Klacht tegen raadsonderzoeker omtrent het niet neutraal zijn in een raadsonderzoek en het schrijven van een gekleurd rapport.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,
de heer E.H. Weise, lid-beroepsgenoot,
de heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming (locatie: [locatie]), hierna te noemen: de RvdK.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

De gemachtigde van klaagster, [vertrouwenspersoon], werkzaam als vertrouwenspersoon bij […] staat klaagster bij in deze zaak.

De gemachtigde van beklaagde, mevrouw mr. E. Lam, is werkzaam als Advocaat bij Suez Advocaten te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met bijlagen ontvangen op 4 januari 2018;
– het aanvullend klaagschrift met bijlagen ontvangen op 18 februari 2018;
– het verweerschrift met bijlagen ontvangen op 13 april 2018;
– de pleitnotitie van klaagster bij de mondelinge behandeling van 31 mei 2018.

1.2

De mondelinge behandeling met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht heeft plaatsgevonden op 31 mei 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde, […] als gemachtigde van klaagster en de hiervoor genoemde gemachtigde van beklaagde.

De mondelinge behandeling van de inhoudelijke klacht heeft plaatsgevonden op 20 juni 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder aan de zijde van klaagster is een vriendin aanwezig geweest. Als toehoorder aan de zijde van beklaagde is een gedragsdeskundige aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling op 20 juni 2018 heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende relevante feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van een minderjarige dochter, geboren in 2007.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, hierna te noemen: vader, zijn uit elkaar. Klaagster is tot 22 augustus 2017 belast geweest met eenhoofdig gezag. Sinds 22 augustus 2017 hebben klaagster en vader gezamenlijk gezag. De hoofdverblijfplaats van de dochter is bij klaagster.

2.3

De vader heeft op 4 december 2013 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend over het gezag en de omgang met zijn dochter.

2.4

Op 12 januari 2015 heeft de rechtbank de RvdK verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor gezamenlijk gezag en een passende omgangsregeling tussen de vader en zijn dochter.

2.5

Beklaagde is werkzaam als raadsonderzoeker bij de RvdK en sinds het verzoek tot onderzoek belast met de uitvoering van het onderzoek. Het raadsonderzoek is op 18 maart 2015 gestart.

2.6

Op 2 april 2015 is er tussen klaagster en beklaagde een kennismakingsgesprek geweest. Op 9 april 2015 heeft beklaagde, in aanwezigheid van klaagster, een kennismakingsgesprek met de dochter gehad.

2.7

Beklaagde is op 20 april 2015 op huisbezoek bij vader geweest.

2.8

Op 21 april 2015 heeft beklaagde, op school, een gesprek met de dochter gehad.

2.9

Klaagster laat op 24 april 2015 weten dat beklaagde desgewenst contact kan opnemen met de jeugdpsychiater van de dochter.

2.10

Op 13 mei 2015 is het concept-raadsrapport in een tweetal aparte gesprekken met klaagster en met vader besproken. Beklaagde heeft op 20 mei 2015 het advies dat is opgenomen in het raadsrapport besproken met de dochter.

2.11

Klaagster heeft op 20 mei 2015 een reactie gestuurd op het concept-raadsrapport. De reactie van klaagster is toegevoegd aan het definitieve raadsrapport.

2.12

Op 21 mei 2015 is het raadsrapport definitief gemaakt. Kort samengevat is het advies van de RvdK om vader mede te belasten met het gezag en toe te werken naar een onbegeleide omgang.

2.13

Bij beschikking van de rechtbank van 2 november 2015 is besloten dat vader gerechtigd is tot begeleide contactmomenten met zijn dochter in [de instelling] te [locatie]. De beslissing over het gezag en de definitieve omgangsregeling is pro forma aangehouden tot 26 april 2016.

2.14

Klaagster heeft op 11 maart 2016 bij de interne klachtencommissie van de RvdK een klacht ingediend. Op 15 december 2016 heeft de interne klachtencommissie uitspraak gedaan. Op 23 januari 2017 heeft klaagster de klachten voorgelegd aan de externe klachtencommissie van de RvdK. De externe klachtencommissie heeft op 8 mei 2017 uitspraak gedaan. De klachten zijn deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Op 6 juni 2017 heeft klaagster een reactie van de RvdK ontvangen met betrekking tot de gegronde klachtonderdelen waarin is benoemd welke gevolgen er aan de gegronde klachten worden verbonden.

2.15

Bij beschikking van de rechtbank van 22 augustus 2017 is besloten dat het gezag aan klaagster en vader gezamenlijk wordt toegekend en is een omgangsregeling vastgesteld. Vader heeft eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 tot zondag 18:00 en de helft van de vakantie- en feestdagen omgang. Klaagster heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld.

