij beschikking van de rechtbank [vestigingsplaats] van 28 oktober 2015 is de omgangsregeling, zoals in het proces-verbaal is overeengekomen, bevestigd en slechts uitgebreid voor de vakanties en de feestdagen. Klager heeft met de kinderen omgang van één weekend per veertien dagen, van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18:30 uur.

2.5

  • Bij dezelfde beschikking van de rechtbank [vestigingsplaats] van 28 oktober 2015 heeft de rechter de Raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de volgende vragen:
    Is gezamenlijk gezag van de moeder en klager in het belang van de kinderen?
  • Op welke wijze kunnen de belemmeringen in de communicatie tussen de moeder en klager worden verminderd? Is er kans dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt?

2.6

Beklaagde is werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad en sinds het verzoek van de rechtbank belast met de uitvoering van het raadsonderzoek.

2.7

Op 20 november 2015 is beklaagde gestart met het onderzoek vanuit de Raad. Op 15 december 2015 heeft het kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen klager en beklaagde.

2.8

Op 15 januari 2016 is de conceptrapportage naar klager en moeder gestuurd. Op 22 januari 2016 is de definitieve rapportage gestuurd en het raadsonderzoek afgerond. Voorts is een beschermingsonderzoek in gang gezet en op 4 maart 2016 door beklaagde afgerond.

2.9

Op 13 december 2016 heeft klager bij de klachtencommissie van de Raad een klacht ingediend. Op 16 februari 2017 heeft de klachtencommissie van de Raad de beslissing aan klager gestuurd.

2.10

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:

3.1.1

Beklaagde heeft een onvolledig en eenzijdig raadsrapport opgesteld, door niets op te nemen over het niet nakomen van de omgangsregeling en de rol van moeder hierin. In plaats daarvan wordt er veel aandacht besteed aan het incident dat zou hebben plaatsgevonden waardoor klager in een kwaad daglicht wordt gezet.

Op 15 januari 2016 heeft beklaagde de conceptrapportage aan klager gestuurd. Klager heeft aangegeven dat op het punt van de omgang het rapport onvolledig is. In het definitieve raadsrapport van 22 januari 2016 is door beklaagde niets opgenomen over het niet nakomen van de omgangregeling door moeder, ondanks het verzoek van klager.

3.1.2

Beklaagde heeft, door de wijze van onderzoek en het opstellen van het raadsrapport, de door de rechtbank onder 2.5 genoemde onderzoeksvragen niet zorgvuldig beantwoord. Er is onvoldoende naar het verhaal van klager gekeken en niet benoemd wordt dat moeder de omgangsafspraken niet nakomt.

3.1.3

Beklaagde heeft in het definitieve raadsrapport van 22 januari 2016 de reactie van klager op de conceptrapportage niet vermeld en/of toegevoegd. Op 15 januari 2016 heeft klager meerdere
e-mailberichten gestuurd met zijn reactie op het concept raadsrapport. Door het niet opnemen van de mening van klager heeft de rechter op basis van onvolledige informatie een beslissing genomen.

In de klachtenbeslissing van de Raad van 16 februari 2017 is beslist dat de strekking van de
e-mailberichten van klager aan het einde van het raadsrapport vermeld hadden moeten worden.

3.1.4

Beklaagde heeft het e-mailbericht van 15 januari 2016 van klager, aan beklaagde gericht, doorgestuurd aan moeder zonder toestemming en/of medeweten van klager. Op basis van het doorgestuurde e-mailbericht heeft moeder aangifte gedaan van bedreiging.

3.1.5

Beklaagde heeft, door aangifte te doen van bedreiging, disproportioneel gereageerd op de e-mailberichten van 15 januari 2016 en 28 februari 2016 van klager. Uit de strekking van de
e-mailberichten had beklaagde moeten opmaken dat klager gefrustreerd is en had zij met hem in gesprek kunnen gaan. Wanneer klager erkenning had gekregen voor de reden van zijn boosheid, had hij zijn emotionele e-mailbericht niet gestuurd. Het is niet bedoeld geweest als bedreiging, maar een manier van uiten van zijn frustraties over het niet serieus genomen worden.

3.1.6

Beklaagde wekt de indruk onvoldoende deskundig te zijn in haar functie als raadsonderzoeker door de gepubliceerde video van 6 mei 2013. Hierdoor is het vertrouwen van klager in beklaagde en de Raad teniet gedaan.

