De ambulant werker wordt verweten dat zij onvoldoende zicht heeft gehad op de minderjarigen, dat er onvoldoende proces- en regievoering is geweest en de vader twijfelt aan haar deskundigheid.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,
mevrouw A.T.E. van Dijk, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam geweest als ambulant werker bij het Centrum voor Jeugd en Gezin te [locatie], hierna te noemen: het CJG.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], zijn partner.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als directeur-bestuurder bij het CJG.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 8 augustus 2018, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 31 oktober 2018, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 3 december 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorders van de zijde van beklaagde zijn tijdens de mondelinge behandeling van de klacht haar partner en de bestuursadviseur van het CJG aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is de vader van twee minderjarige zonen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen. De oudste zoon is geboren in 2002 en de jongste zoon is geboren in 2004.

2.2

Klager en zijn ex-partner, de moeder van de kinderen, hierna te noemen: de moeder, zijn sinds 2014 gescheiden. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de moeder. Tot en met 2015 was sprake van een co-ouderschap, waarbij de kinderen de ene week bij klager verbleven en de andere week bij de moeder. In 2015 wordt, vanwege het werk van klager, de regeling in overleg tussen de ouders omgezet naar een regeling dat de kinderen elke woensdagavond bij klager eten en om het weekend bij hem verblijven.

2.3

In 2016 verslechtert de communicatie tussen klager en de moeder. Reden waarom van juni tot en met november 2016 een mediationtraject tussen de ouders loopt, echter zonder (het gewenste) resultaat.

2.4

Op 8 juli 2016 vindt een incident plaats tussen klager en de partner van de moeder, waarna de partner van de moeder op 28 november 2017 veroordeeld wordt tot het betalen van een geldboete van €400,00. Naar aanleiding van het incident op 8 juli 2016 doet de politie een zorgmelding bij Veilig Thuis. Veilig Thuis meldt het gezin voor onderzoek aan bij het CJG.

2.5

Beklaagde is werkzaam als ambulant werker bij het CJG en is één van de twee medewerkers die vanuit het CJG belast is met het zogeheten “onderzoek zorgmelding”. Op 3 augustus 2016 vindt het eerste gesprek plaats tussen beklaagde, haar collega, de moeder, haar partner en de kinderen. Op 4 augustus 2016 vindt het eerste gesprek plaats tussen beklaagde, haar collega, klager en zijn partner.

2.6

Het advies van het CJG wordt op 19 september 2016 met de moeder en de kinderen besproken. De oudste zoon geeft tijdens dat gesprek aan dat hij geen contact meer wil met klager. Vanaf dat moment heeft klager geen omgang meer en minimaal contact met zijn oudste zoon.

2.7

De zorgmelding wordt eind oktober 2016 door het CJG afgesloten, omdat een mediationtraject tussen de ouders loopt. Het CJG besluit het dossier wel open te houden, in ieder geval voor de duur van twee maanden, om ondersteuning aan de oudste zoon te bieden. De ondersteuning voor de oudste zoon bestaat uit het voeren van gesprekken met een medewerker van het CJG. Een tweede collega van beklaagde voert deze gesprekken met de oudste zoon.

2.8

In januari 2017 vindt een bemiddelingsgesprek plaats tussen klager, de oudste zoon, beklaagde en voornoemde collega. Tijdens dit gesprek wordt de afspraak gemaakt dat klager en zijn oudste zoon elkaar WhatsAppberichten sturen over neutrale zaken. Eén week na het gesprek laat de oudste zoon weten dat hij geen gesprekken meer met het CJG wil voeren. Het contact tussen klager en zijn oudste zoon bestaat vanaf dan alleen nog uit wekelijkse WhatsAppberichten die klager naar de zoon stuurt.

2.9

Op 2 maart 2017 vindt een bemiddelingsgesprek plaats tussen klager, zijn partner en het CJG, aangaande de deskundigheid van het CJG, over het proces rondom de zorgmelding en het vervolg daarvan. Naar aanleiding van dit gesprek wordt de tot dan toe betrokken collega van beklaagde, in het kader van het “onderzoek zorgmelding”, vervangen door een andere collega van het CJG.

2.10

Op 23 maart 2017 wordt door het CJG bij [de instelling] een aanvraag gedaan voor het traject Parallel Ouderschap.

2.11

Op 12 april 2017 is een concept hulpverleningsplan opgesteld door het CJG. De moeder is op 10 mei 2017 akkoord gegaan met de inhoud van het verslag en klager op 31 mei 2017.

2.12

Het traject Parallel Ouderschap bij [de instelling] loopt van augustus tot en met december 2017.

2.13

Op 29 januari 2018 wordt door beklaagde en haar collega aan de ouders gemaild dat – in afstemming met [de instelling] en de instelling [de instelling2], hierna te noemen [de instelling2] – het hulpverleningstraject vanuit het CJG wordt afgesloten. Onder meer wordt het volgende in de e-mail geschreven: “We hebben gemerkt het lastig is voor ons om tot een advies te komen (…). Na eerdere consultatie eind vorig jaar heeft [de instelling2] ons geadviseerd om met jullie beiden een gesprek te plannen om na te gaan welke mogelijkheden er zijn om te werken aan contactherstel tussen [de oudste zoon] en [klager]. Vervolgens heeft [de moeder] aangegeven niet mee te gaan in dit advies. We hebben [de instelling2] gesproken en gevraagd hoe nu verder te gaan. [de instelling2] geeft [aan] dat het CJG vanuit het vrijwillige kader niet verder komt en dat er onvoldoende sprake is van ontwikkelingsbedreigingen om [de instelling2] in te schakelen. Verder geeft [de instelling2] hetzelfde advies aan beide ouders als [de instelling]. In overleg met [de instelling2] en ons team zijn we erop uitgekomen om het dossier van de kinderen bij het CJG af te sluiten. In de bijlage hebben we het eindverslag toegevoegd.”

2.14

Klager verzoekt op 30 januari 2018 per e-mail aan beklaagde een afschrift van het dossier. Beklaagde reageert per e-mail van 5 februari 2018 als volgt: “We kunnen je alleen een afschrift van het formele dossier mailen, maar deze documenten heb je als het goed is allemaal in je bezit. Inzage van het dossier kan volgens afspraak volgende week maandag om 13.00.”

2.15

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ. Sinds [datum] 2018 is beklaagde als pedagoog geregistreerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klager heeft drie klachtonderdelen ingediend die – samengevat – betrekking hebben op de wijze waarop beklaagde het hulpverleningstraject vanuit het CJG heeft vormgegeven en uitgevoerd.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft gedurende de periode van haar hulpverlening onvoldoende zicht gehad op de veiligheid, ontwikkeling en mogelijke ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen.

3.2.2

Toelichting:
Ondanks dat klager zijn zorgen met beklaagde heeft besproken, is beklaagde nalatig geweest in het verkrijgen van zicht op bovengenoemde punten. Ook de gesprekken die klager heeft gevoerd met de leidinggevende van beklaagde hebben niet tot verbetering geleid. Beklaagde heeft voorts geen risico-inventarisatie gedaan, terwijl klager dit wel verzocht heeft.
Doordat beklaagde onvoldoende zicht heeft gehad op de bovengenoemde punten, is er gering resultaat geboekt tijdens het hulpverleningstraject. De verwijdering tussen klager en zijn oudste zoon is slechts vergroot. Klager meent voorts dat zijn kinderen in een onveilige situatie verkeren, gelet op het gegeven dat de partner van de moeder klager agressief benaderd heeft en de moeder geen inspanningen verricht om het contact tussen klager en zijn kinderen te bevorderen. Het vertrouwen van klager in de hulpverlening is door dit handelen van beklaagde ernstig beschadigd. Beklaagde is tot slot nalatig geweest om de ouders op hun verantwoordelijkheden te wijzen, om op te komen voor de belangen van de kinderen en hun veiligheid.
Beklaagde heeft hiermee volgens klager artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) en D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna te noemen: de Beroepscode, geschonden.

3.2.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist hetgeen klager haar verwijt en voert het volgende aan. Allereerst voert beklaagde aan dat zij de aanmelding van de zorgmelding samen met een collega heeft opgepakt. Voornoemde collega heeft eerder in 2016 samen met de ouders een gesprek vanuit het CJG gevoerd. In deze casus is volgens beklaagde dus steeds sprake geweest van gezamenlijke besluiten. Ook is de casus meermaals in de casuïstiekbespreking van het jeugdteam aan de orde geweest, waarvan de ouders over de uitkomst steeds per e-mail zijn bericht.
Wat betreft de risico-inventarisatie voert beklaagde aan dat vanuit het CJG het niet nodig werd geacht deze uit te voeren. De veiligheid in de opvoedsituatie bij de moeder was voldoende besproken met de moeder en haar partner tijdens het gesprek van 3 augustus 2016, hetgeen ook aan klager is toegelicht tijdens het gevoerde bemiddelingsgesprek met het CJG op 2 maart 2017.
In het kader van het onderzoek hebben beklaagde en haar collega met diverse betrokkenen gesproken, waaronder de kinderen, de jeugdverpleegkundige van de GGD, de huisarts en de leerkracht/mentor van de kinderen.

3.2.4

Het College overweegt als volgt:
Beklaagde wordt verweten dat zij gedurende de periode van de door haar geboden hulpverlening onvoldoende zicht heeft gehad op de veiligheid, ontwikkeling en mogelijke ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen. Als onderbouwing van het klachtonderdeel heeft klager het hulpverleningsplan van 12 april 2017 overgelegd. Voor wat betreft het onderzoek zorgmelding overweegt het College dat blijkens voornoemd hulpverleningsplan beklaagde en haar collega gesprekken gevoerd hebben met verschillende betrokkenen, waaronder: de ouders en hun (nieuwe) partners, de kinderen, de leerkracht/mentor van de kinderen, de huisarts en de jeugdverpleegkundige. Voor wat betreft het onderzoek zorgmelding is het College van oordeel dat deze werkwijze, in dergelijke casussen, gebruikelijk en tevens voldoende is om zicht te krijgen op de veiligheid, ontwikkeling en mogelijke ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen.
Ten aanzien van de geboden hulpverlening, na het onderzoek zorgmelding, leest het College in het hulpverleningsplan dat eind oktober 2016 het onderzoek zorgmelding werd afgesloten en dat het dossier bij het CJG werd opengehouden om ondersteuning aan de oudste zoon te bieden, zoals weergegeven onder 2.7 van deze beslissing. Deze ondersteuning, in de vorm van (telefonische) gesprekken, is door een collega van beklaagde aan de oudste zoon geboden. Blijkens het hulpverleningsplan konden ook de ouders contact opnemen met het CJG bij mogelijke problemen met de onderlinge communicatie. Het is het College dan ook gebleken dat beklaagde, in het verdere hulpverleningstraject na het onderzoek zorgmelding, samen met een andere collega de contactpersoon voor de ouders is geweest en de regie gehad heeft over de verdere aan het gezin geboden hulpverlening. Beklaagde heeft geen directe hulpverlening aan de kinderen geboden. Uit het overgelegde hulpverleningsplan noch uit de andere overgelegde stukken is het College gebleken dat beklaagde onvoldoende zicht heeft gehad op de veiligheid, ontwikkeling en mogelijke ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen. Te meer nu beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft aangegeven dat de zorgen over de kinderen uitsluitend van klager afkomstig waren.
Gelet op het ontbreken van contact tussen klager en de zoon heeft het College oog voor de zorgen van klager. Het College acht het echter onvoldoende aannemelijk geworden dat beklaagde hier onder de gegeven omstandigheden een tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Voor wat betreft het contactherstel tussen de oudste zoon en klager is immers, om de zorg hierover te verminderen, een hulpverleningstraject door een collega van beklaagde opgestart. Toen de zoon hiervoor niet meer openstond, heeft het CJG advies gevraagd aan [de instelling2]. Het advies van [de instelling2] rondom de situatie van de zoon is opgevolgd door het CJG, namelijk kenbaar maken dat de oudste zoon rust moest worden gegund en dat klager zijn betrokkenheid moest blijven tonen via het versturen van WhatsAppberichten. Daarnaast is voor de ouders, ook op advies van [de instelling2], na het niet geslaagde mediationtraject, het traject Parallel Ouderschap van [de instelling] ingezet en heeft het CJG, waaronder beklaagde, in overeenstemming met de ouders hierover de regie gehouden. Het College concludeert dat beklaagde met haar handelen, als regievoerder, en met de door haar (dan wel door het CJG) genomen stappen in het hulpverleningstraject, teneinde de zorgen te verminderen, gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

3.2.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde is nalatig geweest in een transparante en duidelijke procesvoering van het hulpverleningstraject. Ook heeft beklaagde tijdens het hulpverleningstraject onvoldoende de regie gehad.

3.3.2

Toelichting:
Klager verwijt beklaagde in dit klachtonderdeel de volgende punten. Allereerst heeft beklaagde zich onvoldoende ingezet om, in het belang van de kinderen, alle betrokkenen mee te krijgen in het hulpverleningstraject. De opgestelde verslagen en ook de akkoordverklaringen voor het uitwisselen van informatie met derden, zijn door de ouders (en de kinderen) niet ondertekend. Dit maakt volgens klager dat het hulpverleningstraject onduidelijk en niet transparant is geweest, wat de doelen heeft vertroebeld en het vertrouwen in de hulpverlening beperkt.

Beklaagde heeft ten tweede niet meervoudig partijdig gehandeld, nu zij onvoldoende transparant is geweest in haar communicatie naar de ouders. Ondanks dat beklaagde de ouders op 13 februari 2017 heeft bericht dat de andere ouder in de e-mailcorrespondentie in de cc moet worden meegenomen, blijkt op 4 januari 2018 dat beklaagde en de moeder contact hebben gehad zonder klager daarvan in kennis te stellen. Ook van de e-mailwisseling tussen klager en beklaagde op 4 januari 2018 wordt de moeder niet in kennis gesteld.

Ten derde heeft beklaagde onvoldoende stelling ingenomen ter zake de ambivalente houding van de moeder tijdens het hulpverleningstraject, dit punt is ook onvoldoende besproken door beklaagde met de ouders. Allereerst is door [de instelling2] aan het CJG geadviseerd om met beide ouders een gesprek te voeren om na te gaan welke mogelijkheden er zijn om te werken aan contactherstel tussen klager en zijn zoon. De moeder heeft richting het CJG aangegeven niet mee te gaan in het advies. Aan klager zijn de redenen hiervoor door beklaagde niet nader toegelicht. Daarnaast heeft de moeder eerst toestemming gegeven voor ouderschapsbemiddeling maar deze later weer ingetrokken. Klager heeft hierdoor onvoldoende vertrouwen gekregen in de voortgang van het hulpverleningstraject.

Beklaagde heeft ten vierde onvoldoende aan dossiervorming gedaan. In het dossier lijken stukken te ontbreken ofwel is er door beklaagde onvoldoende vastgelegd. Zo is er bijvoorbeeld overleg geweest met [de instelling2], maar in het dossier is hierover niets terug te vinden. Nadat klager het dossier opvraagt, laat beklaagde hem weten dat aan hem alleen de verslagen verstrekt kunnen worden maar dat hij het dossier wel mag inzien. Het dossier dat klager heeft ingezien bestaat alleen uit korte stukjes met e-mailberichten. De gesprekken met [de instelling2], de GGD, de huisarts of interne overleggen staan niet in het dossier. Ook telefoongesprekken en de inhoud van deze gesprekken worden niet vermeld in het dossier. De overwegingen voor beslissingen met een argumentatie staan niet in het dossier beschreven. Voor klager is onvoldoende duidelijk hoe beklaagde tot beslissingen en inschattingen is gekomen, in hoeverre deze voldoende op ernst zijn ingeschat en of voldoende is overlegd met collega’s en/of deskundigen.

Tot slot is door beklaagde de hulpverlening vanuit het CJG op een onzorgvuldige wijze beëindigd. Beklaagde mailt klager uit het niets en zonder enige afstemming met klager een eindverslag. Als reden wordt aangegeven dat ze tot dit besluit zijn gekomen na overleg met [de instelling2], omdat er geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij de oudste zoon. Beklaagde heeft op dat moment de zoon echter bijna een jaar niet meer gesproken.

Beklaagde heeft volgens klager artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), I (beëindiging van de professionele relatie), J (vertrouwelijkheid), M (verslaglegging / dossiervorming) en N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.

3.3.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist hetgeen klager haar verwijt en stelt zich op de volgende standpunten. Voor wat betreft de onduidelijke procesvoering herkent beklaagde het verwijt gedeeltelijk. Nadat het “onderzoek zorgmelding” was afgerond, heeft een collega van beklaagde begeleiding geboden aan de oudste zoon in de vorm van het voeren van gesprekken met hem. Beklaagde en de collega hebben getracht te bemiddelen in het contactherstel tussen klager en de oudste zoon. De hulpverleningsdoelen waren niet geformuleerd in een hulpverleningsplan. Tijdens het gevoerde bemiddelingsgesprek tussen het CJG en klager op 2 maart 2017 is hierover gesproken en kort daarna is een hulpverleningsplan opgesteld. Ook in een later gesprek is door de bestuurder van het CJG erkend dat de procesvoering beter had gekund. Deze klacht is volgens beklaagde echter niet gericht tegen haar, maar betreft het beleid van het CJG. De aanbeveling van klager is ter harte genomen en meegenomen in het plan van aanpak tot verbeteren van de kwaliteit.

Beklaagde herkent zich niet in het verwijt dat zij onvoldoende de regie genomen heeft tijdens het hulpverleningstraject. Over het “onderzoek zorgmelding” is een verslag gemaakt en later is een hulpverleningsplan opgesteld. Het CJG heeft doorverwezen naar tweedelijns zorg van [de instelling]. De coördinatie van de zorg, de regie, is uitgevoerd door beklaagde en een collega. Dit houdt in dat over het verloop van het traject contact is onderhouden met zowel [de instelling] als met de ouders.
Beklaagde betwist dat zij niet meervoudig partijdig is geweest en stelt dat zij in het belang van de kinderen gehandeld heeft. Beklaagde en haar collega hebben de ouders herhaaldelijk gewezen op de gemaakte afspraak dat zij met elkaar in de cc moesten e-mailen. Ten aanzien van de reactie van de moeder dat zij niet meegaat in het advies van [de instelling2], heeft beklaagde de moeder er tevergeefs op gewezen dat de e-mail ook aan klager toegezonden diende te worden. Beklaagde en de collega hebben daarop besloten beide ouders te berichten dat de moeder niet meegaat in het advies van [de instelling2]. In het kader van de privacy van de moeder is het voor beklaagde niet mogelijk geweest om aan klager toe te lichten waarom de moeder hiervoor koos. Het e-mailbericht van beklaagde van 4 januari 2018 bevestigt volgens beklaagde, in tegenstelling tot wat klager stelt, juist dat zij transparant en meerzijdig partijdig gehandeld heeft. Gezien de complexiteit van de casus kan beklaagde zich voorstellen dat het lastig kan zijn voor klager om dit ook zo te ervaren.

Het verwijt dat het beklaagde onvoldoende lukt om stelling in te nemen ten aanzien van de ambivalente houding van de moeder is onjuist. Beklaagde en haar collega hebben met de moeder een gesprek gehad om haar te motiveren mee te werken aan de ouderschapsbemiddeling. Ook over het advies van [de instelling2] is met de moeder telefonisch gesproken.
Voor wat betreft de dossiervorming stelt beklaagde zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van onduidelijke dossiervorming. De stukken waarvan klager beweert dat deze niet in het dossier terug te vinden zijn, staan wel degelijk in het dossier. Op het moment van de aanvraag van klager, tot inzage in het dossier, is de oudste zoon van klager bijna zestien jaar. De oudste zoon heeft eerder tijdens het hulpverleningstraject aangegeven inhoudelijk geen informatie te willen delen met de ouders over de gevoerde gesprekken tussen hem en het CJG. De oudste zoon gaf daarmee geen toestemming tot inzage in het dossier. Klager heeft enkel zijn gedeelte van het dossier ingezien.

Voor wat betreft het laatste verwijt in dit klachtonderdeel, betreffende het afsluiten van de hulpverlening, voert beklaagde het volgende aan. Het is correct dat beklaagde en haar collega klager hebben gemaild dat het dossier zou worden gesloten. Door het CJG is herhaaldelijk benoemd dat zij zoekende waren in wat zij voor het gezin konden betekenen. Reden waarom meermaals is overlegd met [de instelling2]. Het CJG ontving daarnaast slechts zorgen van klager en niet van andere betrokkene(n) (instanties). Gelet op het verloop van het hulpverleningstraject, en in overleg met [de instelling] en [de instelling2], was de logische vervolgstap voor het CJG om de hulpverlening af te sluiten.

3.3.4

Het College overweegt als volgt:
Het College is van oordeel dat middels de door klager gegeven voorbeelden niet vastgesteld kan worden dat beklaagde nalatig is geweest in een transparante en duidelijke procesvoering in het hulpverleningstraject, evenmin dat beklaagde onvoldoende de regie heeft gehad. Het College overweegt hiertoe als volgt.
Voor wat betreft het verwijt dat beklaagde heeft nagelaten verslagen en akkoordverklaringen voor het uitwisselen van informatie met derden door de betrokkenen te laten ondertekenen, volgt het College beklaagde in haar verweer tijdens de mondelinge behandeling. Het College acht het voldoende aannemelijk dat beklaagde in het eerste gesprek met de betrokkenen besproken heeft met wie informatie over de kinderen zou worden uitgewisseld en ook dat hier mondeling toestemming voor is verleend. Ook stelt het College uit de stukken vast dat het verslag onderzoek zorgmelding van 16 september 2016 en het hulpverleningsplan van 12 april 2017 met de betrokkenen mondeling zijn besproken.
Het College volgt klager niet in zijn verwijt dat beklaagde niet meervoudig partijdig gehandeld heeft vanwege haar verstuurde e-mailbericht van 4 januari 2018. In het e-mailbericht leest het College dat beklaagde juist de beide ouders informeert over het advies van [de instelling2]. Klager heeft dit verwijt van het klachtonderdeel niet nader onderbouwd of toegelicht.
Voorts wordt beklaagde verweten dat zij onvoldoende stelling heeft ingenomen aangaande de ambivalente houding van de moeder tijdens het hulpverleningstraject en dat zij dit punt onvoldoende besproken heeft met betrokkenen. Het College acht het verweer hierover van beklaagde voldoende navolgbaar, inhoudende dat zij klager vanwege de privacy van de moeder niet heeft kunnen inlichten over de beweegredenen van de moeder om af te zien van de voorgestelde hulpverlening. Gelet op deze privacy en het ontbreken van nadere stukken hieromtrent, kan het College niet beoordelen of beklaagde op dit punt al dan niet (voldoende) stelling in heeft genomen. Beklaagde heeft, al dan niet samen met een collega, de moeder middels een gesprek alsnog proberen te motiveren voor de hulpverlening. Het College acht dit in het vrijwillig kader vallen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Terzake het verwijt dat beklaagde onvoldoende aan dossiervorming heeft gedaan overweegt het College als volgt. Het College stelt vast dat geen van de partijen het dossier in zijn geheel heeft overgelegd. Daarnaast spreken partijen ten aanzien van dit verwijt elkaar tegen. Klager stelt zich op het standpunt dat in het dossier de uitkomst van overleg met derden niet is opgenomen. Beklaagde betwist dit. Het College kan onder deze omstandigheden niet vaststellen of beklaagde onvoldoende aan dossiervorming heeft gedaan, omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. Nu het College niet kan vaststellen wat de feiten zijn die ten grondslag liggen aan het verwijt, wordt in lijn met vaste jurisprudentie het verwijt van klager niet gegrond bevonden.
Tot slot is het College van oordeel dat beklaagde met het afsluiten van de hulpverlening gehandeld heeft conform artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode. Op grond van dit artikel is een jeugdzorgwerker verantwoordelijk voor een zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening wanneer hij of zij niet meer kan voldoen aan de hulpvraag. Blijkens het overgelegde e-mailbericht van 29 januari 2018, zoals weergegeven onder 2.13 van deze beslissing, is de hulpverlening vanuit het CJG, in overleg met [de instelling2], afgesloten toen bleek dat er niet meer kon worden voldaan aan de hulpvraag in deze casus. Hetgeen zodoende ook toegelicht is aan de ouders in voornoemd e-mailbericht. Het College concludeert dat beklaagde met de afsluiting van de door haar aangeboden hulpverlening geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

3.3.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde beschikt over onvoldoende kennis en deskundigheid betreffende complexe echtscheidingen, ouderverstoting en de gevolgen hiervan voor kinderen. Mocht zij hier wel over beschikken, dan acht klager het verwijtbaar dat zij de kennis niet met de ouders gedeeld heeft. Ook heeft beklaagde de onderhavige problematiek onvoldoende op ernst ingeschat.

3.4.2

Toelichting:
In de gesprekken en verslagen is beperkt gesproken over de belangen van de kinderen in echtscheidingssituaties, het recht dat de kinderen hebben op contact met beide ouders en het belang hiervan voor hun ontwikkeling. Beklaagde is voorts nalatig geweest om de gevolgen, van een niet constructieve communicatie tussen de ouders, voor de kinderen te benoemen. Nadat de oudste zoon kenbaar gemaakt had dat hij geen contact meer met klager wilde, is Parallel Ouderschap van [de instelling] ingezet, zijn kindgesprekken met de oudste zoon door een collega van beklaagde gevoerd en is overleg geweest met [de instelling2]. Doordat beklaagde echter onvoldoende overeenstemming en eenduidigheid heeft verkregen over de doelen en doordat zij over onvoldoende kennis beschikt, heeft het hulpverleningstraject tot onvoldoende resultaat geleid.
Tot slot heeft beklaagde de problematiek onvoldoende op ernst ingeschat. Inzet van een risico-inventarisatie dan wel van de meldcode kindermishandeling had tot een ander resultaat van het hulpverleningstraject kunnen leiden. Beklaagde heeft immers steeds overleg met [de instelling2] gehad, maar zij heeft niet overwogen om de zaak opnieuw aan Veilig Thuis voor te leggen. Ook is voor klager niet duidelijk wat zij heeft overlegd met [de instelling2]. Een onderzoek door Veilig Thuis had mogelijk meer zicht op veiligheid en mogelijke ontwikkelingsbedreigingen kunnen geven. Ouderverstoting en complexe echtscheidingen worden immers ook gezien als een vorm van psychische kindermishandeling, hetgeen een andere inzet vraagt dan dat er is geweest. Dit is door beklaagde nooit benoemd of mogelijk ingezien.
Beklaagde heeft hiermee volgens klager artikelen B (bevorderen deskundigheid), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en K (vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode geschonden.

3.4.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist hetgeen klager haar verwijt en voert het volgende aan. Het CJG werkt met ambulant werkers die over voldoende kennis en ervaring beschikken op het gebied van complexe echtscheidingen, waaronder ook beklaagde. Ambulant werkers in dienst van het CJG zijn minimaal HBO geschoold, beklaagde is universitair geschoold. Daarnaast worden de medewerkers ook bijgeschoold en is er sprake van intervisie. Wanneer het nodig is, verwijst het CJG door naar een tweedelijns zorgaanbieder, waar in deze casus ook sprake van is geweest. Beklaagde betreurt het dat klager onvoldoende heeft ervaren dat sprake was voldoende deskundigheid. In het belang van de kinderen pleit het CJG voor (herstel) van contact met beide ouders. Beklaagde begrijpt dat het voor klager pijnlijk en moeilijk is dat zijn oudste zoon niet bij hem opgroeit en geen contact meer met hem wil. Dit is echter volgens beklaagde geen gevolg van haar handelen.
Beklaagde herkent zich niet in het verwijt dat de problematiek door haar onvoldoende op ernst is ingeschat. Tussen Veilig Thuis, [de instelling2] en het CJG geldt een samenwerkingsafspraak. Het CJG meldt een casus niet opnieuw terug bij Veilig Thuis, maar zoekt contact met [de instelling2] voor consultatie en advies. Voor verbetering van het contact tussen de ouders is eerst mediation ingezet en later Parallel Ouderschap. Met de zoon zijn een aantal gesprekken gevoerd door een collega van beklaagde. In januari 2017 is door beklaagde en haar collega getracht te bemiddelen tussen de oudste zoon en klager, waarna de oudste zoon te kennen gaf geen behoefte meer te hebben aan hulp vanuit het CJG. [de instelling2] heeft hierop aangegeven dat een kind van zijn leeftijd niet gedwongen kan worden om hulp te ontvangen en dat vooral rust en stabiliteit voor het kind nodig was.
Beklaagde concludeert dat zij naar eer en geweten gewerkt heeft. Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld, in overeenstemming met zowel de Beroepscode als de professionele standaarden. Beklaagde acht zich niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

3.4.4

Het College overweegt als volgt:
De stelling van klager dat beklaagde over onvoldoende kennis en deskundigheid beschikt aangaande complexe echtscheidingen, is naar het oordeel van het College door klager onvoldoende onderbouwd met relevante stukken. Gelet op het scholingsniveau en de kennelijke regelmatige bijscholing en intervisie van beklaagde, ziet het College geen aanleiding om te twijfelen aan de kennis en deskundigheid van beklaagde. Voor wat betreft het verwijt dat beklaagde de onderhavige problematiek onvoldoende op ernst heeft ingeschat, verwijst het College naar het einde van overweging 3.2.4 van deze beslissing, waarin de genomen stappen in het hulpverleningstraject staan beschreven. Gelet hierop acht het College het niet aannemelijk geworden dat beklaagde de onderhavige problematiek onvoldoende op ernst heeft ingeschat.

3.4.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.5 Conclusie

3.5.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Ten overvloede merkt het College nog het volgende op. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht constateert het College dat in de hulpverlening vanuit de organisatie CJG sprake is geweest van een aantal onvolkomenheden, met name in de procesvoering. Naar het oordeel van het College kunnen deze organisatie-aspecten echter niet aan beklaagde worden toegerekend en vallen deze buiten het kader van een tuchtrechtelijke toetsing.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 14 januari 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris