De jeugdbeschermer heeft onvoldoende gecommuniceerd met de moeder vanaf het moment van de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij AKJ te [plaatsnaam].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS.

 

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met bijlagen ontvangen op 15 juni 2018;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 1 oktober 2018;
– het verweerschrift met bijlagen ontvangen op 11 september 2018;
– de aanvulling op het verweerschrift ontvangen op 27 september 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een collega aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van twee minderjarige kinderen, de dochter is geboren in 2010, de zoon is geboren in 2013, hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, hierna te noemen: vader, zijn sinds eind december 2015 uit elkaar. De kinderen woonden tot 3 februari 2017 bij klaagster. Daarna zijn de kinderen geplaatst in een pleeggezin (zie 2.6). De dochter woont sinds 21 maart 2017 bij vader. De zoon woont sinds 11 mei 2017 bij vader.
Klaagster en vader oefenen sinds 3 november 2017 gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

2.3

Op 14 januari 2016 is de GI gestart met een begeleiding zonder maatregel (hulpverlening in het vrijwillig kader). Op 29 februari 2016 is de casus van klaagster bij de Jeugdbeschermingstafel besproken en is geconcludeerd dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek gaat doen naar een kinderbeschermingsmaatregel.

2.4

Op 4 juli 2016 heeft de Raad voor de Kinderbescherming bij de rechtbank een verzoek tot ondertoezichtstelling ingediend. Bij beschikking van de rechtbank van 17 augustus 2016 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

2.5

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en vanaf de uitgesproken ondertoezichtstelling tot 1 juli 2018 belast geweest met de uitvoering hiervan. Zij is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

2.6

Op 3 februari 2017 zijn de kinderen met een spoedmachtiging uit huis geplaatst in een pleeggezin. Op 13 februari 2017 is de machtiging uithuisplaatsing met twee maanden verlengd. Op 21 maart 2017 wordt de dochter met een spoedmachtiging uithuisplaatsing bij vader geplaatst.

2.7

Bij beschikking van de rechtbank van 25 april 2017 is de machtiging uithuisplaatsing voor de dochter bij vader verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. Bij dezelfde beschikking is een machtiging uithuisplaatsing afgegeven voor de zoon om uiterlijk per 1 juli 2017 bij vader te wonen. Bij beschikking van 11 augustus 2017 is zowel de machtiging uithuisplaatsing als de ondertoezichtstelling verlengd tot 17 november 2017.

2.8

Bij beschikking van de rechtbank van 3 november 2017 heeft de rechter besloten om vader en klaagster gezamenlijk te belasten met het gezag over de kinderen en de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen naar vader. Klaagster heeft momenteel één keer per week omgang met de kinderen. De ene week ziet zij de kinderen op woensdagmiddag en de andere week op zaterdagmiddag tot zondagavond.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster stelt dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door rapporten aan de rechtbank te versturen zonder dat deze met klaagster zijn besproken of dat klaagster tijdig is gevraagd hierop te reageren. Volgens klaagster gaat het om de periode vanaf de uitgesproken ondertoezichtstelling tot en met de laatste zitting van 7 november 2017.

3.2.2

Beklaagde herkent zich niet in het verwijt van klaagster. Op 3 februari 2017 zijn de kinderen vanwege een crisissituatie met spoed uit huis geplaatst. Een dergelijk verzoek tot een spoed uithuisplaatsing wordt mondeling bij de rechtbank gedaan. De kinderrechter beslist in zo’n situatie op het verzoek van de GI zonder rapporten in te zien. Vervolgens heeft op 7 februari 2017 de advocaat van klaagster zich gesteld en verzocht om een afschrift van het verzoekschrift. Op 9 februari 2017 heeft beklaagde hiervan een afschrift verstrekt. Ook heeft beklaagde op 21 februari 2017 een gesprek met klaagster gevoerd waarin zij de gelegenheid heeft gehad om te reageren op het verzoekschrift.

3.2.3

Het College overweegt het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster toegelicht dat het klachtonderdeel betrekking heeft op de periode na februari 2017, toen de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing was afgegeven. Het College heeft vastgesteld dat klaagster haar verwijt niet heeft geconcretiseerd met voorbeelden van specifieke momenten. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat zij voor een verslag of rapport altijd met klaagster heeft gesproken. Na een gesprek heeft beklaagde een conceptversie opgesteld waar klaagster op mocht reageren alvorens een verslag of rapport definitief werd gemaakt. De voorzitter van het College heeft ter zitting vastgesteld dat partijen elkaar tegenspreken. Het College merkt op dat het op de weg van beklaagde had gelegen om hierover in deze procedure stukken te overleggen. Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen of de stelling van klaagster juist is. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van klaagster niet gegrond kan worden bevonden nu het College niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan dit verwijt. In het dossier heeft het College geen aanknopingspunten kunnen vinden die de stellingen van klaagster ondersteunen. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster is van mening dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld. Beklaagde is niet bij de zittingen aanwezig geweest en heeft haar vervanger, een collega, onvoldoende inhoudelijk geïnstrueerd waardoor de rechter en de advocaat van klaagster de GI onvoldoende hebben kunnen bevragen.

3.3.2

Beklaagde begrijpt dat klaagster er niet gelukkig mee is geweest dat zij niet zelf bij de zittingen aanwezig kon zijn. Via een bijzonderhedenformulier heeft beklaagde haar verhinderdata doorgegeven aan de rechtbank. Beklaagde is op maandag en woensdag afwezig. Helaas waren beide zittingen op deze dagen gepland. Beklaagde is van mening dat zij de casus voldoende heeft overgedragen aan haar collega voor wat betreft de stand van zaken en het mogelijke perspectief. De beschikbare informatie heeft de collega van beklaagde ter zitting gemeld.

3.3.3

Het College oordeelt als volgt. Beklaagde heeft in haar verweer uiteengezet welke acties zij heeft ondernomen. Het College kan zich voorstellen dat klaagster bij de zittingen liever had gezien dat beklaagde aanwezig was maar ziet geen enkele reden om te oordelen dat beklaagde ter zake een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Beklaagde heeft zich voldoende ingespannen om bij de zittingen aanwezig te zijn dan wel voor een adequate overdracht te zorgen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster stelt dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door geen helderheid te geven over de voorwaarden voor thuisplaatsing van de kinderen bij klaagster, alsmede op welke manier en wanneer de voorwaarden zouden worden getoetst.

3.4.2

Beklaagde herkent zich niet in het verwijt. Klaagster heeft zowel in gesprekken met beklaagde als schriftelijk per e-mail en tijdens de vele zittingen die er zijn geweest gehoord wat van haar verwacht werd. De GI heeft direct na de uithuisplaatsing op 6 februari 2017 met klaagster een gesprek gehad over de uithuisplaatsing en de voorwaarden voor thuisplaatsing. Klaagster heeft de voorwaarden tijdens dit gesprek gehoord maar stond daar toen niet voor open vanwege haar emoties. Zij heeft hiermee willen wachten tot de zitting van 13 februari 2017. Op 21 februari 2017 heeft beklaagde een gesprek gevoerd met klaagster en haar advocaat waarin de voorwaarden zijn besproken. Klaagster heeft de voorwaarden per e-mail ontvangen. Vervolgens zijn op 30 maart 2017 op verzoek van klaagster en als aftrap van de hulpverlening van [instelling] specifieke voorwaarden naar klaagster gemaild. Klaagster is hiermee akkoord gegaan. In het verzoek van 12 april 2017 staat duidelijk benoemd wat de GI aan voorwaarden heeft gesteld en wat de GI verwacht van klaagster. Ook in de evaluatie van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing staat beschreven wat de voorwaarden zijn.

3.4.3

Het College oordeelt als volgt. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat beklaagde de voorwaarden voor thuisplaatsing op 23 februari 2017 aan klaagster heeft gemaild nadat deze in het gesprek op 21 februari 2017 aan klaagster mondeling zijn toegelicht. Vervolgens heeft klaagster op 30 maart 2017 van [instelling] aanvullende voorwaarden ontvangen. [instelling] wilde starten met het opstellen van een beoordelingsboog. Op 19 april 2017 heeft [instelling] zich teruggetrokken omdat de kinderen niet langer in een pleeggezin verbleven.

Naar het oordeel van het College is voor klaagster vanaf het moment dat de kinderen bij vader zijn geplaatst onduidelijkheid ontstaan. In het dossier zijn geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat de plaatsing van de kinderen bij klaagster vanaf dat moment nog langer tot de mogelijkheden behoorde. Van beklaagde mag als jeugdprofessional worden verwacht dat zij na de plaatsing van de kinderen bij vader, met klaagster opnieuw ‘helder en concreet’ communiceert over het perspectief van de kinderen. Gezien deze nieuw ontstane situatie, had beklaagde hierover met klaagster in gesprek moeten treden. Dit om de consequenties van deze nieuwe situatie zoals onder andere de mogelijkheid van terugplaatsing van de kinderen bij klaagster en de daaraan gekoppelde voorwaarden, te bespreken. Temeer omdat tot dat moment het afnemen van de beoordelingsboog door [instelling] centraal had gestaan, hetgeen na de plaatsing bij vader niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Het College acht het handelen van beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster is van mening dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door te zeggen dat zij een start maakt met het ouderschapsplan en dat zij pas na vijf maanden en na herhaaldelijk appel van klaagster heeft gezegd dat ouders dit toch zelf moesten doen.

3.5.2

Beklaagde betwist dat zij zou hebben aangegeven een start te maken met het ouderschapsplan, nu dit ook niet de taak van de gezinsvoogd is maar van de ouders.

3.5.3

Het College overweegt het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat bij klaagster verwarring is ontstaan over het opstellen van verschillende plannen en bij wie welke verantwoordelijkheid lag. Klaagster heeft ter onderbouwing van het gestelde een bericht van 4 mei 2018 overgelegd waarin beklaagde schrijft dat het opstellen van het ouderschapsplan door klaagster en vader moet gebeuren. Beklaagde heeft eerder te kennen gegeven, zoals blijkt uit bijlage 2 van het verweer, dat [instelling] mogelijk kan ondersteunen bij het opstellen hiervan. In het dossier zijn geen aanknopingspunten gevonden waaruit blijkt dat beklaagde heeft gesteld dat zij verantwoordelijk is voor het opstellen van het ouderschapsplan. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat zij het vervelend vindt dat hierover bij klaagster verwarring is ontstaan maar dat haar hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College volgt beklaagde hierin en oordeelt dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klaagster is van mening dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende te communiceren over de reden waarom de omgang tussen klaagster en de kinderen niet is opgebouwd in de periode vanaf de uithuisplaatsing tot de uitbreiding van de omgang in het kader van het programma [naam hulptraject]. Ook heeft beklaagde nagelaten om tijdig met klaagster te communiceren over de omgang op bijzondere dagen.

3.6.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij met klaagster heeft gecommuniceerd dat het opbouwen van de omgang niet in het belang van de kinderen is. Klaagster heeft de kinderen tijdens de omgang belast met haar emoties en wantrouwen ten opzichte van vader. Op 11 juli 2017 heeft klaagster de rapportage ontvangen met een duidelijke evaluatie van de voorwaarden.
Voor de omgang tijdens bijzondere dagen hebben klaagster en vader afwijkende voorstellen gedaan. Beklaagde heeft klaagster en vader voor een gesprek uitgenodigd maar klaagster stond hier niet meer voor open omdat zij had gevraagd om een nieuwe jeugdbeschermer. Beklaagde heeft getracht om hierover met klaagster te communiceren maar het was klaagster die hier geen behoefte meer aan had.

3.6.3

Het College overweegt het volgende. Uit het dossier komt naar voren dat beklaagde in de evaluatie van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing heeft beschreven waarom de omgang niet is uitgebreid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde toegelicht dat er meerdere keren aan klaagster is teruggekoppeld hoe een omgangsmoment is verlopen, waarom dat in de ogen van beklaagde niet goed is gegaan en wat van klaagster verwacht werd. Klaagster heeft dit tijdens de mondelinge behandeling niet betwist. Nu klaagster dit niet heeft betwist is het voor het College voldoende komen vast te staan. Met betrekking tot de communicatie over de omgang op bijzondere dagen zijn in deze procedure onvoldoende stukken overgelegd die de stelling van klaagster ondersteunen. Nu beklaagde het door klaagster gestelde heeft betwist, kan het College onder deze omstandigheden niet vaststellen dat beklaagde niet tijdig heeft gecommuniceerd over de omgang op bijzondere dagen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klaagster stelt dat beklaagde de privacy van klaagster heeft geschonden door zonder toestemming van klaagster eenzijdige informatie over klaagster te delen met de school van de kinderen.

3.7.2

Beklaagde betwist dat zij informatie over moeder heeft gedeeld met de school van de kinderen. Beklaagde heeft alleen informatie met school gedeeld over de dochter.

3.7.3

Het College oordeelt als volgt. In deze procedure zijn door klaagster geen stukken overgelegd die het klachtonderdeel onderbouwen. Beklaagde heeft in haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling het door klaagster gestelde betwist. Bij gebrek aan onderbouwende stukken kan niet worden vastgesteld of het verwijt van klaagster juist is. Het College volgt beklaagde in haar verweer en verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1

Klaagster stelt dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door meerdere malen de zorgen van klaagster over het welzijn en de veiligheid van de kinderen niet serieus te nemen.

3.8.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij de uitingen van klaagster wel degelijk serieus genomen heeft en betwist deze klacht dan ook volledig. Naar aanleiding van de zorgen die klaagster aangaf rondom de dochter heeft beklaagde [instelling] gevraagd om met de dochter in gesprek te gaan en de drie huizen methode toe te passen. Een methode die wordt toegepast om meer zicht te krijgen op de thuissituatie. [instelling] heeft hierover een verslag gemaakt en daarbij ook een advies gegeven.
Tijdens de evaluatie heeft beklaagde gemeld dat school aangaf dat de zoon weer onrustig was en meer sturing nodig had. Vader is hierover ingelicht door school en heeft dit aan beklaagde bericht. Beklaagde heeft dit toen met klaagster besproken, maar er was op dat moment niet meer te vertellen dan dat er meer sturing nodig was en de zoon begeleiding nodig had. Klaagster heeft sinds de start van de zoon op school ook zelf contact onderhouden met school. Er zijn kennismakingsgesprekken geweest en klaagster heeft deelgenomen aan verschillende activiteiten. Hoewel klaagster is ingelicht door beklaagde, had klaagster ook voldoende contact met school om zelf deze zorgen nogmaals te bespreken als hier behoefte aan was.

3.8.3

Het College oordeelt als volgt. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het pijnpunt voor haar zit in het feit dat de op dit moment betrokken jeugdprofessional andere hulp nodig acht dan beklaagde ten tijde van haar betrokkenheid. De op dit moment ingezette specialistische hulp voor de kinderen sluit aan bij de wens van klaagster. Kennelijk voelt klaagster zich op dit moment gehoord. Dit betekent echter niet dat beklaagde een onjuiste keuze heeft gemaakt ten tijde van haar betrokkenheid. Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat zij zich heeft ingespannen om de ontstane zorgen van klaagster te onderzoeken en op te lossen. Niet is vast komen te staan dat haar op dit punt enig verwijt kan worden gemaakt. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Klaagster is van mening dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld ten tijde van de pleegzorgplaatsing. Zij heeft de rechter van onvoldoende informatie voorzien bij het (spoed)verzoek om de kinderen bij vader te plaatsen. Zij heeft niet vooraf onderzocht of dit een veilige en verantwoorde beslissing was.

3.9.2

Beklaagde betwist dat er geen onderzoek is verricht. Gezien de aard van de crisis, de dochter moest per direct het pleeggezin verlaten, heeft de GI onderzocht wat op dat moment mogelijk en of haalbaar was. Er is samen met een collega van de GI een voorscreening gedaan. Klaagster is meegenomen in de opties die de GI had. Conclusie was dat plaatsing bij de biologische vader volgens de GI de beste optie was. Klaagster is hier ook over geïnformeerd.
De beslissing de dochter bij vader te plaatsen is genomen door een kinderrechter. De kinderrechter was van mening dat de plaatsing bij vader meer in het belang was van de dochter dan overplaatsing naar een nieuw pleeggezin, waar de kans van slagen gezien de heftige problematiek die de dochter liet zien, erg klein was.

3.9.3

Het College overweegt het volgende. Klaagster heeft onvoldoende geconcretiseerd waarom beklaagde de rechter van onvoldoende informatie heeft voorzien.
Over het onderzoek en de beslissing van de plaatsing van de dochter bij vader heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling uiteengezet hoe de plaatsing is verlopen. Allereerst is aan klaagster kenbaar gemaakt dat de plaatsing van de dochter in het pleeggezin niet kon worden voortgezet. Aan klaagster is per mail uitgelegd dat er gekeken werd naar drie verschillende mogelijkheden, waaronder de mogelijkheid van plaatsing bij vader. Omdat vader op dat moment geen gezag had, heeft beklaagde de plaatsing benaderd als pleegzorgplaatsing. Samen met een collega heeft zij een voorscreening uitgevoerd en heeft zij het verzoek tot plaatsing van de dochter bij vader vervolgens voorgelegd aan de kinderrechter. Nadat de kinderrechter de machtiging voor plaatsing bij vader heeft afgegeven, heeft beklaagde nazorg geregeld. Eerst is bij vader intensieve ambulante spoedhulp ingezet die later is overgegaan in hulpverlening één keer per week. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat de stelling van klaagster dat beklaagde niet vooraf heeft onderzocht of de plaatsing van de dochter bij haar vader veilig en verantwoord was onjuist is. Beklaagde heeft ten aanzien van de plaatsing bij vader juist zeer zorgvuldig gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.10 Klachtonderdeel IX

3.10.1

Klaagster is van mening dat beklaagde op meerdere momenten onprofessioneel (partijdig) gehandeld heeft. Ter toelichting op dit klachtonderdeel heeft klaagster vier voorbeelden genoemd. Het blijkt voor klaagster uit de manier waarop een gezamenlijk gesprek met vader werd gepland, de manier waarop de uitbreiding van de omgang werd tegengehouden, het samen met vader lachend binnen komen lopen bij een gezamenlijke afspraak en tot slot uit het feit dat beklaagde bij te nemen beslissingen als uitgangspunt de kant van vader kiest.

3.10.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat vanaf de start van de ondertoezichtstelling beklaagde aan klaagster en vader de gelegenheid heeft gegeven om een familiegroepsplan te maken. Klaagster en vader zijn hier beiden niet op ingegaan. Beklaagde heeft geprobeerd om met klaagster en vader een afspraak te maken en heeft hen uiteindelijk een datum gegeven waarop zij aanwezig dienden te zijn. Klaagster en vader hebben hier toen geen gehoor aan gegeven. Beklaagde heeft vervolgens een schriftelijke aanwijzing aangekondigd en deze uiteindelijk ook ingediend bij de rechtbank. In de schriftelijke aanwijzing van 31 oktober 2016 die op 13 februari 2017 is bekrachtigd door de rechtbank staat dat de GI het noodzakelijk vindt dat er een plan komt rondom de omgang tussen vader en de kinderen maar ook dat er zicht komt op de thuissituatie van de kinderen (bij klaagster). Klaagster heeft geweigerd hieraan mee te werken.
Beklaagde heeft steeds gekeken welke omgangsvorm het meest passend was en vooral wat goed was voor de kinderen. Gelet op de grote zorgen die er waren over de kinderen, is beklaagde langere tijd betrokken geweest bij begeleide bezoeken tussen klaagster en de kinderen. Nadat tijdens de omgang, zorgen zijn ontstaan, is beklaagde terughoudend geweest met de opbouw van de omgangsregeling.
Beklaagde herkent zich niet in het verwijt dat zij lachend met vader bij een afspraak zou zijn binnengekomen.
Beklaagde betwist dat zij partijdig of onprofessioneel gehandeld heeft.

3.10.3

Het College stelt vast dat beklaagde en klaagster elkaar tegenspreken. Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen of beklaagde onprofessioneel (partijdig) gehandeld heeft omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van klaagster niet gegrond kan worden bevonden nu het College niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan dit verwijt. Ook uit het dossier en de mondelinge behandeling heeft het College niet kunnen afleiden dat beklaagde onprofessioneel heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

3.11 Conclusie

3.11.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdeel III een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden. Beklaagde heeft tot aan de plaatsing van de kinderen bij vader duidelijk met klaagster over de voorwaarden voor thuisplaatsing gecommuniceerd. Vanaf het moment dat de kinderen bij vader zijn geplaatst, is het voor klaagster onduidelijk geweest aan welke voorwaarden zij moest voldoen en op welke wijze deze voorwaarden getoetst zouden worden. Indien van thuisplaatsing bij klaagster niet langer sprake was en het perspectief van de kinderen bij vader was komen te liggen, had beklaagde hierover transparant moeten communiceren met klaagster. Door dit na te laten heeft klaagster zich in een afhankelijke en onzekere situatie bevonden die beklaagde tuchtrechtelijk valt te verwijten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde haar afwegingen voor dit handelen onvoldoende kunnen concretiseren. Ook is ter zitting niet gebleken dat beklaagde zich heeft gerealiseerd wat dit voor klaagster heeft betekend. Gelet op het voorgaande acht het College de maatregel van een waarschuwing passend.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I, II, IV, V, VI, VII, VIII en IX ongegrond;
– verklaart klachtonderdeel III gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van een waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 30 november 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege mevrouw                    mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                             secretaris