De casemanager (beklaagde) van het jeugdteam wordt door klaagster (gemeente) verweten dat hij niet heeft gehandeld na zorgelijke signalen, dat hij de gedragswetenschapper niet betrokken heeft bij een kernbeslissing en dat hij dossiers niet op orde had. Het College heeft het beroep van beklaagde op de niet-ontvankelijkheid van klaagster verworpen. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,

mevrouw mr. S.C. van Duijn, lid-jurist,

mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,

de heer A.J.M. Heijster, lid-beroepsgenoot,

de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,

over de door de:

Gemeente [klaagster], vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], voormalig leidinggevende van beklaagde, hierna te noemen: klaagster,

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], voorheen werkzaam bij klaagster, hierna te noemen: beklaagde.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift, ontvangen op 12 september 2018;
– de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 31 oktober 2018;
– het verweerschrift, ontvangen op 11 februari 2019.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 4 maart 2019 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde. Als toehoorder van de zijde van klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [toehoorder], huidig leidinggevende van het Jeugdteam.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Beklaagde is op basis van een detacheringscontract vanaf medio januari 2018 tot 1 juni 2018 casemanager geweest bij het lokale team van klaagster.

2.2

Beklaagde was in die periode verantwoordelijk voor een aantal casussen.

2.3

Beklaagde is geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ. In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 was beklaagde geregistreerd in de kamer voor de jeugdzorgwerkers. Sinds [datum] 2018 is beklaagde geregistreerd in de kamer voor de jeugd- en gezinsprofessionals.

3 De ontvankelijkheid van de klacht

3.1

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht en voert hiertoe het volgende aan. Klaagster kan in deze zaak niet als belanghebbende worden aangeduid, omdat klaagster louter als opdrachtgever betrokken is geweest en geen inhoudelijke kennis heeft van de uitvoering van de werkzaamheden van beklaagde, noch betrokken is geweest bij de uitvoering van de werkzaamheden in de betreffende casussen.

3.2

Op grond van artikel 3.2 van het Tuchtreglement kan een belanghebbende, die meent dat een jeugdprofessional de algemene tuchtnorm overtreedt, hiertegen een klacht indienen bij het College van Toezicht van SKJ. Bij de begripsbepalingen in artikel 1 van het Tuchtreglement is bepaald dat een belanghebbende is “elke (rechts)persoon die een direct of indirect belang heeft bij het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional”. Het College merkt klaagster aan als een belanghebbende en overweegt hiertoe als volgt. Klaagster is een gemeente. Sinds 1 januari 2015 zijn Nederlandse gemeentes verantwoordelijk voor bijna alle vormen van jeugdhulp. De gemeentelijke taken zijn vastgelegd in de Jeugdwet. Deze wet regelt de verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan kinderen en jongeren (jeugdigen) en hun ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Een van de specifieke taken, vastgelegd in de Jeugdwet, is dat een gemeente jeugdhulpaanbieders van goede kwaliteit aanbiedt. In het kader van de genoemde verantwoordelijkheid en de taak van de gemeente concludeert het College dat klaagster aangemerkt kan worden als belanghebbende in de zin van artikel 1 van het Tuchtreglement. Klaagster heeft volgens het College immers een direct belang bij (een tuchtrechtelijke toetsing van) het beroepsmatig handelen van beklaagde, nu beklaagde in de genoemde periode op detacheringsbasis, in opdracht, en onder verantwoordelijkheid van beklaagde jeugdhulptaken heeft uitgevoerd. Nu overige gronden voor niet-ontvankelijkheid niet zijn gesteld, noch zijn gebleken, kan klaagster in haar klachten worden ontvangen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

4.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

4.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame
beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

4.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.1.3

Klaagster vindt dat beklaagde verwijtbaar gedrag heeft vertoond, variërend van het niet handelen naar aanleiding van zorgelijke signalen, het niet betrekken van de gedragswetenschapper bij een kernbeslissing tot het bij een ouder wekken van de indruk dat hij geen keuze heeft gehad, terwijl dat wel het geval was. Daarbij heeft beklaagde in alle gevallen het dossier niet op orde gehouden. Klaagster heeft drie casussen overgelegd, waarbij beklaagde casemanager is geweest en waaruit de bovenstaande klachten volgens haar blijken. Beklaagde heeft daarbij de volgende artikelen geschonden: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), C (Bereid iedere cliënt te helpen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), K (Vermoeden kindermishandeling), M (Verslaglegging/dossiervorming), O (Beroepsuitoefening en samenwerking) en S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie).

4.1.4

Hierna worden aan de hand van de drie casussen de klachtonderdelen besproken en beoordeeld. Per casus worden de klachtonderdelen en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.2 Casus 1

4.2.1

De eerste door klaagster aangevoerde casus gaat over een minderjarige van 14 jaar, hierna te noemen: de minderjarige. Klaagster verwijt beklaagde dat hij niets heeft gedaan met signalen vanuit de groep, waar de minderjarige verbleef. Had hij wel gehandeld dan had een crisis voorkomen kunnen worden. Datzelfde geldt voor de signalen die er waren over kindermishandeling. Voorts is het dossier niet op orde; relevante informatie ontbreekt.
Toelichting:
Na de overdracht van de casus door beklaagde bleek dat er sprake was van een crisis. De minderjarige kon niet langer op de groep blijven en de betreffende gecertificeerde instelling, verder te noemen: de GI, heeft verklaard dit al maanden aan beklaagde te hebben aangegeven. De problematiek van de minderjarige was te zwaar voor de groep. Beklaagde heeft hier niets mee gedaan; de meldingen zijn niet in het systeem terug te vinden en de door de GI opgestuurde rapportages ontbreken. Uiteindelijk is de minderjarige na het zwaaien met een mes op een andere groep geplaatst. Daar kon hij tijdelijk blijven, mits het lokale team een plan B op zou stellen. De minderjarige heeft op de groep tevens verteld over ernstige mishandeling in zijn thuissituatie. Daarna is aan beklaagde gecommuniceerd dat er zicht diende te komen op de andere minderjarigen, die nog thuis wonen bij de moeder van de minderjarige. Ook hier is door beklaagde niets mee gedaan. De
opmerking van de minderjarige dat zijn jongere broertjes/zusjes niet worden mishandeld, heeft beklaagde kennelijk, zonder verder onderzoek te doen, als waarheid aangenomen.
In de aanvulling op de klacht van 31 oktober 2018 heeft klaagster een onderzoeksverslag overgelegd van juli 2018, waaruit blijkt dat de casemanager die de casus van beklaagde heeft overgenomen de veiligheid anders heeft ingeschat. Hij heeft geconstateerd dat er geen zicht was op de andere kinderen en op 11 juni 2018 onaangekondigd aan de moeder een bezoek gebracht. Daarin heeft hij haar uitgelegd dat hij een signaleringsplicht heeft met betrekking tot de veiligheid, en een melding zal doen bij Veilig Thuis. Tevens heeft klaagster het Registratieformulier Stappen Meldcode van de GI bijgevoegd, dat door de GI is ingevuld vanwege vermoedens van kindermishandeling.

4.2.2

Beklaagde heeft de klacht over deze casus verdeeld in drie onderdelen en voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

4.2.2.1

Na de overdracht van de casus bleek dat beklaagde niets gedaan zou hebben met signalen met een crisis als gevolg en dat de minderjarige met een mes zou hebben gezwaaid, waarna hij op een andere groep is geplaatst. Beklaagde heeft met de GI regelmatig contact gehad. Omdat het op de huidige groep niet goed genoeg ging, heeft beklaagde samen met de GI gekeken naar mogelijkheden voor een andere leefgroep, dan wel een pleeggezin voor de minderjarige. Beklaagde heeft daarover contact gehad met zorginstanties, en de voorkeur uitgesproken de minderjarige zo dicht mogelijk bij een normale setting te plaatsen. Echter, dit was gezien de leeftijd en het gedrag van de minderjarige niet mogelijk. Beklaagde heeft de GI, waar de minderjarige verbleef, zelf ook gevraagd welke mogelijkheden zij als jeugdzorgaanbieder had, bijvoorbeeld plaatsing op een andere groep. Deze mogelijkheid was er op dat moment niet. De minderjarige heeft tijdens het laatste contact dat beklaagde met hem heeft gehad, gezegd dat hij ook wel naar zijn opa (mz) zou willen. Beklaagde heeft de minderjarige toen aangegeven dat hij zijn opvolger zou vragen dit te onderzoeken en heeft dit ook in de overdracht beschreven.
Beklaagde is het niet eens met de hypothese van klaagster dat de minderjarige door zijn nalaten met een mes heeft lopen zwaaien en onveilig is geweest. Beklaagde betreurt het dat de minderjarige dit heeft gedaan en beseft wat voor impact dit moet hebben gehad. Echter, beklaagde kan hier in zijn ogen niet verantwoordelijk voor worden gehouden, aangezien het incident heeft plaatsgevonden na de overdracht van de casus.