2.16

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 Beoordeling ontvankelijkheid

3.1

Beklaagde heeft in haar verweer een beroep gedaan op artikel 7.13 Tuchtreglement. De klachten zoals deze bij het SKJ zijn ingediend zijn eerder voorgelegd aan de interne klachtencommissie en de onafhankelijke externe klachtencommissie van de RvdK. De klachten zijn reeds uitgebreid behandeld bij beide commissies en deels gegrond verklaard. Vanuit de RvdK is aan klaagster te kennen gegeven welke lessen de organisatie uit de gegronde klachten trekt. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat er reeds in een met voldoende waarborgen omklede procedure op de klachten van klaagster is beslist.

3.2

Klaagster heeft uiteengezet dat de eerder ingediende klachten bij de interne- en externe klachtencommissie gericht zijn tegen de organisatie. Bij een gegronde klacht heeft dit gevolgen voor de organisatie en niet voor de jeugdprofessional zelf. Wanneer de RvdK de klacht inhoudelijk voldoende onderzocht had en consequenties aan het handelen van beklaagde had verbonden, zou een behandeling door het Tuchtcollege dubbelop zijn geweest. De RvdK heeft echter niet onderzocht of het (wisselende) verhaal van beklaagde correct is en wekt door haar handelwijze op klaagster de indruk de klacht zo klein mogelijk te willen houden. Ook heeft klaagster aangevoerd dat beklaagde nooit haar verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar houding en uitingen. Dit maakt dat klaagster een klacht heeft ingediend bij het SKJ.

3.3

Ter beoordeling van het College ligt de vraag voor of de door klaagster gevoerde klachtprocedure bij de interne en externe klachtenprocedure van de RvdK een met voldoende waarborgen omklede procedure is als bedoeld in artikel 7.13 Tuchtreglement. Het College overweegt dat met deze bepaling bedoeld moet zijn dat een klager met een beslissing genomen in een andere, formele, rechtsgang reeds voldoende zijn recht heeft laten gelden. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de gang naar de externe klachtencommissie van de RvdK een onafhankelijke procedure is die is ingesteld bij besluit in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht. Het College is echter van oordeel dat de procedure bij de klachtencommissie van de RvdK een ander doel dient dan de onderhavige tuchtprocedure. Waar het bij de klachtenprocedure van de RvdK kan gaan om gedragingen welke aan de hand van het Kwaliteitskader en protocollen wordt beoordeeld, staat bij het tuchtrecht het handelen van de jeugdprofessional centraal, welke aan de hand van de professionele standaard wordt beoordeeld. In een procedure bij het Tuchtcollege staat de kwaliteit van het handelen van de jeugdprofessional in het jeugddomein jegens betrokkenen centraal. Het doel is de kwaliteit van het handelen van de individuele jeugdprofessional ten behoeve van de betrokkenen te bewaken en de jeugdprofessional kan leren en zichzelf kan verbeteren. Een beslissing van het Tuchtcollege heeft alleen te gelden ten opzichte van de beklaagde jeugdprofessional en bovendien kan er bij een gegrond bevonden klacht een maatregel opgelegd worden, die gevolgen kan hebben voor de registratie van de jeugdprofessional. Dit karakter ontbreekt bij de eerder gevolgde procedures bij de klachtcommissie van de RvdK. Voor zover hier van belang heeft de bedoelde bepaling naar het oordeel van het College met name betrekking op vergelijkbare tuchtrechtelijke procedures. Indien over een klacht die naar aard en inhoud dezelfde strekking heeft reeds aan een vergelijkbaar Tuchtcollege is voorgelegd, kan dat gevolgen hebben voor de procedure bij het SKJ. Van deze situatie is hier geen sprake. Hoewel het College begrijpt dat het voor beklaagde belastend is om bij diverse instanties zich te moeten verweren met betrekking tot dezelfde gebeurtenis, kan dat niet afdoen aan het feit dat deze procedures naast elkaar bestaan en een verschillend doel dienen met een verschillende beoordelingsbevoegdheid. Dit in overweging genomen oordeelt het College dat een procedure bij een klachtencommissie niet een met voldoende waarborgen omklede procedure betreft die op hetzelfde doel toeziet als de procedure bij het SKJ.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

4.2 Klachtonderdeel I

4.2.1

Klaagster stelt dat beklaagde het raadsonderzoek niet neutraal is gestart. De houding van beklaagde heeft ervoor gezorgd dat de interactie onder druk is komen te staan. Beklaagde is druk bezig geweest met het bepalen van haar eigen positie en heeft zichzelf geprofileerd. Klaagster heeft het als een machtsstrijd ervaren. Voor klaagster blijkt dit onder andere uit de ongepaste opmerking die beklaagde heeft gemaakt bij de start van het raadsonderzoek. Ook heeft beklaagde gedurende het raadsonderzoek haar ongetoetste visie uitgesproken. Tot slot heeft zij uitspraken gedaan om haar macht te benadrukken.

4.2.2

Beklaagde betwist dat zij het raadsonderzoek niet neutraal is gestart. Het raakt beklaagde dat klaagster dergelijke verwijten maakt. Beklaagde is het onderzoek onbevooroordeeld gestart, is niet uitgegaan van ouderverstoting en heeft ook tijdens het onderzoek een neutrale positie ingenomen waarbij het belang van de dochter altijd voorop heeft gestaan. Tijdens het raadsonderzoek is gebleken dat beklaagde en klaagster van visie verschillen en klaagster het moeilijk vindt om vader te vertrouwen. De RvdK heeft echter geen aanleiding gezien om negatief op het verzoek van vader te adviseren. Bij het advies heeft beklaagde oog gehouden voor de visie van klaagster waardoor ze heeft gekozen voor een geleidelijke opbouw van de omgangsregeling.

Beklaagde realiseert zich dat zij een opmerking heeft gemaakt, die zij niet had moeten en mogen maken.
Ter zitting heeft beklaagde ontkent daarbij een discriminatoire bedoeling te hebben gehad. Hiervoor heeft zij verschillende keren haar excuses aangeboden en heeft hierover met klaagster in gesprek willen gaan. Klaagster heeft daar om moverende redenen geen gebruik van willen maken. Direct nadat het incident heeft plaatsgevonden is beklaagde in gesprek gegaan met een gedragsdeskundige en haar leidinggevende. Ook heeft zij haar uitlating ingebracht bij een intervisiebijeenkomst. Beklaagde kan voor de toekomst geen 100% garantie geven, maar acht de kans op herhaling zo goed als uitgesloten.

Beklaagde herkent zich niet in de uitspraken die worden gedaan over het positioneren en profileren. Het is voor beklaagde onduidelijk wat de beweegredenen van klaagster zijn om dergelijke beschuldigingen aan het adres van beklaagde te uiten.

4.2.3

Het College overweegt over de gedane uitspraak het volgende. Vast staat dat beklaagde in ieder geval bij één gelegenheid een uitspraak heeft gedaan over de afkomst van de voormalige partner van klaagster. Over de precieze bewoordingen zijn klaagster en beklaagde het niet eens. Over de strekking ervan zijn beide het eens. Of een dergelijke uitspraak bij een latere gelegenheid is herhaald kan het College niet vaststellen omdat partijen hierover elkaar tegenspreken. Ook zijn in het dossier onvoldoende aanknopingspunten gevonden die voldoende aannemelijk maken dat de uitspraak door beklaagde is herhaald. Beklaagde erkent dat zij een ongepaste uitspraak heeft gedaan. Zij heeft in haar verweer zoals hierboven staat vermeld en tijdens de mondelinge behandeling toegelicht welke acties zij heeft ondernomen. Beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen en toegelicht in het vervolg bij de betrokkene beter na te gaan of er voldoende vertrouwen aanwezig is om verder te gaan met het onderzoek. Het College neemt in de beoordeling van dit gedeelte van het klachtonderdeel mee dat beklaagde heeft laten zien over een voldoende mate van reflectief vermogen te beschikken, reeds bij de Klachtencommissie haar verantwoording heeft afgelegd en ook tijdens de mondelinge behandeling nogmaals heeft erkend wat er is gebeurd en haar excuses nogmaals heeft aangeboden. Het College is daarom van oordeel dat op grond van de geschetste omstandigheden beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

Voor de overige punten van dit klachtonderdeel is het College van oordeel dat klaagster haar standpunten onvoldoende heeft geconcretiseerd en niet heeft onderbouwd met relevante stukken. Hierdoor is voor het College onvoldoende aannemelijk dat beklaagde het raadsonderzoek niet neutraal is gestart, ze bezig is geweest met het bepalen van haar eigen positie dan wel zichzelf zou hebben geprofileerd.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel II

4.3.1

Klaagster stelt dat beklaagde is uitgegaan van een affectieve relatie welke jaren na de geboorte van de dochter is beëindigd. Dit is onjuist. De affectieve relatie tussen klaagster en de vader is twee weken na de geboorte van de dochter beëindigd. Ook zegt beklaagde dat er weinig informatie over de eerste jaren van de dochter beschikbaar is. Terwijl er een uitgebreid rapport van de kinderpsychiater ligt. In het raadsrapport is aangegeven dat de uitslag van dit rapport onbekend is.

4.3.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat na het opstellen van de samenvatting deze is voorgelegd aan klaagster. Klaagster heeft toen niet aangegeven dat er onjuistheden in waren opgenomen. In de e-mail van 20 mei 2015 heeft klaagster op het gehele raadsrapport gereageerd. In deze e-mail heeft klaagster aangegeven dat de affectieve relatie met vader twee weken na de geboorte is beëindigd. De e-mail is toegevoegd aan het raadsrapport. Op basis van beschikbare processtukken wordt de juridische voorgeschiedenis in een concept-raadsrapport bepaald en opgesteld. Voor het onderzoek is de datum verder ook niet relevant geweest, van belang was het gegeven dat de dochter was erkend en de vader in beeld was.

Het rapport van de kinderpsychiater maakt geen deel uit van de juridische stukken waarop de samenvatting is gebaseerd. Beklaagde heeft daarom ‘uitslag onbekend’ opgenomen. Klaagster heeft tijdens het gesprek van 24 april 2015 aangegeven dat ze vergeten was te vermelden dat de kinderpsychiater als informant benaderd kon worden. Na intern overleg met een gedragsdeskundige is besloten deze niet meer te benaderen, omdat uit het onderzoek voldoende recente informatie beschikbaar was om een afgewogen advies te geven. Dit is vermeld in de rapportage en ook besproken met klaagster.

4.3.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft in haar verweer uiteengezet dat de opgestelde samenvatting is gebaseerd op de beschikbare juridische stukken. Onderdeel van deze stukken is de beschikking van de rechtbank van 12 januari 2015. In deze beschikking is benoemd dat de affectieve relatie in 2012 is beëindigd. Toen de samenvatting de eerste keer is voorgelegd aan klaagster heeft klaagster niet aangegeven dat het opgenomen feit onjuist was. In het e-mailbericht van 20 mei 2015 is aangegeven dat het onjuist was. Deze reactie heeft beklaagde aan het raadsrapport toegevoegd. Beklaagde heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de datum niet heeft aangepast omdat klaagster en vader het op dit punt oneens zijn. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende zorgvuldig gehandeld door zich te baseren op de beschikbare juridische stukken.

Over het opnemen van de opmerking ‘uitslag onbekend’ en het niet gebruiken van de rapportage van de kinderpsychiater overweegt het College het volgende. Beklaagde heeft nadat klaagster kenbaar heeft gemaakt dat deze informatie beschikbaar was overleg gehad. Zij heeft met een gedragsdeskundige beoordeeld of het rapport uit februari 2013 nog moest worden betrokken. Na overleg heeft beklaagde besloten deze informant niet te benaderen. Dit is aan klaagster teruggekoppeld. Beklaagde heeft hierbij een zorgvuldige afweging gemaakt waarbij een weloverwogen besluit is genomen. De formulering in het raadsrapport had zorgvuldiger gekund, zoals beklaagde ook zelf gereflecteerd heeft op haar handelen, maar valt beklaagde niet tuchtrechtelijk te verwijten.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel III

4.4.1

Klaagster is van mening dat beklaagde het raadsrapport op een gekleurde wijze heeft geschreven. Onjuistheden worden onvoldoende aangepast en relevante informatie wordt soms weggelaten.

4.4.2

Beklaagde deelt het standpunt van klaagster niet. Weliswaar zijn er een aantal onzorgvuldigheden gegrond verklaard in de beslissing van de klachtencommissie, maar op basis daarvan kan niet geconcludeerd worden dat het raadsrapport op gekleurde wijze is geschreven, dan wel dat deze invloed zou kunnen hebben op het gegeven advies door de RvdK. Beklaagde is naar aanleiding van de beslissing door de klachtencommissie meer alert geworden op het alleen opnemen van relevante informatie en in bepaalde gevallen uitgebreider te motiveren waarom bepaalde informatie wordt vermeld.

4.4.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling inzicht gegeven in haar handelen tijdens het raadsonderzoek. Zij heeft toegelicht dat de wijze waarop het raadsrapport is opgesteld, de standaard werkwijze op dat moment bij de RvdK was. Beklaagde heeft ook aangegeven altijd multidisciplinair gewerkt te hebben door in overleg te treden met collega’s en een gedragswetenschapper. Naar aanleiding van de reactie op het raadsrapport en het advies gesprek is er een multidisciplinair overleg geweest om te beoordelen of het opgenomen advies moest worden aangepast. Besloten is om te blijven bij het gegeven advies. De rechtbank heeft op basis van het opgestelde raadsrapport een besluit kunnen nemen. Het College is van oordeel dat beklaagde in de formulering van een aantal dingen zorgvuldiger had kunnen zijn. Voor het College zijn echter in het dossier geen verdere aanknopingspunten gevonden om te kunnen oordelen dat beklaagde op gekleurde wijze het raadsrapport heeft geschreven. Beklaagde heeft gereflecteerd op haar eigen raadsrapport en aangegeven in het vervolg zorgvuldiger te zijn in de formulering. Beklaagde is onder de gegeven omstandigheden binnen de grenzen gebleven van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en valt derhalve geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 1 augustus 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                       mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                                secretaris