3.1.7

Beklaagde heeft de schijn van vooringenomenheid gewekt. Voor de onderbouwing verwijst klager naar de klachten hierboven benoemd onder punt I, II, III en IV.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.1.1, 4.1.2, 4.1.3

De klachtonderdelen I, II en III hebben een overlap waardoor beklaagde hierop gezamenlijk verweer voert. Beklaagde herkent zich niet in het opstellen van een onvolledig en eenzijdig raadsrapport. Er is geen sprake van een eenzijdige en/of onvolledige beantwoording op de vragen van de rechtbank. Beklaagde betreurt dat het kennelijk op klager is overgekomen dat zijn standpunt onvoldoende is meegenomen.

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat zij zich in het gesprek met beide ouders alsook in het raadsrapport niet partijdig heeft opgesteld dan wel partijdig heeft uitgelaten. Zo heeft zij van beide ouders hun visie in het raadsrapport vermeld. Er is opgenomen dat beide ouders bezig lijken te zijn met het halen van hun gelijk en minder gericht zijn op de toekomst en de mogelijkheden die zij bezitten en die kunnen worden ingezet, teneinde goede ouders voor de kinderen te zijn. Ook is benoemd dat moeder het moeilijk lijkt te vinden om klager een rol te gunnen in de opvoeding en dat zij spreekt over de boosheid van klager. Over klager is opgenomen dat hij erkent boos te zijn, maar dit doet uit frustratie over de situatie. Ten aanzien van een aantal e-mailberichten van klager, waarvan beklaagde in het raadsrapport geen melding heeft gemaakt, merkt beklaagde op dat zij zich niet meer precies kan herinneren welke afwegingen het onderzoeksteam hierin heeft gemaakt. Er is in het licht van de onderzoeksvragen van de rechtbank afgewogen in hoeverre het toevoegen hiervan, ook gezien de toon van klager in sommige e-mailberichten, noodzakelijk was voor de rapportage. Beklaagde heeft in ieder geval het oordeel van de regiodirecteur in de klachtbeslissing hierover ten harte genomen.

4.1.4

Bij de start van het traject was al sprake van een verstoorde communicatie tussen klager en moeder. Beklaagde heeft er daarom voor gekozen haar e-mailberichten in het kader van transparantie zoveel als mogelijk aan beide ouders gezamenlijk te richten.
Klager wekt in dit klachtonderdeel de indruk dat de moeder vanwege de door haar doorgestuurde e-mail van 15 januari 2016 aangifte heeft gedaan bij de politie van bedreiging. Hierbij gaat klager volgens beklaagde volledig voorbij aan het gegeven dat klager diverse e-mailberichten, met daarin dreigende uitlatingen, ook aan de moeder zelf gestuurd heeft. Het gaat beklaagde dan ook te ver om de door moeder gedane aangifte aan het handelen van beklaagde te wijten.

4.1.5

Het besluit om aangifte te doen is gezamenlijk genomen door het onderzoeksteam en de teamleiders. Door te stellen dat het e-mailbericht niet was bedoeld als bedreiging, maar een manier van uiten van zijn frustratie over het niet serieus genomen voelen, bagatelliseert klager de ernst van zijn uitlatingen en de frequentie waarmee hij dit deed.

Beklaagde hoopt voor klager dat hij kan gaan inzien dat zijn gedrag de communicatie met de moeder niet vergemakkelijkt.

4.1.6

Beklaagde is zich ervan bewust dat zij gezien haar functie en aard van de werkzaamheden voorzichtigheid moet betrachten in het gebruik van social media. Beklaagde heeft dan ook contact gezocht met Google om te betrachten de video te laten verwijderen, maar dit blijkt nog niet zo eenvoudig.

In de betreffende video wordt er gesproken over liegen bij een sollicitatie. Beklaagde heeft echter niet gelogen, maar ervoor gekozen er niets over te zeggen. Dit is haar goed recht. Beklaagde ziet niet in dat door de video de indruk wordt gewekt dat zij niet voldoende deskundig is in haar functie als raadsonderzoeker. Ze werkt inmiddels een aantal jaar bij de Raad en haar aandoening heeft haar tot op heden niet in haar werkzaamheden belemmerd noch heeft zij van haar werkgever teruggekregen dat dat het geval zou zijn.

4.1.7

Beklaagde leest in dit klachtonderdeel een herhaling van de klachtonderdelen I, II en III en verwijst voor haar verweer hierop naar hetgeen zij ten aanzien van deze klachtonderdelen heeft aangevoerd.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

I, II en III

Gezien de samenhang zal het College de klachtonderdelen I, II en III gezamenlijk beoordelen.

Klager stelt dat beklaagde een onvolledig en eenzijdig raadsrapport heeft opgesteld. Het College is naar aanleiding van de ingebrachte stukken en hetgeen er besproken is tijdens de mondelinge behandeling met klager van oordeel dat er sprake is van een eenzijdig en onvolledig raadsrapport.
Enkele voorbeelden die tot deze conclusie hebben geleid zijn: op pagina 7 van bijlage 3 van het klaagschrift is summier benoemd hoe de omgang met kerst en oud en nieuw 2015 is verlopen. Er is weggelaten dat de moeder sinds januari 2016 de omgangsregeling heeft opgeschort. Verder is het College gebleken dat door beklaagde, op pagina 9 van bijlage 3 van het klaagschrift onder de kop “Beantwoording onderzoeksvragen”, wordt gesproken over het bestaan van een contactverbod tussen klager en moeder, terwijl dit slechts de woorden van moeder zijn geweest. Uit de stukken blijkt volgens het College niets van een “contactverbod”. In het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank [vestigingsplaats] van 15 september 2015 hebben partijen afgesproken dat zij op geen enkele wijze over en weer contact met elkaar zullen opnemen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in het belang van de omgangsregeling. Contact in verband met de omgangsregeling was dus toegestaan. De term “contactverbod” wekt naar het oordeel van het College de suggestie dat er sprake is van een door de rechter opgelegd verbod tot contact in plaats van een afspraak tussen partijen (weliswaar overeengekomen bij de rechtbank ter zitting).
Tot slot is naar het oordeel van het College in het opgestelde raadsrapport niet volledig antwoord gegeven op de vragen van de rechtbank. De door de Raad gestelde standaardvragen sluiten niet aan op de vragen van de rechtbank. Beklaagde heeft slechts een weergave van de gevoerde gesprekken opgenomen, en geen eigen analyse daarvan gemaakt. Bovendien blijkt uit het rapport dat klager telkens een reactie is gevraagd op het verhaal dat moeder heeft gegeven. Het eigen verhaal van klager naast het eigen verhaal van moeder komt in het raadsrapport naar het oordeel van het College onvoldoende uit de verf.

Over het opnemen van de reactie van klager in het definitieve raadsrapport heeft de klachtencommissie van de Raad reeds beslist dat de reactie van klager, dan wel de strekking daarvan, aan het raadsrapport had moeten worden toegevoegd. Het College deelt dit oordeel. Indien er aanleiding wordt gezien de reactie van betrokkene weg te laten, bijvoorbeeld vanwege een agressieve toon, dan moet worden vermeld waarom de reactie niet is opgenomen. Eventueel kan worden volstaan met een weergave van de essentie van de reactie. Het geheel weglaten van een reactie, zoals in onderhavig geval is gebeurd, is naar het oordeel van het College geen optie. De rechter dient een zo volledig mogelijk rapport te ontvangen en moet op de hoogte zijn van de gemaakte keuzes en afwegingen daarin.

De klachtonderdelen zijn gegrond.

Ten overvloede merkt het College op dat het haar bevreemdt dat na de uitspraak van de klachtencommissie van de Raad er geen contact is opgenomen met klager. De eerste klacht is immers door de klachtencommissie gegrond verklaard. Het College verwacht dat er in een dergelijk geval altijd een terugkoppeling is naar de klagende partij. Is beklaagde hier zelf niet toe in staat, dan had dat overgelaten kunnen worden aan een teamleider of collega. Ter zitting heeft beklaagde opgemerkt dat de klachtencommissie door de eerste klacht gegrond te verklaren, de klager “een puntje gunt”. Het College wil benadrukken dat beklaagde met een dergelijke uitspraak niet handelt zoals een zorgvuldig handelend jeugdprofessional betaamt.

IV

Klager heeft gesteld dat beklaagde de e-mail van 15 januari 2016 heeft doorgestuurd aan moeder en moeder als gevolg daarvan aangifte tegen klager heeft gedaan. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling, in afwijking van haar verweerschrift, aangevoerd dat zij zich niet kan herinneren dat zij voornoemde e-mail heeft doorgestuurd aan moeder. Echter, voor het College is uit bijlage 21 bij het klaagschrift, inhoudende de tenlastelegging, voldoende vast komen te staan dat de e-mail van 15 januari 2016, bijlage 17 bij het klaagschrift, door beklaagde is doorgestuurd naar moeder. Het primair ten laste gelegde strafbare feit kan worden afgeleid uit de e-mail van 15 januari 2016. Beklaagde valt een tuchtrechtelijk verwijt te maken nu beklaagde niet eerder e-mailberichten heeft doorgestuurd aan moeder. Voorts is niet gebleken dat er afspraken zijn gemaakt door beklaagde over het over en weer doorsturen van e-mailberichten van klager naar moeder en omgekeerd. Beklaagde had moeten inzien dat het niet gepast zou zijn wanneer zij de betreffende e-mail zou doorsturen aan moeder, zonder hierover met klager te communiceren. Of moeder naar aanleiding van de juist deze e-mail aangifte heeft gedaan, is niet relevant.

Het klachtonderdeel is gegrond voor wat betreft het feit dat de e-mail is doorgestuurd zonder dat hierover is gecommuniceerd met klager.

V

Het College overweegt dat klager geen invloed kan hebben op de beslissing van beklaagde om wel of niet aangifte te doen naar aanleiding van de gestuurde e-mailberichten door klager. Klager dient in te zien dat de keuze die beklaagde heeft gemaakt nu eenmaal de consequentie kan zijn van het sturen van bedreigende e-mailberichten. Het College is van oordeel dat het beklaagde haar recht is om aangifte te doen en zij, als College, daar geen oordeel over kan geven.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

VI

Nu klager dit klachtonderdeel niet verder heeft onderbouwd met feiten en omstandigheden, kan het College niet vaststellen of beklaagde de indruk wekt onvoldoende deskundig te zijn voor haar functie als raadsonderzoeker.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

VII

Klager heeft gesteld dat beklaagde, door de wijze waarop zij het raadsrapport heeft opgesteld, een mogelijke schijn van partijdigheid heeft gewekt.

Het College acht het de verantwoordelijkheid van beklaagde om zowel klager als moeder voldoende ruimte te geven om zijn of haar zienswijze in het raadsrapport naar voren te brengen. Ook dient beklaagde ervoor te zorgen dat de reactie van zowel moeder als klager wordt toegevoegd aan het definitieve raadsrapport. Gebeurt dat niet, dan dient wel benoemd te worden waarom de reactie van één of beide partijen is weggelaten.
In dit geval heeft beklaagde slechts het verhaal van moeder in het raadsrapport opgenomen, het in het raadsrapport door beklaagde weergegeven verhaal van klager is slechts een reactie daarop, niet het zelfstandige verhaal van klager. Zoals hiervoor vermeld, is de reactie van klager op het raadsrapport – onbenoemd – niet aan het rapport toegevoegd.

Nu beklaagde zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven dat de rapportage een weergave is geweest van de gevoerde gesprekken en klager het gevoel heeft gehad onvoldoende ruimte te hebben gekregen om zijn zienswijze in het raadsrapport naar voren te laten komen, is het College van oordeel dat beklaagde onvoldoende heeft weerlegd dat er in combinatie met de klachtonderdelen I, II en III sprake is van een schijn van vooringenomenheid.

Het klachtonderdeel is gegrond.

5.3

Bij de vraag of en zo ja welke maatregel passend is, weegt het College de aard, de ernst en de mate van verwijtbaarheid van het handelen van de raadsonderzoeker, alsmede de mate waarin beklaagde tijdens de procedure blijk heeft gegeven in staat te zijn te reflecteren op het eigen professioneel handelen en op het handelen in samenwerking met anderen af.

De klachten I, II, III, IV en VII zijn, zoals uit het voorgaande blijkt, gegrond. Beklaagde heeft een onvolledig en eenzijdig raadsrapport opgesteld, de door de rechtbank benoemde vragen onvolledig beantwoord, de reactie van klager niet verwerkt in het definitieve raadsrapport van 22 januari 2016, de e-mail van 15 januari 2016 doorgestuurd aan moeder en (daardoor) de schijn van vooringenomenheid gewekt. Hiermee heeft zij in strijd gehandeld met artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Ten overvloede merkt het College op dat het haar bevreemdt dat beklaagde het indienen van één of twee klachten bij een erkende klachtencommissie ziet als stalking. Het College wil benadrukken dat zij deze visie niet deelt. Het recht om een klacht in te dienen bij een erkende klachtencommissie kan klager niet worden ontnomen, ook niet indien, zoals in onderhavige zaak, sprake is van een aan klager opgelegd verbod tot contact met beklaagde.

Hoewel beklaagde heeft aangegeven van iedere casus iets te leren, heeft zij desgevraagd niet aan kunnen geven wat zij specifiek heeft geleerd van deze casus. Beklaagde heeft geen blijk gegeven van een kritische blik op haar handelen. Met name het feit dat beklaagde ter zitting heeft aangegeven dat zij de gegrondverklaring van de klacht door de klachtencommissie bij de Raad ervaart als “een puntje gunnen aan klager” weegt het College mee in dit verband. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, waarbij ook in acht is genomen het feit dat klager zich emotioneel heeft geuit op een wijze die blijkbaar voor beklaagde direct bedreigend over is gekomen, acht het College de maatregel van berisping passend en geboden.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen V en VI ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen I, II, III, IV en VII gegrond;
– legt aan beklaagde op een berisping.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 17 november 2017 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                   mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                            secretaris