De ambulant hulpverlener had de ex-partner van klager erop moeten wijzen dat haar voornemen, om de kinderen bij haar ouders onder te brengen, in strijd was met geldende wettelijke kaders. Ook had in het eindverslag een andere formulering gebruikt moeten worden voor het typeren van klager.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [plaatsnaam],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als ambulant hulpverlener A bij [instelling 1], hierna te noemen: [instelling 1].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.M.A.W. van Zanten.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 maart 2018,
– het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 april 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van een minderjarige zoon, geboren in 2012, en dochter, geboren in 2014, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en de moeder van de kinderen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, hadden ten tijde van het handelen van beklaagde een affectieve relatie. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders.

2.3

De moeder heeft zich in 2016 gemeld bij [instelling 2], hierna te noemen: [instelling 2], met het verzoek om ondersteuning te krijgen bij de relatieproblemen tussen haar en klager.

2.4

Op 14 juni 2016 is het gezin van klager aangemeld bij [afdeling] van [instelling 1], teneinde een veiligheidsplan te maken, dat haalbaar en veilig is voor de ouders en de kinderen.

2.5

Beklaagde is vanaf 16 juni 2016 als medewerker [afdeling] betrokken bij het gezin.

2.6

Op 26 juli 2016 is er een beschermtafeloverleg geweest. In het belang van de kinderen is vervolgens het hulpverleningstraject van [afdeling] verlengd.

2.7

Op 2 augustus 2016 heeft de moeder de kinderen naar oma en opa (mz), hierna te noemen: de grootouders, gebracht. Klager heeft toen gedurende een periode van vier weken geen omgang met de kinderen gehad.

2.8

Het hulpverleningstraject van [afdeling] is op 23 augustus 2016 beëindigd. Vervolgens heeft beklaagde op 26 augustus 2016 het Eindverslag Crisisplan opgesteld en geadviseerd een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen. Klager heeft op 26 augustus 2016 zijn reactie gegeven op het Eindverslag Crisisplan en de moeder op 28 augustus 2016. Beklaagde heeft de reacties van de ouders toegevoegd aan het Eindverslag Crisisplan.

2.9

Op 10 juli 2017 heeft er een klachtgesprek plaatsgevonden met beklaagde en klager, waarin onder meer is besproken dat beklaagde de formulering over het gedrag van klager, inhoudende dat klager star, obsessief en eisend zou zijn, in het Eindverslag Crisisplan zou aanpassen. Op 19 september 2017 is aan het Eindverslag Crisisplan toegevoegd dat het om de beleving van beklaagde gaat.

2.10

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klager verwijt beklaagde dat hij de moeder heeft geadviseerd om de kinderen bij de grootouders onder te brengen en dat hij klager op subjectieve wijze heeft neergezet in het Eindverslag Crisisplan.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen beide besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft de moeder het advies gegeven om de kinderen ‘uit de situatie te halen’ en naar de grootouders te brengen. Hij heeft hiermee de kinderen uit huis geplaatst zonder wettelijke procedure. Klager heeft, in reactie op het door beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht gestelde, aangegeven dat de grootouders bovendien geen neutrale plek zijn om de kinderen onder te brengen. Klager meent dan ook dat omgang tussen hem en de kinderen niet bij de grootouders diende plaats te vinden.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft geadviseerd om de kinderen tijdelijk naar opa en oma te brengen, zodat de ouders de tijd en gelegenheid hadden zaken te regelen zonder dat de kinderen daar last van hadden. Klager heeft tijdens het verkennende gesprek in eerste instantie positief gereageerd op de suggestie om de kinderen bij de grootouders te brengen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde aangegeven dat de moeder ongeveer zes weken na het verkennende gesprek heeft besloten om de kinderen naar de grootouders te brengen. De moeder heeft beklaagde hierover niet van tevoren ingelicht. Beklaagde heeft voorts aangegeven dat hij, als hulpverlener, niet negatief tegenover de keuze van de moeder stond om de kinderen naar de grootouders te brengen, maar het niet juist vindt dat klager zijn kinderen hierdoor een tijd niet heeft gezien. Hij heeft getracht omgang tot stand te brengen tussen de kinderen en klager, en voorgesteld om de grootouders hierover te bellen. Klager heeft toen aangegeven dat hij dit niet wilde.

3.2.3

Het College stelt vast dat de keuze van de moeder om de kinderen op 2 augustus 2016 naar de grootouders te brengen een eenzijdige beslissing van de moeder is geweest. De moeder heeft deze beslissing genomen, zonder te overleggen met zowel beklaagde als klager. Naar het oordeel van het College had het, gelet op het feit dat klager gezaghebbend ouder is, op de weg van beklaagde gelegen om de moeder erop te wijzen dat zij de kinderen niet, zonder toestemming van klager, naar de grootouders had mogen brengen. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is besproken, is het College niet gebleken dat beklaagde heeft getracht de moeder te overtuigen dat zij de kinderen terug diende te brengen naar klager dan wel haar eigen huis. Het gegeven dat klager tijdens het verkennende gesprek positief heeft gereageerd op de mogelijkheid om de kinderen naar de grootouders te brengen en beklaagde zich heeft ingespannen om omgang tussen klager en de kinderen tot stand te brengen maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het College had beklaagde zich bewust moeten zijn van de geldende wettelijke kaders en heeft hij artikel E (Respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

3.2.4

Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft klager als eisend, star en obsessief beschreven in het Eindverslag Crisisplan. Hij overtreedt hiermee de grens van zijn expertise. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangegeven dat beklaagde zich ervan bewust had moeten zijn dat het Eindverslag Crisisplan naar de rechtbank zou worden gestuurd en dat daardoor deze typering negatieve gevolgen kon hebben voor klager.

3.3.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft geprobeerd het gedrag van beide ouders zo te omschrijven dat ook derden, die zich een indruk moeten vormen over de situatie, kunnen begrijpen wat er gebeurt. Het zijn woorden die beklaagde op dat moment gebruikt heeft om zijn gevoelens over het gedrag van beide ouders te verwoorden. In aanvulling op het verweerschrift heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangegeven dat zijn eerste reactie was, toen klager tijdens het klachtgesprek aangaf dat hij het er niet mee eens was, dat hij deze formulering niet kan hebben gebruikt. Beklaagde realiseert zich dat klager de woorden, zoals deze in het Eindverslag Crisisplan zijn gebruikt, niet als prettig heeft ervaren en dat ze straf geformuleerd waren. Tijdens het klachtgesprek op 10 juli 2017 heeft beklaagde dit ook aangegeven en is afgesproken dat de tekst, waarin staat dat klager eisend, star en obsessief is, van het Eindverslag Crisisplan aangepast zal worden. Het aangepaste Eindverslag Crisisplan is opgenomen in het cliëntsysteem van [instelling 1] en het oorspronkelijke verslag is verwijderd. Het Eindverslag Crisisplan is overigens niet aangepast door de woordkeus aan te passen, maar door op te nemen dat het bij de beschrijving gaat om de beleving van beklaagde. Beklaagde heeft tot slot tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangevoerd dat hij het betreurt dat het Eindverslag Crisisplan naar de rechtbank is gestuurd, maar dat hij het Eindverslag Crisisplan slechts ten behoeve van de ouders en de casusregisseur heeft geschreven.

3.3.3

Het College overweegt als volgt. In een rapportage als het Eindverslag Crisisplan behoort slechts informatie te staan die bekend is bij de cliënten. Het College stelt vast, door hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is besproken, dat het voor klager duidelijk is geweest om welke reden beklaagde hem als obsessief heeft omschreven, namelijk doordat klager niet bereid zou zijn geweest om te zoeken naar oplossingen. Het College overweegt voorts dat een jeugdprofessional bij het gebruik van woorden als eisend, star en obsessief, dient uit te leggen waarom een cliënt op deze wijze wordt getypeerd. Beklaagde heeft na het klachtgesprek aan het Eindverslag Crisisplan de volgende zin toegevoegd: ‘Onderstaande beschrijvingen aangaande het gedrag van ouders en de interpretatie daarvan, komen voort uit de waarnemingen van de [instelling] medewerker. Het betreft geen klinische diagnose.’ Hoewel het College er oog voor heeft dat beklaagde hiermee heeft gereflecteerd op zijn handelen, de reactie van klager reeds had toegevoegd aan het Eindverslag Crisisplan en een dergelijke formulering, vanwege het tijdsverloop, niet eenvoudig is om aan te passen, acht het College het handelen van beklaagde desalniettemin verwijtbaar. Tijdens het klachtgesprek was beklaagde zelf verbaasd over de woorden die hij destijds had gebruikt om het gedrag van klager te typeren en vond ze achteraf niet passend. Naar het oordeel van het College had beklaagde een andere formulering moeten gebruiken, of moeten uitleggen waarom hij klager op deze wijze heeft getypeerd. Het College neemt hierbij in aanmerking dat beklaagde zich, gelet op de situatie van het gezin van klager, ervan bewust had moeten zijn dat het Eindverslag Crisisplan aan de rechtbank zou worden overgelegd en een eigen leven konden gaan leiden. Het College meent dat beklaagde door zijn handelen artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft geschonden.

3.3.4

Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

3.4

Conclusie
Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot beide klachtonderdelen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Hoewel het College zoals onder 3.3.3 is overwogen het handelen van beklaagde met betrekking tot de formulering in het Eindverslag Crisisplan verwijtbaar acht, overweegt het College dat het handelen op zichzelf bezien niet dermate ernstig is dat het opleggen van een maatregel gerechtvaardigd is. Beklaagde heeft gereflecteerd op zijn handelen en hij heeft de reactie van klager op het Eindverslag Crisisplan toegevoegd. De gevolgen van het handelen van beklaagde zijn hiermee beperkt. Echter, het wordt beklaagde ook aangerekend dat hij heeft nagelaten de moeder erop te wijzen dat zij in strijd handelde met de wettelijke kaders door de kinderen naar de grootouders te brengen. Het College neemt hierbij in aanmerking dat beklaagde heeft aangegeven dat hij deze keuze van de moeder navolgbaar acht en daarmee niet heeft gereflecteerd op zijn handelen. Beklaagde had zich naar het oordeel van het College bewust moeten zijn van de geldende wettelijke kaders. Alles overwegende acht het College de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen gegrond;
– legt aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op.

Aldus gedaan door het College en op 13 augustus 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter
mevrouw mr. E.M.A.W. van Zanten, secretaris