4.2.2.2

Beklaagde heeft niets gedaan met de signalen over kindermishandeling van de minderjarige in de thuissituatie en de andere thuiswonende kinderen.
Beklaagde betwist met grote stelligheid dat hij niet gehandeld heeft nadat hij vernam van de mishandeling door de moeder. Beklaagde heeft ruggespraak gehouden met de gedragswetenschapper. Besproken is of de minderjarige aangifte moest doen. Daarnaast heeft beklaagde navraag gedaan bij de minderjarige over de mishandeling. Beklaagde heeft gevraagd of de moeder de andere kinderen sloeg of schopte en de minderjarige heeft nadrukkelijk geantwoord dat dit niet het geval was. De gedragswetenschapper heeft geadviseerd op dat moment geen aangifte te doen. Wel heeft beklaagde op advies van de gedragswetenschapper met de moeder contact opgenomen om te onderzoeken of er ook sprake is van mishandeling van de andere thuiswonende kinderen. Zij heeft verklaard de kinderen niet te mishandelen, maar wel een pedagogische tik te geven. Beklaagde heeft de moeder gezegd dat dit in Nederland niet is toegestaan en haar toestemming gevraagd om contact op te nemen met de scholen van de kinderen. Dat heeft de moeder geweigerd. Beklaagde heeft dit vervolgens besproken met de gedragswetenschapper, waarop geadviseerd is op dat moment geen verdere stappen te ondernemen. Beklaagde is zich er van bewust dat mishandeling een beladen thema is, dat altijd goed onderzocht dient te worden. Hij is van mening dat hij hier in samenspraak met de gedragswetenschapper toen de juiste stappen in heeft gezet. Echter, nu beklaagde de verdiepende training ‘huiselijk geweld en kindermishandeling’ bij zijn nieuwe werkgever heeft gevolgd, zou beklaagde op dit moment hebben doorgevraagd en geen genoegen hebben genomen met het advies van de gedragswetenschapper.

4.2.2.3

Beklaagde heeft het dossier niet op orde.
Beklaagde kan, doordat hij niet langer werkzaam is voor klaagster, het registratiesysteem van de gemeente niet (meer) raadplegen. Hierdoor kan beklaagde niet feitelijk beschrijven op welke data hij welke stappen heeft ondernomen, waaronder het consulteren van de gedragswetenschapper over de kindermishandeling. Beklaagde heeft alle contacten die hij met de betrokkenen heeft gehad, geregistreerd. Hij heeft de documenten voor de minderjarige vastgelegd en bij vertrek gezorgd voor een overdracht in het systeem. Beklaagde betwist dan ook dat het dossier niet op orde zou zijn geweest. Mogelijk dat hij door drukte vergeten is een enkel contactjournaal toe te voegen. Beklaagde vindt het belangrijk dat er registratie plaatsvindt, dit om de stappen inzichtelijk te maken voor zowel de cliënten als voor de collega’s die een casus moeten overnemen. Beklaagde is hier tijdens de uitvoering van zijn huidige werkzaamheden nog scherper op geworden.

4.2.3

Het College overweegt als volgt.

4.2.3.1

Klaagster heeft haar stelling dat beklaagde niet heeft gereageerd op signalen over de minderjarige met een crisis als gevolg, onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen getuigenverklaringen van de betrokken hulpverleners overgelegd, noch van de gedragswetenschapper en de caseloadbegeleider, er is geen e-mailcorrespondentie bekend en er zijn geen andere stukken waaruit zou kunnen blijken dat beklaagde geen acht heeft geslagen op genoemde signalen. Klaagster heeft wel een onderzoeksverslag van 3 juli 2018 overgelegd, waaruit blijkt dat de casemanager die de casus van beklaagde heeft overgenomen de veiligheid anders heeft ingeschat dan beklaagde, en een meldcodeformulier, dat is ingevuld door de GI naar aanleiding van vermoedens van kindermishandeling. Beklaagde heeft zowel in zijn schriftelijke verweer als tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat hij onvoldoende heeft gedaan om de minderjarige te steunen, en voorts dat hem een crisis die plaatsvond na zijn vertrek niet kan worden verweten. Derhalve is het College van oordeel dat bovengenoemde stelling dat beklaagde een crisis heeft veroorzaakt door niet te reageren op signalen van de minderjarige door klaagster onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

4.2.3.2

Het College overweegt dat klaagster ook dit deel van de klacht, dat beklaagde niet gehandeld heeft na signalen over mishandeling en dat er geen zicht was op de broertjes/zusjes van de minderjarige, onvoldoende heeft onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat er kennelijk onduidelijkheid heeft bestaan tussen klaagster en beklaagde over de uit te voeren veiligheidscheck. Beklaagde heeft verklaard normaal gesproken gebruik te maken van de ’Lirik’ (‘Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid’, dat wil zeggen een checklist die professionals helpt bij het beoordelen of er sprake is van kindermishandeling en bij het inschatten of een kind risico loopt in de toekomst), maar heeft deze in zijn herinnering in deze casus niet ingevuld. Klaagster heeft daarentegen verklaard dat zij gebruik maakt van de methode ‘Signs of Safety’ (oplossingsgerichte benadering voor gezinnen waar de veiligheid van een kind een probleem vormt), welke methode volgens klaagster aangeeft wanneer de casemanager de casus dient te bespreken binnen de caseloadbespreking. Beklaagde heeft zowel in zijn schriftelijke verweer als tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat hij niet gehandeld heeft na signalen over mishandeling. Hij heeft gesproken met de moeder over de veiligheid van zowel de minderjarige, als de broertjes en zusjes en heeft hier meerdere keren contact over gehad met de gedragswetenschapper. Beklaagde heeft wel benadrukt dat hij, nu hij een verdiepende training ‘huiselijk geweld en kindermishandeling’ heeft gevolgd, met de kennis van nu bij de moeder steviger in zijn schoenen zou hebben gestaan en wel een melding zou doen bij Veilig Thuis.
Nu klaagster haar stellingen niet feitelijk heeft onderbouwd, is er geen klachtwaardig handelen of nalaten van beklaagde komen vast te staan.

4.2.3.3

Ten aanzien van het deel van de klacht dat toeziet op een onvolledig dossier, overweegt het College dat klaagster op geen enkele manier heeft onderbouwd wat er aan het dossier ontbrak. Klaagster heeft alleen gesteld dat er amper aan dossiervorming is gedaan en dat wat er niet is, ook niet aangetoond kan worden. Beklaagde heeft in zijn schriftelijke verweer maar ook tijdens de mondelinge behandeling betwist dat hij geen verslag heeft gemaakt, dan wel geen contactjournaals heeft toegevoegd. Beklaagde heeft verklaard zich wel voor te kunnen stellen dat hij misschien één keer vergeten is een contactjournaal toe te voegen, maar dat kan hij niet meer nagaan nu hij niet langer werkzaam is bij klaagster. Voor het College staat vast dat dat in ieder geval niet het contactjournaal geweest kan zijn waarin het gesprek tussen beklaagde en de moeder is vastgelegd, nu klaagster tijdens de mondelinge behandeling bevestigd heeft dat dat contactjournaal wel aan het dossier is toegevoegd. Ook bij dit deel van de klacht kan het College in redelijkheid niet vaststellen wat er in het dossier zou ontbreken. Klaagster heeft het niet aangetoond en daardoor is niet komen vast te staan dat beklaagde het dossier niet op orde had.

4.2.4

Het College oordeelt dat de drie klachtonderdelen in de casus ongegrond zijn.

4.3 Casus 2

4.3.1

Klaagster beschrijft een casus over een tweeling, hierna te noemen minderjarige 1 en minderjarige 2, en gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen, waarbij beklaagde betrokken is geweest. Klaagster verwijt beklaagde dat hij een kernbeslissing heeft genomen zonder afstemming met de gedragswetenschapper, dat hij de vader niet juist heeft geïnformeerd over het vrijwillig kader waarbinnen de ondersteuning plaatsvond en hij de vader het gevoel heeft gegeven geen keuze te hebben. Beklaagde heeft voorts onvoldoende oog gehad voor de veiligheid van de plekken waar de kinderen na hun uithuisplaatsing zijn gaan wonen. Tot slot was het dossier niet op orde; contactgegevens van de betrokkenen, het startdocument, de rapportage van de spoedhulp en de zorgtoewijzing voor de spoedhulp ontbreken.
Toelichting:
Op de op één na laatste werkdag heeft beklaagde over de kinderen een inbreng gedaan bij het toegangsteam voor netwerkpleegzorg. Dit is niet in overleg gegaan met de gedragswetenschapper, terwijl een uithuisplaatsing een kernbeslissing is. Het is niet verdedigbaar dat beklaagde niet op de hoogte zou zijn van de afspraak dat bij kernbeslissingen de gedragswetenschapper betrokken dient te worden. Intern is met de nieuwe casemanager afgesproken dat de beslissing niet zomaar teruggedraaid kan worden, maar dat er eerst met alle partijen in gesprek gegaan dient te worden. In het gesprek met de vader bleek dat hij het gevoel heeft gekregen geen andere mogelijkheid te hebben dan in te stemmen met de uithuisplaatsing. Zonder toestemming van de vader is een uithuisplaatsing van de kinderen in het vrijwillig kader niet mogelijk. Beklaagde heeft voorts de kinderen verantwoordelijk gemaakt voor het vinden/kiezen van een plek om te kunnen wonen en hij heeft geen veiligheidscheck gedaan. Na het starten van de nieuwe casemanager bleken zowel de moeder en haar nieuwe partner, zijnde de opa van de kinderen (waar minderjarige 1 was gaan wonen), als de oom (waar minderjarige 2 was gaan wonen) over onvoldoende vaardigheden te beschikken voor de problematiek van de kinderen. Beklaagde zou de Beroepscode moeten kennen, hij heeft werkervaring bij een instelling, hij is tijdens het inwerken gewezen op de procesbeschrijving en in een andere crisis heeft hij wel afstemming gezocht.

4.3.2

Beklaagde heeft ook de klacht over deze casus verdeeld in drie onderdelen en voert het volgende aan.

4.3.2.1

Beklaagde heeft een kernbeslissing genomen zonder afstemming met de gedragswetenschapper en hij heeft de betrokken vader niet geïnformeerd dat de ondersteuning plaatsvond in het vrijwillig kader.
De kinderen zijn aangemeld omdat minderjarige 2, nadat zij door de vader bij de keel zou zijn gegrepen, een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. De kinderen verbleven op dat moment bij hun oom. Hierop heeft Veilig Thuis aan de gemeente gevraagd spoedzorg in te zetten. Beklaagde heeft het startgesprek van de spoedzorg voor zijn rekening genomen en de bureaudienst zou de zorgtoewijzing regelen. In het startgesprek bij de vader is aangegeven dat de spoedzorg en het casemanagement, dat door beklaagde wordt uitgevoerd, plaatsvindt in het vrijwillig kader. De vader is toen ook uitgelegd dat hij verantwoordelijk is voor de kinderen en dat hij moet instemmen met hulp/ondersteuning voor hemzelf en de kinderen. De vader is zowel door de spoedzorgwerker als door beklaagde meerdere keren geïnformeerd over het feit dat het vrijwillige, maar niet vrijblijvende hulpverlening betrof. In de gesprekken waar zowel de spoedzorgwerker als beklaagde bij aanwezig waren, heeft vader meermaals aangegeven dat hij liever wil dat dat de kinderen elders gingen wonen en een zelfstandigheidstraject in zouden gaan. De vader en de kinderen is toen uitgelegd dat dit gezien de leeftijd van de kinderen niet mogelijk is. De kinderen wilden zelf ook uit huis en hadden daarin hun eigen wensen. Alle opties zijn zowel door beklaagde als door de spoedzorgwerker met de vader en de kinderen besproken. Hierbij is aangegeven dat waar de kinderen ook willen verblijven, zij dit alleen kunnen met toestemming van hun (gezaghebbende) vader. De vader heeft vervolgens toestemming verleend. Beklaagde heeft nooit een verwijzing gedaan dat de vader geen keuze had.
Het was juist de wens van de vader dat de kinderen elders konden verblijven, zodat er (meer) rust kwam in het contact tussen de kinderen en de vader.
Daarnaast heeft beklaagde tweemaal een jeugdhulpaanvraag besproken en laten tekenen door de vader en de kinderen. Een van deze aanvragen ging, conform het advies van spoedzorg, om psychologische hulp voor de kinderen. De tweede was om extra ondersteuning te bieden bij de opvoeding van de kinderen. Op het moment van de eerste aanvraag verbleven de kinderen al deels niet meer bij de vader en bij de tweede aanvraag helemaal niet meer. De aanvraag is getoetst door een triage-commissie, waar zowel werkers als een gedragswetenschapper en een jeugdarts in zitten.
Beklaagde is zich ervan bewust dat het zijn verantwoordelijkheid is om een kernbeslissing, in dit geval een uithuisplaatsing, te bespreken met de gedragswetenschapper. Of beklaagde de kernbeslissing heeft getoetst bij de gedragswetenschapper, kan beklaagde vanwege het feit dat hij niet meer in het registratiesysteem van de gemeente kan komen, niet nagaan. Beklaagde benadrukt dat in beide jeugdhulpaanvragen de wens van de vader en de kinderen om elders te wonen, beschreven staat. In de tweede jeugdhulpaanvraag staat tevens opgenomen dat de kinderen al elders verblijven. Daarnaast heeft beklaagde de casus tussen de eerste en de tweede jeugdhulpaanvraag ingebracht in een casuïstiekbespreking, waarbij de gedragswetenschapper aanwezig was. Tot slot heeft beklaagde de casus tijdens caseloadbesprekingen met de werkbegeleider besproken.
Beklaagde is nu (nog) scherper op het feit dat hij kernbeslissingen, hoe klein dan ook, samen maakt met de gedragswetenschapper. Ook ziet hij er op toe dat hij deze kernbeslissingen goed vast legt in het registratiesysteem.

4.3.2.2

Beklaagde heeft volgens de klacht onvoldoende oog gehad voor de veiligheid van de plekken, waar de kinderen na de uithuisplaatsing zijn gaan wonen.
In beginsel is de gezaghebbende ouder, in dit geval de vader, verantwoordelijk voor de veiligheid van de kinderen. De vader heeft toestemming verleend aan zijn kinderen te mogen verblijven bij hun opa en oom. Beklaagde heeft gesproken met de opa en met minderjarige 1. Beiden gaven aan dat het aftasten was, maar goed ging. Opa had desondanks wel behoefte aan ondersteuning. In afstemming met de opa, minderjarige 1 en de vader is besloten om pleegzorgondersteuning in te zetten. Er zijn over minderjarige 1 geen signalen binnengekomen dat het niet veilig zou zijn bij opa. Daarnaast heeft beklaagde meerdere gesprekken gevoerd met de oom en minderjarige 2. Omdat de oom aangaf dat het voor hem soms lastig was minderjarige 2 te begeleiden en te ondersteunen, is in samenspraak met minderjarige 2, de oom en de vader een aanvraag gedaan voor pleegzorgondersteuning bij de oom thuis. Tijdens de gesprekken met minderjarige 2 en de oom bleken er evenmin signalen dat minderjarige 2 niet veilig zou zijn bij de oom. Ook heeft de beklaagde geen berichten ontvangen van de psycholoog, welke door beklaagde is ingezet of van de vader. Beide aanvragen heeft de beklaagde in de laatste werkweek bij de gemeente nog in orde gemaakt. Hiervoor had hij handtekeningen van betrokkenen nodig.

4.3.2.3

Het dossier was niet op orde.
Beklaagde voert aan twee aanvragen voor jeugdhulp te hebben ingediend, die op basis van een onderliggend plan zijn geschreven. In de aanvragen staan de adviezen vanuit de spoedzorgperiode beschreven, de gezinssituatie alsmede de contactgegevens van de ouder(s). Daarnaast heeft beklaagde een overdracht geschreven met daarin relevante informatie over deze casus en welke stappen er gezet dienen te worden. Beklaagde betwist dan ook dat het dossier onvoldoende op orde was. Echter volgens beklaagde is het mogelijk dat, vanwege de vele contacten die hij heeft gehad in deze casus, niet altijd alle contacten afzonderlijk zijn geformuleerd. Voor beklaagde is dit niet meer te controleren.

4.3.3

Het College overweegt als volgt.

4.3.3.1

Ten aanzien van het verwijt van klaagster dat beklaagde een kernbeslissing heeft genomen zonder afstemming met de gedragswetenschapper, heeft beklaagde zowel in zijn verweer, als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht beschreven dat hij over de uithuisplaatsing meerdere gesprekken heeft gevoerd met de vader en de kinderen, en voorts hoe hij verder te werk is gegaan. Beklaagde heeft de beslissing de kinderen elders te plaatsen, besproken tijdens de caseloadbespreking en kan zich dat herinneren omdat de casus hem persoonlijk raakte. Beklaagde heeft onweersproken verklaard dat de werkbegeleider en de gedragswetenschapper bij deze caseloadbespreking aanwezig waren en dat nimmer aan de orde is geweest of de betreffende beslissing specifiek een kernbeslissing was. Klaagster heeft dit deel van de klacht onvoldoende onderbouwd. Derhalve kan het College niet vaststellen of beklaagde met de wijze waarop hij gehandeld heeft bij de beslissing de kinderen uit huis te plaatsen, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
De klacht van klaagster dat beklaagde de vader onvoldoende heeft geïnformeerd over het kader waarin werd geopereerd, en hij hem het gevoel heeft gegeven geen keuze meer te hebben, heeft klaagster eveneens niet aannemelijk kunnen maken.

4.3.3.2

Ten aanzien van het deel van de klacht dat beklaagde onvoldoende oog heeft gehad voor de veiligheid van de plekken, waar de kinderen na de uithuisplaatsing zijn gaan wonen, heeft beklaagde zowel schriftelijk als mondeling gemotiveerd betwist dat hij geen acties heeft ondernomen om te kijken of de kinderen veilig waren. Hij heeft met alle betrokkenen gesprekken gevoerd, is bij de kinderen thuis geweest, heeft ondersteuning aangevraagd en heeft op die manier zeker de veiligheid bewaakt. Het College overweegt dat klaagster niets heeft aangedragen, dat haar stelling dat beklaagde onvoldoende oog heeft gehad voor de veiligheid van de plekken waar de kinderen na de uithuisplaatsing zijn gaan wonen, onderbouwt.

4.3.3.3

Het College overweegt net als bij casus I dat klaagster heeft nagelaten aan te tonen dat beklaagde het dossier niet op orde zou hebben. Beklaagde heeft zowel in zijn schriftelijke verweer als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht gemotiveerd betwist dat zijn dossier niet op orde zou zijn. Hij heeft desgevraagd aangevoerd twee aanvragen voor jeugdhulp te hebben ingediend en heeft een overdracht geschreven met daarin relevante informatie en welke stappen er gezet dienen te worden. Ook in deze casus heeft beklaagde verklaard zich te kunnen voorstellen dat hij vanwege de vele contacten die hij heeft gehad niet altijd alle contacten afzonderlijk heeft geformuleerd, maar helaas is het voor hem niet meer mogelijk dit te controleren. Het College kan dan ook niet vaststellen dat beklaagde de verslaglegging en dossiervorming niet conform de beroepsstandaard heeft gedaan.

4.3.4

Het College oordeelt dat de drie klachtonderdelen in de casus ongegrond zijn.

4.4 Casus 3

4.4.1

Klaagster voert een derde casus aan over een minderjarige van 16 jaar, hierna te noemen: de minderjarige. Klaagster verwijt beklaagde niets gedaan te hebben met afgegeven signalen. Voorts had beklaagde het dossier niet op orde; relevante informatie ontbreekt.
Toelichting
De casemanager die de casus van beklaagde heeft overgenomen, is gestart met een zorgoverleg. Toen bleek dat de zorgen over de minderjarige ernstig waren toegenomen. De schoolgang was inmiddels gestagneerd, waardoor er nauwelijks zicht was op de minderjarige. Thuis wonen was volgens een psychiater geen optie meer, en een betrokken hulpverlener heeft geadviseerd de minderjarige op te laten nemen in een afkickkliniek. Hier bleek reeds op te zijn ingezet door betrokken hulpverleners, zonder dat het lokale team en de gedragswetenschapper hierin zijn meegenomen. Men schijnt al langer aan de bel te hebben getrokken. Beklaagde hebben ze één keer gezien en er staat niets opgenomen in het dossier.

4.4.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.
Het is voor beklaagde onduidelijk wanneer dit zorgoverleg heeft plaatsgevonden nadat hij is gestopt met zijn werkzaamheden voor de gemeente. Hij kan op basis van de summier gegeven informatie acht maanden na vertrek en zonder toegang tot de relevante informatie niet meer met zekerheid achterhalen om welke cliënt het gaat en in hoeverre hij hierbij betrokken is geweest. Beklaagde denkt echter wel te weten welke minderjarige wordt bedoeld en zal hier zijn verweer op baseren. Voor de minderjarige is spoedzorg ingezet, vanwege ruzie in de thuissituatie om drugsgebruik. Door de spoedzorg is er meer rust gekomen en hebben de ouders en de minderjarige afspraken gemaakt. Als beklaagde het zich goed kan herinneren, was het advies vanuit spoedhulp dat wanneer het drugsgebruik zou toenemen er contact opgenomen kon worden met verslavingszorg. Ten tijde van de betrokkenheid van beklaagde was de spoedzorg afgelopen en lag er geen andere hulpvraag vanuit het gezin. Beklaagde heeft het gezin éénmaal bezocht en heeft contact gehad toen hij zijn vertrek aankondigde. Beklaagde heeft een korte overdracht in het systeem gezet voor zijn opvolger. Beklaagde betwist dat hij voor zijn vertrek op de hoogte was van de zorgen.

4.4.3

Het College overweegt als volgt. Niet is met zekerheid vast te stellen dat klaagster en beklaagde doelen op dezelfde casus. Voor zover het wel over dezelfde casus gaat, is het voor het College onduidelijk of beklaagde heeft gereageerd op signalen. Klaagster heeft dit niet onderbouwd. Desgevraagd heeft klaagster tijdens de mondelinge behandeling verklaard ook niet met zekerheid te kunnen stellen of beklaagde in deze casus een besluit heeft genomen, omdat het onderzoeksverslag en het contactjournaal ontbreken. Voorts heeft klaagster geen helderheid kunnen geven over de betrokken hulpverleners, die aan de bel hebben getrokken. Beklaagde heeft in zijn schriftelijke verweer maar ook tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat hij niets met de signalen over deze minderjarige heeft gedaan. Beklaagde heeft wel degelijk contact gehad met de minderjarige en met het gezin. Hij heeft daar echter zeker geen besluit in genomen en er ook geen toewijzing voor geschreven en beklaagde trekt het zich aan dat dit hem door klaagster wordt aangerekend. Het College overweegt dat voor zover het om dezelfde casus gaat, niet is komen vast te staan dat beklaagde niets gedaan zou hebben met de signalen. Het is voor het College niet duidelijk geworden welke feiten ten grondslag liggen aan dit klachtonderdeel.
Ten aanzien van het niet op orde hebben van het dossier, verwijst het College naar haar overwegingen onder 4.2.3.3 en 4.3.3.3 bij de twee eerdere casussen.

4.4.4

Het College oordeelt dat de klachtonderdelen in de casus ongegrond zijn.

4.5 Conclusie

Het College komt op grond van het vorengaande niet aan een inhoudelijk oordeel toe omdat de feiten onvoldoende zijn komen vast te staan.
Ten overvloede merkt het College het volgende op. Het indienen van een tuchtklacht is een zwaar middel en vergt veel van de betrokken partijen. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een onderhoud met klaagster op prijs had gesteld. Klaagster heeft ter zitting gesteld dat een gesprek met beklaagde is overwogen, doch na het inwinnen van juridisch advies, gekozen te hebben voor een tuchtprocedure. Voorts heeft klaagster verklaard dat haar doel is bereikt nu beklaagde in zijn verweer heeft gereflecteerd op zijn handelen en hij zich bewust is geworden van zijn verantwoordelijkheid. Naar het oordeel van het College was een gesprek passend geweest. Immers, zowel klaagster als beklaagde hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat beklaagde in zijn werk bij klaagster ‘voor de leeuwen is gegooid’: de werkdruk was hoog, collega hulpverleners hadden een zware workload en er zijn wel handvatten geboden, maar de jeugdprofessional moet vervolgens zelf kijken hoe hij die toepast. Voorts heeft beklaagde verklaard nooit eerder van klaagster gehoord te hebben dat hij zijn werkzaamheden anders zou moeten uitvoeren. Er is kennelijk aangenomen dat beklaagde zijn weg wel zou vinden, snel zelf aan de slag zou gaan en bij twijfel collegiaal overleg zou hebben. Beklaagde heeft van zijn kant toegegeven zelf ook niet om meer begeleiding gevraagd te hebben. Hij werd geleid door de waan van de dag. Het College overweegt echter dat van een klager mag worden verwacht dat van het tuchtrecht pas gebruik wordt gemaakt wanneer een minder ingrijpend middel niet toereikend is om het door klager gestelde doel te bereiken.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen in de genoemde casussen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 15 april 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A van Geel                                                                                                                      mevrouw mr. E.C. Abbing
voorzitter                                                                                                                                                              secretaris