De jeugdbeschermer had de ouders in een gewichtige aangelegenheid als de schoolkeuze van de dochter zoveel mogelijk moeten betrekken. Na het ongeval van de zoon is de jeugdbeschermer overgegaan tot het laten toedienen van een tetanusinjectie, terwijl (nog) niet vast stond of de ouders toestemming voor deze medische behandeling zouden weigeren. De jeugdbeschermer heeft de bezoekcontacten drastisch teruggebracht, terwijl het perspectief voor de kinderen niet was bepaald. Ook heeft de jeugdbeschermer onvoldoende zorg gedragen voor opvoedondersteuning.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Vader], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 10 juni 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. ir. P.J.A. Prinsen. 

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 10 juni 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 27 augustus 2019;
  • nadere stukken ontvangen op 8 november van de zijde van de jeugdprofessional;
  • nadere stukken, waaronder geluidsopnamen, ontvangen op 15 november van de zijde van de vader.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2019 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Hierbij is als toehoorder aanwezig geweest de echtgenote van de vader. Als toehoorder van de zijde van de jeugdprofessional is een collega, tevens beklaagde in zaaknummer [zaaknummer] aanwezig geweest. Tot slot is in het kader van een inwerktraject een lid-beroepsgenoot als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest.

1.3 Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak is aan partijen de gelegenheid geboden nadere stukken in te dienen ter onderbouwing van klachtonderdeel 2. Daardoor heeft de afwikkeling van deze beslissing vertraging opgelopen. Om die reden heeft de voorzitter van het College op grond van artikel 10.3 Tuchtreglement (versie 1.3) bepaald dat de termijn van zes weken voor het versturen van de beslissing met vier weken verlengd wordt. Partijen zijn hierover op 29 november 2019 bericht.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2012 en de zoon in 2014, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2 De vader en de moeder van de kinderen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn getrouwd. Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders. De kinderen woonden eerst ieder in een eigen pleeggezin op geheime adressen. Op 10 augustus 2017 is de dochter verhuisd naar het pleeggezin van de zoon (zie onder 2.5).

2.3 Op 7 augustus 2015 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de RvdK) een melding ontvangen van Veilig Thuis, naar aanleiding van twee zorgmeldingen over de opvoedsituatie. De RvdK is op 17 augustus 2015 gestart met het onderzoek en heeft dat op 27 november 2015 afgerond. De RvdK heeft geconcludeerd dat er sprake is van een grote, complexe en langdurig zorgvraag en heeft de kinderrechter verzocht om de kinderen onder toezicht te stellen.

2.4 Bij beschikking van 18 december 2015 heeft de kinderrechter de kinderen voor de duur van zes maanden onder toezicht gesteld van [GI2]. De ondertoezichtstelling van de kinderen is steeds tussentijds verlengd en loopt tot 18 juni 2020.

2.5 Bij beschikking van 9 februari 2016 heeft de kinderrechter op verzoek van [GI2] een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 8 maart 2016, omdat er “zorgen zijn over de emotionele en pedagogische verwaarlozing van de kinderen”. [De instelling] heeft de pleegzorgbegeleiding op zich genomen. De machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is steeds verlengd, thans tot 18 december 2019.

2.6 Bij beschikking van 11 juli 2016 is [GI2] vervangen door de GI. De jeugdprofessional is vanaf dat moment, samen met zijn collega, tevens beklaagde in zaaknummer [zaaknummer], hierna te noemen: de collega, betrokken als jeugdbeschermer bij het gezin van de vader. Er volgt een kennismakingsgesprek met de ouders, waar ook een gedragsdeskundige bij aanwezig is. Daarna volgen meer gesprekken met de ouders en de jeugdprofessional en zijn collega om te bepalen hoe er toegewerkt kan worden naar terugplaatsing van de kinderen.

2.7 Op 24 augustus 2016 zijn de jeugdprofessional, zijn collega en de gedragsdeskundige met de ouders in gesprek gegaan over de mogelijke inzet van een gezinsopnametraject. Daarna is met toestemming van de ouders besloten tot overleg met de behandelend arts van de moeder bij [de instelling 2] (hierna te noemen: de behandelaar).

2.8 Op 6 september 2016 is er een evaluatiegesprek geweest met de ouders, de jeugdprofessional, zijn collega, de pleegzorgwerkers, en de advocaat van de ouders. Het gezinsopnametraject is wederom ter sprake gekomen.

2.9 Op 21 september 2016 heeft [de instelling 3] (ondersteuning bij opvoeding) in opdracht van de ouders een observatieverslag van een bezoekcontact van de ouders met de kinderen geschreven.

2.10 Op 27 september 2016 is er op organisatieniveau – met toestemming van de moeder – contact geweest tussen de behandelaar van de moeder en de GI (twee gedragsdeskundigen, de jeugdprofessional, zijn collega en de therapeut gezinsopnametraject). De behandelaar heeft in dit gesprek uitleg gegeven over de gehoorstoornis van de moeder. Er wordt gesproken over een kortdurende gezinsopname om het perspectief van de kinderen te kunnen bepalen.

2.11 In oktober 2016 is de dochter voor het eerst naar de basisschool gegaan. De locatie is niet aan de ouders bekend gemaakt.

2.12 Op 2 november 2016 is er een intakegesprek geweest tussen de ouders en [de instelling 4] over het gezinsopnametraject.

2.13 Op 14 februari 2017 is het gezinsopnametraject van start gegaan. Het traject is na vijf dagen afgebroken.

2.14 Op 23 maart 2017 ontvangen de ouders voor het eerst informatie over de voortgang van de dochter op school. Vervolgens ontvangen de ouders nogmaals informatie op 30 juni 2017, 20 juli 2017 en op 23 februari 2018, en na een verzoek daartoe in februari 2019.

2.15 Op 9 mei 2017 heeft er op verzoek van de ouders een gesprek tussen de vader, de jeugdprofessional, zijn collega en de gebiedsmanager plaatsgevonden. In dit gesprek is onder meer gesproken over de bezoekcontacten, het netwerkonderzoek en het perspectief van de kinderen. De GI heeft de voorkeur uitgesproken voor een gezamenlijke plaatsing van de kinderen in één netwerkpleeggezin.

2.16 Op 15 mei 2017 heeft [de Instelling 1] geadviseerd over te gaan op begeleide bezoekcontacten van ”eens per acht weken drie kwartier tot een uur, op neutraal terrein, in aanwezigheid van de pleegouders”.

2.17 De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 oktober 2017 het verzoek van de ouders om de bezoekregeling per direct uit te breiden tot “iets gangbaarders” aangehouden. De kinderrechter acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om over het verzoek van de ouders te oordelen. De ouders en de GI verschillen sterk van mening over het perspectief van de kinderen. Om hierover meer duidelijkheid te verkrijgen verzoekt de kinderrechter de GI om een onderzoek te laten verrichten door het [de instelling 5]. Het [de instelling 5] zal gevraagd worden om onderzoek te doen naar het perspectief van de kinderen en in het verlengde daarvan, zolang de uithuisplaatsing voortduurt, de daarbij meest passende omgangsregeling. Op 8 november 2017 wijzen de ouders de aanvraag voor onderzoek door het [de instelling 5] af.

2.18 Op 15 december 2017 hebben de ouders de kinderrechter primair verzocht om een beëindiging van de uithuisplaatsing en subsidiair om de bezoekregeling uit te breiden.

2.19 In drie beschikkingen (16 juni 2017, 27 oktober 2017 en 15 december 2017) heeft de kinderrechter aangegeven dat het noodzakelijk is dat onderzoek door het [de instelling 5] plaatsvindt. Gelet op het verschil van mening tussen de ouders en de GI over de wijze van aanvragen van het onderzoek is tijdens de zitting van 14 februari 2018 als compromis de mogelijkheid geopperd een blanco aanvraagformulier in te dienen. Ter zitting van 13 april 2018 is overeenstemming bereikt over de wijze van aanvragen van het onderzoek van [de instelling 5]. Uit de beschikking van de kinderrechter van 13 april 2018 is gebleken dat partijen, zij het onder protest van de moeder, akkoord zijn gegaan met het indienen van een blanco aanvraagformulier.

2.20 Begin 2018 is de dochter naar een nieuwe basisschool gegaan. De locatie is wederom geheim gehouden.

2.21 Op 12 april 2018 heeft er een fietsongeluk plaatsgevonden: de zoon heeft een voet tussen de spaken van de fiets van de pleegmoeder gekregen. De voet is in het gips gezet en de ouders zijn op dezelfde dag telefonisch, door middel van een voicemailbericht, en per e-mailbericht geïnformeerd.

2.22 Op 13 april 2018 is er verschillende keren zowel telefonisch als schriftelijk contact geweest tussen de vader en de jeugdprofessional over het toedienen van een tetanusinjectie aan de zoon, omdat er mogelijk straatvuil in de wond terecht is gekomen. Op 13 april 2018 voor 18:00 uur is deze injectie aan de zoon toegediend. Op diezelfde dag heeft de jeugdprofessional een (spoed) verzoek vervangende toestemming medische behandeling ingediend bij de kinderrechter. Bij beschikking van 13 april 2018 heeft de kinderrechter, met terugwerkende kracht, vervangende toestemming verleend voor de medische behandeling van de zoon, inhoudende het toedienen van de tetanusinjectie.

2.23 Vanaf 17 juni 2018 is de jeugdprofessional de enige jeugdbeschermer van het gezin. De collega jeugdbeschermer is niet langer betrokken.

2.24 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat hij gedurende zijn betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.24 van deze beslissing. Gelet hierop wijst het College erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dienen te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als (indien gevoerd) het verweer zakelijk weergegeven.  en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat informatie over school achterwege blijft en dat de ouders niet betrokken worden bij de schoolgang van de kinderen.

Toelichting:

De dochter is waarschijnlijk vanaf oktober 2016 voor twee dagen per week naar school gegaan. Ofschoon de GI daartoe verplicht is, zijn de ouders niet geraadpleegd in de schoolkeuze en niet op de hoogte gesteld over de school van de dochter. De ouders hebben diverse malen gevraagd om informatie over de belevenissen van de dochter op haar school, om aanwezig te mogen zijn op ouderavonden en de klassenfoto te mogen ontvangen. De ouders hebben dit ook verzocht aan de school. Ondanks dat de school daarin een eigen verantwoordelijk heeft, verwijst de school naar de GI. Tot op de dag van vandaag, na anderhalf jaar schoolgang, hebben de ouders slechts vier keer informatie ontvangen. Deze informatie betreft onder meer het advies de dochter te laten zitten in groep 2. De jeugdprofessional heeft er met zijn wanbeleid voor gezorgd dat een hoogbegaafd kind dreigt te blijven zitten in de kleuterklas. Nooit zijn de ouders geïnformeerd over de voortgang van de dochter op school, terwijl er gezien het negatieve advies voldoende aanleiding voor was.

Tijdens een overleg bij de GI op 8 oktober 2017 heeft de vader gevraagd of zij naar een ouderavond mochten. Dat was niet toegestaan omdat het beleid van de GI is dat de school geheim dient te blijven. Uit veiligheidsoverwegingen voor de school en de pleegouders was een bezoek aan de ouderavond niet mogelijk. Dit is puur een kwestie van machtsvertoon annex machtsmisbruik door de GI, terwijl de school verantwoordelijk is. Had de jeugdprofessional het belang van de kinderen wel voorop staan? Uiteindelijk heeft de vader de directrice van de school op de hoogte gesteld van de negatieve reactie van de GI en gevraagd aan het verzoek van de ouders te voldoen. Op 19 februari 2018 verwees de directrice wederom naar de GI. Op 21 februari 2018 ontvingen de ouders een
e-mailbericht van de GI. De dochter bleek al enige tijd geleden van school te zijn gewisseld. De ouders zijn hierin niet geraadpleegd en zelfs niet over geïnformeerd. De genoemde reden van rust en veiligheid voor de kinderen is een drogreden. Nooit zijn de ouders bij een school van de dochter geweest, nooit bij de pleegouders en nooit zijn de kinderen anderszins ooit in gevaar geweest. Op 19 februari 2018 heeft de vader een e-mailbericht gestuurd naar de GI, waar geen reactie op gekomen is. Na de aangeleverde schoolresultaten van februari 2018 hebben de ouders geen nieuwe informatie aangaande schoolresultaten, ouderavonden of wat dan ook ontvangen. Volgens de vader zijn de artikelen D, E, G en H van de Beroepscode overtreden.

4.1.2 De jeugdprofessional heeft tegen deze klacht geen schriftelijk verweer gevoerd, doch zich uitsluitend verweerd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

De klacht van de vader dat de ouders niet zijn meegenomen in de schoolgang van de dochter is op te splitsen in drie delen. De ouders zijn tot twee keer toe niet geraadpleegd noch geïnformeerd over de schoolkeuze van de dochter, zij waren niet welkom op de ouderavonden en zij hebben in anderhalf jaar tijd slechts vier keer informatie ontvangen over de vorderingen van de dochter op de basisschool. De jeugdprofessional heeft geen schriftelijk verweer gevoerd, doch tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat, omdat de dochter geheim geplaatst was in een pleeggezin, ook het adres van de school geheim diende te blijven voor de ouders. Bij het overnemen van deze zaak van [GI2] waren er signalen dat het gedrag van de ouders onvoorspelbaar was. Er lag een veiligheidsplan, omdat er sprake was geweest van een fysiek incident. Daarom wilde de GI volgens de jeugdprofessional na de overdracht van deze zaak geen enkel risico nemen. Dat er sprake was van een geheime plaatsing van de dochter in een pleeggezin, laat volgens het College onverlet dat de ouders (met gezag) geraadpleegd hadden moeten worden over de schoolkeuze (was er een voorkeur bij de ouders voor een openbare of een christelijke basisschool, voor een bepaalde leermethode enz.). Voor het College staat voldoende vast dat dit tot twee keer toe is nagelaten door de jeugdprofessional. De ouders zijn niet geraadpleegd op het moment dat de dochter in het najaar van 2016 voor het eerst naar de basisschool ging en niet bij de tussentijdse wisseling van basisschool begin 2018. Voor zover de school geheim diende te blijven, was het naar het oordeel van het College mogelijk geweest de ouders te betrekken zonder de naam van de school bekend te maken. Uit het dossier is voldoende gebleken dat de samenwerking tussen de ouders en de jeugdprofessional moeizaam was, maar dat doet er niet aan af dat de jeugdprofessional de ouders in zo’n gewichtige aangelegenheid als een schoolkeuze zoveel als mogelijk had moeten betrekken en had moeten zoeken naar mogelijkheden die passend en geboden waren. Het is het College ook niet gebleken dat de jeugdprofessional gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid vervangende toestemming te vragen aan de rechter (artikel 1:265e lid 1 sub a BW), om zo het gezag van de gedeeltelijk te beperken en dit, voor wat betreft de aanmelding van de dochter bij een onderwijsinstelling, te laten uitoefenen door de GI.

Ten aanzien van het bezoeken van de ouderavonden kan het College zich voorstellen dat wanneer – op wat voor grond ook – kennelijk besloten is de basisschool van de dochter geheim te houden, de ouders voor de ouderavonden niet zijn uitgenodigd. Het College overweegt dat de jeugdprofessional de ouders wellicht op andere wijze had kunnen betrekken bij de schoolse activiteiten van de dochter. Een mogelijkheid was geweest de ouders periodiek telefonisch contact te laten hebben met de leerkracht of mentor van de dochter. Het College is van oordeel dat van een jeugdprofessional verwacht mag worden dat hij zich inspant de ouders zoveel als mogelijk een rol te geven in het leven van de dochter. Juist door de ouders te raadplegen en hen door een leerkracht te laten informeren, zou er mogelijk meer draagvlak bij de ouders zijn ontstaan voor de hulpverlening aan de dochter, of ook ten aanzien van het plan de dochter mogelijk groep 2 over te laten doen. Het College wijst in dit geval naar het gestelde in artikel E (Respect) van de Beroepscode waarin staat dat de jeugdprofessional binnen de wettelijke kaders zal zoeken naar mogelijkheden de ouderrol vorm te geven.

Tot slot blijkt uit de stukken, en dat wordt ook niet betwist door partijen, dat de ouders vier keer informatie hebben ontvangen over de schoolgang van de dochter, namelijk op 23 maart 2017, 30 juni 2017, 20 juli 2017 en op 23 februari 2018. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verklaard dat het tot zijn verantwoordelijkheid behoort de ouders te informeren en dat de afspraak was dat dat twee keer per jaar zou gebeuren. Op februari 2019 heeft de jeugdprofessional na een verzoek van de vader nogmaals informatie over de schoolgang van de dochter gestuurd. Het College kan derhalve niet vaststellen dat de ouders helemaal niet zijn geïnformeerd over de schoolgang van de dochter. Echter, zoals de jeugdprofessional zelf heeft verklaard, hebben de ouders in de periode van februari 2018 tot februari 2019 slechts één keer informatie over de schoolgang van de dochter ontvangen. De jeugdprofessional is derhalve de gemaakte afspraak in deze periode niet nagekomen. In artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) staat beschreven dat er bij een opgelegde kinderbeschermingsmaatregel meestal geen sprake is van overeenstemming/instemming. Dat houdt in dat de jeugdprofessional waar mogelijk zal proberen een proces op gang te brengen met als doel de ouders mee te laten werken en dat betekent ook dat de jeugdprofessional zich aan de gemaakte afspraken moet houden. Hoewel het College zich kan voorstellen dat de onderhavige situatie complex was voor de jeugdprofessional, ontslaat dit hem niet van de verplichting de ouders te raadplegen en te informeren en zoveel als mogelijk te betrekken bij de schoolgang van de dochter.

4.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional de gang van zaken rondom het fietsongeluk van de zoon en het – onterecht – doen van een verzoek tot vervangende toestemming voor een medische behandeling bij de rechter om over te kunnen gaan tot het laten toedienen van een tetanusinjectie.

Toelichting:

Op 12 april 2018 ontving de vader tijdens zijn werk een voicemailbericht van de collega van de jeugdprofessional. Zij zou terugbellen, maar dat is niet gebeurd. In plaats daarvan heeft zij een
e-mailbericht gestuurd. De zoon was met zijn voet tussen de spaken van de fiets van de pleegmoeder gekomen. Als gevolg daarvan is zijn voet in het gips gezet. Vrijdag 13 april 2018 belde de jeugdprofessional zelf. In de ochtend bleek de collega nog een e-mailbericht te hebben gestuurd over een tetanusinjectie, welk bericht de vader nog niet had gelezen. Volgens de jeugdprofessional heeft de zoon bij zijn val vuil in zijn voet gekregen. De huisarts wilde een tetanusinjectie geven en daarvoor was toestemming nodig van de ouders. De vader was overvallen door de mededeling van het ongeluk en wilde overleggen met de moeder en een oud-advocaat. Een half uur later, rond het middaguur, heeft de vader de jeugdprofessional gebeld en twee verzoeken gedaan. De ouders wilden de zoon op korte termijn een extra keer zien en vroegen zich af of het mogelijk was de behandelend arts telefonisch te spreken. Als de arts de vader de werkelijke situatie helder kon uitleggen en de vader kon overtuigen dat een tetanusinjectie nodig was, dan zou de vader ongetwijfeld toestemming geven. De jeugdprofessional vond dit redelijk en zou kijken wat hij kon bewerkstelligen. Pas om kwart voor zes in de middag belde de jeugdprofessional terug. Hij had besloten dat de tetanusinjectie zo urgent was dat deze al was gegeven. De ouders hadden geen toestemming willen geven volgens de jeugdprofessional. Op maandag heeft de jeugdprofessional de rechter om vervangende toestemming gevraagd. De jeugdprofessional heeft willens en wetens de naam van de vader door het slijk gehaald om de injectie te verantwoorden en de vervangende toestemming met terugwerkende kracht te verkrijgen. Zeer waarschijnlijk is dit onderdeel van het plan van de jeugdprofessional om het gezag van de ouders te beëindigen. De rechter oordeelde uiteindelijk dat de injectie mocht worden gegeven en dat het geen nut had de ouders achteraf te horen aangezien de injectie onomkeerbaar was. De vader heeft zich op deze manier niet kunnen verdedigen tegen de praktijken van de jeugdprofessional. De rechter heeft allerlei negatieve, door de jeugdprofessional verzonnen zaken over de vader als feit meegenomen in de beschikking van 13 april 2018. De verklaring van de huisarts ontbrak in het verzoekschrift dat de GI de ouders na afloop heeft opgestuurd. De vader heeft deze opgevraagd en weet zeker dat de jeugdprofessional de huisarts heeft verzocht zijn onafhankelijk objectieve verklaring aan te passen om de vervangende toestemming te verkrijgen. Dit strookt niet met de ethische gedragscode van het SKJ.

Wat de vader tot slot ten zeerste heeft verbaasd, is de reactie van de jeugdprofessional, zijn collega en pleegzorg naar de pleegmoeder toe. De huisarts van de moeder was zeer geschokt en sprak over kindermishandeling. Hij zou in zo’n geval een melding doen bij Veilig Thuis, omdat de pleegmoeder niet eens de moeite heeft genomen de voeten van de zoon vast te gespen toen hij achterop de fiets zat. Alle genoemde hulpverleners vonden dit handelen van de pleegmoeder echter de normaalste zaak van de wereld. De vader is net als de huisarts van mening dat dit niet had mogen gebeuren. De pleegmoeder is nalatig geweest en is niet terecht gewezen.

4.2.2 De jeugdprofessional heeft tegen de klacht vooraf geen schriftelijk verweer gevoerd.

4.2.3 Om de gang van zaken rondom het fietsongeluk en de tetanusinjectie op 12 en 13 april 2018 helder te krijgen, heeft het College partijen tijdens de mondelinge behandeling verzocht alsnog nadere stukken (een chronologische tijdlijn van de gebeurtenissen) aan te leveren. Tevens is aan de vader op grond van artikel 8.11 Tuchtreglement (versie 1.3) gevraagd geluidsopnames te overleggen van de met de jeugdprofessional en zijn collega gevoerde telefoongesprekken. Vanuit de vader is op 15 november 2019 – onder meer – ingebracht de e-mailcorrespondentie tussen de vader en de jeugdprofessional en zijn collega en de geluidopnames en bijbehorende transcripties van de diverse telefoongesprekken op 12 en 13 april 2018. Van de zijde van de jeugdprofessional is op 8 november 2019 aangeleverd een brief van de pleegmoeder, een brief van de jeugdprofessional aan de rechtbank van 16 april 2018, het (spoed)verzoek vervangende toestemming medische behandeling en de beschikking van de rechtbank van 13 april 2018 hieromtrent.

4.2.4 De gemachtigde van de jeugdprofessional heeft tegelijk met het aanleveren van de stukken het College geïnformeerd dat de aan de vader verzochte geluidsopnames zonder toestemming van de jeugdprofessional zijn gemaakt, en dat evenmin de authenticiteit daarvan geverifieerd kan worden. Het verweer van de gemachtigde van de jeugdprofessional slaagt echter niet, nu de gesprekken volgens het College een logisch verloop kennen en nergens uit blijkt dat de gevoerde gesprekken niet authentiek zouden zijn. Bovendien heeft de jeugdprofessional, zo is te horen in de geluidsopname van het gesprek op 13 april 2018 om 12:11 uur tegen de vader gezegd het niet fijn te vinden dat de vader een geluidsopname maakt, maar dat hij een vrij man is. Van het weigeren van toestemming van de kant van de jeugdprofessional lijkt geen sprake te zijn.

4.2.5 Het College overweegt als volgt:

Op grond van de klacht en de nadere stukken en geluidsopnames staat voor het College voldoende vast dat de collega van de jeugdprofessional op 12 april 2018 aan het einde van de dag geprobeerd heeft de ouders telefonisch op de hoogte te stellen van het fietsongeluk van de zoon. Direct daarna op dezelfde dag om 17:21 uur heeft de collega de ouders schriftelijk per e-mail medegedeeld dat er de volgende dag contact met hen zal worden opgenomen. Op 13 april 2018 om 9:58 uur heeft de collega de ouders wederom gemaild, met de mededeling dat de jeugdprofessional de ouders zal bellen, en met de vraag of de ouders toestemming willen geven voor een tetanusinjectie. Om 12:11 uur heeft de jeugdprofessional de vader zelf telefonisch toestemming gevraagd voor deze medische behandeling. Uit de geluidsopname van dit gesprek blijk het College voldoende dat de vader een aantal keer zegt terug te zullen komen op het verzoek van de jeugdprofessional, echter op de dringende vraag van de jeugdprofessional wanneer dat zal zijn, geeft de vader geen antwoord. Om 12:50 uur heeft er wederom een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de vader en de jeugdprofessional. De vader vraagt staande het gesprek of de ouders de zoon kort mogen zien en de vader zou graag persoonlijk, telefonisch en eventueel anoniem de behandelend arts willen spreken. De jeugdprofessional heeft op dat moment toegezegd, zo blijkt uit de geluidsopname van dat gesprek, over de twee verzoeken van de vader te zullen nadenken en daar contact met hem over op te zullen nemen. Voor het College is voldoende aannemelijk geworden dat de jeugdprofessional daarna geen contact meer heeft opgenomen met de vader. Op 13 april 2018 om 18:00 uur heeft de jeugdprofessional de vader telefonisch geïnformeerd dat de tetanusinjectie inmiddels gegeven is.

De ouders zijn naar het oordeel van het College in eerste instantie wel meegenomen in de gebeurtenis rondom de zoon; zij zijn direct na het ongeluk zowel telefonisch als via genoemd e-mailbericht geïnformeerd. Echter, dat de vader vervolgens pas om 18:00 uur ná het toedienen van de injectie bericht hierover ontvangt, acht het College niet navolgbaar. Bovendien vindt het College de vraag van de vader om geïnformeerd en voorgelicht te worden door de behandelend arts niet onredelijk en meent het College dat dit georganiseerd had kunnen worden door de behandeld arts de ouders te laten bellen. Mogelijk had de arts hen kunnen geruststellen en bewegen akkoord te gaan met het toedienen van de tetanusinjectie. In plaats daarvan, zo heeft het College uit het dossier begrepen, is er op 13 april 2018, de dag van de toegediende injectie, bij hoge uitzondering ‘mondeling’ vervangende toestemming gegeven door de kinderrechter. De jeugdprofessional heeft op 13 april 2018 op grond van artikel 1:265h lid 1 BW met terugwerkende kracht een (spoed) verzoek gedaan voor vervangende toestemming voor een medische behandeling. Het College leest in het verzoekschrift aan de kinderrechter voor toestemming voor de medische behandeling het volgende: “Ouders reageren niet op de vraag van de GI of de tetanusprik kan worden gegeven. Daarnaast geven de ouders geen toestemming voor het toedienen van de injectie. Hierbij handelen zij vanuit hun boosheid en niet in het belang van de [zoon]. Kortom ouders stellen hun boosheid jegens de GI en de pleegouders boven het belang van hun kind.” In de beschikking van de kinderrechter van 13 april 2018 staat onder ‘De feiten’: “Vader is bereikbaar gebleken maar heeft toestemming geweigerd voor het toedienen van een tetanusinjectie. De weigering is kennelijk niet gebaseerd op levensbeschouwelijke overwegingen, maar op verzet tegen de uitgesproken ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij pleegouders. Vader heeft het geven van toestemming afhankelijk gesteld van het plaatsvinden van een gesprek met de arts. Toen hem dat niet werd toegezegd heeft hij toestemming geweigerd. In de stukken wordt voorgaande opnieuw gesteld en aanvullend daarop dat het onvoorspelbare gedrag van de ouders ertoe geleid heeft dat alle (adres)gegevens van (betrokkenen bij de zorg voor) de kinderen geheim wordt gehouden om te voorkomen dat een onveilige situatie ontstaat voor de kinderen. Daarom kon aan het verzoek van de vader om de huisarts persoonlijk te spreken niet worden voldaan”. Het College leest onder ‘De beoordeling’ in de beschikking van de kinderrechter van 13 april 2018: “De kinderrechter acht het van belang op te merken dat de bezwaren van de ouders tegen de medische behandeling, leidend tot het weigeren van het geven van toestemming, niet zien op levensbeschouwelijke argumenten. Ook overigens is niet inzichtelijk op welke wijze de weigering het belang van de minderjarige dient. De hem verstrekte informatie was helder en niet blijkt welke aanvullende informatie de vader nog nodig dacht te hebben om voldoende geïnformeerd toestemming te kunnen geven. Onder de gegeven omstandigheden was de eis van de vader om zijn toestemming afhankelijk te stellen van een persoonlijk gesprek met de huisarts niet in het belang van [de zoon].” Het College overweegt dat zowel in het verzoekschrift, geschreven door de jeugdprofessional, als in de beschikking van de kinderrechter staat dat de vader geen toestemming heeft willen geven voor de injectie. Uit het dossier, de aanvullende stukken (waaronder de geluidsopnames) en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht besproken is, is het College niet gebleken dat de vader toestemming voor de medische behandeling heeft geweigerd. In het gesprek op 13 april 2018 om 12:11 uur weigerde de vader wel aan te geven wanneer hij toestemming zou geven. Dat de situatie voor de jeugdprofessional, gezien de geboden haast, complex was, kan het College zich overigens goed voorstellen. Desalniettemin acht het College, nog los van de vraag of de vader uiteindelijk toestemming had geweigerd of verleend, en het vragen van vervangende toestemming noodzakelijk was, de wijze waarop de vervangende toestemming aan de kinderrechter is verzocht naar de ouders toe niet respectvol. Het verzoekschrift stelt de vader onnodig in een negatief daglicht en dat was voor het aanvragen van vervangende toestemming voor de tetanusinjectie niet nodig. De jeugdprofessional had ervoor moeten kiezen om de kinderrechter op meer objectieve wijze om toestemming te vragen. Het College acht het handelen van de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (Respect) van de Beroepscode waarin staat dat de jeugdprofessional binnen de wettelijke kaders zal zoeken naar mogelijkheden de ouderrol vorm te geven en artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) dat beschrijft dat de jeugdprofessional waar mogelijk zal proberen een proces op gang te brengen met als doel de ouders mee te laten werken.

Dat de jeugdprofessional de huisarts heeft verzocht zijn onafhankelijke objectieve verklaring aan te passen, kan het College niet vaststellen. De betreffende brief van de huisarts van 13 april 2018 is niet bij de stukken gevoegd, zodat dit deel van de klacht onvoldoende is onderbouwd. Voor zover de klacht toeziet op het gedrag van de pleegmoeder en dat zij niet terecht gewezen zou zijn door de jeugdprofessional ziet het College geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt. Er was sprake van een ongeluk, waarvan het College zich kan voorstellen dat dat de ouders, maar ook de pleegmoeder heeft geraakt. Het behoort zeker niet tot de taken van de jeugdprofessional om de pleegmoeder hier voor terecht te wijzen.

4.2.6 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, voor zover het betrekking heeft op het laten toedienen van de tetanusinjectie, terwijl (nog) niet duidelijk was of de vader toestemming zou weigeren en de wijze waarop het verzoekschrift voor vervangende toestemming aan de kinderrechter is opgesteld.

4.3 Klachtonderdeel 3 en 5

4.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Er zijn, zonder uitzicht op verbetering of een oplossing, slechts af en toe bezoekcontacten met de kinderen.

Toelichting:

In de kern gaan de klachten over het lage aantal bezoekcontacten met de kinderen. Voor een extra bezoekmoment, of het nu is vanwege Valentijnsdag of een familiebarbecue, wordt geen toestemming gegeven. Kinderen hebben recht op een passende omgang met hun sociale omgeving, waaronder de biologische ouders. De spaarzame momenten dat de ouders de kinderen mogen zien, verlopen ontspannen en prettig, hetgeen wordt beaamd door de jeugdprofessional. De kinderen laten volgens de GI na een bezoekcontact afwijkend gedrag zien. Dit afwijkende gedrag hebben de kinderen niet vertoond tijdens de bezoekcontacten en uit deskundigenverklaringen blijkt ook dat er geen sprake is van afwijkend gedrag. Deze verklaringen zijn bekend maar worden uit het dossier gelaten. Ook andere familie is tijdens de bezoekmomenten niet welkom. Op 30 maart 2019 echter zijn de kinderen op heimelijke wijze een middag met hun grootouders en andere familieleden naar de dierentuin geweest. Dit terwijl de ouders maar één uur in de acht weken een contactmoment mogen hebben. De jeugdprofessional heeft voor wat betreft de contactmomenten artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) en artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) uit de Beroepscode geschonden.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional betwist dat er is gezegd dat de bezoeken tussen de ouders en de kinderen ontspannen en prettig verlopen. De bezoeken verlopen wisselend. Indien er spanning ontstaat, wordt er ingegrepen door de GI of [de instelling 1], die de bezoeken begeleid. Doordat de ouders zich negatief opstellen, onvoorspelbaar zijn en afwijzend reageren op adviezen, is deze begeleiding ook nodig. De ouders bagatelliseren de zorgen en hebben een eigen werkelijkheid. Zij geven aan dat de kinderen geen problemen hadden toen zij bij hen woonden. Echter, volgens de GI betreft het kwetsbare kinderen die al jaren opgroeien in een pleeggezin en gehecht zijn aan hun opvoeders.

De GI heeft samen met [de instelling 1] wel contact gelegd met de familie. Het contact tussen de kinderen en de familie is van belang en het welzijn van de kinderen staat hierbij voorop. Er is geprobeerd om een samenzijn te organiseren van ouders, familie en kinderen maar dat voorstel is door de ouders afgewezen. Thans worden de ouders geïnformeerd over bezoeken met de familie, zonder dat er precieze data worden genoemd, omdat de verhoudingen tussen de ouders en de familie gevoelig liggen en de kinderen niet geconfronteerd mogen raken met spanningen in het netwerk. Nu het [de instelling 5] is gestart met het onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de ouders met betrekking tot het perspectief wordt ook gekeken naar de mogelijkheden voor de omgang en is er contact tussen de kinderen en de familieleden. Het niet toelaten van anderen bij de bezoeken wordt ondanks de toelichting (uitsluitend opbouw contact tussen de ouders en de kinderen) door de ouders gezien als machtsmisbruik.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:

In de kern gaan de klachtonderdelen 3 en 5 over de schaarse bezoekcontacten met de kinderen zonder uitzicht op verbetering of een oplossing. Daarom behandelt het College deze klachtonderdelen gezamenlijk. Vast staat voor het College dat de kinderen op 6 februari 2016 uit huis zijn geplaatst in verschillende pleeggezinnen. Vier maanden later is de casus overgedragen aan de GI en vanaf juli 2016 is de jeugdprofessional betrokken bij het gezin. Uit het verweer is gebleken dat er reeds ten tijde van de bemoeienis van [GI2] wantrouwen bestond bij de ouders tegen de hulpverlening. Toen de jeugdprofessional de casus overnam, was het niet meer mogelijk een werkrelatie met de ouders op te bouwen. Het perspectief lag op dat moment (medio 2016) voor beide kinderen, twee en drie jaar oud, open. Uit het dossier, maar ook uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is het College gebleken dat er vanaf juli 2016 meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de jeugdprofessional, zijn collega en de ouders om te bepalen hoe er gewerkt kon gaan worden aan terugplaatsing van de kinderen. Vast staat dat er in die periode een – niet door de kinderrechter vastgelegde – omgangsregeling gold: de ouders en de kinderen zien elkaar één keer in de week. Om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de ouders is op 14 februari 2017 gestart met het gezinsopnametraject bij [de instelling 4], welk traject na vijf dagen is afgebroken. Het College heeft kennisgenomen van het observatieverslag van [de instelling 4] over de contactmomenten tussen de ouders en de kinderen en de conclusie is voor de ouders niet positief. Het observatieverslag geeft een somber beeld van de opvoedingsvaardigheden van de ouders en hun onderlinge relatie. Het advies van [de instelling 4] is, dat er in het belang van de kinderen duidelijkheid moet komen over de plek waar zij gaan opgroeien en de kinderen te plaatsen in één pleeggezin. Voor het College staat voldoende vast dat na het vroegtijdig afbreken van dit gezinsopnametraject door de GI en [de instelling 1] gezamenlijk besloten is de kinderen acht weken rust te geven. Daarna zijn de bezoekcontacten, en dat is door beide partijen ter zitting bevestigd, teruggegaan van wekelijks naar één keer in de vier weken. Echter, zo leest het College in de bijgevoegde stukken, omdat de zorgen (welke kennelijk zichtbaar waren op school en in de pleeggezinnen) bleven aanhouden, is direct na het advies van [de instelling 1] van 15 mei 2017, besloten de frequentie terug te brengen naar één bezoekcontact in de acht weken. In het daaropvolgende rapport van [de instelling 1] van oktober 2017 staat vervolgens te lezen: “dat het terugbrengen van de frequentie van de bezoeken naar één keer in de acht weken de kinderen veel rust heeft gebracht en dat er sprake is van een positieve voortgang”.

Het College overweegt dat in de eerste helft van 2017, toen de bezoekcontacten in twee stappen zijn teruggebracht, de signalen over het perspectief van de kinderen nog wisselend waren. Dat is ook bevestigd door de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht. In de notulen (gedateerd op 29 mei 2017) van het overleg op 9 mei 2017, waarbij aanwezig waren de vader, de jeugdprofessional, de collega en de gebiedsmanager, staat echter geschreven dat het perspectief voor de kinderen is veranderd. In deze notulen staat: “Terugkomend op de omgang die eerder wekelijks was, dit was mede omdat er gericht gewerkt werd aan een gezinsopname met als perspectief thuisplaatsing van de kinderen bij ouders. Dit perspectief is nu veranderd. De [vader] geeft aan dat dit traject door de GI is afgebroken, vanuit de GI is aangegeven dat hiertoe besloten is omdat [de instelling 4] de GI benaderd heeft omdat de veiligheid van de kinderen niet geborgd kon worden. Het hof is geïnformeerd over de ontwikkelingen van het traject middels het verslag van [de instelling 4] welke tijdens de behandeling van het hoger beroep behandeld is. Het hof heeft de eerdere beslissing van de rechtbank [….] bekrachtigd. De machtiging uithuisplaatsing blijft van kracht”.

Met uitzondering van deze passage in genoemde notulen ziet het College in het dossier geen aanwijzing dat er in die periode een opvoedbesluit over het perspectief is genomen, waarover de ouders zijn geïnformeerd. Het College overweegt dat het nemen van een opvoedingsbesluit een ingewikkeld proces is, dat een lange voorbereiding vergt en waar verschillende factoren invloed op hebben. Tijdens de mondelinge behandeling is het voor het College evenmin duidelijk geworden of de ouders is verteld dat het terugbrengen van de bezoekcontacten tijdelijk zou zijn, of wanneer dit geëvalueerd zou worden. Nu de vader ter zitting onbetwist heeft gesteld dat er alleen verwezen is naar het mislukte gezinsopnametraject en dat de frequentie van de bezoekcontacten is teruggebracht zonder dit vooraf te bespreken, acht het College het voldoende aannemelijk dat de vader tijdens het gesprek op 9 mei 2017 voor het eerst is geïnformeerd over het veranderde perspectief en de daarmee samenhangende schaarse bezoekmomenten. Uit de beschikking van de kinderrechter van 27 oktober 2017, zoals samengevat is weergegeven onder 2.17 van deze beslissing, blijkt voor het College voldoende dat er na het mislukte gezinsopnametraject bij [de instelling 4] is ingezet op een onderzoek door [de instelling 5] naar de opvoedcapaciteiten van de ouders en een mogelijke omgangsregeling. Nu er kennelijk nog geen besluit lag dat de kinderen niet meer teruggeplaatst zouden worden bij de ouders, acht het College het onnavolgbaar dat de bezoekcontacten zo drastisch en blijvend zijn teruggebracht. Bovendien zijn de ouders hier onvoldoende bij betrokken en is niet gebleken dat tussentijds een evaluatie heeft plaatsgevonden. Het College is derhalve van oordeel dat de jeugdprofessional artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode heeft geschonden. Voorts is artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (Respect), artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) geschonden. Het College verwijst ook naar de ‘Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’, waarin het constructief aangaan van een samenwerkingsrelatie wordt beschreven in hoofdstuk twee. Hoe moeilijk het voor de jeugdprofessional ook is (geweest) met de ouders de samenwerking aan te gaan, is het College van oordeel dat, zoals hierboven al overwogen, een uithuisplaatsing zó ingrijpend is, dat alle zorgvuldigheid hieromtrent in acht genomen dient te worden.

Het College zal niet ingaan op de opmerking van de vader dat de bezoekcontacten juist goed verliepen en de jeugdprofessional dat ook heeft beaamd, omdat het College daar in het dossier wisselende rapportages over heeft gelezen. De klacht van de vader over het weigeren van extra bezoekcontacten beschouwt het College als onderdeel van de klacht over de lage frequentie, waarover hierboven reeds een oordeel is gegeven. Voor zover de klacht van de vader erop toeziet dat er geen familie mee mocht naar de bezoekcontacten met de kinderen merkt het College op zich in deze casus wel te kunnen voorstellen dat de jeugdprofessional de nadruk heeft willen leggen op de contacten tussen de ouders en de kinderen. Daarnaast zitten er in het dossier ook aanwijzingen dat zeker getracht is de kinderen en de familie bijeen te brengen. Het College wijst op een e-mailbericht van 22 augustus 2018 waarin een voorstel wordt gedaan voor een familiebijeenkomst en op een bezoek van de kinderen met de familie aan de dierentuin op 30 maart 2019. In dit deel van de klacht ziet het College geen aanleiding tot een tuchtrechtelijk verwijt.

4.3.4 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional de bezoekcontacten heeft teruggebracht van wekelijks naar één keer in de acht weken, en de wijze waarop dat is gegaan. Voor het overige verklaart het College het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Positieve deskundigenverklaringen omtrent het verloop van de bezoekcontacten worden niet meegenomen en de ouders krijgen geen opvoedondersteuning.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft nooit de bevindingen van andere professionals ([de instelling 3], observaties van de behandelaar van de moeder) over de contactmomenten willen accepteren. Alleen de eigen rapportages zijn geldend. De vader begrijpt niet waarom er geen onafhankelijke observatie wordt toegestaan tijdens de contactmomenten. De ouders krijgen geen ondersteuning/aanwijzingen in hun opvoedvisie. Pas in de rapportages die vlak voor een zitting worden opgesteld, krijgen de ouders te horen dat zij de bezoekcontacten meer inhoud kunnen geven, zonder verdere onderbouwing. De opvoedvisie van de ouders wordt door de jeugdprofessional niet gerespecteerd. Daardoor wordt de terugkeer van de kinderen onmogelijk gemaakt. Artikel E (Respect) van de Beroepscode is hiermee geschonden.

4.4.2  De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De GI heeft wel kennis genomen van de deskundigenverklaringen. Zo heeft de behandelaar van de moeder informatie verschaft over de gehoorstoornis van de moeder en is er kennis genomen van het verslag van [de instelling 3]. Die verslagen zijn meegenomen ten behoeve van het kortdurende gezinstraject. Bij het onderzoek van het [de instelling 5] zijn de ouders in kennis gesteld van de mogelijkheid zelf verslagen aan te dragen. Echter, de betrouwbaarheid van het interactie-onderzoek van de behandelaar van de moeder vindt de jeugdprofessional twijfelachtig. Dit omdat de ouders zelf hebben gefilmd en het onduidelijk is wat beoordeeld is. De behandelaar heeft hierover ook geen contact opgenomen met de GI of met [de instelling 1]. Een gedegen en objectief interactie-onderzoek vraagt om openheid en medewerking. Bovendien heeft de GI tijdens de bezoekmomenten ook andere zorgelijke signalen gezien van de ouders, los van de interactie met de kinderen. De GI vond verder onderzoek noodzakelijk.

De GI neemt uitdrukkelijk afstand van het verwijt dat de insteek is dat de kinderen tot hun achttiende verjaardag niet meer thuis komen wonen. De casus betreft een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing waarbij steeds sprake is van toetsing door de rechtbank. De GI heeft ingezet op interventies op het perspectief van de kinderen en op onderzoek naar de mogelijkheden van de ouders. Eerst is een kortdurende gezinsopname ingezet, wat is mislukt, en daarna onderzoek door het [de instelling 5]. Het is moeizaam om hierin met de ouders tot een samenwerking te komen. De jeugdprofessional betwist dat de ouders geen ondersteuning krijgen in hun opvoedvisie. Die wordt wel degelijk gegeven maar er is veel weerstand. Naar de beleving van de ouders zijn de kinderen ontvoerd.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:

Uit het dossier blijkt dat de ouders de opdrachtgevers zijn van [de instelling 3]. Door de jeugdprofessional is onbetwist verklaard dat het verslag van [de instelling 3] wel is meegenomen ten behoeve van het gezinsopnametraject. Ook de bevindingen van de behandelaar van de moeder over de bij haar aanwezige gehoorstoornis heeft het College regelmatig in het dossier terug gelezen. Dat de

jeugdprofessional in zijn verweer heeft verklaard te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het interactie-onderzoek van de behandelaar van de moeder, acht het College navolgbaar. De ouders hebben zelf gefilmd, het was onduidelijk wat er is beoordeeld en het is het College niet gebleken dat de behandelaar hierover contact heeft gehad met de GI of met de pleegzorginstelling. Overigens had de jeugdprofessional ook zelf navraag kunnen doen naar de validiteit van het interactie-onderzoek. Dat was naar het oordeel van het College een optie geweest. Dat dat kennelijk niet is gebeurd, maakt niet dat de jeugdprofessional buiten de grenzen van een redelijk handelend jeugdprofessional is getreden. Het verweer van de jeugdprofessional dat de ouders ten behoeve van het [de instelling 5]-onderzoek is aangeboden zelf informatie te mogen indienen, is door de vader tijdens de mondelinge behandeling niet weersproken. Tot slot wijst het College de ouders erop dat het hen altijd vrij staat om eigen bevindingen en rapportages aan – bijvoorbeeld – de rechtbank aan te bieden.

Ten aanzien van het deel van de klacht van de vader dat de ouders tijdens de bezoekcontacten geen opvoedondersteuning hebben gekregen, overweegt het College als volgt. In de ‘Richtlijn Pleegzorg’ staat, dat na de beslissing tot een uithuisplaatsing direct een omgangsregeling moet worden vastgesteld en dat ervoor gezorgd moet worden dat de ouders en de kinderen elkaar snel en regelmatig weer kunnen zien in een veilige omgeving. Dit contact dient zorgvuldig begeleid te worden. In ‘hoofdstuk 3’ van deze richtlijn staat vervolgens dat er afspraken gemaakt dienen te worden over intensieve begeleiding van de ouders en hun kinderen. De richtlijn noemt een aantal effectieve interventies voor specifieke problemen van pleegkinderen. Eén van die interventies is bijvoorbeeld ‘Parent Child Interaction Therapy’, om de ouder-kindinteractie te verbeteren. Nu de jeugdprofessional onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt of, en zo ja wat voor interventie er is ingezet, is voor het College niet vast komen te staan wat voor structurele ondersteuning de ouders kregen tijdens de bezoekcontacten, anders dan mogelijke tips en aanwijzingen. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional hiermee een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode zijn hierdoor geschonden. Het College realiseert zich wederom dat het moeilijk geweest zal zijn om met de ouders tot die overeenstemming/instemming te komen, maar meent dat de jeugdprofessional meer dan nu het geval is geweest, had moeten proberen een proces op gang te brengen de ouders te ondersteunen de relatie met de kinderen op te bouwen c.q. te onderhouden en hen opvoedingsvaardigheden bij te brengen. Dat hierdoor de terugkeer van de kinderen onmogelijk wordt gemaakt, zoals de vader stelt, kan het College niet vaststellen.

4.4.4 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional onvoldoende zorg heeft gedragen voor opvoedondersteuning aan de ouders. Voor het overige verklaart het College het klachtonderdeel ongegrond.

4.6 Klachtonderdeel 6

4.6.1. De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional bepaalt de frequentie van de bezoeken en bouwt deze steeds verder af. Dit is machtsmisbruik.

Toelichting:

De kinderrechter wil eerst een onderzoek omdat de jeugdprofessional vol houdt dat een hogere frequentie voor de kinderen schadelijk is. De start van het onderzoek heeft acht maanden op zich laten wachten. De kinderrechter gaf hier opdracht voor in november 2017 en het onderzoek is pas in mei 2018 begonnen, omdat de GI weigerde de door het [de instelling 5] gebruikte standaardformulieren te gebruiken. In die tijd is de frequentie laag gebleven. Artikel H (Macht en afhankelijkheid in een professionele relatie) is hier van toepassing.

4.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Er ligt het advies van [de instelling 1]. De GI en [de instelling 1] hebben de situatie na het mislukken van het gezinsopnametraject besproken met de ouders. De ontstane situatie na dit traject heeft veel impact gehad op de kinderen. Het was juist de bedoeling om de ouders en de kinderen zo spoedig mogelijk de gelegenheid te geven toe te werken naar herstel van de gezinssituatie. De ouders hebben de eindrapportage ontvangen en dit is met hen besproken. Een andere interventie is geweest de aanvraag van een beslissingsdiagnostiek bij [de instelling 5] om het perspectief van de kinderen te kunnen beoordelen. Het aanvraagformulier voor het onderzoek van [de instelling 5] is in oktober 2017 met de ouders besproken. Omdat de ouders een eigen visie hadden, is de aanvraag in een reeks zittingen bij de kinderrechter aan de orde geweest. De moeder heeft uiteindelijk in mei 2018 onder protest getekend. De ouders zijn het stelselmatig oneens met het beleid en er is veel wantrouwen.

4.6.3 Het College overweegt als volgt:

Het College ziet ook in dit klachtonderdeel, waar de vader klaagt over de afbouw van de bezoekcontacten, een herhaling van de in samenhang behandelde klachtonderdelen 3 en 5 en verwijst naar het oordeel aldaar. Ten aanzien van de opmerking van de vader dat het [de instelling 5]-onderzoek lang op zich heeft laten wachten, is het College van oordeel dat de ouders een aandeel hebben gehad in deze vertraging. Het College verwijst hiervoor naar hetgeen is weergegeven onder 2.19 van deze beslissing. Vast staat voor het College dat pas tijdens de zitting van 13 april 2018 overeenstemming is bereikt over de wijze van aanvragen van het onderzoek. Het College overweegt dat de tijd tussen het voorleggen van de aanvraag aan de ouders en het (door de moeder onder protest) akkoord gaan met de aanvraag relatief lang is geweest, maar kan niet vaststellen dat de jeugdprofessional hier een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zich voldoende ingespannen om vaart achter de aanvraag te zetten. Gezien het grote belang van het [de instelling 5]-onderzoek voor zowel de ouders als de kinderen had hier van de ouders meer inspanning verwacht mogen worden en geen kostbare tijd verloren te laten gaan.

4.6.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond voor zover het toeziet op de afbouw van de bezoekcontacten. Voor het overige is het klachtonderdeel ongegrond.

4.7 Klachtonderdeel 7

4.7.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Bezoekmomenten worden niet gedocumenteerd en gezinsplannen worden niet besproken, laat staan dat de ouders iets mogen wijzigen of toevoegen aan het dossier.

Toelichting:

Het gezinsplan van 20 april 2018 kregen de ouders pas te zien toen het al was ingediend bij de rechtbank. Daarna is het ook niet meer besproken. Hetzelfde geldt voor het gezinsplan in 2019. De jeugdprofessional heeft eronder gezet dat de vader het plan op 23 april 2019 heeft gezien en akkoord is gegaan, terwijl het gezinsplan pas op 28 april 2019 bij de ouders in de brievenbus is gedaan. Daarbij heeft de jeugdprofessional het gezinsplan niet ondertekend. In een observatieverslag over het bezoek in januari 2018 is duidelijk te zien dat al het negatieve onder een vergrootglas wordt gelegd, wat het tot een eenzijdige rapportage maakt. Artikel M (Verslaglegging/dossiervorming) is van toepassing en geschonden.

4.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De ouders weigeren het gezinsplan van 20 april 2018 te bespreken omdat er teveel onwaarheden in vermeld zouden staan. Het plan is in concept opgestuurd zodat de ouders een reactie kunnen geven. Die reactie blijft vervolgens uit of de ouders komen met een ander plan. De vader is uitgelegd dat het gezinsplan van 2019 ten opzichte van het plan van 2018 weinig aanpassingen kent en dat het plan vooral in het teken van het [de instelling 5]-onderzoek staat, waarvan de resultaten moeten worden afgewacht. De vader was het daarmee eens. Afgesproken is het gezinsplan nog diezelfde dag, op 23 april 2019, bij de vader in de brievenbus te doen. Vanwege de vanzelfsprekendheid dat de ouders op 23 april 2019 het plan hebben gezien en de snelheid van de afhandeling hebben de ouders dit mogelijk als te kort dag ervaren. Het gezinsplan van 20 april 2018 is in het systeem aangemaakt door de jeugdprofessional en vandaar dat alleen hij het ondertekend heeft.

4.7.3 Het College overweegt als volgt:

Ten aanzien van het gezinsplan van 20 april 2018 heeft de vader geen onderbouwing overgelegd waaruit blijkt dat het gezinsplan niet tijdig aan hem is voorgelegd. Daarbij heeft de jeugdprofessional gesteld dat de ouders het gezinsplan niet wilden ondertekenen omdat er onwaarheden in zouden staan. Het College kan onder deze omstandigheden niet vaststellen wat de gang van zaken is geweest rondom het gezinsplan van 20 april 2018.

Voor wat betreft het gezinsplan van 2019 is voor het College – nu beide partijen dat hebben bevestigd – voldoende komen vast te staan dat de jeugdprofessional het gezinsplan op 23 april 2019 eerst telefonisch met de vader heeft besproken. Het College overweegt, dat op welke datum het gezinsplan de vader ook heeft bereikt, de jeugdprofessional in zijn verweer heeft verklaard dat hij er vanuit is gegaan dat de ouders het plan op 23 april 2019 hebben gezien en dat de ouders dit mogelijk als te kort dag hebben ervaren. Het is de verantwoordelijkheid van een jeugdprofessional de ouders concreet te wijzen op het opgestelde gezinsplan en hen voorts gedurende een redelijke termijn de gelegenheid te bieden daarop te kunnen reageren en feitelijke onjuist- en onwaarheden te corrigeren. Het recht op inzage en correctie volgt uit artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met dit artikel.

Voor het verwijt van de vader dat de rapportages eenzijdig zijn en dat alleen het negatieve wordt benadrukt, vindt het College geen aanwijzingen in het dossier. In het voorbeeld dat de vader noemt, te weten een verslag van een bezoekcontact in januari 2018 leest het College een opmerking over een blauwe slab, die de zoon niet om wil. Hierin ziet het College geen gebeurtenis, die als negatief onder een vergrootglas wordt gelegd. Bovendien staat in dezelfde rapportage ook veel positiefs genoemd over – onder meer – cadeautjes en een fijne sfeer. Tot slot wordt een gezinsplan vastgesteld en is het geen vereiste dat beide betrokken jeugdbeschermers het plan ondertekenen. In casu is het gezinsplan getekend door de jeugdprofessional en niet door de collega. Het College overweegt dat het gezien de context van deze casus raadzaam was geweest het gezinsplan van 2018 door beide jeugdbeschermers te laten ondertekenen, maar dat dat niet is gebeurd, is geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

4.7.4 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional de ouders onvoldoende gelegenheid heeft gegeven te kunnen reageren op het gezinsplan 2019 en feitelijke onjuist- en onwaarheden te corrigeren. Voor het overige verklaart het College het klachtonderdeel ongegrond.

4.8 Klachtonderdeel 8

4.8.1 De vader verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De ouders worden volledig genegeerd in het oplossen van een probleem met de zoon.

Toelichting:

De zoon heeft al diverse keren in de auto van de pleegmoeder na een bezoekmoment onrustig gedrag vertoond. De zoon is niet getroost maar aan zijn lot overgelaten. De ouders worden volledig genegeerd in het oplossen van dit probleem. Artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) is hier van toepassing.

4.8.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional verwijst hier naar het eerder gevoerde verweer en  – als uitvoerende partij van een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing – naar de beschikkingen die als producties bij het verweer zijn meegezonden.

4.8.3 Het College overweegt als volgt:

De vader heeft dit klachtonderdeel niet onderbouwd. Derhalve is het door de vader gestelde voor het College niet vast te stellen.

4.8.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.9 Conclusie

4.9.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot de klachtonderdelen 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 (gedeeltelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (Respect), artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en artikel M (Verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode zijn geschonden. Tevens heeft de jeugdprofessional niet in lijn gehandeld met de Richtlijn ‘Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ en de Richtlijn ‘Pleegzorg’. Naar het oordeel van het College had de jeugdprofessional de ouders in een gewichtige aangelegenheid als de schoolkeuze van de dochter zoveel als mogelijk moeten betrekken en had hij, gezien de omstandigheden, moeten zoeken naar mogelijkheden die passend en geboden waren. Ook had de jeugdprofessional zich moeten inspannen de ouders, nu zij niet welkom waren op de ouderavonden, op andere wijze te betrekken bij de schoolse activiteiten van de dochter en hen conform afspraak twee keer per jaar moeten informeren over de ontwikkelingen op school. Dit heeft de jeugdprofessional nagelaten. Na het fietsongeval van de zoon is de jeugdprofessional voorts overgegaan tot het laten toedienen van een tetanusinjectie aan de zoon, terwijl (nog) niet vast stond of de ouders toestemming voor deze medische behandeling zouden weigeren. De jeugdprofessional heeft een verzoekschrift ingediend bij de kinderrechter om – met terugwerkende kracht – vervangende toestemming te vragen voor de tetanusinjectie. In dit verzoekschrift is de vader, naar het oordeel van het College, onnodig in een negatief daglicht gesteld. Daarnaast heeft de jeugdprofessional de bezoekcontacten teruggebracht van één keer per week naar één keer in de acht weken, terwijl het perspectief voor de kinderen niet was bepaald. Bovendien zijn de ouders onvoldoende meegenomen in de beperking van deze bezoekcontacten en is niet komen vast te staan dat er tussentijds een evaluatie met betrekking tot de bezoekcontacten heeft plaatsgevonden. Tevens heeft de jeugdprofessional onvoldoende zorg gedragen voor opvoedondersteuning aan de ouders. Tot slot heeft hij de ouders geen redelijke termijn gegeven om op het gezinsplan van 2019 te kunnen reageren.

4.9.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. Het College hecht er allereerst aan te benadrukken dat een uithuisplaatsing voor zowel kinderen als hun ouders een buitengewoon ingrijpende ervaring is. In de praktijk blijft het voor de ouders vaak lang onduidelijk of hun kind weer bij hen zal terugkeren. Niet alleen bij de kinderen, maar ook bij hun ouders zorgt dit voor veel onzekerheid over hoe de toekomst er uit zal zien. Het College overweegt dat contacten met de ouders dan van belang zijn voor het kind, omdat het kind (ondanks een soms moeizame relatie met de ouders) in veel gevallen nog steeds loyaal aan hen zal zijn. Beslissingen over bezoekcontacten moeten daarom zorgvuldig en op individuele basis worden gemaakt en afspraken moeten worden bewaakt en geëvalueerd, omdat continuïteit en regelmaat in de frequentie en duur van de bezoeken een beschermende factor zijn voor de ontwikkeling van het kind. Een slecht contact, of geen contact, kan de ontwikkeling van een kind belemmeren, of kan zelfs leiden tot angst, trauma en vervreemding van de ouder en ook een goede relatie met pleegouders in de weg staan. De context van het contact blijkt in ieder geval van belang.  Het College neemt het de jeugdprofessional kwalijk dat de bezoekcontacten tussen de ouders en de kinderen zo drastisch zijn teruggebracht, terwijl het onduidelijk was of de kinderen bij de pleegouders zouden blijven of teruggeplaatst konden worden bij de ouders. Bovendien is niet gebleken dat er na het verminderen van de bezoekcontacten evaluatiemomenten met de ouders zijn ingepland, noch dat er serieuze interventies zijn ingezet op het ondersteunen van de opvoedvaardigheden van de ouders. Als nog niet duidelijk is of het kind terug naar huis zal gaan, is de context bijvoorbeeld heel anders dan wanneer duidelijk is dat het kind in het pleeggezin zal blijven wonen. Derhalve dienen bij zo’n zware maatregel tot uithuisplaatsing de te nemen stappen en de te kiezen interventies uiterst zorgvuldig genomen te worden. De jeugdprofessional heeft onvoldoende zorgvuldig gehandeld en meerdere beroepsnormen geschonden, waarbij zijn handelen ernstig nadeel voor de ouders (en mogelijk ook voor de kinderen) heeft opgeleverd. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional in de ogen van het College ook weinig reflectie op zijn handelen getoond.

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid houdt het College echter ook rekening met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional gehandeld heeft. Het is het College duidelijk geworden dat er sprake is geweest van een moeizame samenwerking tussen de ouders en de jeugdprofessional, waar de ouders ook zeker een aandeel in hebben gehad. Dat is er mede de oorzaak van geweest dat het – in de ogen van het College – door de kinderrechter meermaals noodzakelijk bevonden onderzoek door het [de instelling 5] lang op zich heeft laten wachten. Concluderend, acht het College het gelet op de ernst van het handelen passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen. Het openbaar maken van de maatregel van berisping zou met zich mee brengen dat deze maatregel, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanwege de geschetste (verzachtende) omstandigheden, namelijk de zeer complexe situatie waarin de jeugdprofessional heeft moeten opereren, ziet het College voldoende aanleiding om daarvan af te zien. Aan de jeugdprofessional wordt dan ook de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
  • verklaart de klachtonderdelen 3 en 5 (in samenhang beoordeeld), 2, 4, 6 en 7 deels gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 8 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 9 januari 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris