Klacht tegen een raadsonderzoeker over de inhoud en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport. Ook voelt de moeder zich onvoldoende gehoord.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, is in de onderhavige zaak als volgt samengesteld:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot,
E.H. Weise, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. E. Lam van […].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 22 februari 2016;
– aanvullende stukken van 29 februari 2016 en 3 maart 2016;
– het verweerschrift van 18 april 2016;
– de door klaagster tijdens de hoorzitting overgelegde stukken.

1.2

De hoorzitting heeft op 20 juni 2016 plaatsgevonden in aanwezigheid van klaagster, haar vertrouwenspersoon, beklaagde en haar gemachtigde. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan.

2.2

Klaagster heeft een dochter, hierna te noemen: E., geboren in 2002. Klaagster beschikt over het eenhoofdig ouderlijk gezag over E.

2.3

Op 22 oktober 2015 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, een spoedmelding ontvangen van het Centrum voor Jeugd en Gezin, hierna te noemen: het CJG, om de thuissituatie van E. bij klaagster te onderzoeken.

2.4

Beklaagde had op het moment van de melding van het CJG bereikbaarheidsdienst en heeft naar aanleiding van de melding contact met klaagster gezocht. E. is vervolgens in eerste instantie vrijwillig door klaagster bij opa en oma (moederszijde) geplaatst.

2.5

Op een gegeven moment wilde klaagster E. weer thuis laten wonen en heeft klaagster aangifte tegen opa en oma gedaan toen zij daar niet aan meewerkten. Daarop heeft een gesprek plaatsgevonden met klaagster in aanwezigheid van haar partner.

2.6

Op 23 oktober 2015 heeft de Raad de kinderrechter verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) en machtiging uithuisplaatsing (MUHP).

2.7

Bij beschikking van 23 oktober 2015 heeft de kinderrechter de VOTS over E. uitgesproken tot 23 januari 2015. Daarnaast heeft de kinderrechter een MUHP verleend voor plaatsing in een netwerkpleeggezin, te weten opa en oma (moederszijde) voor de duur van vier weken.

2.8

Beklaagde is op 27 oktober 2015 gestart met een beschermingsonderzoek. Zij heeft haar bevindingen neergelegd in het raadsrapport van 24 december 2015. Voorafgaand aan de vaststelling van dit rapport, op 18 december 2015, heeft een gesprek plaatsgevonden tussen beklaagde en klaagster over de bevindingen.

2.9

Bij beschikking van 5 november 2015 is de beschikking van 23 oktober 2015 bekrachtigd en heeft de kinderrechter de MUHP van E. bij opa en oma verlengd tot 23 januari 2016. De OTS en MUHP zijn nadien verlengd.

3 De klachten

3.1

Klaagster verwijt beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende.

3.2

Schending artikel D Beroepscode: bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg. Beklaagde heeft het vertrouwen van klaagster geschaad door onzorgvuldig onderzoek te doen. Zo stelt beklaagde dat de kinderen beter bij opa en oma kunnen verblijven, terwijl er geen enkel onderzoek is gedaan naar de geschiktheid van opa en oma als pleegouders. Bovendien is klaagster niet geïnformeerd over het aanmerken van opa en oma als belanghebbenden en heeft beklaagde een kopie van het volledige conceptrapport zonder toestemming van klaagster aan opa en oma gestuurd. Ook heeft beklaagde zonder toestemming van klaagster E. ondervraagd.

3.3

Schending artikel E Beroepscode: respect. Vele beweringen in de rapporten zijn verdraaid. Zo heeft beklaagde een mail van Visio revalidatiecentrum anders uitgelegd, heeft beklaagde signalen van gezinsvoogden over de grote afstand tussen waar klaagster woont en waar haar dochter verblijft niet meegenomen en zijn signalen over oudervervreemding niet serieus genomen.

3.4

Schending artikel F Beroepscode: informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening. Het onderzoek is eenzijdig belicht en er zijn slechts informanten benaderd waar klaagster vooraf al problemen mee had. Beklaagde had kunnen weten dat de oude basisschool, oma en de medewerkster van het CJG geen betrouwbare bronnen waren. Daarnaast heeft het onderzoek zich gericht op het gedrag van klaagster zonder dat zij daarover geïnformeerd was en heeft klaagster het opgevraagde raadsrapport van 2007 vooraf aan de zitting niet ontvangen.

3.5

Schending artikel O Beroepscode: beroepsuitoefening en samenwerking. Beklaagde neemt geen verantwoordelijkheid voor haar handelen. Zo stond zij niet open voor een gesprek met klaagster over de onjuistheden in het rapport en heeft beklaagde de hoorn van de telefoon erop gegooid. Ook weigerde beklaagde in eerste instantie om haar registratienummer bij SKJ af te geven.

3.6

Schending artikel S Beroepscode: collegiale toetsing en beroepsethische reflectie. Beklaagde heeft niets gedaan met de informatie van klaagster over het feit dat de melding van de agent richting het CJG niet klopte. Het CJG heeft aantoonbare onjuistheden opgeschreven en beklaagde wist dat de reden van de spoedmelding bij de Raad niet de aangifte was die klaagster tegen haar ouders had gedaan, maar de klacht die zij bij het CJG had ingediend met een kopie daarvan aan de politie en officier van justitie. Bovendien heeft beklaagde wel de maatschappelijk werker van het CJG als informant gebruikt, maar niet de maatschappelijk werker van Visio revalidatiecentrum. Terwijl deze laatste juist nauw was betrokken bij klaagster. Voorts heeft beklaagde de medewerker van het CJG beschermd voor haar aantoonbaar onrechtmatig handelen en opzettelijk een onjuist rapport naar de rechtbank verstuurd. Ook is de datum van binnenkomst van de spoedaanvraag voor de VOTS en MUHP van de medewerker van het CJG onjuist vermeld in het rapport en heeft beklaagde deze datum ondanks het verzoek van klaagster niet aangepast.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan.

4.2

Beklaagde betreurt dat klaagster ontevreden is over de handelswijze van beklaagde. Beklaagde herkent zich echter niet in de klachten. Beklaagde is er altijd op gericht om onderzoeken zorgvuldig en conform de werkwijze van de Raad uit te voeren. Voor het opstellen van het raadsrapport wordt gebruik gemaakt van een landelijk vastgesteld format waarin de kwaliteitseisen uit het kwaliteitskader zijn verwerkt. De Raad werkt multidisciplinair: naast een raadsonderzoeker is altijd een gedragsdeskundige betrokken. Bij een raadsonderzoek is het de gebruikelijke wijze van werken dat met alle betrokkenen gesproken wordt. In de onderhavige zaak waren dat klaagster, het kind en opa en oma als zijnde de verzorgers van het kind. Een raadsonderzoeker kan zonder de toestemming van de ouder met gezag of voogd in gesprek gaan met het kind.

4.3

Toen klaagster aangifte had gedaan tegen oma en opa, is beklaagde met haar in gesprek gegaan. Beklaagde heeft klaagster gevraagd om de aangifte in te trekken en mee te werken aan het naar school laten gaan van E. in de woonplaats van opa en oma. Omdat klaagster te kennen gaf niet mee te werken, was de inschatting van de Raad op dat moment dat de door het CJG genoemde zorgen niet meer in het vrijwillig kader konden worden opgepakt en heeft de Raad besloten om een VOTS en MUHP aan de kinderrechter te verzoeken.

4.4

Het beschermingsonderzoek van beklaagde heeft onder verantwoordelijkheid van haar teamleider plaatsgevonden. Binnen dit onderzoek heeft beklaagde overleg gevoerd met een gedragsdeskundige en een jurist. Als achtergrondinformatie heeft beklaagde kennis genomen van een eerder raadsrapport van januari 2008. Beklaagde heeft klaagster te kennen gegeven langs welke weg zij dit rapport bij de Raad kon opvragen.
In verband met het raadsonderzoek heeft beklaagde een gesprek gevoerd met E. Zij gaf te kennen dat zij dit gesprek graag in het bijzijn van haar oma wilde voeren. Oma heeft E. tijdens dit gesprek louter ondersteund.

4.5

Met betrekking tot de klacht over onzorgvuldig onderzoek en eenzijdig belichten van de situatie voert beklaagde het volgende aan.
Het onderzoek was gericht op de opvoedsituatie van E., waar klaagster een grote rol in speelt. In het raadsrapport heeft beklaagde benoemd dat de gezinsvoogd heeft verklaard dat het contactherstel tussen klaagster en E. ernstig bemoeilijkt wordt door de grote afstand. Van negeren van signalen van de gezinsvoogd kan dus niet worden gesproken. Daarnaast heeft beklaagde ook positieve informatie van de informanten over klaagster in haar rapport benoemd en kan daarom niet van een eenzijdig rapport gesproken worden.
Beklaagde heeft de indruk dat de verwijten van klaagster vooral voortkomen uit een verschil van visie en inzicht over wat in het belang van E. is, dan wel klaagster mogelijk de verwachting had dat beklaagde ervoor zou zorgen dat E. bij opa en oma weggehaald zou worden. Beklaagde heeft echter nooit verklaard dat zij het kind terug zou halen, onder meer omdat beklaagde niet voorbij heeft willen gaan aan de stelligheid waarmee E. te kennen heeft gegeven dat zij niet meer terug naar huis wil en geen contact meer met moeder wil. Bij de start van de VOTS heeft beklaagde met klaagster gesproken over de rol van beklaagde en de verwachtingen.

4.6

Voor wat betreft de klacht over het raadplegen van informanten voert beklaagde het volgende aan. Informanten worden benaderd indien de raadsonderzoeker naast de informatie van een cliënt behoefte heeft aan aanvullende informatie. Meestal zijn dat personen die het kind of het gezin beroepsmatig goed kennen. De Raad beslist zelf welke informanten worden benaderd. Mede met de informatie die informanten geven, kan het raadsrapport onderbouwd worden. Een samenvatting van het gesprek wordt door de raadsonderzoeker altijd ter goedkeuring aan de informant voorgelegd.
Het kan zijn dat een door de ouder voorgestelde informant niet wordt benaderd en de Raad kan er voor kiezen informatie van een informant niet op te nemen in het dossier. In dat laatste geval moet de raadsonderzoeker motiveren waarom dat niet is gebeurd. In de deze zaak is in een multidisciplinair overleg besloten om de volgende informanten te horen: de gezinsvoogd, het CJG en de vorige basisschool van E. Klaagster heeft met deze informanten ingestemd en schriftelijk toestemming aan beklaagde verleend om ze te benaderen. Kennelijk had klaagster Visio revalidatiecentrum graag als informant gezien, maar hiervoor is niet gekozen omdat deze organisatie zich niet bezig heeft gehouden met de ondersteuning van klaagster bij de opvoeding en verzorging van E. Dit is met klaagster besproken.

4.7

Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde zou weten dat de informanten verkeerde informatie hebben verstrekt, stelt beklaagde het volgende. Van belang is dat de raadsonderzoeker de feiten verzamelt en dat van de feitelijke juistheid van de gegevens die in de rapportage staan vermeld kan worden uitgegaan. Soms valt niet of moeilijk vast te stellen wat de juiste feiten zijn, zoals in dit geval waarbij klaagster en E. verschillende belevingen lijken te hebben en waarbij het CJG en de vorige school van E. verschillende ideeën hebben over de problematiek die er speelt. Dat betekent echter niet dat de informanten onbetrouwbaar zijn. Voorts heeft klaagster ingestemd met het horen van deze informanten.

4.8

Voor wat betreft de communicatie voert beklaagde aan dat het voor haar niet duidelijk is waarom klaagster stelt dat beklaagde geen contact wilde. Beklaagde heeft aangeboden om daarover een gesprek te voeren, maar klaagster heeft dat geweigerd. Ten aanzien van het raadsrapport van 2008 heeft beklaagde aan klaagster laten weten hoe zij dat rapport kon opvragen. Kennelijk heeft klaagster geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

4.9

Wat betreft het verwijt dat beklaagde haar registratienummer bij SKJ niet wilde afgeven, verklaart beklaagde dat zij op dat moment het nummer niet paraat had. Vervolgens heeft zij per ongeluk een verkeerd nummer als haar nummer gezien, maar uiteindelijk heeft zij klaagster de juiste informatie gegeven.

4.10

Met betrekking tot het verwijt over het horen van E. zonder toestemming van klaagster, stelt beklaagde zich op het standpunt dat met het toelaten van oma bij het gesprek tussen beklaagde en E. juist is gehandeld in het belang van het kind. E. vond het moeilijk om over haar moeder te praten, zij voelde zich in het gesprek gesteund door haar oma. Daarbij merkt beklaagde op dat een raadsonderzoeker het kind altijd wil spreken dan wel zien en is deze hierin niet afhankelijk van de toestemming van ouders.

4.11

Voor wat betreft het verwijt over het toesturen van het raadsrapport aan opa en oma voert beklaagde het volgende aan. Opa en oma zijn door de Raad als belanghebbende aangemerkt omdat zij door de kinderrechter als netwerkpleeggezin zijn aangewezen voor E. en om die reden ook het raadsrapport toegestuurd hebben gekregen.
Beklaagde bespreekt altijd het eindadvies van het conceptrapport met de gezaghebbende ouder(s). Tijdens dat gesprek geeft beklaagde altijd te kennen wie als belanghebbenden worden aangemerkt en wie om die reden het raadsrapport krijgen toegestuurd. Voor zover beklaagde zich herinnert, heeft zij van deze werkwijze in deze casus niet afgeweken.

4.12

Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde niet zou hebben gekeken naar de geschiktheid van opa en oma, merkt beklaagde op dat zij wel degelijk met opa en oma heeft gesproken over een screening en dat deze ook heeft plaatsgevonden.

4.13

Tot slot merkt beklaagde op dat zij niet weet wat klaagster bedoelt met het verwijt over een verkeerde data.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2014. Zij is sinds 22 oktober 2015 als gevolg van de spoedmelding bij het gezin van klaagster betrokken. Het College toetst het beroepsmatig handelen van beklaagde aan de algemene tuchtnorm en over de periode dat zij betrokken is geweest bij het gezin.

5.3

Het College heeft een helder beeld kunnen krijgen van de feiten en omstandigheden en heeft ter zitting vastgesteld dat de klacht als volgt is samen te vatten: Klager is verbolgen over de inhoud van het door beklaagde opgestelde raadsrapport en de wijze waarop dit tot stand is gekomen. Het rapport is niet op afdoende wijze met klaagster besproken en daardoor voelt klaagster zich niet gehoord.

5.4

Het College beperkt zich in zijn oordeel tot de kern van de klacht zoals eerder weergegeven en overweegt het volgende.

5.5

Het College begrijpt dat het erg spijtig is voor klaagster dat haar dochter niet bij haar wil wonen. Kennelijk heeft klaagster de verwachting gehad dat beklaagde E. bij opa en oma zou weghalen en bij moeder zou terugbrengen. Gebleken is echter dat beklaagde bij de start van de VOTS een gesprek heeft gevoerd met klaagster over de rol van beklaagde en de verwachtingen. Daarnaast heeft beklaagde na afloop van het raadsonderzoek een eind-gesprek met klaagster gevoerd over de totstandkoming en inhoud van het raadsrapport. Het College is niet gebleken dat beklaagde verkeerde verwachtingen heeft geschept.

5.6

Voor wat betreft de geraadpleegde informanten het volgende. Gebleken is dat de Raad met klaagster heeft besproken welke informanten zouden worden benaderd. Klaagster heeft daar haar toestemming voor gegeven. Daarnaast heeft klaagster verzocht om andere informanten te benaderen. In multidisciplinair overleg is besloten daarvan af te zien.

Gezien het feit dat klaagster schriftelijk toestemming heeft verleend om de informanten te benaderen, beklaagde multidisciplinair heeft besloten om af te wijken van de door klaagster voorgestelde informanten en dit met klaagster heeft besproken, heeft beklaagde binnen de hieromtrent geldende regels gehandeld. Wel merkt het College op dat niet is gebleken dat beklaagde schriftelijk heeft vastgelegd waarom beklaagde van de door klaagster voor-gestelde informanten heeft afgeweken en verwijst in dit kader naar artikel 3.2.8 van het Kwaliteitskader voor de Raad. Nu het echter niet gaat om de vraag of het handelen van beklaagde zorgvuldiger had gekund maar om de vraag of binnen de grenzen van de beroepsnorm is gehandeld, is dit beklaagde niet tuchtrechtelijk te verwijten.

5.7

Voor wat betreft het aanmerken van opa en oma als belanghebbenden overweegt het College als volgt. Nu beklaagde te kennen heeft gegeven dat zij tijdens het eindgesprek over het raadsrapport altijd benoemd wie als belanghebbenden zijn aangemerkt en zij hierover in dit geval geen andere herinnering heeft, gaat het College er redelijkerwijze van uit dat beklaagde inderdaad met klaagster heeft besproken dat opa en oma als belanghebbenden zijn aangemerkt en dat zij om die reden ook beschikking krijgen over het raadsrapport. Daarbij opgemerkt dat klaagster ook zelf in het conceptrapport had kunnen lezen dat opa en oma als belanghebbenden waren aangemerkt.

5.8

Al het voorgaande in overweging nemende, is het College van oordeel dat van een gebrekkige communicatie, inhoud of totstandkoming van het raadsrapport niet kan worden gesproken. Het College komt tot de slotsom dat beklaagde in lijn met haar beroepsnorm heeft gehandeld en dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

6 De beslissing

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond. Aldus gedaan op 15 augustus 2016 door het College van Toezicht in voornoemde samenstelling.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris