Klacht tegen jeugdzorgwerker over de wijze waarop de ondertoezichtstelling is uitgevoerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist,
mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot,
de heer W.V.V. Toebosch, lid-beroepsgenoot,
de heer M. Tiessen, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klager], hierna te noemen: klager, wonende te [Woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdzorgwerker bij [GI], hierna te noemen: GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mr. E. Lam, werkzaam als advocaat bij Suez Advocaten te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 25 juni 2017;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 7 juli 2017;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 19 juli 2017;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 11 oktober 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 5 oktober 2017;
– de aanvulling op het verweerschrift ontvangen op 3 november 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 23 november 2017 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder aan de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest […], een collega van beklaagde.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige: [dochter] (geboren op [geboortedatum] 2002), hierna te noemen: [dochter].

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn gescheiden. De verstandhouding tussen klager en moeder is niet goed. Zij hebben deelgenomen aan het traject [traject 1] van [instelling 1] en een [traject 2] van [instelling 2]. De hoofdverblijfplaats van [dochter] is bij moeder vastgesteld. Klager en moeder hebben gezamenlijk gezag over [dochter].

2.3

Klager heeft een omgangsregeling met [dochter]. [dochter] verblijft in de weekenden bij klager.

2.4

Bij beschikking van de rechtbank [vestigingsplaats] d.d. 25 juli 2011 is [dochter] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd, laatstelijk tot 4 januari 2018.

2.5

In de periode eind april 2016 tot en met 28 juli 2016 is wegens onderbezetting geen jeugdzorgwerker bij het gezin van klager betrokken geweest. De bureaudienst van de GI heeft gedurende deze periode werkzaamheden verricht. Klager heeft op 4 juni 2016 klachten ingediend bij de klachtencommissie van de GI. De klachtencommissie van de GI heeft de klachten deels gegrond verklaard.

2.6

Beklaagde is werkzaam als jeugdzorgwerker bij de GI en heeft sinds 29 juli 2016 de ondertoezichtstelling van [dochter] namens de GI uitgevoerd. In eerste instantie was beklaagde alleen het aanspreekpunt voor [dochter]. Vanaf 20 september 2016 is beklaagde ook het aanspreekpunt geworden voor klager en moeder.

2.7

Op 2 december 2016 heeft beklaagde een e-mail gestuurd aan klager en moeder over het voornemen van de GI om de rechtbank te verzoeken het ouderschapsplan (de regeling verdeling zorg- en opvoedtaken) te wijzigen en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) te verzoeken een gezagsonderzoek uit te voeren en de rechtbank hierover te adviseren.

2.8

Op 7 augustus 2017 heeft de GI de RvdK met spoed verzocht om te onderzoeken of er gronden aanwezig zijn voor het beëindigen van het ouderlijk gezag van klager over [dochter]. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het onderzoek van de RvdK bijna is afgerond.

2.9

Op 31 mei 2017 heeft de politie bij [instelling 3] een zorgmelding gedaan over [dochter]. Per brief op 14 juni 2017 heeft [instelling 3] aan klager bericht dat er op dat moment geen bemoeienis nodig is van [instelling 3].

2.10

Bij tussenbeschikking van de rechtbank [vestigingsplaats] d.d. 30 januari 2017 is een verzoek van klager tot het benoemen van een andere GI aangehouden en is voor [dochter] een bijzonder curator benoemd die kan adviseren over de wensen van [dochter] ten aanzien van de door de GI vastgestelde koers. Op 1 juni 2017 heeft de bijzonder curator een verslag aan de rechtbank uitgebracht.
Bij beschikking van de rechtbank [vestigingsplaats] d.d. 4 juli 2017 is het verzoek van klager tot het benoemen van een andere GI, afgewezen.

2.11

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2013.

3 De klacht

3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:

3.1.1

Beklaagde heeft klager niet geïnformeerd en heeft geen dossierstukken verstrekt die betrekking hadden op de hiervoor in 2.9 genoemde zorgmelding.

3.1.2

De werkrelatie met klager is door toedoen van beklaagde onmogelijk gemaakt. Beklaagde heeft de adviezen van de klachtencommissie van de GI en de reactie daarop van het bestuur, niet opgevolgd. Beklaagde heeft onprofessioneel gehandeld door aan het begin van het sinterklaasweekend de onder 2.7 genoemde e-mail te versturen.
De rechten van klager alsmede gezaghebbende ouder zijn ernstig aangetast en door de vooringenomenheid van beklaagde wordt tekort gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Zij heeft voorts nagelaten onderzoek te verrichten naar een zorgelijke situatie waarover eerder al is aangegeven, door [instelling 3], dat het huiselijk geweld betreft.

3.1.3

Beklaagde heeft misbruik gemaakt van de positie van [dochter]. Zij heeft geen oog gehad voor de belangen en noden van [dochter], heeft [dochter] geen vertrouwen geschonken en heeft haar niet gehoord.

3.1.4

Beklaagde heeft geen inzage gegeven in de door klager opgevraagde contactjournaals. De handelswijze van beklaagde kan niet worden getoetst op waarheid. Ook kan haar functioneren niet beoordeeld worden.

3.1.5

Beklaagde heeft feiten verdraaid in een officieel document dat naar de rechtbank is gestuurd. Voorts heeft beklaagde al dan niet opzettelijk, klager negatief afgespiegeld en heeft zij haar eigen rol – door per se aanwezig te willen zijn bij [traject 1] – verdoezeld.

3.1.6

Beklaagde voldoet niet aan –de normen gesteld in– de Jeugdwet. Beklaagde voldoet niet aan: artikel 4.1.1. lid 1 (verantwoorde hulp), artikel 4.1.2 (opstellen van een familiegroepsplan), artikel 4.1.3 lid 2 (plan niet afgestemd op de behoefte van de jeugdige). Beklaagde handelt onprofessioneel, heeft onvoldoende taakvolwassenheid en is onvoldoende op de hoogte van de wettelijke richtlijnen en normen.

3.1.7

Beklaagde heeft inbreuk gemaakt op het welzijn van [dochter] die heeft verklaard dat zij niet wil dat klager het ouderlijk gezag verliest. Het raadsonderzoek levert voor [dochter] spanning op en dit belemmert haar hulpverleningstraject.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

4.1.1

Klager is door zowel [instelling 3] als de politie geïnformeerd over de betreffende zorgmelding. Voorts heeft beklaagde op 12 juni 2017 klager (en moeder) per e-mail verzocht om telefonisch contact.

Beklaagde heeft klager inzage gegeven in het dossier.

4.1.2

De beslissing van de klachtencommissie van de GI heeft betrekking op klachten ingediend over de periode voor 4 juni 2016, beklaagde was op dat moment nog niet betrokken als jeugdzorgwerker. Beklaagde heeft ingezet op een constructieve samenwerking met de klager en moeder, maar zij heeft ook duidelijkheid moeten geven over de in te zetten lijn waarbij klager en moeder meer op afstand worden gezet. Beklaagde kan zich goed voorstellen dat deze lijn voor klager niet voelt als inzetten op een constructieve samenwerking.

Beklaagde kan zich voorstellen dat de e-mail die zij op 2 december 2016 heeft verstuurd beladen en emotioneel was ongeacht het moment waarop deze zou worden gestuurd.

De meest recente melding bij [instelling 3] had betrekking op het toedienen van medicatie door klager. Het is beklaagde niet bekend dat er daarbij geconstateerd zou zijn dat er sprake is van huiselijk geweld bij moeder thuis. Ook de kinderrechter heeft in de beschikking d.d. 4 juli 2017 geconcludeerd dat niet is gebleken dat er sprake is van huiselijk geweld bij de moeder.

4.1.3

Beklaagde betwist dat zij misbruik heeft gemaakt van de positie van [dochter] en geen oog heeft gehad voor haar belangen. Beklaagde heeft [dochter] een aantal keer gesproken met uitzondering van de periode waarin de bijzonder curator onderzoek heeft gedaan. [dochter] heeft zich wisselend uitgelaten over haar wensen. Zij vindt het lastig om keuzes die betrekking hebben op het contact met haar ouders, te moeten maken.

4.1.4

Beklaagde betwist dat zij geen inzage heeft willen geven in de contactjournaals. Klager heeft op 3 juli 2017 verzocht om een kopie van de contactjournaals van 1 mei 2016 tot en met 3 juli 2017. Per e-mail heeft beklaagde laten weten dat het niet mogelijk is om een volledige ongeredigeerde versie te verstrekken, nu de GI per contactjournaal moet beoordelen of inzage een inbreuk vormt op de privacy van een derde. Een uitdraai van de contactjournaals is vervolgens ter beschikking gesteld aan klager. Klager heeft op 1 augustus 2017 laten weten dat hij de journaals op 4 augustus 2017 zou komen ophalen.
Voor zover het klachtonderdeel ziet op het niet kunnen beoordelen van haar functioneren, heeft beklaagde altijd gestreefd naar transparantie en heeft zij alle van belang zijnde zaken in de rapportages vermeld.

4.1.5

Beklaagde betwist dat zij klager zwart zou hebben gemaakt. De informatie van beklaagde is gebaseerd op het dossier en de betrokken instanties. De mening van klager is bij de evaluatie –op het plan van aanpak–gevoegd.

4.1.6

In de Jeugdwet is bepaald dat betrokkenen in de gelegenheid moeten worden gesteld een eigen plan op te stellen, maar hiervan kan worden afgezien als concrete bedreigingen in de ontwikkeling van het kind hiertoe aanleiding geven of de belangen anderszins geschaad worden. Toen beklaagde betrokken raakte was de gelegenheid voor de ouders om zelf een plan op te stellen al langere tijd een gepasseerd station en niet in het belang van [dochter].

4.1.7

Beklaagde heeft met [dochter] gesproken over het onderzoek door de RvdK. [dochter] vindt het lastig dat er mogelijk een verandering komt en is bang voor de reactie van haar vader. Het is beklaagde niet bekend dat zij niet wil dat het gezag van klager over haar wordt beëindigd.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt.
Het College stelt vast dat de klachtonderdelen elkaar overlappen. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met de onderstaande herformulering van de klachtonderdelen I tot en met IV.

I

Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat beklaagde hem niet heeft geïnformeerd over de zorgmelding van 31 mei 2017.
Het College is van oordeel dat het niet tot taak van beklaagde behoort om klager te informeren over de zorgmelding bij [instelling 3]. Het is aan [instelling 3] om ouders te informeren, hetgeen op 14 juni 2017 per brief is gebeurd. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat beklaagde op 12 juni 2017 in een e-mail klager heeft gevraagd om telefonisch contact met haar op te nemen over de zorgmelding. Klager heeft de voorkeur gegeven aan een schriftelijke toelichting. Op 19 juni 2017 heeft beklaagde in een e-mail klager nader geïnformeerd over de zorgmelding. Het College is van oordeel dat beklaagde met deze handelswijze extra zorgvuldigheid heeft betracht en kan hierin in het geheel geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van beklaagde constateren.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

II

Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde niet goed met hem heeft gecommuniceerd. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College toegelicht dat beklaagde hem na de beslissing van de klachtencommissie niet heeft uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek of andere huisbezoeken en dat zij telefoontjes en e-mailberichten van klager niet heeft beantwoord.

Tijdens die mondelinge behandeling heeft beklaagde naar voren gebracht dat het contact tussen klager en haar met name per e-mail heeft plaatsgevonden. Beklaagde heeft voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank ten behoeve van de verlenging van de ondertoezichtstelling kennis willen maken met klager maar heeft geconstateerd dat klager dit niet wenste. Een ingepland gesprek bij [instelling 1] is niet doorgegaan omdat klager niet wilde dat beklaagde zou deelnemen aan dit gesprek. Klager heeft voorts in een e-mail in juni 2017 te kennen gegeven dat hij uitsluitend per e-mail met beklaagde wil communiceren. Het College is van oordeel dat onder deze omstandigheden waarin klager zelf slechts met beklaagde schriftelijk wilde communiceren, niet geconcludeerd kan worden dat beklaagde is getreden buiten de grenzen van het beroepsmatig handelen.

Beklaagde heeft aangevoerd dat het doel van de ondertoezichtstelling het verminderen van de ontwikkelingsdreiging van [dochter] is geweest. Na vijf jaar ondertoezichtstelling is de communicatie tussen klager en moeder niet verbeterd en is de situatie van [dochter] niet gewijzigd.
Dit is aanleiding geweest tot een koerswijziging in het beleid van de GI waarbij [dochter] centraal staat en ondersteund wordt in de omgang met haar ouders. Klager is na deze koerswijziging op afstand komen te staan.

Het College begrijpt dat klager, gezien de onder 2.9 genoemde periode, heeft verwacht dat de beslissing van de klachtencommissie aanleiding zou geven tot een werkbare werkrelatie tussen hem en beklaagde. Het College is echter van oordeel dat beklaagde inzicht heeft gegeven in haar handelswijze. Voorts heeft zij de koerswijziging en het onder 2.7 genoemde verzoek aan de RvdK in een e-mail d.d. 2 december 2016 gemotiveerd aan klager en moeder toegelicht.

Hoewel het College zich kan voorstellen dat de koerswijziging ingrijpend is voor klager, heeft het College geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van beklaagde kunnen constateren.

Het College heeft uit de overgelegde documenten, de zorgmelding van [instelling 3] en de rechterlijke beschikking d.d. 4 juli 2017, niet kunnen afleiden dat sprake is van huiselijk geweld bij moeder thuis.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

III

Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde misbruik maakt van de positie van [dochter]. Beklaagde heeft in het verweer en tijdens de mondelinge behandeling bij het College gemotiveerd toegelicht dat de hulpverlening aan [dochter] gericht is op het omgaan met de strijd tussen haar ouders. Beklaagde heeft in dat kader verschillende gesprekken met [dochter] gevoerd. Zo heeft op 2 november 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen beklaagde en [dochter] waarin de hulpvraag van [dochter] aan de orde is gekomen. In deze omstandigheden kan het College niet vaststellen dat beklaagde een verwijt treft.

Voorts heeft het College uit het dossier en de mondelinge behandeling bij het College geen aanknopingspunten kunnen vinden die leiden tot de conclusie dat beklaagde misbruik heeft gemaakt van de positie van [dochter].

Het klachtonderdeel is ongegrond.

IV

Klager heeft gesteld dat beklaagde heeft nagelaten de contactjournaals over de periode 1 mei 2016 tot en met 3 juli 2017 te verstrekken. Desgevraagd heeft klager tijdens de mondelinge behandeling bij het College bevestigd dat hij de contactjournaals heeft ontvangen.

Het klachtonderdeel behoeft dan ook geen nadere bespreking en is ongegrond.

V

Noch uit de stukken noch uit hetgeen ter zitting is besproken, zijn feiten of omstandigheden gebleken die tot de conclusie kunnen leiden dat beklaagde feiten heeft verdraaid in een officieel document, het plan van aanpak, dat naar de rechtbank is gestuurd. Beklaagde heeft toegelicht waarop zij de informatie heeft gebaseerd en heeft de reactie van klager bij het plan van aanpak gevoegd. Klager heeft dit ook niet weersproken.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

VI en VII

Deze klachtonderdelen worden vanwege de samenhang gezamenlijk beoordeeld.

Uit de stukken, ook in samenhang met de mondelinge behandeling heeft het College niet kunnen afleiden dat beklaagde incompetent zou zijn. Desgevraagd heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij naast haar HBO opleiding en een reeds ruime werkervaring structureel cursussen voor deskundigheidsbevordering heeft gevolgd. Zij consulteert collega’s en staat ingeschreven bij het register van SKJ, waaruit voortvloeit dat zij voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Evenmin is gebleken dat beklaagde in strijd met de waarden en normen uit de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

5.3

Het College concludeert dat de klacht ongegrond is.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Het College hecht er waarde aan de opmerking te maken dat beklaagde onder moeilijke omstandigheden waaronder het acteren tussen in onmin geraakte ex-echtelieden en het vervullen van de wens van klager om slechts schriftelijk met hem te communiceren, heeft moeten functioneren. Onder die omstandigheden heeft beklaagde meer dan gemiddeld gepresteerd waarbij zij telkens het belang van [dochter] voor ogen heeft gehad, hetgeen te prijzen is.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 18 januari 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.R.O. Mooy                      mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                  secretaris