Jeugdprofessional in het vrijwillig kader heeft zonder toestemming van de moeder contact gelegd met school.

Het College van Beroep heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. M.A. Stammes, voorzitter,
de heer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, lid-jurist,
mevrouw M. Fokken, lid-beroepsgenoot,
de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,
de heer A.J.M. Heijster, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[appellante], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: appellante,

ingediende beroepschrift tegen:

[verweerster], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: verweerster, werkzaam als jeugd- en gezinscoach bij het Wijkteam [plaatsnaam1], hierna te noemen: het wijkteam.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. R.A.E. Thijssen.

Appellante wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het door appellante bij het College van Toezicht ingediende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2018;
– het door verweerster bij het College van Toezicht ingediende verweerschrift ontvangen op 3 april 2018;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 18.021T van 28 mei 2018;
– het door appellante ingestelde beroepschrift tegen voornoemde beslissing ontvangen op 20 juli 2018 met bijlagen;
– het door verweerster ingediende verweerschrift ontvangen op 6 augustus 2018;

1.2

Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

1.3

Tegen deze beslissing is door appellante op 20 juli 2018 – tijdig – beroep aangetekend.

1.4

Door verweerster is op 6 augustus 2018 een verweerschrift tegen het beroepschrift ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 november 2018 in aanwezigheid van appellante, verweerster en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder van de zijde van appellante is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep een vriendin aanwezig geweest. Als toehoorder van de zijde van verweerster is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep een collega van verweerster aanwezig geweest.

1.6

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 20 december 2018 verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van Beroep van de volgende feiten uit:

2.1

Appellante is moeder van een dochter, geboren op [datum] 2002 en een zoon, geboren op [datum] 2008, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Appellante en haar ex-partner, hierna te noemen: de vader, zijn sinds [maand] 2014 uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door appellante en de vader. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij appellante.

2.3

Er is tussen de zoon en zijn vader een omgangsregeling. Hij verblijft om de week in het weekend bij zijn vader. De dochter heeft geen omgangsregeling met haar vader.

2.4

Op 17 juni 2015 is bij Veilig Thuis een melding gedaan over de kinderen. Er waren zorgen over kindermishandeling in de vorm van (pedagogische en lichamelijke) verwaarlozing en psychisch geweld. In de periode van juli 2015 tot september 2015 heeft Veilig Thuis onderzoek gedaan. In het afsluitende rapport van Veilig Thuis is geconcludeerd dat er sprake is van kindermishandeling in de vorm van psychisch geweld en het getuige zijn van huiselijk geweld. Omdat de kinderen volgens Veilig Thuis klem leken te zitten tussen de ouders is de zaak overgedragen aan de gemeente [plaatsnaam1]. In het eindrapport van Veilig Thuis staat vermeld dat wanneer de zorgen blijven bestaan, dit rechtstreeks gemeld moet worden bij [de jeugdbeschermingstafel] teneinde hulpverlening in een meer gedwongen kader te bewerkstelligen.

2.5

De gemeente [plaatsnaam1] heeft de casus overgedragen aan het wijkteam, alwaar verweerster werkzaam is. Verweerster is vervolgens vanaf 27 oktober 2015 betrokken geraakt bij deze casus als jeugd- en gezinscoach.

2.6

Verweerster heeft op 29 oktober 2015 telefonisch overleg gehad met Veilig Thuis. Verweerster heeft daarbij aangegeven dat de opdracht haar niet werkbaar leek. Op advies van Veilig Thuis is verweerster toch gestart met de hulpverlening in het vrijwillig kader. Verweerster kon geen overleg voeren met de gemeente over de uitvoering van de casus, omdat de contactpersoon vanuit de gemeente een collega van de vader was.

2.7

Op 30 oktober 2015 heeft verweerster met appellante en vader contact opgenomen om een kennismakingsgesprek te plannen. Met vader heeft op 2 november 2015 het kennismakingsgesprek plaatsgevonden en met appellante is op 4 november 2015 het kennismakingsgesprek gevoerd. Zowel met appellante als met vader is de procedure besproken en is een toestemmingsverklaring voor contact met derden ondertekend. Op 18 en 20 november 2015 is er daarna nog telefonisch contact geweest met appellante.

2.8

Appellante heeft in een telefonisch gesprek op 26 november 2015 te kennen gegeven te willen stoppen met de hulpverlening. Vanaf dat moment is er nog beperkt contact geweest tussen appellante en verweerster.

2.9

Op 1 december 2015 heeft verweerster met Veilig Thuis overleg gehad. Veilig Thuis adviseerde verweerster nogmaals met appellante in gesprek te gaan om haar proberen te motiveren voor de hulpverlening. Indien dit niet lukte, moest verweerster een melding doen bij [de jeugdbeschermingstafel].

2.10

Op 14 december 2015 heeft appellante schriftelijk bevestigd dat zij haar toestemming om informatie in te winnen bij anderen wenste in te trekken. Zij heeft daarbij aangegeven daadwerkelijk te willen stoppen met de hulpverlening.

2.11

Op 15 december 2015 heeft verweerster appellante een e-mailbericht gestuurd waarin zij nogmaals vraagt om mee te werken aan de hulpverlening, omdat zij anders een melding zal moeten doen bij [de jeugdbeschermingstafel]. Zij heeft daarbij een informatiebrief voor ouders toegevoegd.

2.12

Appellante heeft op 16 december 2015 per e-mailbericht aangegeven niet naar de afspraak te komen om de melding aan [de jeugdbeschermingstafel] door te nemen. Op 17 december 2015 heeft appellante een e-mailbericht gestuurd waarin zij verzoekt om een gesprek met verweerster, haar leidinggevende en een vertrouwenspersoon van AKJ. Appellante geeft daarbij aan dat zij ervan uit gaat dat een en ander on hold wordt gezet tot het gesprek heeft plaatsgevonden.

2.13

Verweerster heeft eind december 2015 een melding gedaan bij [de jeugdbeschermingstafel].

2.14

Verweerster is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 Het beroep, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College van Beroep wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College van Beroep toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling door het College van Toezicht van 28 mei 2018 van de klachtonderdelen I t/m III, die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard.

3.1.4

Hierna worden de in het beroepschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel I als volgt geformuleerd: “[Appellante] stelt dat [verweerster] heeft nagelaten om passende hulp aan te bieden. Nu zowel [appellante] als [verweerster] het beiden belangrijk vonden om inzichtelijk te krijgen hoe het met de kinderen ging, werd afgesproken om gezamenlijk met school en de speltherapeut in gesprek te gaan. [Appellante] is van mening dat [verweerster] haar, ondanks de voor haar gevoel duidelijk geuite behoefte voor de hulpverlening en de gemaakte afspraken, niet serieus heeft genomen en daarmee onprofessioneel heeft gehandeld. Dit blijkt voor [appellante] onder andere uit het feit dat [verweerster] heeft nagelaten om kennis te nemen van het ouderschapsplan, de adviezen uit het eindrapport van Veilig Thuis niet heeft opgevolgd, geen rekening heeft gehouden met het feit dat [appellante] slachtoffer is geweest van huiselijk geweld, de privacy en betrokkenheid van dit Wijkteam tegenover de vader die werkzaam is bij de betreffende gemeente, een onjuiste inschatting is gemaakt over de zorgen omtrent de aanwezige hond en tot slot het alleen contact opnemen door [verweerster] met de school van de kinderen.”

3.2.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “[Verweerster] heeft het College [van Toezicht] inzicht gegeven in het dilemma waarin zij kwam en de keuzes die zij daarna heeft gemaakt. De opdracht van Veilig Thuis die [verweerster] door de gemeente heeft toebedeeld gekregen bleek in haar functie als jeugd- en gezinscoach al vooraf moeilijk uitvoerbaar. Alvorens [verweerster] met het gezin aan de slag is gegaan heeft zij eerst overleg gehad met een medewerker van Veilig Thuis. Degene die het eindrapport had geschreven was niet langer werkzaam bij Veilig Thuis, waarna een andere medewerker haar heeft geadviseerd toch een kennismakingsgesprek in te plannen. Over het dilemma zocht [verweerster] ook contact met de gemeente, maar daarmee was geen inhoudelijk overleg mogelijk. De gemeente en een collega van [verweerster] hebben toen geadviseerd om een kennismakingsgesprek in te plannen en het gezin hulp in het vrijwillig kader aan te bieden, zoals geadviseerd in het eindrapport van Veilig Thuis. Gezien de haar toebedeelde opdracht, die zij zoals zij ter zitting aangaf, toch moest starten, haar daarna zorgvuldig gemaakte afweging en de door haar gezette stappen heeft [verweerster] naar het oordeel van het College [van Toezicht] in lijn met artikel Q van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) gehandeld. Hoewel het begrijpelijk is dat de hulpverlening van [verweerster] op [appellante] als niet passende hulpverlening is overgekomen, ziet het College [van Toezicht] in het dossier geen verdere aanknopingspunten die het door [appellante] gestelde kunnen onderbouwen. [Verweerster] heeft zorgvuldig gehandeld door verschillende derden te benaderen en te betrekken bij het proces. [Verweerster] valt met betrekking tot haar handelen ten tijde van de hulpverlening geen tuchtrechtelijk verwijt te maken nu zij binnen de grenzen is gebleven van redelijk bekwame beroepsuitoefening.”
Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

3.2.3

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht het volgende aan. Anders dan door verweerster is aangegeven in haar verweerschrift bij het College van Toezicht, heeft zij in het klachtgesprek van 10 juni 2016 gezegd niet op de hoogte te zijn van de inhoud van het ouderschapsplan. Dit staat haaks op het feit dat verweerster stelt dat zij in een later stadium van het traject kennis hiervan heeft genomen. Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerster hierin niet zorgvuldig heeft gehandeld, omdat het voor het besluitvormingsproces essentieel is om kennis te hebben van de inhoud van het ouderschapsplan, nu daarin afspraken zijn gemaakt over de omgang met elkaar en met de kinderen. Appellante is voorts van mening dat het College van Toezicht ten onrechte niet in zijn oordeel heeft meegenomen dat verweerster niet de juiste procedure heeft gevolgd voor hulpvragen van cliënten met familie bij de gemeente. Verweerster had volgens appellante deze hulpvraag door gemeente [plaatsnaam 2] moeten laten behandelen, in plaats van door de gemeente [plaatsnaam 1]. Appellante verwijst hiervoor naar bijlage 13 pagina 3 en 4 van haar klacht bij het College van Toezicht.

Tenslotte stelt appellante zich op het standpunt dat verweerster zonder de toestemming van appellante informatie heeft ingewonnen bij de school van de kinderen. Appellante heeft tijdens het telefoongesprek op 26 november 2015 haar toestemming om informatie in te winnen bij anderen ingetrokken. Op verzoek van verweerster heeft appellante dit op 14 december 2015 schriftelijk bevestigd. Op 7 december 2015 heeft verweerster de school benaderd met de vraag hoe het met de kinderen op school gaat. Verweerster had dit niet mogen doen nu appellante daarvoor haar toestemming reeds op 26 november 2015 had ingetrokken.

3.2.4

Verweerster geeft in reactie op deze grief aan dat zij het ouderschapsplan wel heeft ontvangen, maar dat zij de inhoud niet gelezen heeft nu er geen hulpvraag vanuit appellante was. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat het besluit om hulpverlening in te zetten vanuit de gemeente [plaatsnaam 1], en dus niet vanuit de gemeente [plaatsnaam 2], een beslissing is geweest van de gemeente [plaatsnaam 1]. Verweerster heeft hier geen invloed op gehad. Met betrekking tot de toestemming om informatie op te vragen geeft verweerster aan dat deze toestemming pas op 14 december 2015 is ingetrokken, en niet in een eerder telefonisch contact.

3.2.5

Het College van Beroep overweegt dat de opdracht van Veilig Thuis dermate onduidelijk is geweest, dat er een verschil in verwachting c.q. interpretatie is ontstaan tussen appellante en verweerster over het hulpverleningstraject. Het College van Beroep is van oordeel dat verweerster niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het ouderschapsplan niet voorafgaand aan het traject in te zien. Appellante heeft aan verweerster uitgelegd hoe zij de situatie zag, maar nu verweerster zich diende te houden aan de voorliggende opdracht van Veilig Thuis, kon zij niet voldoen aan alle verwachtingen van appellante. Het is niet aan verweerster te wijten dat een en ander op deze wijze is gelopen. Verweerster is naar het oordeel van het College van Beroep niet tekort geschoten in de uitvoering van de opdracht van Veilig Thuis. Deze grief faalt.

Met betrekking tot de procedure die door de gemeente is gevolgd overweegt het College van Beroep als volgt. Het College van Beroep heeft niet feitelijk vast kunnen stellen of de door appellante aangehaalde nieuwe werkwijze (waarbij een casus als de onderhavige opgepakt zou worden door de gemeente [plaatsnaam 2]) al bestond voor deze casus werd opgepakt door de gemeente [plaatsnaam 1]. Ongeacht of dat het geval is geweest, is het College van Beroep van oordeel dat de verantwoordelijkheid hiervoor bij de gemeente ligt en dus niet bij verweerster. Deze grief faalt eveneens.

Het College van Beroep dient zich tenslotte nog te richten tot de beantwoording van de vraag of verweerster zorgvuldig heeft gehandeld door op 7 december 2015 informatie op te vragen bij de school van de kinderen. Het College van Beroep beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt. Het College van Beroep stelt aan de hand van het contactjournaal d.d. 26 november 2015 vast dat appellante in het telefoongesprek op 26 november 2015 heeft aangegeven te willen stoppen met de hulpverlening. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel dient te worden aangetekend dat het in deze casus gaat om hulpverlening in het vrijwillig kader. Het vrijwillig kader levert onvermijdelijk beperkingen op met betrekking tot de mogelijkheden en bevoegdheden van verweerster. Binnen het kader van vrijwillige hulpverlening is het mogelijk om hulp te verlenen en stevige suggesties te doen, maar kan niet (verder) worden gehandeld op het moment dat appellante daar niet meer mee instemt. Op het moment dat appellante aangaf geen hulp meer te willen, had verweerster zich moeten realiseren dat zij niet meer buiten appellante om contact op mocht nemen met de school. Dat de toestemming door appellante op een later moment nog schriftelijk is ingetrokken, doet daar naar het oordeel van het College van Beroep niet aan af. Verweerster had, op het moment dat appellante aangaf geen hulp meer te willen, niet verder mogen handelen zonder dat vooraf te overleggen met appellante. Door contact op te nemen met de school zonder overleg met appellante, heeft verweerster naar het oordeel van het College van Beroep onzorgvuldig gehandeld.
Het College van Beroep verklaart dit gedeelte van klachtonderdeel I gegrond.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel II als volgt geformuleerd: “[Appellante] stelt dat [verweerster] geen samenwerking heeft gezocht. [Appellante] is van mening dat [verweerster], ondanks dat er sprake was van hulpverlening in het vrijwillig kader, op eigen houtje wenste te bepalen hoe de hulpverlening eruit moest zien. Hierbij is zij voorbijgegaan aan de wensen van [appellante] en de kinderen, en aan de adviezen van Veilig Thuis. [Verweerster] heeft [appellante] bijvoorbeeld ertoe willen bewegen om met haar ex-partner, de vader van de kinderen in gesprek te gaan.”

3.3.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: “Het College [van Toezicht] overweegt dat de betrokken periode van [verweerster] relatief kort is geweest, nu [verweerster] van november 2015 tot december 2015 betrokken is geweest. Hoewel het begrijpelijk is dat de hulpverlening voor [appellante] onbevredigend is geweest, is naar het oordeel van het College [van Toezicht] dit niet te wijten aan het handelen van [verweerster]. Door de moeilijk uitvoerbare opdracht vanuit Veilig Thuis is er geen sprake geweest van een hulpverleningstraject waarin een samenwerkingsrelatie kon worden opgebouwd. Het College [van Toezicht] oordeelt dat [verweerster] zorgvuldig heeft gehandeld richting [appellante] en binnen de grenzen is gebleven die bij hulpverlening in het vrijwillig kader van haar kunnen worden verwacht.”
Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

3.3.3

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht het volgende aan. De opdracht vanuit Veilig Thuis was om actieve hulpverlening aan vader te bieden en hulpverlening op de achtergrond bij de moeder. Appellante stelt dat het gegeven dat de opdracht volgens verweerster moeilijk uitvoerbaar was, niet wegneemt dat zij zorgvuldig de samenwerking met appellante had moeten zoeken. Dit heeft verweerster nagelaten door vanaf het eerste gesprek met appellante het onderzoek van Veilig Thuis, naar de ontwikkeling van de kinderen, over te willen doen. Daarnaast kwam verweerster in de gesprekken telkens terug op de verwachting om een gezamenlijk gesprek te voeren met de vader. Zij leek geen aandacht te hebben voor het ouderschapsplan. Appellante heeft hierdoor de indruk gekregen dat de opdracht van Veilig Thuis, actieve hulpverlening aan de vader, omgezet was in actieve hulpverlening aan haar. Appellante kreeg pas tijdens het klachtgesprek op 10 juni 2016 te horen dat verweerster de opdracht ingewikkeld had gevonden. Appellante betreurt het dat deze informatie niet eerder met haar is gedeeld, omdat dit de samenwerking had kunnen verbeteren.

Appellante acht het onbegrijpelijk dat verweerster bij het opstarten van de hulpverlening een andere focus bleek te hebben. Verweerster is onzorgvuldig geweest in het opbouwen van een werkbare samenwerkingsrelatie en heeft volgens appellante daarmee niet gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

3.3.4

Verweerster geeft met betrekking tot dit klachtonderdeel aan dat er naar haar mening geen sprake is geweest van hulpverlening, nu er alleen een kennismakingsgesprek heeft plaatsgevonden. Daarnaast verwijst verweerster naar haar verweer en de mondelinge behandeling bij het College van Toezicht, waar uitgebreid aan de orde is geweest dat de opdracht van Veilig Thuis ingewikkeld was. In november 2015 heeft verweerster dit zowel met haar team als met verweerster besproken.

3.3.5

Het College van Beroep overweegt met betrekking tot dit klachtonderdeel als volgt. Beide partijen hebben ter zitting benoemd dat niet duidelijk was wat de opdracht vanuit Veilig Thuis precies inhield. Als gevolg van de onduidelijke opdracht is een verschil in interpretatie en daardoor een verschil in verwachtingen ontstaan. Verweerster heeft onbetwist gesteld dat zij tijdens het eerste gesprek duidelijkheid heeft gegeven over de stappen die zouden worden gezet. Daarbij heeft verweerster aangegeven dat er een plan zou worden gemaakt, dat doelen zouden worden gesteld en dat een huisbezoek afleggen tot de procedure behoort. Deze informatie heeft bij appellante er echter niet voor gezorgd dat zij verweerster volgde in de hulp die zij wilde bieden.
In het licht van deze klacht verwijst het College van Beroep naar de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen. Hierin staat als aanbeveling beschreven: “Stimuleer en ondersteun ouders om mee te werken door hen altijd allebei uit te nodigen. Laat hen indien mogelijk gezamenlijk een gesprek voeren in het belang van hun kind en betrek hen allebei bij de (keuze voor) hulp.”
Waar appellante stelt dat verweerster telkens terugkwam op haar verwachting een gezamenlijk gesprek met de vader te organiseren, acht het College van Beroep het, in het kader van de aangehaalde richtlijn, nu juist zorgvuldig dat verweerster een gezamenlijk gesprek poogde te bereiken. Het is het College van Beroep niet gebleken dat verweerster appellante hiertoe heeft gedwongen of anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld in het contact naar appellante toe.

Tenslotte stelt appellante dat verweerster een andere focus leek te hebben bij het opstarten van de hulpverlening. Het College van Beroep acht het begrijpelijk dat appellante dit zo heeft gevoeld, nu is gebleken dat de verwachtingen van beide partijen ten aanzien van de hulpverlening sterk uiteen liepen. Het is echter niet aan verweerster te wijten dat de focus die zij had afweek van de verwachtingen van appellante. Het College van Beroep sluit aan bij het oordeel van het College van Toezicht, dat het niet aan verweerster te wijten is dat de hulpverlening niet heeft voldaan aan de verwachtingen van appellante. Verweerster is binnen de grenzen gebleven die bij hulpverlening in het vrijwillig kader van haar kunnen worden verwacht. De grief faalt.

3.4

Klachtonderdeel III

3.4.1

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel III als volgt geformuleerd: “[Appellante] is van mening dat [verweerster] haar geen gelegenheid heeft gegeven om de melding bij [de jeugdbeschermingstafel] vooraf in te zien en haar kant van het verhaal aan de melding toe te voegen. Hierdoor heeft [de jeugdbeschermingstafel] een eenzijdig en onvolledig verhaal ontvangen. [Appellante] stelt dat zij als verzorgende ouder actief geïnformeerd had moeten worden en zij de gelegenheid had moeten krijgen om een schriftelijke reactie te geven op de melding.”

3.4.2

Het College van Toezicht oordeelde ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt: Het College overweegt met betrekking tot de melding bij [de jeugdbeschermingstafel] het volgende. Nu beklaagde het door klaagster aangevoerde betwist en zij in haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling de klacht voldoende heeft bestreden en het College geen verdere aanknopingspunten heeft kunnen vinden die de stellingen van klaagster ondersteunen, oordeelt het College dat beklaagde met betrekking tot het gestelde zorgvuldig heeft gehandeld.
Het College van Toezicht verklaart de klacht ongegrond.

3.4.3

Appellante voert tegen de beslissing van het College van Toezicht als grief aan dat het onzorgvuldig is dat verweerster de melding aan [de jeugdbeschermingstafel] niet vooraf aan appellante heeft toegestuurd. Appellante was hierdoor genoodzaakt om achteraf haar feedback op het stuk naar de voorzitter van [de jeugdbeschermingstafel] te sturen. Appellante geeft aan dat het College van Toezicht onterecht heeft gesteld dat appellante zelf heeft gezegd dat zij haar reactie naar de voorzitter wilde sturen. Dit heeft zij op deze manier opgelost toen zij het afschrift met de melding van verweerster kreeg. Appellante is van mening dat verweerster hierin onzorgvuldig heeft gehandeld.

3.4.4

Verweerster verwijst ook met betrekking tot dit klachtonderdeel naar de mondelinge behandeling van het College van Toezicht. Verweerster heeft appellante per e-mailbericht d.d. 15 december 2015 uitgenodigd om middels een gesprek de melding in te zien en deze met verweerster te bespreken. Appellante heeft op 16 december 2015 via een e-mailbericht laten weten niet naar de afspraak te komen. Als appellante naar deze afspraak was gekomen had dit inhoudelijk niets aan de melding veranderd, maar had zij haar reactie eraan toe kunnen voegen. Appellante heeft haar feedback naar de voorzitter van [de jeugdbeschermingstafel] gestuurd, waarna het is meegenomen in het overleg aldaar.

3.4.5

Het College van Beroep overweegt dat verweerster appellante heeft uitgenodigd voor een gesprek waarin de melding zou worden besproken. Appellante heeft er zelf voor gekozen niet naar dit gesprek te komen, waardoor zij zichzelf de mogelijkheid heeft ontnomen om vooraf de melding aan [de jeugdbeschermingstafel] in te zien. Het College van Beroep stelt vast dat verweerster vervolgens de melding tegelijkertijd naar appellante en [de jeugdbeschermingstafel] heeft gestuurd en dat appellante heeft kunnen reageren voordat de melding besproken zou worden. De reactie van appellante is daar ook in meegenomen. Het College van Beroep ziet daarom geen reden waarom appellante hiermee in haar belangen zou zijn geschaad. De grief faalt.

3.5

Conclusie

Het College van Beroep komt tot de conclusie dat de grief met betrekking tot klachtonderdeel I deels slaagt en met betrekking tot klachtonderdeel II en III falen. Het College van Beroep komt daarmee tot de slotsom dat verweerster met betrekking tot klachtonderdeel I deels een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, maar ziet af van het opleggen van een maatregel. Hierbij neemt het College van Beroep in aanmerking dat verweerster inzicht heeft gegeven in haar handelen en dat zij handelde op basis van een zeer onduidelijke opdracht vanuit Veilig Thuis waardoor de samenwerking met appellante werd bemoeilijkt. Het College van Beroep stelt met betrekking tot het gegrond verklaarde gedeelte van klachtonderdeel I vast dat verweerster heeft geprobeerd de opdracht uit te voeren, maar daarin verder is gegaan dan zij op basis van de vrijwillige hulpverlening had moeten doen. Het gaat hier echter om een eenmalige misslag, welke naar het oordeel van het College van Beroep geen schade heeft opgeleverd voor appellante. Tevens heeft verweerster dit hersteld door de verkregen informatie niet in het dossier op te nemen en niet mee te nemen in de melding aan [de jeugdbeschermingstafel]. Om voornoemde redenen ziet het College van Beroep geen noodzaak om aan verweerster naar aanleiding van het deels gegrond verklaarde klachtonderdeel een maatregel op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

– verklaart – opnieuw rechtdoende – klachtonderdeel I alsnog gedeeltelijk gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht van 28 mei 2018;
– handhaaft het oordeel van het College van Toezicht in die beslissing betreffende klachtonderdelen II en III, zij het met aanvulling van gronden;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 20 december 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. M.A. Stammes ,
voorzitter

mevrouw mr. R.A.E. Thijssen,
secretaris